Beschrijving van Oekraïne/Borysthenes (Dniepr)
| ← Beschrijving van Oekraïne | Beschrijving van Oekraïne (1664) door Guillaume Le Vasseur de Beauplan, vertaald door Joan Blaeu | Taurica Chersonesus → |
| Uitgegeven in Amsterdam door Joan Blaeu. |
Beschrijving van de Rivier
BORYSTHENES,
gemeenelijck genoemt
NIEPR oft DNIEPR;
en van de zeden der
ZAPOROVISCHE COSACKEN.
DE rivier Borysthenes wordt nu gemeenelijck van de Moscoviters, Russen, Littauwers, Polen, en van alle Sarmatische volkeren Nieper oft Dnieper genoemt, van seker dorp Dniepersko, by 't welck sy haer oorsprong heeft. Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van de Latijnsche benaeming verschilt, soo sijn 'er, die achten dat d'oude naem Borysthenes beter op de rivier Berezin past, de welcke, het kasteel Borisou, en meer andere bespoelende, en de rivieren Prodwin, Zyze, Olhe, Zerdzie, Swiece, en een weynigh boven Rzeczycke, in sich ontfangen hebbende, sich in de rivier, die tegenwoordigh Borysthenes genoemt wordt, ontlast; daer sijn andere, die dese rivier Diaborysthenes noemen. Doch wat 'er af sy, wy sullen dit aen 't oordeel van de leser laten; en ick acht dat men niet langer aen d'ondersoecking van de naem moet blijven hangen; dewijl de Schrijvers, van de namen der rivieren en landen handelende, eerder by gissing, dan met versekering van de waerheyt daer af spreken. Indien men echter acht dat de rivier Borysthenes de Berezine der Ouden is, soo kan men ten minsten dit toestaen, dat dese Dnieper, daer af wy nu spreken, by outs met de selfde naem aengewesen heeft geweest; ten minsten aen 't benedendeel, daer sy de Berezine in haer gracht ontfangt; maer dat, soo veel het bovendeel aengaet, de naem daer af aen d'Ouden onbekent heeft geweest; oft, indien het eenige naem heeft gehadt, dat die door verloop van tijdt uytgewischt is, en dat dit bovendeel oock de naem van 't benedendeel heeft ontleent gehadt.
't Is seker dat Europa geen grooter rivier heeft, dan alleen de Donau; indien iemant de Wolga boven de Borysthenes stelt, die moet weten dat die, hoewel in Europa gesproten, echter meer onder de rivieren van Asien gereeckent moet worden, dewijl sy Europa slechts met een kleyn gedeelte van hare wateren besproeyt.
De Borysthenes heeft haeren oorsprong in Moscovien, van 't welck het Hartoghdom van Russen is, niet verre van de bron der riviere Moskou, by het dorp Dniepersko, van daer sy, westwaerts loopende, Wiasme bespoelt, en haren loop zuydwaerts nemende, voorby Dorohobusz, Smolensko, de hooftstadt van 't Hartoghdom van de selfde naem, Dubrowne, Orsse, Kopyse, Szklowan en Mohitovie stroomt, en, door d'invloeying van verscheyde beeken grooter geworden, sich naer Rohaczovie streckt, daer de rivier Druo in sijn gracht komt. Hy swelght oock, beneden dese stadt, de beeck Bobosne in, en besproeyt de stadt Striestyne, en ontfangt eyndelijck, een weynigh boven Rzeczyze, een gerechts-stadt, de Berezyne, van de welcke wy hier boven gewagh hebben gemaeckt, en die van eenige voor d'oude Borysthenes wordt gehouden, om de gelijcke klanck van de naem, en overeenkoming van 't woort. Sy dan, voorby dese plaetsen geloopen, vloeyt in de stadt Chelmiez, en stroomt van daer naer Lojowagorde, tegen over de welcke de rivier Soffze sich in de Borysthenes stort, van daer sy naer Lubiecze vloeyt, en naer het dorp Nawos, 't welck een adelijck huys heeft, en, door de wateren van de rivier Perepete, (die op de grensen van Podlachien in Polesie sijn oorsprong heeft) grooter geworden, neemt eyndelijck haer loop naer Kiovie, daer sy oock door 't water van de Dziesne, uyt het Hartoghdom van Severien vloeyende, vergroot wordt.
Kiovie, van d'inwoonders Kiow genoemt, is eender oudtste steden van Europa, gelijck uyt de merckteeckenen, die haer ouderdom te kennen geven, blijckt; namelijck, uyt haer lange en breede omkring, diepte der grachten, puynhoopen der kercken, en oude graven van veel Koningen, die daer begraven sijn. Van haer oude kercken sijn niet meer dan twee overgebleven, als tot een geheughteecken van een stadt, die eertijts soo groot heeft geweest; namelijck van S. Sophie, en van S. Michaël. D'overigen konnen niet, dan uyt de puynhoopen, bekent worden; gelijck van S. Basilius, welcks muren noch omtrent vijf of ses voeten hoogh staen, met Griecksche opschriften, over veertien hondert jaren in marmer gesneden, de welcke door de langen tijdt byna uytgesleten sijn. In dese puynhoopen ontdeckt men de toe[ Kaart 1 ]

De kercken van S. Sophie, en van S. Michaël sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie is cierlijck om aen te schouwen, van welcke sijde men haer oock besiet: want haer muren sijn met velerley beelden en historien verçiert, en dit met kleyne steentjes van verscheyde verwen, gelijck glas blinckende, beset, die soo konstelijck te samen gevoegt sijn, dat men naeuwelijcks kan sien of het schildery, of tapijtwerck is. Het gewelfsel is geheel van witte potten met kalck bestreecken. In dese kerck vind men de graven van veel Koningen; en d'Aertsbisschop van Kiow self heeft hier sijn stoel.
De kerck van S. Michaël wordt gemenelijck het verguld dack genoemt, om dat sy met vergulde platen gedeckt is. Hier word oock het lighaem van S. Barbara gevonden, het welck, gelijck men segt, daer gebracht is in d'oorlogh die tusschen de Russen en Griecken geresen was, de Nicomedische oorlogh genoemt.
Het oudt Kiow legt op een vlackte van een hooge bergh, van de welcke men aen d'een sijde over het lant, en aen d'ander sijde over de Borysthenes siet, de welck aen de voet van dese bergh vloeyt. Maer tusschen dese oude stadt, en de genoemde vloet is de nieuwe stadt Kiow, die in dese tijt niet wel bewoont, en naeuwelijcks vijf oft ses duysent inwoonders begrijpt. Haer langte, aen de Borysthenes te meten, daer sy aen legt, is van vier duysent schreden; en haer breette in de rechte lijn, van de Borysthenes tot aen de bergh, is omtrent drie duysent schreden groot. Sy is van een slechte graft, omtrent vijf-en-twintigh voeten breet, omringt; is driehoeckigh van gestalte, met een houte wal besloten, en van torens of bolwercken van de selfde stoffe. Haer kasteel leght op de schuynte van de bergh, wel hooger als de stadt, daer het over gebied, maer echter laeger dan d'oude stadt.
De Roomsche Catholijcken besitten daer vier kercken, naemelijck de hooftkerck, de kerck der Dominikanen op de marckt, der Bernardinen op de bergh, en niet verre van daer de kerck der Iesuyten, die hun wooning tusschen de Bernardinen en de rivier hebben.
De Griecksche Russen hebben omtrent tien kercken, die sy Xerkcuils noemen, van de welcken d'een staet by 't Stadthuys, daer de Russen hun Academie hebben, die sy anders Brassra Xerkcuils, of kerck der gebroederschap noemen. Daer is noch een ander aen de voet van 't kasteel. S. Nicolaus kerck genoemt, indien men my niet bedrieght. D'anderen staen in verscheyde gewesten van de stadt, van welckers namen men geen kennis heeft.
Dese stadt heeft niet meer dan drie voortreffelijcke straten; d'anderen sijn niet recht, noch krom, in goede ordening, maer bochtigh gelijck een doolhof. Zy word in twee deelen gedeelt, in Bisschoppelijcke, daer de hooftkerck is, en gemeene stadt, daer drie Roomsche, en d'andere Griecksche kercken sijn. Hier is een vermaerde koophandel, voornamelijck van kooren, en erreten, boonen, &c, van was, honigh, smeer; gesoute visch, &c. Sy heeft een Bisschop, Paltsgraef, Kasteleyn, een Overste of Starosta, en een krijgsrecht: vier Rechtspraken, namelijck van de Bisschop, van de Paltsgraef, of Overste, (want de Paltsgraven van Kiow sijn oock Oversten oft Starosten) van d'Advocaet, en de leste van de Burgermeesters van de stadt.
De huysen sijn daer, op de Moskovische wyse, slecht en laegh gebouwt, en ten meestendeel niet meer dan een soldering hoogh. Sy gebruycken kaerssen van splinters gemaeckt, soo goet koop, dat men, selfs in de langste nachten des winters, niet dan voor seer weynigh gelt behoeft. De schoorsteenen worden oock op de marckt verkocht, 't welck yder tot lachen sou verwecken, gelijck oock hun wijse in de spijs te bereyden, als mede hun huwelijcken, en andere plechtelijckheden; van 't welck wy hier na breedelijcker sullen spreken. Niet tegenstaende dese dingen is hier uyt dit soo strijdtbaer volck voortgekomen, die wy heden Zaporovische Cosacken noemen, nu soo veel jaeren in verscheyde gewesten van de Borysthenes verspreydt, gelijck oock in de landen, die daer omtrent leggen, uyt de welcke men heden, op des Konings minste wenck, binnen acht dagen tijdts, hondert en twintigh duysent strijdtbaere mannen vergaderen kan. Dit is het volck, 't welck dickwijls, en deurgaens alle jaren op d'Euxinus stroopt, en dit op de Turcken, tot grooten dienst der Christenen. Dit sijn de gene, die soo dickwijls het Crimische Tartarien hebben afgeloopen, kleyn Asia wijt en breet hebben verwoest. Trapesunde hebben uytgeplondert ja soo, dat sy tot aen de mont van de Hellespontus, niet veerder dan drie mylen van Konstantinopolen, sijn gekomen, van daer sy, alles met vuur en stael verdelgt hebbende, met rijcke roof weder sijn gekeert, en oock met veel slaven, die, soo sy noch jong van jaren sijn, bewaert worden, soo tot hun eyge gebruyck, als tot geschencken aen de Grooten van 't landt; want sy dragen geen sorge voor de gevangenen, die alreê hoogh van jaren sijn, 't en sy van de rijcksten, van de welcken sy groot losgelt verwachten. Degenen, die dese tocht naer d'Euxinus aennemen, overtreffen niet het getal van ses of tien duysent. Sy gebruycken slechte en swacke schuytjes, die sy met hun eyge handen hebben gemaeckt: invoegen dat het een wonder schijnt, dat sy soo geluckighlijck over de geheele Pontus konnen geraeken. Wy sullen hier na de gedaente en bouwing van dese schuytjes beschrijven.
Na dat wy van de dapperheyt der Cosacken gesproken hebben, soo sal 't oock wel passen iets van hun zeden en gewoonte van leven te seggen. Men moet dan weten, dat onder dese volcken veel lieden gevonden worden, die byna in alle kunsten, tot het menschelijck leven nootsaeckelijck sijnde, ervaren sijn, gelijck timmerlieden, soo van huysen, als van schuyten, wagemaeckers, smeden, wapenmaeckers, leertouwers oft leerbereyders, kuypers, kleermakers, schoenmakers, &c. Sy sijn oock seer behendigh in 't [ 30r ]salpeter toe te maken, van 't welck het landt overvloet heeft, en daer af seer treffelijck bussekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen sijn beesigh met vlas en wol te spinnen, van 't welck sy lijnwaet en laken maken, dat sy voor hun gebruyck houden. Zy sijn alle seer wel geoeffent in 't landt te bouwen, en te sayen, vruchten te vergaderen, broot te backen, bier, wijn, meede, en brahe te koken, en alderhande spijsen toe te maken; ja sy konnen byna alle brandewijn toestellen. Men vind onder hen niemant, 't sy men op 't geslacht, oft op d'ouderdom, oft op de staet siet, die niet d'ander pooght t'overtreffen in de konst van te brassen en suypen; ja in malkander tot overloopens toe met dranck op te vullen: in voegen dat men onder de Christenen naeuwelijcks menschen vindt, die minder voor den dagh van morgen bekommert sijn, dan de Cosacken.
Dieshalven, hoewel sy alle in 't gemeen byna alle konsten konnen bevatten, soo sijn sy echter niet alle even vernuftigh, maer d'een meer, en d'ander min in saken kundigh. Sy hebben wel alle een schrandere geest, maer sy houden sich echter aen 't gene, dat hen nut is, en begeven sich voornaemelijck tot de dingen, die de landtbouw aengaen.
De vruchtbare aerde brengt soo groot een ooghst voort, dat sy dickwijls niet weten wat sy daer mee sullen doen, om dat sy geen bevarelijcke rivieren hebben. Want de Borysthenes, hoewel anders bevaerelijck, wordt door dertien watersprongen, vijftigh mijlen beneden Kiow, verhindert, van de welcken de leste seven groote mijlen van d'eerste af is, 't welk is een groote daghreys verre, gelijck men in de lantbeschrijving kan sien. Dit is d'oorsaeck van dat sy hun gewas niet naer Konstantinopelen konnen voeren; en hier uyt spruyt hun luyheyt, en dat hun arbeyt sich niet boven de nootsakelijckheyt des levens uytstreckt. En dewijl sy gelt, het aenlocksel der wellusten, derven, soo stellen sy liever hun hoop van 't selve te krijgen in de geburige Turcken te berooven, dan in hun eygen neerstigheyt. Sy bekommeren sich niet met d'andere dingen, als sy stechts t'eten en te drincken hebben.
