Anoniem en Jacob Reinoud Theodoor Ortt/Opmerkingen over de wijze van uitvoering der droogmaking van de Zuiderzee

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Opmerkingen over de wijze van uitvoering der droogmaking van de Zuiderzee
Auteur(s) Anoniem en J.R.T. Ortt
Datum Zaterdag 22 november 1873
Titel Opmerkingen over de wijze van uitvoering der droogmaking van de Zuiderzee
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 8, 47, [2-3]
Brontaal Nederlands
Bron libserv.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[2]


[...]


OPMERKINGEN OVER DE WIJZE VAN UITVOERING DER DROOGMAKING VAN DE ZUIDERZEE.


      In het verslag der staats-commissie ter beoordeeling van het ontwerp voor het indijken, droog maken en in cultuur brengen van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee, komt onder de bijlagen een stuk van den hoofd-ingenieur Jhr. J. R. T. Ortt voor, dat der lezing overwaardig is.
      De inhoud van dit belangrijke stuk verdient onder de oogen van het publiek te komen en wij vermeenen daartoe niet beter te kunnen medewerken, dan door het geheel mede te deelen. Voor aanvragers van concessiën, bankiers, directeuren van bestaande en nog op te richten maatschappijen komt daarin menige zinsnede voor, hunner aandacht overwaardig.
      De bedoelde bijlage is van den volgenden inhoud:
      Eene droogmaking als die van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee is van zoo grooten omvang en van zoo ingrijpenden aard voor ons geheele Rijk, dat het al of niet uitvoeren daarvan met den meesten ernst moet worden overwogen, en men nimmer ter wille van een concessionaris daartoe mag overgaan, en slechts tot de uitvoering mag besluiten, wanneer de overtuiging bestaat, dat het werk in het algemeen belang wenschelijk is.
      Wordt de zaak eenmaal als wenschelijk beschouwd, dan is het plicht te noemen, dat alle mogelijke middelen worden aangewend om het welslagen van zoo eene kolossale onderneming te verzekeren, en gerust mag men zeggen, dat alleen eene uitvoering van staatswege daartoe de noodige waarborgen aanbiedt.
      Een werk toch dat bij concessie wordt uitgevoerd, staat aan vele wisselvalligheden bloot, die bij een staatswerk niet voorkomen, als daar hoofdzakelijk zijn:
      1o. de geschiktheid en eerlijkheid van directeuren;
      2o. goede beraming der kosten en der latere inkomsten;
      3o. financieele verwikkelingen, waardoor de onderneming aan uiteenspatting blootstaat; alle welke omstandigheden de uitvoering van een werk verhinderen of in de waagschaal stellen, en bij Rijksbeheer vervallen, of zeer zeker kunnen worden te boven gekomen.
      Ik wil deze punten eenigszins nader toelichten.
      Men behoeft niet verre te zoeken om voorbeelden te vinden, waardoor het eerste bezwaar op droevige wijze wordt bevestigd.
      De kuiperijen, gepleegd met de groote financieele operatiën van Langrand-Dumonceau, de gruwelijke geldverkwistingen die met de Maatschappij tot indijking der op- en aanwassen in de Oosterschelde zijn aan het licht gekomen, leveren daarvan reeds dadelijk het onbetwistbare bewijs.
