Bataviaasch Handelsblad/Jaargang 17/Nummer 20/De brochure van den heer B. R. G. Bouricius
| ‘De brochure van den heer B. R. G. Bouricius’ door J.H.T. |
| Afkomstig uit het Bataviaasch Handelsblad, zaterdag 24 januari 1874, [p. 4]. Publiek domein. |
De brochure van den heer B. R. G. Bouricius
In dit artikel wenschen wij niet anders dan een overzicht te geven van den inhoud dezer brochure. Bespreking van het onderwerp, uitgifte van woeste gronden, zal later volgen.
Bij een drietal besluiten werden aan den heer B. R G. Bouricius te Batavia in huur afgestaan de perceelen woesten grond Waliran en Kandangan in de residentie Madioen. Met veel ijver was de huurder aan de exploitatie begonnen, toen hij op eens verneemt, dat de regeering van plan is een perceel woesten grond in de nabijheid van Waliran in erfpacht aan te bieden, en dat twee aanvragen zijn gedaan om gronden, grenzende aan Kandangan[.] Persoonlijk deed de uitvoering dezer beide plannen hem voor groot nadeel vreezen, maar daar het hier meer gold en wel de vraag: welk beginsel de regeering in de toekomst zal aankleven bij de toepassing en ten uitvoerlegging der Agrarische wet? wendde hij zich tof de Kamer van Koophandel om den steun van dat lichaam interoepen. De vice-president, de heer N. P. van den Berg, bracht in deze zaak preadvies uit, waarbij hij verklaarde het met den heer Bouricius eens te zijn omtrent het belang, dat de regeering had om andere perceelen aan te bieden, dan juist die vlak bij gevestigde ondernemingen gelegen, maar eenigszins den draak stak met het denkbeeld van den heer B om rondom elke onderneming een strook woesten grond te laten, ook al werd die in huur of erfpacht aangevraagd.
De Kamer vond dit preadvies uitstekend en legde er zich bij neêr.
Niet alzoo de heer Bouricius. Nu het hem bij de geheele kamer niet gelukt was, beproefde hij de leden afzonderlijk tot zijn gevoelen over te halen, en werkelijk slaagde hij bij den heer van den Berg volkomen. Deze schreef toen aan de kamer, dat hij vroeger gedwaald had, dat hij hij dit ronduit bekende, en dat hij nu de gronden van zijn veranderde zienswijze meêdeelde. Ook dit advies vond de kamer uitstekend: waar de heer van den Berg gedwaald had, mocht zij ook wel dwalen, en de heer Bouricius kreeg den gevraagden steun bij de Regeering.
Het laatste preadvies van den heer van den Berg houdt voornamelijk het volgende in: de kern van het vraagstuk ligt in de kwestie van de beschikbare werkkrachten en in verband hiermede van de dagloonen; in hoofdzaak komt het er dus op aan de houding der Regeering hiertegenover te bepalen. Nu is het raadzaam, dat op dit gebied geen onbegrensde mededinging wordt toegelaten, maar dat gewaakt wordt voor de belangen van eerste ontginners. Het in kultuur brengen toch van woeste gronden is, of het slage of niet, een baat voor de regeering, terwijl het voor de ondernemers altijd veel risico oplevert. De bezwaren, die deze laatsten op hun weg ontmoeten, geven hun recht op zekere bescherming van Regeeringswege tegen de mogelijkheid, dat die bezwaren nog vermeerderd worden door het toelaten van konkurrenten vlak naast het perceel, dat zij nog bezig zijn, ook ten bate van het Gouvernement, te herscheppen in eene productieve en belastbare onderneming. Elk ondernemer ziet dan ook in het gesloten huurkontrakt eene soort van concessie, en dat karakter moet bewaard blijven, daar anders het zoo onmisbare kapitaal niet zal zijn te vinden of zich terug zal trekken.
Buitendien er is meer, waarom het wenschelijk is eene zekere strook vrij terrein rondom elke nieuw begonnen onderneming te behouden. Het opkomen van eene partikuliere onderneming in een vroeger woeste en wilde streek is dikwijls voldoende om die streek over een veel grooter uitgestrektheid dan waarover de ondernemer beschikt, tot ontginning te doen komen. De bevolking zelf nl. gaat aan het ontginnen, en nu is het voor den ondernemer van zeer veel belang, dat haar daartoe de gelegenheid geschonken worde niet alleen, maar dat de noodige woeste grond aanwezig is, waarop die bevolking zich kunne uitbreiden. Nu zijn wel niet alle gronden daarvoor geschikt, masr juist de naast de onderneming liggende terreinen zijn het aangewezen gebied, waar binnen deze zich moet uitbreiden. Gelegenheid daartoe is eene levensvoorwaarde voor de meeste ondernemingen, en de meeste huurders hebben bij het aangaan der huurkontrakten er op gerekend, dat hun later zonder bezwaar die aangrenzende terreinen zullen worden afgestaan, die voor de eigen ontginningen der bevolking blijken zullen niet bruikbaar of niet noodig te zijn.
Er is geen reden, om niet aan het denkbeeld van concessie te blijven vasthouden. Het zou iets anders zijn wanneer er gebrek ware aan gronden, maar nu er nog zooveel duizenden bouws braak liggen, schijnt hij, die het eerst de zaak aandurft, ook recht te hebben op bescherming en ondersteuning van de regeering.
De kwestie van de uitgifte van woeste gronden op de buitenbezittingen moet geregeld worden in overeenstemming met de hoofdbeginselen van het kon. besl. van 20 Julij 1870. Ontneemt men nu aan het afstaan van woeste gronden het karakter van concessie, dan zal er van ontginning op de buitenbezittingen wel niets komen. Aanmoediging en zedelijke ondersteuning door de regeering van de eerste ontginners zijn vooralsnog bepaald noodig.
Anders handelende zou men ook in strijd komen met de duidelijke bedoelingen van den wetgever. Deze toch heeft bepaald, dat geene ondernemingen van partikulieren zullen worden toegelaten binnen een zekeren afstand van de Gouvernements aanplantingen. Is het nu billijk hiervan aftewijken, wanneer het partikuliere aanplantingen betreft? Is dat niet meten met twee maten, en eene transaktie met beginselen?
Wel heeft de kamer van koophandel zich indertijd sterk verzet tegen de bepaling, dat rondom elken Gouvernements-koffietuin een kring zou worden getrokken, waarbinnen niemand zou worden toegelaten, en waardoor dus groote uitgestrektheden grond tot langdurige onvruchtbaarheid zullen worden gedoemd. Voor dit laatste behoeft echter in dit geval geen vrees te bestaan, gelijk boven is aangetoond.
Echter moet voorkomen worden, dat door onverschilligheid of gemakzucht van den eersten ontginner de bedoelde gronden langer dan noodig is, onbenut blijven. Daarom zou zeer gevoegelijk kunnen worden bepaald, dat als ze niet binnen vijf of tien jaren na de sluiting der eerste overeenkomst tot uitbreiding zijn aangevraagd, de Regeering zelf ze bij wijze van uitbesteding zal kunnen aanbieden.
Op deze wijze worden de belangen van den eersten ontginner behoorlijk beschermd, terwijl de vrije mededinging niet voor goed wordt uitgesloten.