Bataviaasch Handelsblad/Jaargang 17/Nummer 20/Het volgende ontleenen wij uit een brief, alhier van Atchin ontvangen
| ‘Het volgende ontleenen wij uit een brief, alhier van Atchin ontvangen: […]’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit het Bataviaasch Handelsblad, zaterdag 24 januari 1874, [p. 3]. Publiek domein. |
[ 3 ]Het volgende ontleenen wij uit een brief, alhier van Atchin ontvangen:
„Op Batavia gelooft men, hoor ik, dat deze expeditie begonnen is als zoovele vroegere. Maar dan heeft men het mis. Alles is wel overlegd en doordacht, en terwijl wij op de reede van Atchin ten anker hebben gelegen, is alles goed opgenomen en verkend, waardoor wij al spoedig de overtuiging kregen dat wij eene moeielijke taak voor ons hadden.
De vijand heeft in het denkbeeld verkeerd, dat, daar onze marine op dezelfde plaats ten anker was gekomen, als tijdens de eerste expeditie, wij ook nu daar eene landing zouden beproeven waarom hij daar zijn strijdkrachten geconcentreerd had.
Die goede Atchinezen hadden buiten den waard gerekend; plotseling kwam ’s nachts ten 12 uren bevel, om heel stil de ankers te lichten en onder stoom te gaan ..... Behalve het voordeel van eene gelukkige landing, hebben wij er ook dit meê behaald, dat wij al onze bewegingen in de vijandelijke flank konden uitvoeren, en in het front door onze dappere marine ondersteund werden ..... Aan de marine hebben wij oneindig veel te danken ....
Heden, den 5den Januarij, zijn wij vier weken aan wal, wij staan hier sedert 14 dagen aan de rivier van Atchin vis-à-vis de Missighit en den Kraton, maar wij hebben den laatste nog niet gezien: toch hebben wij zooveel gewonnen, dat wij de loopgraven kunnen openen en dat de batterijen gereed zijn. Bij het bouwen van de laatsten heeft men ouder gewoonte weêr vergeten een kruitmagazijn aanteleggen.
Morgen zullen drie bataillons de kali overtrekken en de Missighit nemen, in welken tijd de artillerie door haar vuur eene bestorming op den Kraton zal voorbereiden; hiervoor is de 2de brigade bestemd, en dus zou mijn gelukster morgen kunnen opgaan.
De Atchinezen schieten goed; naauwelijks was onze batterij gereed, of er viel onder meer één schot binnen, dat één officier en 8 man buiten gevecht stelde.
Onder het schrijven dezes komt de order om morgen ochtend ten 5 uur tot een algemeenen aanval gereed te zijn, waarom ik dezen sluit.
Den 7den; ’s morgens. De post van eergisteren is tot heden uitgesteld en ik kan dus nog wat van het gevecht vertellen. Ofschoon wij allen gekommandeerd waren, zijn volgens eene latere contra-order alleen die troepen gegaan, die gedurende de eerste expeditie kennis met Atchin hebben gemaakt. De kolonel de Roy is met drie halve bataillons en eenige batterijen, des morgens te 4 ure met praauwen over de rivier gezet, omdat de door de genie gebouwde brug door den bandjir was weggeslagen (men is al aan een meer soliede brug begonnen) en moest langs de rivier marcheeren en de Missighit trachten te nemen; deze is in het front door kleine bentengs en andere verdedigingswerken ten sterkste bevestigd. Om kwart voor zeven uur begon het bombardement van onzen kant, dat beantwoord werd door een zeer hevig geweervuur, dat eenige uren aanhield; tegen 10 uur was de Missighit in ons bezit. De troepen moeten uitmuntend gevochten hebben.
De kavallerie met een half derde bataillon was gedurig voorop; de Roy met uitgetrokken sabel met zijn staf aan het hoofd, heeft zijn troepen onder een hevigen kogelregen, onder het roepen vau „tamboer battant! leve de koning! leve het vaderland” met een daverend hoerah en luide hoornmuziek in de vijandelijke positie gevoerd, die wat sterkte en uitgebreidheid aangaat, in den nieuweren tijd haars gelijke zoekt.
De Roy, ofschom aan den voet gewond, bleef in ’t gevecht tot in den namiddag, toen hij zich moest doen vervangen ..... De in gevecht zijnde troepen werden ’s namiddags door versche afgelost, en terugkomende defileerden zij met een hoerah! voor het hoofdkwartier, waar Z. E. de generaal van Swieten hen met betraande oogen begroette. Ook bij deze gelegenheid werd de kavallerie weêr bijzonder door hem onderscheiden ..... De door de Atchinezen aangelegde versterkingen zijn zeer soliede, o. a. hebben zij onderaardsche gangen aangelegd, bezet met bamboedoeri en randjoes, om zich voor onze granaten te dekken.”