      Dat ten 2e. het leveren van eene juiste raming dezer zoo uitgebreide en uiteenloopende werken niet denkbaar is, zal een ieder moeten erkennen; niet alleen toch dat zulke lange dijken en ver uit de kust verwijderde werken nog niet werden aangelegd, en men daarvan dus niet met juistheid de kosten kan bepalen, maar ook de tijd, benoodigd tot aanleg van den dijk, kan langer zijn dan men voorloopig dacht, en eene dergelijke teleurstelling in berekening van den noodigen tijd, kan bij de droogmaking en verkaveling nog veel grooter zijn, terwijl men eindelijk naar de kosten van verkaveling, op zoo ver verwijderde plaatsen uit de kust, slechts kan gissen, maar die niet kan begrooten. Dat eenige meerdere jaren van uitvoering, bij zulke ontzettende sommen als waarvan hier sprake is, alleen door renteverlies reeds tot geheel andere uitkomsten leidt, zal een ieder beseffen.
      Wat omtrent de onzekerheid der begrooting is opgemerkt, doet zich nog in veel grootere mate voor bij de schatting der opbrengsten. Wie toch, wie toch zal vooraf met juistheid den tijd bepalen, dat de aan de zee ontwoekerde gronden in cultuur kunnen worden gebracht, en alzoo tot verkoop geschikt zijn? Wenscht men algemeen dien tijd slechts op weinige jaren te bepalen, om de onderneming niet op het ongunstigst voor te stellen, toch heeft de Anna-Paulownapolder, waar het grootste gedeelte van den grond van gelijken aard is als de bodem der Zuiderzee, bewezen, dat daartoe tot ¼ eeuw kan benoodigd zijn.
      Ook kan onmogelijk de prijs worden berekend die de gronden zullen opbrengen, daar eene oppervlakte van bijna 200,000 hektaren nog nimmer ter markt werd gebracht, en toch is spoedige vandehandzetting wenschelijk, om het renteverlies niet te vergrooten.
      Bij zulke onzekere ramingen van de kosten en inkomsten der onderneming, is de toekomst der concessie reeds zeer onzeker, daar een deficit van slechts enkele millioenen de staking van het werk tengevolge hebben. Maar dit zijn niet de eenige oorzaken die tot mislukking der onderneming kunnen leiden; de toestand van de geldmarkt kan door politieke verwikkelingen zulke veranderingen ondergaan, dat bij de groote kapitalen waarvan hier sprake is, de voortgang of voltooiing van het werk reeds onmogelijk zou kunnen worden. Een reden, waardoor de kans van het welslagen van werken bij concessie ook verre bij uitvoering van staatswege ten achteren staat, is, dat bij het werk zelf het doel der onderneming is, terwijl de concessionarissen het welslagen alleen in zooverre beoogen, als zulks met voordeelige geldelijke uitkomsten gepaard gaat; vandaar dat vanwege de concessionarissen alle werken tot een minimum van aantal, afmetingen en sterkte worden aangelegd, teneinde uitgaven te besparen, iets waardoor het algemeen- of rijks-belang tevens zeer op den achtergrond wordt geschoven.
      Wanneer alzoo de wenschelijkheid van de droogmaking der Zuiderzee eenmaal is aangenomen, dan mag men in gemoede dit zoo belangrijke werk niet blootstellen aan al de wisselvalligheden die aan eene uitgifte bij concessie verbonden zijn, en waarvan de voornaamste worden genoemd, doch nog veel meerdere zich zullen voordoen, als daar zijn: verhooging van de arbeidsloonen, vertraging door gebrek aan de noodige grondstoffen, ontstaan van onheilen, doorbraken, enz.
      Maar behalve de onzekerheid der totstandkoming der werken, zoo bestaan hier nog vele bezwaren tegen het geven eener concessie, die ter sprake moeten worden gebracht.