Sy hebben de Griecksche Godtsdienst; en worden in hun tael Rus genoemt: sy houden de feestdagen in hooge eer, gelijck oock de vastendagen, die acht oft negen maenden van 't jaer wechneemen, doch echter soo, dat sy behoorelijck meenen te vasten, soo sy sich van 't vleesch-ëeten onthouden: ja dit gevoelen van te vasten is soo diep in hun gewortelt, dat sy sich sekerlijck inbeelden, dat hun eeuwige saligheyt in dese onderscheyding der spijse bestaet. Sy overtreffen in 't gebruyck van te vasten, en oock van geduriglijck te suypen verre alle d'andere volckeren; want sy swelgen nooyt soo veel, of sy, een weynigh door de slaep weer bekomen, keeren sich weer tot de selfde kroesen; 't welck echter in tijt van vrede toegestaen word: want als sy eens de wapenen aengenomen hebben, soo leven sy in gedurige soberheyt. Sy hebben in 't leger geen heerlijcker huysgewaed, dan een slechte krijgsrock. Sy sijn van natuur schalck, scherpsinnigh, vernuftigh, en milt, sonder eenige vuyie gierigheyt, oft dat d'een begeert boven d'ander rijck te worden.
Sy sijn soo hardtneckigh in vry te sijn, dat sy meenen dat niemant kan leven, 't en sy hy vry is. Hier uyt spruyten hun gedurige weêrspannigheden tegen hun Grooten en eyge Heeren, als sy sien dat sy gedruckt worden; ja soo, dat 'er naeuwelijcks seven oft acht jaren verloopen, of men siet hen tegen hun Vorsten afvallen en opstuyven. Voorts, sy sijn lieden, die men niet vertrouwen magh, verraders, meyn-eedigh, ongetrouw, behalven in dingen, die tot hun beyder welstandt behooren. Sy sijn sterck van natuur, soo in hitte, als in koude te verdragen, geduldigh in honger en kommer te lijden, onvermoeyt in d'oorlogh, stout, grootmoedigh, en ten meestendeel reuckeloos, by de welcken voor lof geacht word sich plotselings in de doodt te storten. Sy toonen voornaemelijck hier in hun naerstigheyt en dapperheyt in d'oorlogh, als sy in de slaghordening van hun wagenen, by hun Tabord genoemt, besloten sijn, daer uyt sy konstelijck hun bussen. Samopalii geheeten, dewelcke hun gewoone wapenen sijn, konnen lossen. Sy sijn dapper, in plaetsen te beschermen, en niet van de slechtsten in zeeroovery. Sy sijn echter geen goede ruyters. My heught dat ick twee hondert Poolsche ruyters twee duysent van de beste Cosacken te paert heb sien in de vlucht drijven; hoewel ick niet tegenspreeck dat niet meer dan hondert Kosacken, in hun wagenburgh besloten, niet voor duysent Polen, oft Tartaren souden vreesen: ja indien sy soo dapper te paert, als te voet waren, soo souden sy van geen menschen verwonnen konnen worden. Sy sijn van goede gestalte, sterck en kloeck van lighaem, en hebben vermaeck in heerlijcke kleederen, gelijck men sien kan, als sy met rijcke roof van hun geburen weêrkeeren: want andersins kleeden sy sich met kleederen, die men gemackelijck kan bekomen. Sy sijn gesont van lighaem, en vry van die sieckte, de welcke, gelijck een pest, byna in geheel Polen en Ruschlant gemeen is, en van de Medecijns Plica, gemenelijck Koltun genoemt wordt, om dat het hair van alle de gene, die daer af geplaegt sijn, soo schrickelijck wardt, dat het door geen konst of naerstigheyt ontwart kan worden. Men siet seer weynigh Kosacken van sieckte sterven, dan in seer hooge ouderdom. Sy sterven ten meestendeel op hun eygen bedt, of in d'oorlogh.
In dese plaetsen is weynigh Adel; doch echter alle Poolsche, en Roomsch Catholijck; want het is deurgaens schande voor een Poolsch Edelman van een andere Godsdienst, dan van de Roomsche, te sijn; tot de welcken oock overal d'andere Grooten van de Grieksche Russen sich voegen, sonder aen hun oorsprong, en aen 't bloet van de Russische Vorsten te gedencken.
De landtheden van dit gewest sijn deurgaens alle seer elendigh, dewijl sy verplicht sijn in yder weeck drie dagen met hun paerden en eyge [ Kaart 2 ]

derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese elendigen sijn gehouden aen hun meesters te geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren last gedruckt, in bitteren haet tegen hun meesters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in vergelijcking van de onbepaelde macht, die aen den Poolschen Adel over 't leven en de doot van hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen een geemelijck en wreet meester gekregen heeft, hy in erger staet is, dan een slaef, tot de galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen, en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosacken tusschen de rivier, te begeven; en na dat sy daer eenige jaren overgebracht, en een zeetocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, worden sy in de Cosackische krijghsordening aengenomen; en in deser voegen sijn de Zaporovische krijghsbenden seer groot geworden, gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quartiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-oversten, verdelght hebbende, sijn, door d'oproer der Russen, geheel Ruslant deur te streng van hun Heeren gehandelt, tot een getal van twee hondert duysent strijdbare mannen opgeklommen; en, als sy in de strijt d'overhant op de Polen verkregen hadden, soo hebben se hun palen tot over de hondert en twintigh mijlen in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd. Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow noch in bloeyende staet was, dese mont van de Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt, noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt bekent was; en men houd voor seker, (gelijck ick, op eygen ervarentheyt steunende, oock voor ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den slincken oever van de Borysthenes gelegen, eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest; 't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers, als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna ontrent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als dorpen, in dat gewest van de Borysthenes geplaetst, gelijcken nieuwe wooningen, en schijnen nauwelijcks eenige hondert jaren out te sijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt bewogen, heb gepooght de geschiede saecken der Russen t'ondersoecken, om daer uyt eenigh licht in d'oude geschiedenissen te bekomen; maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een van hun geleertsten ondervragende, kreegh tot antwoort, dat door de gedurige oorlogen van hun voorouders met hare gebueren, alle hun geschriften verdelght waren; maer dat hy echter by ware overlevering van hant tot hant uyt sijn voorouders had verstaen, dat alle dese landen, de welcke beneden Kiow van de Borysthenes bespoelt worden, eertijts van de zee ingeswolgen waren, gelijck wy oock hier voor geseght hebben; en dat dit voor drie duysent jaren was geschied. Hy voeghd 'er by, dat, toen omtrent negen hondert jaren geleden, d'oude stadt Kiow geheel verdelght was, sonder dat 'er iets overbleef, dan de twee kercken, die wy hier voor breeder beschreven hebben.
Sy seggen dit oock niet sonder reden: want alle de puynhoopen der oude kasteelen en burgten, tusschen de Borysthenes en Moscovien gelegen, sijn op hooge en uytsteeckende bergen gebouwt, sonder dat men een sal vinden, in de vlackte staende. Hier uyt spruyt dit vermoeden, dat alle vlacke landen eertijts onder 't water bedolven hebben geweest. Dit wordt bevestight door de menighte van munt, in een der geseyde kuylen gevonden, 't welck, van koper gemaeckt sijnde, dus geteeckent was, sonder dat

ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit durf ick versekeren, dat alle dese landen, aen de slincke sijde van de Borysthenes, tot aen Moscovien uytgestreckt, laeger en sandiger sijn, dan degene die daer tegen over leggen, uytgesondert het landt aen de noortsijde van de rivier Sula, en de steden Worsko en Psczol; gelijck men beter uyt de landtkaert van dese plaetsen kan sien.
't Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de rivieren van dit gewest soo langsamelijck afloopen, dat sy schijnen te twijffelen naer welcke sijde yder sich keeren sal, hoewel in tegendeel, de gemeene kolck van alle dese rivieren, namentlijck de Pontische zee, met soo groote geswintheyt voortgedreven wordt, dat sy, somtijts door d'afschutselen van de Hellespontus deurgebroocken, sich in de Middellantsche zee stort. En indien men dit neerstighlijck overweeght, soo sal men seggen, dat alle dese vlackten eertijts een zee hebben geweest.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de slincke sijde van de Borysthenes, wordt dese rivier vergroot van de beeck Dziesna, die, als sy de gebuerige stadt Mostho voorby vloeyt, wel hon[ 31r ]dert mijlen van haer oorspronck voortgeloopen is, en daer in de Borysthenes valt. Een half mijl beneden de stadt is een dorp, Pieczary genoemt, met een klooster van Basilius Monicken, in 't welck d'Abt, een Aertsbisschop en Russische Grieck sijnde, de stoel der afgescheurden besit. Beneden aen de bergh, die by dit klooster leght, sijn veel holen vol lijcken, over meer dan vijftien hondert jaren daer begraven, in hun volle gestalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men seght deurgaens dat d'oude Christelijcke heremijten dese holen hebben gemaeckt, en bewoont, om de vervolging der heydenen t'ontvluchten, en de ware Godt in stilte te dienen.
Men siet hier oock het lichaem van sekeren S. Ioannes, dat noch geheel is, en tot aen de lendenen gesien wordt; want het beneden deel van 't lichaem, met aerde bedeckt, kan niet gesien worden, als oft hy begeerde dat het verborgen sou sijn. De Monicken van dese plaets verhaelden, dat desen heyligen Ioannes, de tijdt van sijn overlijden voorsien hebbende, voor sich self sijn graf maeckte, niet in de langte, gelijck de gewoonte is, maer in de diepte; en dat hy, toen hy sterven sou, van sijn broeders, by hem sijnde, afscheyt heeft genomen, en sich daer in begeven; doch dat, door Godts believen, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is gebleven, op dat het overige deel tot een voorbeelt van heyligheyt sou verstrecken. Hier wordt oock sekere S. Helena getoont, die by hen in hooge eerbiedigheyt is; met een ysere keten, daer meê, gelijck men seght, als met een geessel, de duyvel S. Antonius heeft geslagen; dese keten (gelijck men gelooft) heeft soo grooten kracht, dat sy, van de besetenen aengeraeckt, de boose geesten verdrijft. Men siet hier oock drie beckeneelen van menschen, in schuttels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt, die seer dienstigh is om alderhande sieckten te verdrijven. In dese selfde holen leggen oock de lichamen van seer veel groote en deurluchtige mannen verborgen, onder de welcke twee, de bouwmeesters van dese kerck, uytmunten; welcker lichamen gelijck kostelijck heylighdom gehouden, en aen alle de gene, die derwaerts komen, getoont worden; gelijck aen my self dickwijls is geschiedt, als ick in de winter mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat 'er naeuwelijcks eenigh onderscheyt tusschen de geseyde lighamen, end d'Egyptische mumyen is, uytgesondert in de swartheyt, en hardigheyt, die aen d'Egyptische lijcken eygen is; en ick geloof dat het gene, 't welck hen soo lange tijt onbederffelijck bewaert , d'eygenschap van dese plaets en van dese holen is, die, ten deel uyt sant en drijfsandt bestaende, in de winter warm, en des somers koel, en altijt droogh sijn. In dit klooster sijn veel Monicken, onder de welcken d'Abt, Aertsbisschop van geheel Russen, en alleenlijck onder d'Aertsbisschop van Konstantinopolen staende, uytmunt. Niet verre hier af is een ander klooster van Bagynen, die, omtrent hondert in getal sijnde, de kost met hun eyge handen winnen, en voornaemelijck met naeltwerck, 't welck sy daer na aen de gene, die hen komen besoecken, verkoopen. Het staet hen vry, als 't hen lust, buyten het klooster te gaen, gelijck sy dickwijls naer de stadt doen, die niet veerder dan een half mijl van daer is. Sy sijn in 't swart gekleedt, en gaen niet uyt, dan twee gelijck, op de wijse der Katholijcke Monicken. My heught oock dat ick eenigen van haer soo schoon van aengesicht gesien heb, dat sy nergens in voor de Poolsche vrouwen wijcken.
Tusschen Kiow en Pieczary is seecker dorp, Tripoli genoemt; en een weynigh laeger Stayki, op d'afgang van de bergh. Dese stadt is seer oudt; en men vindt hier oock een deurwading over de Borysthenes.
Daer na volgt Rychow, oock op een bergh gebouwt. Dese plaets is bequaem om een vesting te bouwen, dewijl men daer lichtelijck over de rivier kan komen.
Dan volgt Tretimirow, een klooster, in 't midden van een afgront gelegen, en aen alle sijden van onbeganckelijcke klippen besloten. De Cosacken brengen in dese plaets het kostelijckste dat sy hebben, soo dickwijls als 'er beroerte of gevaer is. Hier is oock een deurwaeding van de rivier te vinden.
Een mijl van hier, aen de slincke sijde van de rivier, leght Pereaslaw, een stadt, die, als het schijnt, niet seer oudt is, om dat sy in een vlacke plaets is, doch echter seer bequaem van gelegenheyt, en soo wel veyligh van natuur, als om dat men daer lichtelijck een vesting sou konnen maken, die tegen het woeden der Cosacken en Moskoviters sou dienen. Dese stadt bestaet uyt ontrent ses duysent huysen; en de Cosacken hebben daer een van hun regimenten in besetting.
Een weynigh laeger naer Russen is Kanjow, een seer oude stadt en kasteel, daer oock een regiment van Cosacken in besetting is. De Borysthenes heeft hier oock een deurwading.
Een weynigh nederwaerts, aen de slincke sijde van de rivier, siet men Bobunska, en Domontow, plaetsen van weynigh belang.
Noch laeger, aen de rechte sijde van de rivier, legt Cirkacze, een seer oude stadt, van aengename gelegenheyt, diemen lichtelijck verstercken kan. Ick heb dese stadt gesien, toen sy noch in haer oude glans was. Sy was als het middelpunt van 't geheel gewest der Cosacken, en de woonplaets van hun Hartogh, of Velt-overste. Wy verdelghden haer met vuur in 't jaer 1637, op de 18 van December, twee dagen na dat wy de Cosacken in de vlucht hadden geslagen, tegen de welcken wy echter elders hadden geoorloght, sonder hen schade aen te doen. Sy heeft een regiment van Cosacken tot besetting, en een deurwading over de Borysthenes.
Daer beneden legt Borowick, Bokin, Woronowk, en op d'andere oever Czeherin, Dombrow, omtrent het vierde deel eens mijls vandaer: gelijck oock Krylow aen d'over-oever, [ Kaart 3 ]

Een weynig laeger aen de sijde van Moskovie siet men Krzemienczow, en seer oude muren, daer ick, de saeck naeukeurelijcker ondersoeckende, in 't jaer 1635 een kasteel vond. Dese plaets is seer aengenaem te bewoonen, en oock gemackelijck. Dit is de leste der steden van de Borysthenes: want alle d'anderen, naer Tartarien gelegen, sijn woest.
