Naar inhoud springen

Bataviaasch Nieuwsblad/Jaargang 49/Nummer 137/Boekbespreking

Uit Wikisource
‘Boekbespreking. Vragen der wijsbegeerte’ door A.V.G.
Afkomstig uit het Bataviaasch Nieuwsblad, zaterdag 19 mei 1934, vijfde blad, [p. 2]. Publiek domein.
[ vijfde blad, 2 ]

Boekbespreking

VRAGEN DER WIJSBEGEERTE.

1. Prof. dr. G. Heymans — Inleiding in de Metaphysica. Wereldbibliotheek 1933.
2. Dr. C. U. Ketner — Goed en Slecht. Een inleiding in de ethiek. Arbeiderspers 1933.

Van de beide bovengenoemde werken is het eerste een onder toezicht van prof. mr. dr. Leo Polak door H. Tulner bewerkte vertaling van den derden Duitschen druk van Heymans’ „Einführung in die Metaphysik”. Een gefundeerde kritiek te leveren op dit standaardwerk ligt ver buiten de competentie van ondergeteekende en kan ook niet in een dagblad worden verwacht. Slechts moge ik, om een aperçu te geven van den inhoud, aanhalen de woorden, waarmede prof. Heymans zijn arbeid liet verschijnen: „Dit boek tracht aan te toonen, dat en hoe de empirische, vooral in de natuurwetenschap toegepaste en uitgewerkte methode van onderzoek en bewijs, toegepast op een meer omvattend feitenmateriaal dan der natuurwetenschap ter beschikking staat, bij voortdurend toenemende kennis van dit materiaal tot verschillende wereldhypothesen leidt, die steeds beter aan het materiaal zijn aangepast; en hoe deze ontwikkeling voor onzen tijd in de hypothese van het psychisch monisme met criticistisch uitzicht een voorloopige afsluiting vindt”. Hieruit ziet men al dadelijk dat het boek zeer hooge eischen stelt en inderdaad, zooals prof. Polak in zijn „woord vooraf” opmerkt, geen spekje is „voor het bekje der menigte, waartoe in philosophicis ook de meeste zeer- en hooggeleerdheid behoort”.

Tegenover de klaarheid, intusschen, en de strengwetenschappelijke, niets-vergetende, streng methodische en evenwichtige betoogtrant, waaruit den lezer reeds na enkele bladzijden duidelijk wordt welk een bij uitstek kundig en betrouwbaar leidsman hem den weg wijst in dit hooggebergte der gedachten, past ons slechts instemming met het woord van prof. Polak: „Gezegend de kultuur, die zijn geest zal ademen!”

Is prof. Heymans’ boek bestemd voor studie-doeleinden van algemeen-wetenschappelijk ontwikkelden en filosofisch geschoolden, het werk van dr. Ketner is, blijkens zijn voorwoord, voor ongeschoolde lezers bedoeld. Deze schrijver bespreekt verschillende opvattingen die in den loop der eeuwen over het „zedelijke” zijn verkondigd en geeft over een en ander critische beschouwingen.

Het valt op hoe de auteur zich nauwgezet van zijn taak heeft willen kwijten: vooral niet te diep op de zaak in gaan, en denk er om dat je met volmaakte leeken te doen hebt! Uitvloeisel van deze angst om misverstaan te worden is ook het opnemen achterin van een vreemde-woorden-lijstje, waarin b.v. „kwaliteit” en „kwantiteit”, „subjectief” en „objectief” en dergelijke „verklaard” worden. Het valt m.i. te betwijfelen of de menschen die deze woorden nog moeten gaan opzoeken omdat ze met deze begrippen niet vertrouwd zijn, überhaupt een boek over zulke diepzinnige onderwerpen zullen gaan lezen! En nog sterker betwijfel ik ’t, of zij in dat geval den schrijver zullen kunnen volgen in zijn uiterst beknopte weergave van de door hem gedane „grepen” uit de geschiedenis der ethiek, grepen, die bovendien zoo uitgesproken door een sociaal-democratische hand zijn gedaan.

Hoe goed bedoeld deze poging tot voorlichting ook moge zijn, populariseering van wijsbegeerte en psychologie is en blijft een hachelijke onderneming: wie aanleg voor deze studies heeft, speurt al gauw de eenzijdigheid en de oppervlakkigheid van werkjes als dit en „grijpt” zelf, vaster en dieper, elders naar begripsverheldering; en wie geen aanleg heeft voor tochten door deze zware terreinen en er zich desondanks op waagt, doet dat gewoonlijk niet geen ander doel dan om op bijeenkomsten, vergaderingen, enz. bij gelegenheid wat halve kennis te luchten en door een te pas of te onpas geplaatst vreemd woord (uit dr. Ketners woordenlijstje!) zijn ijdelheid te streelen en zijn buurman te imponeeren. Ik vrees derhalve dat, ook al mocht dit boekje er goed ingaan — wat ik den schrijver persoonlijk natuurlijk gaarne toewensch — men dit verschijnsel in de kringen waar men de ethiek inderdaad wetenschappelijk en grondig beoefent, niet als heuglijk zal aanvaarden, doch veeleer als een bewijs voor de steeds verder voortschrijdende quasi-wetenschappelijkheid en quasi-grondigheid; kwalen, die onze maatschappij misschien nog voozer en nog onevenwichtiger maken dan zij door onwetendheid en knechtschap reeds is.

MR. A. V. G.