      Hierboven is er op gewezen, dat de droogmaking der Zuiderzee een werk is, waarvan de kosten niet met zekerheid kunnen worden geraamd; het publiek kan onmogelijk genoeg vertrouwen in die berekeningen stellen, om zijne gelden aan zulk eene onderneming te wagen. Het begrijpt toch, dat zoowel de uitvoering, als de prijs der materialen en arbeidsloonen, in de vele jaren van uitvoering zoozeer uit de hand kunnen vallen, dat grootere kosten aan de uitvoering verbonden zijn, dan waarop is gerekend. Om dus het vertrouwen van het publiek te winnen en het tot deelneming over te halen, moet een der volgende wegen worden ingeslagen:
      1o. dat de Staat de rentebetaling der op te nemen sommen waarborgt, of:
      2o. dat eene vereeniging van aannemers het werk à forfait voor den prijs der begrooting aanneemt.
      De bezwaren aan het eerste stelsel verbonden, behoeven niet breedvoerig te worden toegelicht. Men stelt daarbij toch den Staat verantwoordelijk voor al de gelden die door de Maatschappij worden uitgegeven, voor de wijze waarop de werken in daggelden of bij besteding worden uitgevoerd, voor het aantal en de bezoldiging die aan Ingenieurs, Opzichters en verder personeel wordt toegekend. Wanneer nu door den Staat in al deze bijzonderheden wordt getreden en daaraan goedkeuring moet worden gehecht, dan toch zou de werkkring der Maatschappij zich tot zóó weinig bepalen, dat het aanwezen daarvan geheel en al doelloos wordt. Behoudt daarentegen de Maatschappij de macht van handelen, dan weer hangen Rijks-uitgaven af van niet genoegzaam gecontroleerde handelingen van particulieren.
      Het tweede geval eener besteding à forfait heeft nog meer bezwaren in. Konden toch eenige aannemers het geheele werk ten uitvoer brengen en eerst na de oplevering betaling ontvangen, dan zou men het heft in handen houden; maar deze wijze van uitvoering is onmogelijk. Naar gelang de werken vorderen, moeten de betalingen volgens een vooraf te ontwerpen tarief-begrooting geschieden. Dat de aannemers hun invloed hierbij in hooge mate doen gelden, spreekt wel vanzelf; evenals dat zij daarbij de bezwaren aan de eerste te maken werken breed uitmeten en de latere werken als min kostbare voorstellen.
      Dat men daarin spoedig toegeeft, behoeft geene vermelding; men wil, wegens dit verschil, de onderhandelingen toch niet afbreken en de geheele onderneming daaraan opofferen. Door voorstelling van groote risico als anderszins is de stelling toch zeer goed te verdedigen, dat de eerste werken in vergelijking meer zullen kosten. Wanneer dus eenmaal de verdeeling ten genoege van de aannemers is vastgesteld, aanvaarden zij het werk, en houden dit zoo lang vol. als zij met voordeel kunnen doen.
      Is eenmaal het goede van het werk genoten en kan men door kariger begrooting, of het stijgen der prijzen, geen voordeel meer van de werken trekken, dan is het een natuurlijk en onvermijdelijk gevolg, dat de aannemers de zaak opgeven en het voltooiien dan goedschiks wel ten koste van het Rijk moeten plaats hebben.
      Is men bij eene aanneming à forfait alzoo volstrekt niet zeker, dat het voor de gestelde som zal worden uitgevoerd, wel kan men de clausule zoo duidelijk stellen als men verlangt, dat alle werken, die voor de onderneming zullen noodig zijn, zoowel voorzien als niet voorzien, ten laste der aannemers komen, en het werk geheel voltooid en opgeleverd, de som van aanneming niet zal overschrijden; dat de aannemers gehouden zijn zich dienaangaande aan de beslissing van den Minister te onderwerpen en al die niet voorziene werken ten hunnen koste zullen