Een eenige mijl hier boven is de vischrijcke rivier Pfeczol, die daer sijn water met de Borysthenes vermengt: maer wat laeger, aen d'oever van Ruschlant, is de beeck Omielnik, die overvloet van kreeften heeft, en haer water in de selfde Nieper stort. Aen de selfde strandt van de Borysthenes is een ander beeckje, by de Russen Druhi Omielnik genoemt, die, mede rijck van kreeften, sich oock daer in ontlast. De rivier daer tegen over, Worsko genoemt, seer vischrijck sijnde, vergroot de Borysthenes door de menighte van sijn golven.
Aen de selfde strandt is noch een andere rivier, Orel genoemt, die in overvloet van visch niet voor de voorgenoemde wijckt, en oock in de Borysthenes stroomt. Ick heb 'er eens by geweest, dat, aen de mont van de geseyde rivier, met het uytsetten van een net twee duysent visschen gevangen wierden, van de welcken de kleynste een voet lang was.
Aen de rechte sijde van de Borysthenes, oft aen de strandt van Ruschlandt, siet men veel poelen, soo vol gepropt van visschen, dat het water self, byna doot en onbewegelijck sijnde, bederft; 't welck oock dickwijls de visschen doet sterven. Dese plaets wordt van d'inwoonders Zamolkam genoemt. Omtrent dese poelen vindt men kleyne karsseboomen, van omtrent dardehalf voet hoogh, die seer soete karssen voortbrengen, de welcke soo groot als pruymen sijn, en echter niet, dan in 't begin van Augustus, rijp worden. Men vindt hier overal geheele bosschen van karsseboomen, die oock elders een half mijl lang, maer echter niet meer dan twee of drie hondert schreden breet sijn. Warelijck, men moet bekennen, dat soo groot een menighte van karsseboomen, welcker vruchten smaekelijck sijn, seer aengenaem om te sien is, die echter weynigh op de hooghten, maer meest in de vlackten staen. Men vindt daer oock amandelboomen, die kleyn sijn, en een bittere vrucht geven; doch niet in soo groot een menighte, dat sy geheele bosschen konnen uytmaeken, gelijck de karsseboomen doen. Ick, door soodanigh een nieusgierigheyt aengedreven, die een vrygebore mensch past, deê eenige karsseboomen en amandelboomen, uyt dese plaetsen opneemen, en naer Bare (welck toen mijn gewoone verblijfplaets was) voeren, en daer met behoorlijcke sorgvuldigheyt weêr insetten, de welcke daer na smakelijcker, en oock grooter wierden. Een weynigh hooger boven dese plaetsen vindt men sekere rivier, Demokant genoemt, rijck van kreeften, die wel negen vingeren lang sijn. Men pluckt hier oock waternooten, die seshoeckigh, en, een weynigh gekoockt sijnde, aengenaem van smaeck worden bevonden.
Als men nederwaerts reyst, ontmoet men Romanow, een groote heuvel van aerde, daer de Cosacken, als sy van gemeene saeken sullen spreken, of tegen de vyandt trecken, naer toeloopen, en hun krijgsbenden oversien. Dese plaets sou seer bequaem tot de bouwing van een vesting en stercke stadt sijn.
Een weynigh laeger is een eylant, een half mijl lang, en hondert en vijftigh schreden breet, het welck echter in de winter onderloopt. D'inwoonders noemen dit oock Romanow. Hier komen veel visschers, soo van andere plaetsen, als voornamelijck van Kiow. Aen 't achter-eynde van dit eylant heeft de rivier Borysthenes een vrye loop, sonder van eenige eylanden belemmert te worden. Hier is 't dat de Tarters, voorgenomen hebbende een roof uyt Ruschlant te halen, gemeenlijck hun benden overvoeren, vermits sy onder d'eylanden de gedurige overvallingen der Cosacken, die sich daer verbergen, vreesen.
Een weynigh laeger, aen de rechte sijde van de rivier, siet men sekere plaets, Tarowky Rog genoemt, een der aengenaemste plaetsen, die ick ooyt gesien heb, om te bewoonen, en oock seer bequaem om een vesting te bouwen, die een krachtige breydel voor de snelle vloet sou sijn. Want de Borysthenes heeft daer geen uytsteekende eylanden, en is niet boven de twee hondert schreden breet, soo dat men lichtelijck met een musket daer over schieten kan. D'oever aen d'andere sijde is een weynigh hooger, en wordt van d'inwoonders Sorokagore genoemt. De menighte der beeckjes, die overvloet van visch hebben, vermeerderen de bequaemheyt van dese plaets, en sijn oock in groote menighte in d'eylanden van de Borysthenes.
Een weynigh laeger vint men 't Eylandt van 't klooster genoemt, dat geheel een klip is, gantsch steyl afgebroken, in sommige plaetsen vijf-en-twintigh, en in andere dertigh voeten hoogh; 't welck oorsaeck is van dat het niet van de rivier ondergeset wordt. Hier op was eertijts een oudt klooster, van 't welck het eylant de naem heeft, waer van men echter in dese tijdt gantsch geen overblijfsel vindt. Dit sou een bequaeme wooning sijn, soo 't vaste landt niet soo hoogh en na daer aen was. Het is duysent schreeden lang, en hondert breet. Men vindt daer veel slangen, en andere kruypende dieren.
Hier na volght een ander eylandt, Konski Ostrow genoemt, drie mijlen lang, en voor aen een mijl breet: het is boschachtigh en poelachtigh, en wordt echter in de Lente van de Borysthenes overloopen. Hier sijn veel visschers, die, by gebreck van sout, de visschen eerst met asch souten, en daer na in de wint doen droogen. Dese visschers hebben een rijcke visschery in de rivier Samar genoemt, die tegen over dit eylant in de Borysthenes valt. Dese rivier, met het geheel gewest daer rontom, verdient een groote naem, niet alleenlijck om de menighte van visch; maer oock om d'overvloet van was, ho[ 32r ]nigh, wiltvang, en hout, bequaem tot bouwstoffen, daer as oock, gelijck wy seggen sullen, de vermaerde vesting Codack gemacckt wierdt; in alle welcke dingen het d'andere plaetsen overtreft. Dese rivier loopt echter met een trage loop af, van 't welck de menighte der bochten oorsaeck sijn. Hy heeft evenwel (om sijn wonderlijcken overvloet, gelijck ick geloof,) by de Cosacken met recht de naem van heylige rivier verkregen. My heught dat ick in 't begin van de lenten in dese rivier haring en steuren heb sien vangen, 't welck in d'andere rivieren niet geschiedt.
Een weynigh beneden het gewest van Konsky Ostrow, ontmoet men Kniazom Ostrow, oft het eylandt van de Hartogh, seer kleyn, en klip-achtigh, omtrent ses hondert schreden lang, en hondert breet; echter vry van overvloeying in de Lenten; gelijck oock Konski ostrow, dat onessen is, en niet vol van bosschen, maer van slangen is.
Een schootweeghs hier van as nederwaerts leght Kodak, d'eerste Porok, oft drumpel van de Borysthenes; 't welck niets anders is, dan een sekere reecks van klippen, dwars over de rivier uytgestreckt, die de scheepvaert beletten. Hier heb ick, in de maent Iulius van 't jaer 1635, begonnen een kasteel te bouwen; maer in de maent Augustus van 't selfde jaer, na mijn vertreck, wierdt het van seker Solyman. Velt-overste der afgevalle Cosacken, van d'Euxinus weêrkeerende, om dat het schadelijck voor de wederkeering der sijnen was, die op roof uytgingen, overweldight, met verdelging van twee hondert besettelingen onder de Kolonel Marion. Dese wederspannige, dit gedaen hebbende, versorghde voor sich en voor de sijnen door de vlucht, en trock over de watervallen van de rivier. Dese boosheydt bleef echter nict lang ongestraft. Want hy wierdt van d'andere Cosacken, die getrouw gebleven waren, onder 't beleyt van de groote Koniecpolski, Kasteleyn van Krakou, en Generael van 't heyr, belegert, en gesamentlijck met sijn mede-hulpers gevangen, en naer Warschou gebracht, en daer in stucken gehackt. Maer toen ondertusschen de Polen de bewaring van dit kasteel verwaerloosden, schepten de Cosacken weder moedt, en vielen weêr af, in't jaer 1637. Wy ontmoetten hen in hun leger, of tabor, in achtien duysent strijdbare mannen bestaende, by de stadt Kumyky, op de 16 van December in't selfde jaer, ontrent op de middagh: en hoewel wy veel minder van getal waren, te weten niet meer dan vier duysent mannen, soo tasten wy hen evenwel aen, sloegen hen, en dreven hen op de vlucht. De strijdt duurde tot aen de middernacht, in de welcke van de vyanden ses daysent sneuvelden; en sy verloren oock vijf stucken geschuts. D'anderen, die toen het swaert ontquamen, geraeckten wech door de duysterheyt van de nacht. Van d'onsen wierden hondert gedoot, en duysent gewond onder de welcken oock veel Oversten sneuvelden; gelijck de Heer van Morveil, een Fransch Edelman, die Luytenant Colonel was, en daer het leven en sijn vaendel verloor: de Kapiteyn Iuskiewski, en sijn Luytenant de Heer van Crotade, en veel vreemdelingen. Na dese neêrlaegh blees d'oorlogh noch slepende tot aen d'Octobermaent van 't volgende jaer, daer de vrede op volghde. De groote en dapperste Koniecpolski, een heyr van vier duysent mannen by sich hebbende, was self naer Kodack getrocken, daer hy een geheele maent bleef, in de welcke hy dese vesting versorghde, en daer na trock hy wegh, met twee duysent krijgslieden by sich. Hy beval ondertusschen aen my, eenige benden en veltstucken by my hebbende, alles te besichtigen tot voorby de leste watervallen; want hy geboodt my dat ick, in mijn wederkeeren, met mijn krijgslieden, in de schuyten der Cosacken gevoert, de rivier weêr op sou trecken, in 't geselschap van de Heer Ostrorog, toen Opperkamerling van 't Rijck. In dese plaetsen konnen geen hondert, veel min duysent menschen, veyligh sijn, ja sels geen geheel heyr, 't en sy het in alle voorsichtigheyt, en na dat het alles wel besichtight heeft, voorttreckt. Want in dese gewesten onthouden sich de Tartaren, die, geen vaste wooning hebbende, overal in de woeste landen swerven en rooven, en deurgaens niet minder dan ses, ja dickwijls tien duysent mannen in yder troep sterck sijn. Ick sal elders de seden der Tartaren, en hun gewoonte van oorlogen, beschrijven; maer ick sal hier alleenlijck seggen, dat dit my tot groote eer verstreckt heeft, dat ick alle de dartien water-stortingen van de Borysthenes met een schuytje ('t welck in 't eerst by veel menschen vreemt sal schijnen,) deurgevaren ben. En dewijl eenige van dese watervallen seven, eenigen acht voeten hoogh sijn, soo wil ick de leser laten oordelen wat gevaer ick daer heb moeten uytstaen. De Cosacken willen niemant, die alle dese watervallen niet besocht heeft, in hun krijgs-ordening ontfangen: in voegen dat ick, nae hun oordeel, oock onder hun krijgs-ordening aengenomen magh worden, en dit is d'eer, die ick in dese tocht verkregen heb.
Maer om de leser niet langer op te houden, soo sal ick seggen, dat Powky een Russische naem is, als of men drumpel van een rivier seyde. Want dwars over de rivier leggen klippen, aen malkander geschackelt, gelijck een keten, en eenigen van dese klippen sijn blint en onder 't water verborgen, en anderen steeken acht of tien voeten boven 't water uyt, en vertoonen sich soo groot als huysen; in voegen dat sy, een dijck gelijckende, de loop van de rivier belemmeren, de welck op sommige plaetsen vijf, en op anderen ses voeten asvalt, nae dat het water van de Borysthenes hoogh of laegh is; het welck dese rivier onbevarelijek maeckt. In de lenten, als de sneeuw gesmolten is, sijn alle dese water-vallen onder de golven verborgen, behalven de sevende, Menasity genoomt, die alleen in dese tijdt de scheepvaert op dese rivier belet. Maer in de somer, en in 't voorste van de herfst, als het water laegh is, steken dese klippen op eenige plaetsen tien, en op anderen vijstien voeten boven de golven [ Kaart 4 ]

Een weynigh hooger, soo wijt als men met een stuck geschuts beschieten kan, leght een eylandt, geheel van klippen, van de Cosacken Kuczanowice genoemt, als of men plaets der Bacchanten of stempers seyde, om dat de Cosacken, alle de watervallen deurgeraeckt, daer van blyschap hippelen en springen, en daer feestdagh houden, met groen om 't hooft verciert, en sich, volgens de gewoonte van hun landt, in 't sant, gelijck een meulen, rontom wentelen.