[3]


moeten maken. Al deze bepalingen kunnen niet verhinderen, dat vele zaken waartoe de aannemers zich niet verplicht rekenen ten koste der Maatschappij komen; telkens heet het, dat is niet billijk en behoeft niet door de aannemers te worden verricht, en wanneer men zich eenmaal op die helling heeft geplaatst, dan worden de eischen der aannemers steeds hooger en hooger, en laten zij zich voor alles wat niet duidelijk is genoemd extra betalen; en niet alleen voor extra werk, maar ook voor de werken zelven, indien men daarin, in het belang der onderneming, eenige wijzigingen wil brengen. Moet eenig werk wat spoediger worden opgeleverd, dan is zulks alleen tegen betaling te verkrijgen. Van alles weten zij partij te trekken, en zijn dit ook als aannemers tegenover deelgerechtigden verplicht. Tegen ruime betaling zijn zij daarom tot alles bereid; zonder bijbetaling mag niets veranderd worden, al kost zulks niets meer, ja al zouden zij er soms voordeel bij hebben.
      Dat die extra betaling niet kan worden ontweken, spreekt wel vanzelf. Bij weigering der aannemers om de verlangde werken uit te voeren, komt men al dadelijk tot het eenige dwangmiddel, namelijk intrekking van het contract; maar daardoor zou de Directie tevens zijne onderneming doen vallen, en dat strijdt zoozeer tegen haar eigen belang, dat men over het nadeel van vergoeding en bijbetaling al zeer spoedig heenstapt, en bij elk geval van dien aard, winnen de aannemers in kracht en overmoed en verliest de Directie van hare macht. Voorwaar eene droevige toekomst voor een omvangrijk werk, als dat der groogmaking van de Zuiderzee.
      Het doel van de aannemers en ook van de Maatschappij, om zooveel mogelijk bij de zaak te winnen, geeft aanleiding dat billijke klachten van velen terzijde worden gesteld, en zoowel particulieren als gemeenten en waterschappen onbillijke schade lijden, waarbij veelal geen ander middel van hersel bestaat, dan dat het Rijk, dat de concessie gaf, ook tot de vergoeding der schade overga, en dat voor zaken, die bij betere uitvoering van het werk hadden kunnen voorkomen worden.
      Door het uitbesteden van werken à forfait verliest, zooals uit bovenstaande blijkt, eene Maatschappij niet alleen haar macht, maar kosten haar de werken veel meer, dan bij eigen beheer en gewone besteding het geval zoude zijn.
      Men heeft uit bovenstaande gezien, hoe moeilijk en kostbaar het wordt om in werken, die door eene Maatschappij worden uitgevoerd, eenige wijziging en verbetering te brengen; en leidt dat alzoo in gewone gevallen reeds tot vele bezwaren, dan begrijpt een ieder hoe onverkomelijk die bezwaren zouden zijn bij een werk, als dat der groogmaking van de Zuiderzee, alwaar die belangen zoo groot en zoo ontzettend veelvuldig zijn, dat het onmogelijk is die allen te voorzien en te overzien.
      Ik heb hierboven in korte trekken trachten te schetsen, hoe weinig macht men, ook bij de best gestelde voorwaarden, op de uitvoering van het werk heeft, en ook dit geeft een nieuwe reden om sterk tegen het geven eener concessie te zijn. Het is toch aan eene Regeering niet geoorloofd om de bekende en ongekende belangen van zoo een groot deel van het Rijk, waar verscheidene provinciën, vele waterschappen, algemeene scheepvaart en zulk een groot aantal particulieren in betrokken zijn, als het ware uit de hand te geven en aan eene Maatschappij over te dragen.
      Ja ik weet, dat in het hoogste ressort de concessie bij plichtverzuim zou kunnen worden ingetrokken, maar tot zulk een uitersten maatregel komt men bij eene gewone concessie niet licht, en zal men bij zulk eene onderneming waarschijnlijk nimmer overgaan, wanneer het natuurlijk gevolg zou zijn, dat het werk dan vanwege den Staat zou moeten worden voltooid.
      Nog een nadeel aan de uitvoering bij concessie verbonden is, dat die veel kostbaarder is dan wanneer zulks van rijkswege geschiedt.
      Reeds dadelijk toch komt ter sprake het negotieeren van het noodige kapitaal, dat zeer zeker bij het Rijk tegen veel lager interest kan worden verkregen. Behalve het mindere vertrouwen dat eene Maatschappij aanbiedt, zoo leidt de bepaling, dat het Rijk de concessie bij plichtverzuim kan intrekken, altijd zwaar op het vertrouwen dat de geldbelegging aanbiedt. Moet de Maatschappij tot het bekomen van het noodige kapitaal zich tot aannemers à forfait wenden, dan hebben wij hierboven gezien tot welke exorbitante uitgaven zulks leidt. – Daarbij komen nog de buitengewone sommen, die ingenieurs, aannemers en geldschieters daarbij verdienen, alle welke onkosten bij een Rijks-werk vermeden worden.
      Ook de voordeelen aan wijziging, vervroeging en geheel veranderen van de werken verbonden, vloeien alsdan onbezwaard in ’s Rijks schatkist terug.
      Werkt het Rijk in eigen beheer, dan twijfelen sommigen aan goedkoopere uitvoering, maar dat is zeer ten onrechte.
      Van rijkswege wordt bij de bestedingen de publieke mededinging opengesteld; bij groote werken, als het leggen van den afsluitdijk, kan zulks geschieden met mede-inschrijving van buitenlandsche aannemers; maar al is zulk een werk grooter dan gewoonlijk, en stijgt daardoor ook de aannemingssom, dan behoudt men daarbij toch de macht in handen en plukt de voordeelen daaraan verbonden.
      Een reden van bezuiniging bij uitgifte der concessie werd mij door een groot voorstander dier wijze van werken opgegeven, namelijk, dat eene Maatschappij de veelvuldige reclamen ter, zijde legt, en de Staat die in overweging nemende- ter voorziening in de bezwaren tot groote uitgaven wordt geleid. Ik geloof dat zoo eene droevige stelling waarlijk niet tot aanbeveling mag strekken voor het uitgeven van de droogmaking in concessie.
      Als laatste, maar tevens als een der belangrijkste, bezwaren tegen eene uitgifte in concessie, moet ik nog spreken van den ontzettenden politieken invloed, dien eene Maatschappij, beschikkende over een kapitaal van ongeveer 200 millioenen, zoude kunnen krijgen.
      Ik behoef maar te wijzen op het groot aantal personen dat, op meer of minder ruime schaal, van dat fonds zoude leven, of er voordeel van zoude trekken en daardoor, in de eerste plaats, van het bestaan der Maatschappij, in de tweede plaats van haar Bestuur en ook van de aannemers afhankelijk zoude zijn, en de belangen van dezen overal en met al de hun ten dienste staande middelen zou trachten te bevorderen, ook al mochten die belangen lijnrecht in strijd zijn met het algemeen belang des lands.
      Heeft men reeds in Noord-Amerika er op moeten wijzen hoe gevaarlijk en nadeeling de machtige spoorwegmaatschappijen op de vrijheid der handelingen van de Regeering werken, hoeveel te meer zal dit in ons land zijn met een Maatschappij van zoo ruim een omvang, opgericht met vreemd kapitaal, en grootendeels, zoo niet geheel, uit buitenlanders bestaande. – Neen waarlijk, het geven der concessie van dit werk zou allernoodlottigst voor ons Vaderland zijn en een ware ramp moeten worden genoemd.
      Is het wenschelijk dit reuzenwerk uit te voeren, dat zulks alsdan van den aanvang af door het Rijk worde aangevat, en dat men daarmede niet wachte, totdat reeds vanwege eene concessie daaraan millioenen zijn verspild, of dat men later door tusschenkomst van die Maatschappij het werk nog grootere uitgaven moet uitvoeren.
      Bij dadelijken aanvang door het Rijk, worden alle plannen naar gelang van den voortgang en der behoefte opgemaakt; men wordt daarbij met de veranderde toestanden bekend en kan de kanalen, sluizen en stoomgemalen met meerdere zaakkennis ontwerpen; ziet men dat eene verandering of vergrooting van onderdeelen voor het algemeen belang noodig is, dan bestaat er geen hinderpaal om zulks naar behoefte te regelen.
      Het doel van den Staat is het werk goed te maken en op zijn voordeeligst voor het algemeen belang in te richten: dat kan niet anders dan gunstig en geleidelijk werken, evenals men dat bij den aanleg der Staatsspoorwegen heeft ondervonden, en dit is verreweg te verkiezen boven de uitvoering door eene Maatschappij, die slechts het verkrijgen van winsten beoogt.
      Wordt het werk van rijkswege uitgevoerd, dan belet niets, om het verkavelen en in cultuur brengen van de ingedijkte landen bij gedeelten aan particuliere Maatschappijen over te laten. De nieuwe provincie, door eene ringvaart omsloten, is dan geheel afgescheiden van de andere provinciën, en daarin kan niets ten nadeele van nu bestaande landen en waterschappen geschieden.
      Alle Rijks-belangen van instandhouding en bediening der groote waterwegen, onderhoud van den grooten zeedijk en der zeesluizen, instandhouding van het boezempeil op de verlangde hoogte, dat alles blijft dan onder Rijks-beheer. Bij eene dusdanige uitvoering zouden, mijns inziens, alleen Rijks-belangen behoorlijk te verzekeren zijn.
      Ten slotte moet ik opmerken dat, wanneer het werk door het Rijk wordt uitgevoerd en eenige millioenen meer vordert, dan waarop gerekend was, dit niet tot staking van het werk leidt, zooals bij uitvoering in concessie wel het geval is.


Het lid der Staats-commissie,
ingesteld bij Koninklijk besluit
van 4 Mei 1870, no. 1.


J. R. T. ORTT.


            Haarlem, Maart 1873.