Een weynigh laeger dan Kuczanowice, tot aen Kuczkosow, sijn seer vermakelijcke plaetsen. Kuczkosow is een kleyne rivier, van de sijde van Tartarien in de Borysthenes vloejende, van de welcke een gedeelte van 't landt de naem voert, en 't ander deel van de Borysthenes, van daer het met ontoeganckelijcke klippen besloten is, gelijck uyt de kaert blijckt. De toegang tot dit landt is soo steyl, dat men daer niet dan van een plaets aen de lantsijde inkomen kan. Het is omtrent twee duysent schreden lang, en in de laeghte gelegen. Hier sou bequaemheyt sijn om een treffelijcke en stercke stadt te bouwen. Het landt self, ongelijck sijnde, vertoont sich in een ronde gestalte. 't Is wel waer dat alle de rivieren van Tartarien hooger sijn, en dieshalven daer over te gebieden hebben; maer men sou dit lichtelijck, met het bouwen van een vesting, konnen weeren: want hier worden uytsteeckende plaetsen gevonden. De Borysthenes heeft hier sijn volle loop, sonder door watervallen belet te worden; maer is echter eng ter plaets, daer hy sich zuydwaerts keert, gelijck degene, die de kaert besiet, lichtelijck sal bevinden. Dese rivier is hier seer eng, gelijck ick self gesien heb, ja soo, dat de pijlen van eenige Polen, uyt een boogh geschoten, hondert schreden verre op d'over-oever neer vielen. Men kan op dese plaets seer gemackelijck over de rivier komen; oock is 'er de gewoone overtocht der Tartars, dewijl het water daer naeuwelijcks hondert en vijftigh schreden breet is, en hier geen andere rivieren sijn, die hen hinderen. Het landt is oock niet met sterckten besloten, uyt de welcke men, soo met openbaer gewelt, als met belagingen, de vyanden bespringen kan. Dese overtocht voert ook de naem van Kuczkosow. Een weynigh laeger, namelijck een half mijl van daer, neemt het hooft van Chorticza sijn begin. Doch dewijl ick niet veerder die wegh heen heb geweest, soo sal ick dat seggen, 't welck ick uyt het geloofwaerdigh verhael van anderen verstaen heb, 't gene ick echter niet voor sekerheyt toeseggen wil. Men seght dat dit eylandt seer veyligh is, soo om sijn hooghte, als om sijn steylte van alle sijden, om de welcke het oock onbewoont is. Het is twee mijlen lang, en een half mijl breedt, en noch meest van voren; want ter plaets, daer het sich westvvaerts streckt, wordt hetsmalder. Het wordt nooit van de rivier ondergeset. Het sou seer bequaem om te bewoonen sijn, en oock dienftigh om vestingen tegen de tochten der Tartaren te maeken. Beneden dit eylandt spreydt de Borysthenes sich wijder uyt. Een weynigh laeger leght Weliki Ostrow, of 't groot eylandt, twee mijlen in de langte uytgestreckt, en gantsch onvruchtbaer en onnut. Het loopt in de lenten oock onder, behalven in 't midden, daer het met een hooghte van omtrent vijftien hondert oft twee duysent schreden in de lijn, die over dwars deurgaet, bovenwater blijft. Aen d'oversijde van dit eylandt, uyt het gewest van Tartarien, vloeyt de rivier Konskawoda in de Borysthenes. Dese rivier, die seer snel is, behoudt in de Borysthenes, aen de sijde van Tartarien, de loop van sijn eygewater besonder, twee mijlen verre, en tot aen 't eylandt Tawan. Doch hy, eyndelijck in sijn loop vermoeydt, en een groote santbanck tusschen sijn eyge gracht en de Borysthenes gemaeckt hebbende, vermengt sich eyndelijck met de Neper.
Tomachowka is een eylandt, byna geheel ront gelijck een halve maen, in sijn middellijn omtrent drie vierendeel van een mijl groot, en hoogh, met boomen beset. Als men op desselfs hooghte staet, soo kan men wijt en breetde geheele Borysthenes, van Chorticza tot aen Tawan, beschouwen. Dit eylandt is seer aengenaem van gelegenheyt, schoon des selfs oevers niet aen my bekent sijn. 't Is echter naerder aen de Russen, dan aen de Tartars. Chmielnichi, Velt overste der Cosacken, daer na door soo veel overwinningen vermaert, met sijn aenhang van de Polen afgevallen, hadt dese plaets boven anderen tot sijn wijck geschickt, toen hy vreesde dat hy belegert sou worden; 't welck in 't jaer 1648 in May-maent gebeurde, in de [ 33r ]welcke oock de Polen, met groote bloetstorting, by Corsune, verslagen wierden.
Een weynigh beneden de genoemde rivier legt Czortomielick, oft Duyvelsmolen, in 't midden van de Borysthenes, een groot eylandt, en door d'oude muren vermaert. Dit eylandt is van meer dan tien duysent kleyne eylantjes in de langte en breette omringt, welcker stant ongelijck en verwart is. Sommigen daer af hebben poelen, anderen leggen droogh, en het meeste deel is met biesen, oft met riet, een pieck hoogh, beset, daer door men qualijck kan sien waer sy van malkander scheyden. De kromme gelegenheyt deser eylanden geeft aen de Cosacken een veyligh vertreck, 't welck sy Slearbnica Woyskowa, oft Krijgs-thresoor noemen. Alle dese eylanden worden in de lenten van de Borysthenes ondergeset, behalven ter plaets, daer d'oude muren staen, die boven water blijven. De Borysthenes is hier een mijl wijdt van d'een tot aen d'ander oever. Alle de Turcksche macht soude in dese plaets machteloos sijn: en hier sijn oock veel galeyen vergaen, die de Cosacken, met rijcke roof weder naer hun landt keerende, vervolghden. Want sy, in dese doolhoven verwart, konden niet wederkeeren; maer wierden van de Cosacken, met hun schuyten in dese ruyghten verborgen leggende, verdelgt. En hier uyt spruyt het dat de Turcksche galeyen de Cosaksche roovers niet veerder durven vervolgen dan vier of vijf mijlen van de Pontus Euxinus. De Polen achten, doch uyt een onseecker gerucht, dat dit eylandt het Krijgs-thresoor genoemt wort, om dat de Cosacken daer hun geschut verbergen. Want behalven dat de Poolsche krijgslieden niet soo verre komen, soo willen de Cosacken, die hun geheymenissen wel verswijgen konnen, dit geheym niet aen hen openbaren: oock sijn 'er weynigh Cosacken, die dit weten. Sy begraven echter alle het geschut, dat sy de Turcken afnemen, in dese plaets; gelijck oock hun gelt, 't welck sy niet van daer halen, dan in d'uyterste noot, elck uyt sijn eygen hol: want na dat sy op de Turcken roof gehaelt hebben, en weêrgekeert sjn, deelen sy de roof, die yder voor sich self onder 't water verberght, op dat sy niet lichtelijck van anderen gevonden sou worden. De Cosacken maken in dese plaets oock hun schuyten, Czolny genoemt, omtrent sestigh voeten lang, en tien of twaelf voeten breedt, doch maer acht voeten diep, yder met twee riemen, voor en achter, gelijck hier na uyt d'afbeelding sal blijcken.
Kier is een eylant, vijf of ses mijlen lang, geheel vlack, en met riet en wilgen bedeckt. 't Eylandt is breeder naer de sijde van Ruslant, dan van Tartaryen, en des selfs west sijde loopt nooyt onder.
Welika Woda, of Grootwater, legt tegen over Skorouka. De rivier is hier vol van kleyne eylantjes. In 't midden siet men een aengenaeme plaets.
Nosokowka is twee mijlen lang, sonder eenige boomen, en loopt gemenelijck onder in 't begin van delenten. De Tartars trecken hier over de rivier, gelijck oock over 't eylant Kier. Kosmatka is een half mijl breet, tusschen het welck, en tusschen Ruschlant seekere arm van de rivier is, oock Kosmatka genoemt, langs de welcke de Cosacken sich heymelijck ter zee begeven, uyt vrees van de Turckfche besetting, die gedurighlijck de wacht houdt in een oudt kasteel. Ostan Karadenis genoemt, by d'oude puynhoopen, tegen over 't eylandt Tawan, gelegen.
Tawan is sekere engte, en groote overtocht der Tartaren, om dat de geheele rivier sich daer intreckt, en naeuwelijcks vijf hondert schreden wijt is. D'oever van Ruslant is seer hoogh en steyl; maer d'andere oever over 't eylant Tawan is laegh. Wat het eylandt Tawan aengaet, dewijl het in de lenten niet onderloopt, soo sou het seer bequaem sijn om het stroopen der Cosacken op de zee te beletten. De rivier vloeyt hier in een gracht, twee mijlen verre, daer hy weêr door eylanden gedeelt wordt, en verscheyde waterloopen heeft.
Tawan is dardehalf mijlen lang, en een half mijl breet. De stroom, tusschen Tartarien en dit eylant word Konskawoda genoemt, van de welcke hier voor gesproken is. Men kan dese stroom deurwaden, behalven dan, als de Borysthenes overvloet van water heeft. Het westerlijck deel van dit eylant loopt onder water.
't Eylant, Kosaki genoemt, is omtrent een half mijl lang, en echter 't ondervloeyen onderworpen.
Burnhauka beslaet de plaets van omtrent een half mijl, en loopt oock onder. Hier is een gewoone overtocht der Tartaren over de rivier; en hier sijn drie armen van de rivier, die men deurwaden kan. Konskawoda is d'eerste; en twee van de Borysthenes, van de welcken d'een niet deurwadelijck is.
Van Kuczkasow tot aen Oczakow sijn vijf deurwadingen, daer de Tartars overtrecken. D'eerste is Kuczkosow, en de tweede Nosowka, de welcke seer kommerlijck is, drie vierendeel van een mijl lang, en vol van eylantjes, met biesen beset, behalven noch de verscheyde armen van de rivier, ontsachelijck voor de Tartaren, uyt oorsaeck van de Cosacken, die sich daer verbergen: in voegen dat dese woeste volckeren selden dese overtocht soecken.
De derde en beter overtocht is Tawan, soo om dat sy niet veerder dan drie dagh-reysen van de stadt Crim is, als om dat men lichtelijck daer over kan geraeken. Sy bestaet uyt twee armen; d'eerste wordt Konskawoda genoemt, daer men deurwaden kan; de tweede is de Borysthenes, die men overswemt, als naeuwelijck vijf of ses hondert schreden breet sijnde.
De vierde overtocht is Burnhawka, niet soo gemackelijck als de voorgaende. Hier sijn drie armen van de rivier: d'een is Konskawoda; en de Borysthenes tweemael, van de welcke geen deurwadelijck is.
De vijfde en leste overtocht is Oczakow, die de mont van de Borysthenes is, een Fransche mijl breet. De Tartaren trecken 'er dus over: Sy hebben platte schuyten, daer sy balcken [ 33v ]dwars overleggen, aen de welcken sy hun paerden binden, die aen weêrsijden op een rijgh even veel sijn, om de fchuyten in gelijck gewicht te houden. Sy doen hun reystuygh daer in: en steken eyndelijck hun schuyt van de wal af, en de paerden begeven sich oock allengs tot swemmen, om over te geraken. Doch sy souden hun lichtelijck verdrincken, soo sy niet aen de schuyt gebonden waren; 't welck echter niet gedaen wordt, dan als de Borysthenes stil water heeft, en niet door de winden bewogen wordt. De Turcken voerden in mijn tijdt met dusdanige schuyten hun ruytery over, in een getal van veertigh duysent bestaende, toen de Groote Turck de stadt Assow, aen de mont van de Tanais gelegen, (die door de Tanaische Cosacken, welcke onder de Moskoviter staen, ingenomen was,) weêr deê belegeren, en haer oock won; dat in 't jaer 1642 gebeurde.
Drie mijlen boven Oczakow vloeyt de rivier Boh in de Borysthenes. Hier leght oock een eylandt, dat een driehoeckige gestalte vertoont, een half mijl breet, en tegen over Siemienowrok gelegen.
Boven Siemienowrok, aen de rivier Bokus siet men Winokrad Krynica, of sekere springbron op een steylte. De plaets is aengenaem, en bequaem om te bewonen, soo om d'overvloet van 't hout, als om dat men daer lichtelijck molen-werck toestellen kan. Andrey Ostrow is een eylandt van omtrent een mijl lang, en een vierendeel mijls breet, met bosschen beset.
Pieczonybrodt is oock een gemackelijcke overtocht. De rivier is hier niet dieper dan drie voeten, eng, en d'oevers gemackelijck om aen te komen; ja soo, dat men oock groot geschut daer over voeren kan. Beneden dese plaets is de rivier bevarelijck, en kan op veel plaetsen deurwaed worden, gelijck men uyt de kaert kan sien.
Krzemienczow is een eylandt, omtrent vijftien hondert schreden lang, en duysent breet, en twintig of vijf-en-twintig voeten hoogh, aen de noordsijde seer steyl, maer aen de suydsijde laeg. Hier is geen hout, dat bequaem is om huysen te bouwen, 't welck echter een half mijl van hier, uyt het gewest van Oczakow, gehaelt wordt. Aen de noortsijde van't eylandt is seker gewest van 't vaste lant, seer bequaem om een vesting te bouwen, dewijl het van alle sijden met wallen, als seer steyl sijnde, omringt is.
Owczy Sorom, of nieu Konicipole is de beste plaets der gener die, naer Oczakow, onder de heerschappy der Polen staen: welcke plaets ick in 't jaer 1634 eerst gesticht heb; en daer na heb ick die met een vste vesting versterckt. Dese plaets sou als een sterck wapenhuys tegen de Turck konnen dienen.
Wat Oczakow aengaet, dit is een stadt, onder het gebiedt van de Turcken, aen de mont van de Borysthenes gelegen, van hen Dzian Crimenda genoemt. De Turcksche galeyen, tot bewaring van de mont van de Borysthenes gestelt, op dat d'Euxinus niet voor de roveryen der Cosacken bloot sou sijn, hebben hier hun verblijf, daer wel geen haven is, maer echter een veylige ree voor de schepen, die aen ancker leggen. Onder 't kasteel selve siet men twee steden, beyde op d'afgang van de bergh, die soo steyl is van 't zuydoosten tot aen 't noortoosten, dat het schijnt dat men daer af sal vallen. De muren van't kasteel sijn omtrent twintigh voeten hoogh, maer die van de stadt veel laeger. 't Getal der inwoonders is omtrent van twee duysent. Aen de zuydsijde van de stadt is een ander kasteel, plat van gedaente, echter met eenige stucken geschuts versien, om de beyde oevers van de Borysthenes, die daer byna een geheele mijl wijt is, in plicht te houden. Dit kasteel heeft een toren, daer Turcksche wacht op is, om eenigh teken te geven, als de Cosacken pogen sich op d'Euxinus te begeven. Doch de Cosacken spotten hier meê, want sy konnen op de wijse, die ick hier na verhalen sal, lichtelijck in en uyt d'Euxinus komen.
Omtrent een mijl van Oczakow, naer het zuydoosten, is een bequame haven, van d'inwoonders Berezan genoemt. De mont daer af is omtrent twee duysent schreden groot; en men kan daer niet overkomen, dan te scheep; tamelijck diep, en dienstigh voor de galeyen. Desen arm van de rivier wordt Anczakrik genoemt.
Iezero, oft de poel Teligol is lang acht mijlen, en breet van het sevende tot het achtste deel van een mijl. De natuur heeft hier oock een afscheyding gestelt, op dat de poel sich niet met de zee vermengen sou. Men vind hier sulck een overvloet van visch, dat het water daer af eenige stanck geeft, dewijl 'er noch vloeying noch deurtocht is.
Daer is een andere poel. Kuialik genoemt, twee duysentschreden van de zee, oock vischrijck, gelijck de voorgaende. De visschers trecken, om veyligh te sijn, in groote hoopen derwaerts, van omtrent vijftigh mijlen en veerder. Men vangt daer karpers, en brasems van wonderlijcke grootheyt.
Bialogrod is een mijl van de zee gelegen, aen de rivier Tyra, van de Turcken Kierman genoemt. Dese stadt staet oock onder 't gebiedt van den Turck.
Kilia is oock een Turcksche stadt, met wallen en punten, op de wijse van Europa, versterckt. Het kasteel, aen de Donau gelegen, heeft gebiedt over de stadt, en is een mijl van de mont der rivier. Aen welcks andere oever het oudt Kilia leght, van't welck men noch heden d'oude puynhoopen kan sien.
Budziak leght tusschen Bialogrod en Kilia, en is een vlackte van omtrent twaelf mijlen lang, en vijf oft ses mijlen breet. Sy wordt van de Tartars bewoont, de welcke noch de Turck, noch de Cham gehoorsamen, maer van de roof leven. Hier sijn omtrent tachtigh of tnegentigh dorpen. Dit sijn dese ongebonde Scythen, eeuwige stroopers en plonderaers der Christenen; want sy sijn gelijck de vogelen, die van den roof leven, en verkoopen de Podoliers en Russen, die sy konnen vangen, om op de galeyen gebruyckt te worden. Maer sy konnen echter niet lang in Ruslant blijven, ja sy wijc[ 34r ]ken, soo haest sy iets gerooft hebben, weer naer hun hutten, om dat sy nauwelijcks het getal van vier of vijf duysent overtreffen. Sy bewoonen altijdt de wildernissen, en dragen alles met sich, ja oock hun wooningen selve. Hun huysen sijn in twee straten onderscheyden, op de wijse van de Europische heydenen: want als sy, met paerden, d'een weyde kael gegeten hebben, soo verhuysen sy elders, gelijck wy op sijn plaets breeder sullen beschrijven.
Tendra is een eylandt, vier mijlen van de mont van de Borysthenes gelegen, drie oft vier mijlen lang; maer echter onvruchtbaer, en met hagedoorn beset. Daer is goet en versch water, en een veylige ree voor de schepen.
Twee mijlen van de Donau is een laeg eylandt, omtrent twee mijlen groot in d'ommetreck, daer oock soet water is. By de Turcken wordt het Illanada, en by de Latijnen 't Slangen-eylandt genoemt.
Smil is een Turcksche stadt, sonder mueren. Een mijl boven Smil is een plaets, in de welck ede Keyser der Turcken, Osman genoemt, in 't jaer 1620, omtrent de scheut van een grof-geschut beneden Obliczyca, een brugh deê maken, toen hy met een heir van ses hondert duysent mannen naer Podolien trock, sonder iets anders, dat gedenckwaerdigh was, uyt te rechten, dan een stecht kasteel gemaeckt te hebben, Kosin genoemt, aen d'oever van de rivier Tyra in Walachien gelegen 't welck echter toen van de Polen ingenomen wierdt, sonder dat sy 't weder overgaven, dan na dat de vrede gemaeckt, en Osman weder te Constantinopolen gekeert was, met verlies van tachtigh duysent mannen, die ten deel door 't stael, en ten deel door de honger en pest, in 't Turcksche leger woedende, vergingen. De rivier is in dese plaets ten hooghsten ses hondert schreden breet: want de Turcken konden van hun brugh met een pijl van d'een aen d'andere oever schieten. De Donau wordt hier in veel grachten verdeelt, van de welcke de voornaemste sich naer Kilia ontlast.
Tusschen Renen en Oblizyca siet men twee eylanden, 't een Palleka genoemt, 't welck tusschen de Donau en Pontus leght, omtrent twee duysent schreden groot: 't is ront, steyl, echter met boomen beplant, en elders sant-achtigh, in voegen dat de Donau, door sijn snelle loop het uytholt, en jaerlijcks een gedeelte daer van mede neemt. 't Ander, Galas genoemt, heeft sijn uytsicht naer Walachien, wordt van Griecksche Christenen bewoont, en leght aen d'oever van de Donau, tusschen twee monden van rivieren, te weten van de rivier Pruthi, en Seretki.
Aen de zuydsijde siet men Varna, een haven van de Pontische zee in Bulgarien. Voorts, aen dese zee vindt men, tot aen Constantinopolen toe, niet een plaets, die aenmerckens-waerdigh is.
Nu is noch overigh te seggen, gelijck wy belooft hebben, hoe de Cosacken hun Generael oft Velt-overste kiesen, en oock hoe sy sich op d'Euxinus begeven, en in Natolien invallen, om op de Turcken te stroopen, en hen te verdelgen. De Generael van de Cosacken wordt dan dus verkosen. D'oude krijghslieden, en Oversten, te samen vergadert, geven yder hun stem aen de genen, die sy bequaem achten om dit ampt te bedienen; en de gene, die de meeste stemmen heeft, wordt terstont Generael oft Velt-overste verklaert. Indien hy, sich op sijn ouderdom, oft onbequaemheyt verontschuldiggende, weygert dit ampt aen te nemen, soo wordt hy, sonder eenige genade, en vertoeving, in de selfde plaets, als een verrader, gedoot; hoewel de Cosacken selven dickwils hun Velt-oversten verraden; gelijck men uyt hun gewoonten en daden, die wy hier voor aengeraeckt hebben, bemerckt. Maer indien hy, verkosen sijnde, d'eer aenneemt, soo bedanckt voor eerst de geheele vergadering, om dat sy hem, hoewel hy 't niet verdient, to dese hoogheyt hebben verheven; daer hy by betuyght, dat hy maken sal dat sy niets in hem te wenschen sullen hebben, om soo wel het voordeel van alle in 't gemeen, als een yder in 't besonder te bevorderen, als oock om sijn eygen leven voor de welstant sijner broeders (want dus sijn sy gewoon malkander te noemen) te besteden. Als dit gedaen is, juyght yder hem toe, en men roept gemeenelijck, dat hy lang leef. Daer na gaet yder hooft voor hooft by hem, en groet hem; en hy reyckt een yder de handt toe, 't welck hun gewoonte in 't groeten is. In deser voegen verkiesen de Cosacken hun Generael in d'oorlogh; 't welck ten meestendeel in de woeste velden geschiedt. De Cosacken, hun Velt-overste dus verkosen hebbende, sijn hem seer gehoorsaem, en sy noemen hem gemeenelijck Hetman. Hy gebruyckt dan over alle een volkomen macht, met d'een 't hooft af te slaen, en d'ander, na dat de misdaet swaer is, aen een pael vast te maeken. De Cosacken onderhouden seer strenge krijgstucht, doch sy beginnen niets, sonder berading van de Krijghsraet, die gemeenelijck Rada genoemt wordt. By de Cosacken is 't een lastigh en gevarelijck ampt een Velt-overste te sijn: want behalven dat hy groote voorsichtigheydt en schranderheyt behoeft, soo dient hy oock wel van 't geval begunstight te wesen, op dat hem in alle sijn tochten en strijden geen tegenspoet sou overvallen: ja hy moet sijn saken met soo grooten dapperheydt beleyden, dat, soo men bevind dat hy terstont onverhoort, als een verrader, gedoot, en een ander, op de voorverhaelde wijse, in sijn plaets gestelt wordt. En in de tijdt van sevendient jaren, die ick daer in d'oorlogh gedient heb, sijn byna alle de Velt-oversten der Cosacken, om geringe oorsaeken, van hun eyge volck rampsaliglijck gedoot.
Als sy sich toerusten om op d'Euxinische zee te trecken, 't welck buyten des Konings last geschied, soo halen sy hun verlof by hun Velt-overste, en, hun Raedt vergadert hebbende, verkiesen een Overfte tot dese tocht voor soo langen tijt als die duren sal: in welcke verkiesing sy de felve plechteiijckheden gebruycken, die sy gemenelijck in de verkiesing van hun Generael onderhouden. Eyndelijck trecken sy naer Skarbnica Woyskow, de plaets, daer sy ge[ 34v ]wonelijck te samen komen, en groote schuyten maken, van sesligh voeten lang, en tien oft twaelf voeten breet, en omtrent tien voeten diep. Dese schuyten hebben onder geen kiel, gelijck d'anderen, maer worden opgeboeyt op een bodem van wilgen, of van linden-hout, en vijfenveertigh voeten lang, daer sy plancken van tien of twaelf voeten lang, en omtrent een voet breet, op de gewoone wijse, opsetten, en aen malkander valt maeken, tot dat de schuyt twaelf voeten hoogh, en sestig voeten lang geworden is; 't welck alles bequamelijcker in dese bygevoegde afbeelding, hoewel in 't ruw door my afgeteekent, gesien kan worden.

Als de Cosacken sich toerusten, om sich aen de Tartaren te wreken, soo verkiesen sy de herfst, en senden hun lijftocht, en 't gene, dat hen tot d'oorlogh nootsakelijck is, voorby de watervallen van de Borysthenes, van daer sy, hun schuyten gemaeckt hebbende, hun regementen, in vijf of ses duysent mannen bestaende, sich te velt begeven. Alle desen sijn meest uytgekosenen, en oude soldaten. De gene, die tot dese tocht geschickt worden, oeffenen sich in de wapenen, en in al 't gene, dat tot d'oorlogh dienstigh is. Dese schuyten worden omtrent in de tijdt van vijftien dagen, en met hun eyge handen gemaeckt want sy sijn in dat werck, en in alle andere ambachten geoeffent; in voegen dat sy in de tijt van drie weken tachtigh of hondert dusdanige schuyten, gelijck wy beschreven hebben, vaerdigh maken. Sy begeven sich in dese schuyten, en in yder vijftigh of sestigh mannen, elck met een musket en sabel gewapent. In yder schuyt sijn vier of ses vaten, vol van lijftocht. Hun zeekleeding is een slechte rock over hun hemdt: hun schoenen sijn ten meestendeel van schorssen van lindeboomen gemaeckt. Sy hebben een hoet op 't hooft, van wolle laken toegestelt. Yder draeght ses pont bussekruyt, en soo veel loot, als noodigh is; 't welck sy alles in vaetjes doen, die sy ter sijden van hun groote vaten leggen. Yder heeft oock een sonnewijseer. Dit is de scheeps-vloot der Cosacken, die, dus toegerust sijnde, een schrick is, niet alleenlijck voor de Pontische zee, maer oock voor geheel Natolien, hoe groot het oock is.
Sy, dus toegerust sijnde, varen de Borysthenes af. D'Admirael heeft sijn teeken aen de mast, diens schuyt gemenelijck de derde in dese tocht is. De schuyten houden soo dicht by malkander, dat sy d'een d'ander byna raken. De Turck, door 't gevaer schrander geworden, houdt aen de mont van de rivier veel galeyen, om den Cosacken de deurtocht naer de Pontische zee te be[ 35r ]te beletten. Maer de Cosacken, hier op verdacht, verschuylen sich ondertusschen in 't riet, dat omtrent drie mijlen verre in de Borysthenes wast, daer de Turcksche galeyen niet durven komen, vermits sy op dese plaets dickwils qualijck onthaelt sijn: maer sy sijn vernoeght met de Cosacken aen de mont van de rivier te verwachten, die, hoewel zy by nieuwe maen sich in zee begeven, echter door geen beleyt noch snelte de mont van de rivier konnen uyt komen, sonder van de Turcken vernomen te Worden, die terstont raet teeckenen te kennen geven, dat de Cosacken in zee geloopen sijn. Dit gerucht wordt terslont over de gewesten, aen de zee gelegen, verspreydt, en geraeckt tot in Konstantinopelen, daer den Grooten Heer terstont aenalle de Gouverneurs en inwoonders van Asia, Bulgarien en Thracien doet vermanen dat sy sich sullen toerusten, om het stroopen der Cosacken te beletten. Doch dit is dickwils vergeefs; want sy nemen de tijdt van hun vaert en van 't jaer soo wel van pas, dat sy ten hooghsten binnen veertigh uren aen Natolien sijn, daer sy sich aen d'oever begeven, en, tot bewaring van yder schuyt, twee mannen en twee jongens gelaten hebbende, yder met sijn musket sich lantwaert in begeven, de steden overvallen, uytplonderen, en verbranden, ja dickwils een mijl verre van de zee. Maer sy keeren terstont met hun roof wederom, die sy in hun schuyten doen, en treckennaer een andere plaets, om andere gelegentheden te versoecken, en daer oock te stroopen. Indien sy op zee eenige Turcksche galeyen oft koopvaerdy-schepen ontmoeten, soo vervolgen sy hen, tasten hen aen, en veroveren die op dese wijse: Dewijl hun schuyten niet meerdan derdehalf voet boven 't water uytsteecken, en sy eerder het vyandelijck schip sien, dan sy van de vyant gesien worden, soo strijcken sy de seylen en mast, en, op de wint lettende, maken dat sy de son achter sich hebben en dan wenden sy, omtrent een uur voor d'ondergang van de son, met hun schuyten op des vyants schip oft galey aen, tot dat sy niet veerder dan een mijl daer af sijn. En sy komen soo na aen de vyant, op dat sy hem niet uyt hun gesicht souden verliesen. Sy rusten sich ondertusschen toe, en roeyen by nacht met groote geswintheyt, als het teecken gegeven is, op de Turcken aen. De vyanden, de menighte van de schuyten der Cosacken siende, en sich tusschen sestigh oft hondert van dusdanige schuyten als besloten vindende, worden verbaest en wanhopigh, en geven sich terstont over aen de Cosacken; die de beste goederen, de welcke sy daer in vinden, en niet veel plaets beslaen, gesamentlijck met het geschut, en d'oorlogsrusting, in hun schuyten overnemen; en de schepen en galeyen, om dat sy hen niet weten te gebruycken, met de bootsgesellen, en d'andere menschen te gront boren. Maer sy, weder naer huys keerende, bevinden dat ondertusschen de vloot der Turcken, aende mont van de rivier de wacht houdende, de helft grooter geworden is; daer sy echter medespotten, hoewel sy veel swacker sijn. Want het is niet mogelijck, oft sy hebben, in hun strijden,
veel van haer volck verloren, en oock eenige schuyten, die van de zee ingeswolgen sijn. Sy begeven sich dieshalven aen ancker in een plaets, die drie oft vier mijlen oostwaerts van Oczakow is. Hier is een laeg dal, drie vieren-deel van een mijl van de zee af, en seer lang, daer somtijts een half voet water inkomt, en dat sich drie mijlen verre naer de Borysthenes opstreckt. De Cosacken dan, tot twee oft driehondert uytgetreden, en touwen aen hun schuyten gebonden hebbende, trecken by beurtende selfde deur dese laeghte, met de roof, en komen dus binnen drie oft vier dagen heymelijck in de Borysthenes, en, 't gewelt der Turcken aen de rivier gemijdt hebbende, voeren hun roof veyligh naer huys, en tot aen Karbenicza, oft aen hun schatplaets, daer sy, yder naer sijn verdiensten, den roof onder malkander deelen. De Cosacken hebben noch een andere middel, om uyt de zee te geraken, en de Turcksche vloot te mijden. Want sy keeren weder deur de binnenzee, de Limen oft Don genoemt, en, een engte deur reysende, die tusschen Taman en Kercy is, varen de Limen op tot aen de rivier Mius, die sy soo verre, als sy bevarelijck is, optrecken, naer de rivier Taczawoda, die niet meer dan een mijl te landt van de rivier Mius af is. Sy trecken deshalven hun schuyten van hier over 't landt henen, tot in de rivier Samare, die een mijl boven Koudak in de Borysthenes stroomt, en varen dus voort naer huys. Sy keeren echter selden wederom deur alle dese bochten, om dat de wegh seer lang is van hier tot aen de waterval van de Borysthenes. Sy kiesen somtijdts oock dese wegh naer d'Euxinische zee, als de mont van de Borysthenes met een groote Turcksche vloot is beset, en de Cosacken niet meer dan twintigh oft vijf-en-twintigh schuyten by sich hebben.
Indien de Turcksche galeyen by daegh de schuyten der Kosacken ontmoeten, soo doen sy hen door hun geschut soo verstuyven, gelijck een harde wint de muggen; in voegen dat 'er veel van de zee ingeswolgen worden, en d'anderen hun behoudenis in de vlucht soecken. De Cosacken wijcken in 't vechten niet uyt hun plaets, noch van d'overloop; maer als sy hun musquet op de vyant hebben gelost, soo geeft men hen't'elckens weder een ander, dat van hun mackers geladen is, en dus schieten sy, sonder ophouden, en konstelijck naer hun tegenstrevers. De Turcken konnen ondertusschen niet aen boort komen, 't en sy datse uyt de galeyen in de boot willen springen: maer sy treffen echter met hun grof geschut de Cosacken soodanigh, dat sy, by daegh aengetast, wel twee van hun drie deelen verliesen, en selden met de helft van de gene, daer mede sy naer d'Euxinische zee trecken, wederkeeren; Sy brengen echter kostelijcke roof weer t'huys, als Spaensche realen. Arabische goutstucken, tapijten, goude en kattoene laeckens, verscheyde sijdestoffen, en andere waren. Daer siet ghy de gewoonte van leven der Cosacken, en oock de middel om sich te verrijcken: want sy, al 't ander ter sijden stellende, dat dienstigh tot het [ 35v ]leven is, begeven sich tot suypen en swelgen met de hunne, als sy uyt de zee wedergekeert sijn.
Maer om onse belofte, hier voor gedaen, te voldoen, soo sullen wy hun gewoonte, die sy in de voltrecking van hun huwelijcken onderhouden, beschrijven; de welcke hen eygen is, en van geen andere volcken gebruyckt wort. Men siet daer dat een vryster een vryer vrijt die haer behaeght, geheel anders, dan andere volcken. Een seker waengeloof, 't welck onder hun is, en dat sy naukeurighlijck onderhouden, maeckt dat sy selden mistasten,en van hun voornemen versteken blijven. Ende dochters sijn hier in geluckiger, dan oft sy sulcks door tusschenspraeck van magen en vrienden bevorderden. De vryster dan, op eenigh vryer verliest sijnde, gaet naer sijn huys, als sy bemerckt dat sijn vader en moeder, en oock de vryer self, t'huys is, en, in huys tredende, seght Pomagabog, dat is, Godt segen u; 't welck de gewoone groetenis der Russen is. En sy, op een gevoeghelijcke wijse haer vryer geëert hebbende, spreekt hem dus aen: Ivan. Fedor. Demetre. Woitek. Mikita, (oft met eenige andere naem, die by de Russen gemeen is) dewijl ick uyt uw aengesicht uw inwendige goetheyt heb bemerckt, en oock uw verstant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghy een goede huysvader sult worden, en uw gemalin in eeren houden, soo kom ick, door dese dingen bewogen, in alle ootmoedigheyt by u, om van u te versoecken dat ghy my tot uw huysvrou sult nemen; en oock van uw vader en moeder, op dat die oock in de selfde verbintenis toestemmen. Indien sy afgewesen wort, en tot antwoort krijght, dat hun soon noch te jong is, om de last van 't huwelijck te dragen; soo antwoort sy, dat sy niet van daer sal gaen, tot dat sy en haer vryer te samen gevoeght sijn. Als dese redenen geseght sijn, en de dochter hardneckighlijck aenhoudt, en sweert dat sy niet uyt de kamer sal gaen voor dat sy haer wensch verkregen heeft, soo worden, na verloop van eenige weken, de vader en moeder van de jongeling gedwongen in 't huwelijck toe te stemmen, en hun soon't'overreden oock wederliefde tot haer te toonen, als aen de gene, die noch sijn huysvrou sal worden. De jongeling oock, de volstandigheyt van de dochter, en haer brandende liefde tot hem siende, wordt mee gedwongen haer t'eeren, en lief te hebben, gelijck de gene, die sijn bedgenoot sal worden. Hy versoeckt dieshalven ernstelijck aen sijn ouders, dat het aen hem geoorloft sy onderlinge liefde aen de maeght te bewijsen. Hier uyt volght, dat de dochters van dit gewest noyt hun ooghwit missen, en, voor sich selven sorgende, door hun aenhouden en gedienstigheyt by de ouders en vryers, veerdiger een gemael voor sich verkrijgen. Hier komt noch't wangeloof deser volcken by, datse meenen dat sy, door het weygeren van dese dochter. Godt grootelijcks vertoornen, en, door dese smaet, het geheel geslacht van de dochter sullen quetsen: ja d'ouders selven hebben hier in oock geen macht om de maeght uyt haer huys te drijven. Want de kerckelijcke tucht en ordening is tegen de soodanigen, die daer door van de kerck swarelijck gestraft fouden worden; behalven dat dit noch tot laster van 't geheel huys sou strecken. D'ouders dan, door dese waengelovigheden beknelt, en vreesende dat sy, om dese weygeringe, van Godt sekerlijck gestraft fullen worden, 't welck sy seer vastelijck gelooven, bewilligen in 't versoeck van de dochter. Men moet echter weten dat dit onder persoonen van gelijcke staet onderhouden wordt: want de landtbouwers in dit gewest sijn alle omtrent even rijck; en daer is geen groote verscheydenheyt onder hare goederen en besittingen. Doch dat eenigh boer met een edele dochter eenigh huwelijck aengaen sou, dat is verboden; en gebeurt oock niet dan by eenigh voorval, 't welck wy hier na sullen beschrijven, en dit om seker besonder en oudt voorrecht, 't sy dat het waer is, oft dus voorgewend wordt.
In dese gewesten is een oude gewoonte, dat in alle sondagen en feestdagen na de maeltijdt, de mannen en vrouwen, en oock de kinderen, in een plaets, tot suypen bestemt, te samen komen, daer sy 't overige van de dagh in uytgelatenheyt overbrengen. Terwijl de mannen en wijven suypen en swelgen, maeckt de jeught, yder met een dochter gevoeght, een dans, op 't geluyt van een ruyspijp, daer gemeenelijck de Heer van de plaets, met sijn gesin, en kinderen, sonder onderscheyt, by komt, om dese danssen der boeren te sien; ja dese danssen worden somtijts oock voor sijn kasteel, oft hof gehouden, daer hy self, met sijn kinderen en gemalin, danst. In dese tijdt sijn d'edelen en boeren onder malkanderen vermengt. Hier staet aen te mercken, dat byna alle de dorpen van Podolien en Ukraine met heggen en dichte bosschen omringt sijn, daer in holen en schuylhoecken sijn, in de welcke d'inwoonders van de plaets sich des somers verschuylen, als sy voor de Tartaren vreesen. Dese bosschen sijn een half mijl breet. En hoewel byna alle de boeren als slaven dienstbaer sijn, soo hebben sy echter een oudt voorrecht, dat sy in dese danssen een edele dochter, alwaer 't van hun eygen Heer, mogen weghvoeren; 't welck nochtans soo behendigh en voorsichtigh moet geschieden, dat de roover niet van de gene, die de roof vervolgen, betrapt en wordt; andersins sou 't hem het leven kosten. Indien dan de gene, die dese schaecking gedaen heeft, sich in 't bygelegen bosch begeeft, en daer vierentwintigh uren kan blijven, sonder van iemant gevonden te sijn, soo wordt hy vansijn schaecking vry gesproken. Indien de geschaeckte de gene, die haer geschaeckt heeft, tot een gemael voor sich begeert, soo mach de schaecker dat niet weygeren, op verbeurte van 't leven, maer indien de geschaeckte haer schaecker niet wil trouwen, soo wordt de schaecker vry gesproken. Maer indien de schaeker binnen de gestelde tijdt van sijn verschuyling gevat wordt, soo moet hy dit misdrijf met sijn hooft te verliesen boeten; en hy wordt in de selfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt, sonder eenige rechtsvordering gedoot. Doch ick heb in de tijdt van seventien jaren, die ick [ 36r ]daer geweest heb, niets soodanigh sien gebeuren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel gesien dat de vrysters de vryers vrijden, en dat door dese middel bruyloften daer uyt voortsquamen. Maer 't ander is vol gevaer. Want een edele dochter uyt soo groot een geselschap te rooven, en sich met haer in't bosch te verbergen, vereyscht niet alleenlijck een geswinde loop, maer oock een goede kennis en overeenkoming met de dochter. Hier komt noch by, dat de boeren nu harder van hun Heeren gehandelt worden, en dat d'Adel daer de hooghste macht heeft verkregen. 't Is gelooffelijck dat dit toen aen de lantheden veroorloft heeft geweest, wanneer by de Polen de gene tot Koning wierdt verkosen, die in 't loopen alle d'anderen overtrof, en dit blootsvoets; welcke snelheyt van voeten by dese oude voor groote gaeuwigheyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht; als oft de voortreffelijckheyt van te heerschen, meer in de geswintheyt der voeten,dan in d'uytsteeckentheyt van 't gemoet bestondt. En hier uyt spruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe de Poolsche edelen hun Koning, in de tijdt van sijn verkiesing, doen sweeren voor d'autaer, dat hy niemant van d'Adel, om wat misdrijf het oock is, uytgesondert om verraet tegen de Vorst, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van vierentwintigh uren sal mogen vangen, om dat, nae mijn gevoelen, de genen, die seer snel konden loopen, by hen in hooge achting wierden gehouden. Men bemerckt dit noch in de snelloopende paerden; want sy, alle d'andere dingen in een paert overslaende, letten alleen seer nauw op de geswintheyt van dit beest, misschien hierom, om hun vyant, de rugh keerende, te achterhalen; en, van hun tegenstrever vervolgt, hem t'ontkomen. Eer ick dit verhael sluyt, sal ick noch een ander voorrecht, 't welck de Poolsche edelen hebben, verhalen, dat is, dat, als een edelman, aen eenigh misdrijf schuldigh, niet binnen de vieren-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de straffe des doots ontkomt; maer dat hy echter, als sijn saeck bepleyt en afgedaen is, sijn goederen verlieft; en dat, soo hy niet uyt het Rijck wijckt, aen yder, wie't oock is, vryheyt wordt gegeven om hem te dooden, sonder dat eenigh inwoonder, op verbeurte van 't leven, hem mach verschuylen, oft eenige gemeenschap met hem hebben. Daer siet ghy by de Polen de strafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het gene is, dat wy by dese gelegentheyt te seggen hadden. Dewijl wy 't gevry der boere-dochters verhaelt hebben, soo laet ons oock iets van hun feestdagen en bruyloften spreken.
Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, soo wordt de jeught van wedersijden genoodight, aen de welcke belast wordt de magen van de bruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden. Sy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloemkrans aen d'arm, en hebben een register van de gene, die sy noodigen sullen: sy gaen des daeghs voor de bruyloftsdagh, en twee in 't getal, van de welcke de voornaemste, een ring aen de hand dragende, het woort doet. Ick sal my hier niet verletten met te verhaelen, hoe veelderhande gerechten en dranck daer voortgebracht wordt; maer alleenelijck seggen, dat de bruyt, naer hun gewoonte wel opgetoyt sijnde, te weten met een lang kleedt, van blaeuw laken gemaeckt, dat tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterste hoecken met walvisbeen uytgestreckt, en met boorden van sijde en wol gemaekt, verciert is, blootshooft, met een bloemkrans op 't hooft, en met uytgekemt hair tot op de schouders, van haer vader oft broeder, oft van iemant der naeste magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'er op lieren, oft op een ruyspijp voor haer gespeelt wordt. Als in de kerck de samenvoeging geschiedt is, soo neemt de naeste van de bruydegoms magen haer by de handt, en leydt haer naer huys, terwijl het selfde gespeel voor haer heen gaet. Ick swijgh hier van de danssen, die gewoonelijck op dese bruyloften geschieden, en byna onse danssen en gewoonte overtreffen, en daer in sy voor geen andere volcken wijcken. Dit staet alleenlijck aen te mercken, dat vele naer 't huys, daer de bruyloft gehouden wordt, loopen, niet soo feer om aen de nieuwe gehuwden eer te bewijsen, als om te drincken en te suypen; 't welck seer gemeen by hen is, ja self in de tijdt, als sy hun kinderen hebben doen doopen. De Grontheer self geeft dan aen hen verlof van't'huys bier te brouwen, soo van gerst als van honigh, 't welck sy dan in overvloet indrincken: want in andere tijden is verboden eyge dranck in huys te brouwen, oft yder moet voor elck vat in het besonder sekeren tol betalen.
Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedt sullen gaen gekomen is, soo nemen de vrouwen, die magen van de bruydegom sijn, de bruyt naer sich, en leyden haer in de bestemde kamer, daer sy haer de kleederen weder uyttrecken, ja oock het hemdt, en haer aen alle de leden besoecken, namelijck in't hair, in d'ooren, neusgaten, aen de toonen, en aen d'overige deelen van haer lichaem, om te sien oft'er oock iets,in bloet, oft root sap gedoopt, verborgen is; en indien'er iets dusdanigh gevonden wordt, soo sou de geheele bruyloft ontroert, en alles overhoop geworpen worden. Indien sy niets vinden, soo wordt de bruyt weêr gekleedt, en met een wit schoon hemt te bedt gebracht; en dan wordt de bruydegom geroepen, om by sijn bruyt te gaen slapen; en als de bruyt dus by haer bruydegom leght, soo wordt de gordijn door d'ouders toegeschoven. Terwijl dit geschiet,komt het grootste deel der bruyloftsgasten, met ruyspijpen en kroesen in de hant, al danssende ter kamer in; en de vrouwen klappen met de handen, terwijl men singt en springt, en dit soo lang, tot dat het huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien ondertusschen de bruyt eenigh teecken tot danssen geeft, soo springen sy terstont alle, klappen met de handen, en beginnen met groot gedruys van nieuws te singen. D'ouders van de bruydegom staen ondertusschen gedurigh aen de sijde van het bedt, om te luysteren wat'er gedaen wordt; en, als het spel van de nieuwe-gehuwden uytgespeelt is, de gordijnen weder t'openen, en met [ 36v ]eenen aen de bruyt een schoon hemt toe te reycken. Indien sy in 't hemt, 't welck de bruyt dan uyttreckt, de teeckenen van de maeghdelijcke schaemte vinden, soo vervullen sy het geheele huys met gedans, en vrolijck geroep, en roepen 't maeghschap tot getuygh. Sy kleeden eyndelijck weder de bruyt, setten haer een hulsel op 't hooft; en dus wordt sy onder de huysmoeders aengenomen. De nieuwe gehuwde behoud namaels de selfde hooftverciering, de welcke de maeghden, volgens de gewoonte, niet mogen gebruycken; en oock soude 't aen hen tot schande strecken: want de maeghden gebruycken geen ander hooft-cieraet, dan hun hair, oft een bloemkrans.
Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt een ander vrolijck spel gespeelt, 't welck groote verwondering in de gene sou veroorsaken, die noyt iets diergelijck hadden gesien. Sy dragen 't hemt van de bruyt, met de smetten van de maeghdom besprengt, op een kruysstock, door de mouwen heen stekende, gelijck een vaendel, oft triumphteecken, langs alle de kruyswegen van het dorp oft vleck, om aen alle menschen te toonen, soo wel d'eerbaerheyt van de bruyt oft nieugehuwde vrouw, als de mannelijckheyt van de bruydegom. Sy sijn alle by dit schouspel, met speelgereetschap, gesangen en danssen. De jongelingen hebben ondertusschen yder een dochter by sich, en sy, dus als in zegeprael 't geheele dorp deur gewandelt hebbende, keeren alle weder naer't huys van de nieugehuwde man.
Doch indien, na de byslaping, de teeckenen van de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voorschijn komen, soo smijt yder sijn kroes ter aerden, de vrouwen houden op van singen, de bruyloft raeckt overhoop, en neemt een eynde, d'ouders van de bruyt sijn beschaemt, en lijden smaet, en yder keert bedroeft weder naer huys, maer voornamelijck d'ouders van de dochter. De bruydegom heeft dan vryheyt om sijn bruyt te verstooten; en indien hy haer wil behouden, soo moet de nieugehuwde vrouw alle de gemelijckheden van haer man verdragen, en alle haer levenstijdt smaet uytstaen.
Wat de seden van dese boere-wijven aengaet, ick wil hen geerne in't algemeen de prijs van kuysheyt toestaen. En hoewel sy, uyt oorsaeck van hun overvloedigh drincken van gemaeckte wijn en meê, lichtelijck te genaken souden sijn, soo worden sy echter door dese openbare schande des huwelijcks afgeschrickt, om hun eerbaerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te brengen.
Na dat wy de seden der Russen en Cosacken hebben vertoont, soo is 'er noch iets van hun gebruyck, in 't genesen van hun sieckten, te seggen: ick heb seer veel Cosacken gesien, die, in koorts gevallen sijnde, geen andere remedie daer toe gebruyckten, dan van bussekruyt, in siedende brandewijn gemengt, daer af sy droncken, en op hun elleboogh gingen leggen, en in de volgende uchtent gesont opstonden. Ick self had een koetsier, die, eenige malen van de koorts aengetast, door de geseyde dranck tot sijn voorgaende gesontheyt herstelt wierdt;
welcke verborgentheyt aen geen van d'onsen, soo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeft geweest. Ick heb eenige sien asch drincken, in brandewijn gemengt, en dat daer op de selfde wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils de selfde neerstigheyt van sich selven te genesen sien toonen, als sy eenige wonden, 't sy van een slagh, oft van een stock ontsangen hadden, maer voornamelijck als sy met een pijl gewont sijn. Sy, geen wondheelders omtrentsich hebbende, nemen een weynigh kley, 't welck sy met speecksel weeckmaken, en dus op de wondt leggen; en sy worden hier af soo wel genesen, als oft sy de beste playsters daer toe gebruyckten. Daer uyt blijckt dat de noot, die 't verstant schrander maeckt, oock in dese gewesten haer gewoone wercking doet. My heught dat ick sekere Cosack aen de rivier Samar heb sien visch koken in een houte vat, oft schuttel, de welck de Cosacken en Polen achter te paert voeren, soo om hun paerden te drencken, als oock tot ander gebruyck geschickt. En dewijl men de schuttel niet op't vuer kan setten, uyt vrees van dat sy branden soude, en echter de krijghsknecht de spijs gekoockt wilde hebben, soo wierp hy groot drijfsant, uyt de rivier gehaelt, in de haert,'t welck hy,soo heet als 't was, in de schuttel, vol water sijnde, wierp, en dit soo dickwils, tot dat het water koockte, en de visch gaer en bequaem om t'eten was: een ruwe en grove wijse van spijs te koocken, maer die echter haer geestigheyt heeft.
My heught dat ick hier voor van sekere sieckte, onder de Russen gemeen, gesproken heb, die Koltun, oft Warhair genoemt wordt. 't Sal niet ongevoeghelijck sijn iets daer af te seggen. De gene, die van dese sieckte aengetast wordt, is't geheel jaer, gelijck een lam mensch, van het gebruyck van alle sijn leden berooft; doch echter met groote pijn in de senuwen, in voegen dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van een jaer krijgen sy een groote sweeting in 't hooft, in voegen dat in de volgende uchtent al hun hair te samen gekrult, en dick gerolt is, gelijck een staert, oft gelijck de stronck van een boom, oft gelijck de Spaensche zeekatten, en knobbelig en geklontert bevonden wordt. De siecken gevoelen dan merckelijcke verlichting van pijn, en geraken, na verloop van eenige dagen, weder tot volkomen gesontheyt, ja soo, dat sy, uytgesondert het ongemack aen hun hair, geen pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hair niet kemmen, veel min het afsnijden voor twee dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door de pijpjes van 't hair deurgaet, uytgevloeyt is: andersins sou de vocht, dus binnen gebleven, en op de senuwen vallende, hen blint maken.
Dese sieckte wordt by hen ongeneesselijck geacht. Maer ick heb echter seer veel daer af genesen, op de selfde wijse daer meê men in Vranckrijck de gene, die de kinderpocken hebben, geneest. En veel van dese sieckte geraeckt, veranderen van wooning, en lucht; 't welck een ongevoelijcke, doch echter langdurige remedie is. Men krijght dese sieckte niet, als iemant, gesont sijnde, met de gene, die daer af geraeckt [ 37r ]is, uyt een selfde beeker drinckt: maer de man, van dese sieckte getroffen, besmet in 't byslapen sijn vrou, en de besmette vrou haer man. Dese sieckte is oock tweederley, want sy is mannelijck en vrouwelijck. Sy gelooven oock dat men dese sieckte door de betoveringen der oude wijven krijgt, die gewent sijn veel menschen te besmetten, met hen seekere koecken tot hun spijs te geven; als oock door de damp van seeker warm water, 't welck, tot de neus ingekomen, naer de harstenen treckt, die kort daer na sich daer af besmet gevoelen. Daer sijn oock kinderen, die met dese quael, en met gedraeyt hair geboren worden, 't welck een goed voorteecken is: want sy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en sijn daer na alle hun leven lang tegen dese sieckte bevrijdt.
Dit is oock in dese gewesten aenmerckens-waerdigh, dat langs de geheele Borysthenes verscheyde soorten van ontellijcke vliegen gevonden worden. Des uchtens siet men daer gemeene vliegen, niet seer schadelijck, maer op de middagh andere, omtrent een vinger groot, en die de paerden soo pijnigen, dat sy hen de huyt deurbyten, en gantsch bloedigh maken: maer op d'avont sijn 'er muggen en wespen, die soo op de lighamen vallen, dat men niet slapen kan, dan in hutten, die van de Cosacken Polne genoemt worden. De genen, die de nacht onder de blaeuwe hemel overbrengen, staen 's uchtens op met een aengesicht, dat door het byten der muggen gantsch geswollen is. Ick heb eens
soo van dese wespen gesteken geweest, dat mijn geheel aengesicht drie dagen lang soo geswollen was, dat ick niet kon sien, ja d'oogen niet kon openen, om dat d'ooghdecksels geswollen waren, ja soo, dat ick geen mensch, maer een gedrocht geleeck.

De Cosacken maken dus hun hutten: Sy setten sestien gaffel-palen, een vinger dick, en derdehalf voeten lang, in d'aerde vast, twee voeten verre van malkander. Op dese gaffelstocken leggen sy tien andere dwarsstocken, vijf en vijf kruyswijse over malkander, die sy met bint-roeden te samen binden. Sy decken dese hutten met een doeck, die van alle sijden tot op d'aerde nederhangt, en met een bant daer over heen streckende, vastgemaeckt wordt, op dat sy nergens voor de vliegen open souden sijn.

Dese hut kan twee bevatten, die alleenlijck voor de voornaemste der Cosacken opgerecht wordt: want d'andere, en de gemeene krijghslieden rechten een gemeene haertstede op, om door de roock dese lastige vliegen te verdrijven. Als sy voor de regen vreesen, soo wordt de hut met een lang kleet overdeckt, dat over een dwarsstock hangt, gelijck men lichtelijcker uyt dese twee bygestelde afbeeeldingen sal sien.
De letteren A B C D vertoonen dat deel van de hut, over 't welck het linne kleet gespreydt wort. E F en G wijsen twee gaffels aen, daer een dwarsstock H I op leght, die het Turcks tapijt draeght, 't welck van wedersijden nederhangt; in voegen dat dus de hut van alle sijden gesloten is, en voor een huys verstreckt, daer in men 't gebijt der vliegen ontgaet.
Laet ons van de vliegen en wespen tot de sprinckhanen overgaen, die hier somtijts in soo groote menighte sijn, [ 37v ]dat sy dickwils de geheugenis van de schrickelijcke plaegh der sprinckhaenen, eertijdts van Godt in Egypten gesonden, vernieuwt. Ick heb daer in twee achtereenvolgende jaren, namelijck in 't jaer 1645, en 1646, dese geessel van Godt sien woeden. Dese bloedeloose beestjens komen in sulcke ontallijcke menichten aen, dat men hen niet soo seer in benden kan deelen, als wel by wolcken gelijcken: in voegen dat sy vijf oft des mijlen in de langte, en twee oft drie in de breette beslaen. Sy komen gemeenelijck uyt de gewesten van Tartarien, en dan, als de Lenten seer droogh is. Geheel Tartarien, de Circassen. Astrakanensen en Megrekiers worden byna alle jaren van dese pest geplaeght. Als d'ooste oft zuydooste wint waeyt, soo komen dese sprinckhanen, van de selfde winden gedreven, oock in Ruschlant, daer sy alle vruchten en gewas verslinden, ja self het gras en groen kruyt: in voegen dat sy ter plaets, daer sy sich nedersetten, alles, dat groen is, af-eten; het welck niet alleenlijck dierte in de lijftocht, maer oock gebreck en hongersnoot veroorsaeckt.
Indien sy, in 't voorjaer gekomen, tot in de Herfst en in October (in welcken tijt de sprinckhanen sterven, na dat sy yder wel drie hondert eyeren geleyt hebben) gebleven sijn, soo wort het landtschap arm en kael gemaeckt. Indien de Lenten droogh is, sooo komt 'er leven uyt d'eyeren; maer indien het vijf oft ses dagen achter malkander regent, soo vergaen alle d'eyeren. Hun menighte is soo wonderlijck, dat de gene, die 't self niet met sijn oogen gesien heeft, nauwelijcks het gene, dat men daer af verhaelt, gelooven sal. Sy worden, gelijck een groote wolck, van de wint gedreven, oft vallen neder in groote menighte, gelijck dicke sneeuw uyt de wolcken: in voegen dat men op 't midden van den dagh, en by heldere sonneschijn, het licht daer af verduystert siet. Sy volgen altijdt de drift van de wint, en overal, daer sy sich nedersetten, hebben sy 't in twee uren tijdts kael gemaeckt. Terwijl sy eten, hoort men seker gedruys, als oft iemant het gras met een seissen afsloegh.
Toen ick in 't jaer 1646, in Iunius, te Novogrod, 't welck een nieuwgeboude stadt is, daer ick oock een vesting deê bouwen, twee weken stil was, sagh ick, tot mijn groote verbaestheydt, soo groot een menighte van sprinckhanen, daer in 't begin van de Lenten te voorschijn gekomen, (welker vleugelen noch soo swack waren, dat sy niet konden vliegen) dat het geheele landt daer rontom van dese beestjens bedeckt, en de lucht soo vol was, dat ick by daegh niet in mijn kamer kon eten, dan by de kaers. Geen plaets van mijn huys was vry van sprinckhanen. De kamers waren vol, de stallen waren vol, en oock alle holen en hoecken van 't huys. Ick dede wel bussekruyt, en swavel branden, maer vergeefs want als men de deur van de kamer opende, soo vloogh 'er een ontallijcke menighte van sprinckhanen in, die sich hier en daer verspreyden. Sommige vlogen tegen d'oogen aen, en in de neusgaten, andere gingen op de wangen sitten, en vlogen oock in de mont, als die eenighsins open was. Dit was noch eenigsins te lijden, doch dat men geen spijse kon nuttigen, dit was onverdragelijck: want als men een stuck vleesch wilde snijden, soo sneedt men oock met eenen deur de sprinckhanen heen; ja men kon de mont niet open doen, om een brock daer in te steeken, of daer vloogh oock ter selfde tijdt een sprinckhaen in.
In 't kort, de schrandersten selven waren als radeloos, en sonder hoop van eenige hulp tegen dese schadelijcke beesten te vinden. Eyndelijck, nadat sy omtrent Novogrodt alles verwoest hadden, en dit binnen twee weecken, in welcke tijdt sy groot geworden waren, en bequaem om te vliegen, wierden sy, van een wint opgenomen, naer andere plaetsen gevoert, om daer oock alles te verdelgen. Ick heb somtijts op d'avont, als sy, om de nacht over te brengen, op d'aerde gevallen waren, alle de wegen met sprinckhanen beset, en 't geheele landt als van stof overdeckt gesien, in voegen dat sy wel een handt hoogh op malkander lagen; soo dat de paerden niet voort wilden, dan met veel slagen geslagen sijnde, en echter niet sonder schrick en vervaertheyt, maer met opgerechte ooren, en met snuyvenden neus. Dese sprinckhanen, door de raderen van onse wagens, en de voeten der paerden verplet, veroorsaeckten soo lelijck een stanck, dat sy de neusgaten en harssenen besmetten, en dat men nergens kon komen, dan met de mont gesloten, en een neusdoeck, in edick nat gemaeckt, voor de neus te houden. De varckens houden dese spijse voor een leckerny, en worden 'er vet af, en dieshalven wil 'er niemandt af eten; ick geloof uyt schrick en afkeer van soo schadelijck een landtverderf.
Laet ons nu seggen op welcke wijse dese sprinckhanen voortkomen. In alle plaetsen, daer sy tot aen de maent van October blijven, maecken sy, met hun staert, een gat in d'aerde, daer sy drie hondert eyeren in leggen, die sy met de voet weder decken, met stof daer over te schrabben, en als sy dit gedaen hebben, sterven sy; want dese bloedelose beesjes leven niet langer dan ses maenden, en een half: en hoewel 'er dan regen koomt, soo vergaen echter dese eyeren niet; ja de koude selve, hoe groot en streng oock, brengt hen geen schade toe; maer sy blijven in hun geheel tot aen 't begin van de nieuwe lenten, tot dat 'er, omtrent in 't midden van April, als de son d'aerde verwarmt, jonge sprinckhanen uyt voortkomen, die overal springen, daer sy konnen, en dus, terwijl sy niet konnen vliegen, geheele ses weecken, ter plaetse daer sy uytgebroedt sijn, blijven. Maer als sy groot geworden sijn, en vliegen konnen, soo nemen sy hun vlucht ter plaets, daer de wint hen drijft. Indien in de tijdt, als sy eerst beginnen te vliegen, de windt uyt het noorden waeyt, soo worden sy naer d'Euxinische zee gedreven, daer in sy verdrincken: maer indien 'er een ooste of zuydewindt waeyt, soo worden sy naer de gewesten van Ruslandt gevoert, daer sy alles verderven. Doch indien het in de tijt, daer in dese sprinckhanen uyt d'eyeren voortkomen, acht oft tien dagen achter malkander regent, soo verderven alle d'eyeren. Desgelijcks in de somer, indien [ 38r ]het dan acht oft tien dagen achter malkander regent, soo is dit oock d'ondergang van dese sprinckhanen, schoon sy dan al groot geworden sijn, vermits sy, van de koude regen overvallen, niet konnen vliegen; en dese regen is seer heylsaem voor d'inwoonders van de plaets. Doch indien de somer droogh is, gelijck daer ten meestendeel gebeurt, soo worden d'elendige menschen daer seer swarelijck geplaeght van dese kleyne beesjens, tot aen de maent van October, in de welcke dit schadelijck gedierte ten meestendeel sterft. Hier staet oock t'aenmercken, dat men somtijts sprinckhanen vind van een vinger dick, en drie oft vier vinger leden lang; oock dat sy vleugels hebben, daer Chaldeeusche letteren op staen, van de welcke dit de sin is, om d'oogst te verdelgen, gelijck de gene seggen, die inde selfde tael kundigh sijn; doch ick wil dit niet verder versekeren, dan dat de Schrijvers sulcks seggen.
Men moet oock niet met swijgen voorbygaen, dat tusschen de rivieren Sula en Suporo, die beyde in de Borysthenes stroomen, beesjens gevonden worden, gemeenelijck bobaki genoemt, van gestalte en grootheyt gelijck de konijnen van Lybien, die niet meer dan vier tanden, twee boven en twee onder hebben, en van hair en verwe tusschen geel en root. Sy onthouden sich, gelijck oock de konijnen, in de holen van d'aerde; en in de maent van October vertrecken sy sich voor de geheele winter in hun holen, daer sy niet uytkomen, dan in de maent van April, in welcke tijdt sy sich weder over het velt aen alle sijden begeven, om hun lijftocht te soecken, en sich in de somer tegen d'aenstaende winter te versorgen. Dese beesjens sijn seer lang stapende, en neerstigh in hun voorraet te besorgen: want sy sijn insonderheyt schrander, door een naturelijcke drift en neerstigheyt, soo in spijse op verscheyde wijsen te vergaderen, als voornamelijck hier in, dat sy slaven oft dienstbare beesjens gebruycken. Want sy dwingen degene, die traegh onder hen sijn, op de rugh te gaen leggen, en laden dan een bundel van groen kruyt op hun buyck, 't welck dit beesjen met sijn poten, oft om eygentlijck te spreken, met sijn handen vast houd; want sy gebruycken hun pooten gelijck de meerkatten de haere. D'andere trecken dan dit beesjen, dus nederleggende, by de staert tot in hun hol; in voegen dat de gene, die luy sijn, aen d'anderen als tot een treckstede verstrecken.
Ick heb dickwils dese beesjens dus sien wercken, en, vermaeck in dit schouspel hebbende, somtijts geheele dagen daer mede deurgebracht, ja ick heb hen oock tot in hun hol doen nagraven, om te sien wat sy daer deden. Ick vond daer ('t welck aenmerckens-waerdigh was) seer groote kuylen, in kleyne holen, gelijck vertrecken verdeelt, van de welcke sy sommige tot spijs-kamers, andere tot slaepkamers, en andere tot hun begraefplaetsen gebruyckten; want sy begraven hun dooden byna op een selfde wijse, als de menschen. Acht oft tien maken een huysgesin, en woonen by malkander, van de welcke yder sijn beonder vertreck heeft; in voegen dat sy in de wijse van te leven en te wandelen, soo in 't heymelijck, als in 't openbaer, geensins voor de republijck der byen en mieren behoeven te wijcken. Dese beesjens sijn alle van de beyde geslachten, dat is, soo wel mannetjes als wijfjes. Indien men hen in de Meymaent vangt, soo konnen sy lichtelijck tam gemaekt worden. Op de marckt gelden sy deurgaens niet meer dan omtrent anderhalve stuyver. Ick had veel van dese beesjes in huys. Sy sijn vermaeckelijck, gelijck de simmen en meerkatten, en nuttigen omtrent een selfde spijse, als de menschen. Ick had byna vergeten te seggen, dat dit beesjen seer loos is: want sy komen noyt uyt hun holen, dan na dat sy een bespieder vooruyt gesonden hebben, die sy op eenige hooghte setten, op dat het daer rontom sou konnen sien; en als het bemerckt dat 'er eenigh gevaer voor sijn medegesellen is, soo gaet het op sijn achterste beenen staen, en piept, om d'andere te vermanen dat sy sich met de vlucht sullen verschuylen, en dit volght de leste in hun schuylhoecken, daer sy sich soo lang in houden, tot dat de menschen voorby gegaen sijn, en 't gevaer verdwenen is. De rivier Sula is niet meer dan ses mijlen van Supoy, en daer is ten hooghsten niet meer dan twintigh mijlen van de Borysthenes, tot aen de grensen van Moskovien. Dit beesjen, van 't welck ick gesproken heb, wordt nergens anders, dan tusschen dese rivieren gevonden. 'tis hier ongemackelijck te paert, oft met de wagen te rijden, dewijl overal veel kuylen en holen sijn, daer de paerden veeltijdts invallen, en in gevaer sijn van de beenen te breken, 't welck my, te paert rijdende, dickwils gebeurt is. De landtheden vangen hen in Meymaent, en in Iunius, op dese wijse: sy gieten, met eenige vaten, water in dese holen, en setten een sack oft net aen de mont van de selve. Dit beest, het water ontvluchtende, valt in dese netten, die voor de holen gespannen sijn. Hoewel sy jong gevangen en getemt worden, soo vergeten sy echter niet hun seden, noch trecken hun natuer niet uyt. Want indien men hen niet wel gebonden houdt, soo verbergen sy sich in de holen, om hun slaep van ses maenden te slapen; 't welck sy met de vledermuysen en wilde katten gemeen hebben. De gene, die in mijn huys getemt waren, verberghden sich dickwils twee weken lang, en wierden, als men hen neerstighlijck socht, in een kuyl, en gantsch wilt en onhandelbaer gevonden.
In dese gewesten vindt men oock seker slagh van schiltpadden, met blaeuwe voeten, die schadelijck om t'eten sijn.
Ick heb oock in dese landen, naer de watervallen en lantstreeck van de Borysthenes, seker wilt beest gevonden, de geyt niet ongelijck, maer echter seer dun van hair, en daer by soo sacht als sijde, als het nieu hair gekregen heeft, het welck jarelijcks gebeurt; andersins is het hair wat harder, en van kastanie-verwe, geheel anders dan dat van de geyt. Dit wilt heeft twee hoornen, die wit en helder sijn, en wordt van de Russen gemeenelijck Sunaky geheeten. Het is seer sacht en teer van beenen en voeten, heeft [ 38v ]geen gebeente in de neus, en gaet al achterwaerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt. Ick heb van dit vleesch gegeten; en 't is soo goet van smaeck, als het vleesch van een wilde geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder, gelijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in dese gewesten oock harten, dassen, wilde geyten, die in ordening gaen; gelijck oock wilde swijnen, die schrickelijck groot sijn, en oock wilde paerden, die by troppen van vijftigh oft sestigh by malkander gaen weyden. Dese paerden hebben ons somtijts schrick aengejaeght, vermits wy, hen van verre siende, meenden dat het Tartarische paerden waren. Zy sijn gantsch onnut tot d'arbeyt, hoewel sy jong gevangen worden; doch sy sijn alleenlijck dienstigh tot spijse: want hun vleesch wordt van sommige leckerder geacht dan kalfsvleesch, maer niet desgelijcks by my; vermits het een quade reuck had, en al te soet was. Doch by de Russen, die de peper soo veel, als de Franschen d'erreten, gebruycken, heeft dit paerdevleesch, dus kruydigh toegemaeckt, d'al te groote soetigheyt verloren, en wordt by hen smaeckelijcker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paerden aengaet, dewijl sy niet getemt konnen worden, soo verstrecken sy alleenelijck tot spijs, welcker vleesch in de vleesch-hal omtrent even dier verkocht wordt, als ossevleesch, oft schapenvleesch. Dese paerden sijn oock swack, en bedorven van voeten; want sy lijden groot ongemack door het hoorn aen hun voeten, dat niet ter rechter tijt besnoeyt wordt; en dieshalven sijn sy onbequaem om te loopen. Men moet dan Godts klaerblijckelijcke voorsienigheyt eeren, die dit beest tot de menschelijcke dienst en spijse heeft geschickt, en hierom swack van voeten gemaeckt, op dat het den mensch, die 't vervolght, niet ontloopen soude.
Aen 't selfde gewest van de Borysthenes wort een wilde vogel gevonden, aen welcks krop een blaesje hangt, daer in hy, als in een sack, de visschen, die hy voor die tijdt over heeft, inschiet, om hen daer na, als 't de noot vereyscht, te verslinden, lck heb diergelijcke vogelen oock in Indien gesien. Men vind hier een seer groote menighte van kranen, gelijck oock van wilde stieren en buffels, en van andere groote wilde beesten, maer voornamelijck op de grensen van Moskovien. Oock sijn hier mede witte hasen, en wilde katten. In dese gewesten, doch een weynigh zuydewaerts, en naer Walachien, vind men schapen, langer van wol, met een steert, die wel korter, maer oock breeder, en dicker is, en soodanigh, dat sy de gestalte van een driehoeck vertoont. Dese steert is soo groot en vleesch-achtigh, dat sy gemeenelijck tien ponden weeght. Sy is deurgaens ses duymen breet, en een weynigh langer, en, soo groot als sy is, vol van smakelijck vet. Men siet hier oock, doch by d'adel, paerden en honden van verscheyde koleur, die hair gelijck een panter oft luypert hebben, en aengenaem om t'aenschouwen sijn. Sy spannen hen oock voor de wagen, om hun pracht te toonen.
Dese gewesten hebben een eenigh ongemack, dat is, dat 'er in geheel Ukraine geen sout is, 't welck uyt Pokucia, een Poolsch landtschap, aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondert mijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In dit Pokucia sijn byna alle putten en bronnen sout, welcker water, als het behoorelijck gekoockt is, in wit sout verandert, van 't welck kleyne koeckjes, oft brootjes gemaeckt worden, die een duym dick, en twee duymen lang sijn; en sy verkoopen drie hondert van dusdanige koeckjes voor een stuyver. Dit sout is aengenaem van smaeck, en niet soo scherp, als 't onse. De Russen maeken noch ander sout van else-boomen, oft van eycke-boomen, oft van der selfder asch, het welck, by broot gedaen, een aengename smaeck heeft, en van de Cosacken gemeenelijck Kolomey genoemt wordt. Omtrent Krakou, de hooftstadt van Polen, is seer treffelijck sout, dat als uyt de mijnen gedolven wordt. Ukraine heeft noch een ander gebreck, te weten van water, dat ten meestendeel dick en drabbigh is, en lelijcke stanck uytgeeft, om dat het niet alleenelijck seer traegh in sijn loop is, maer oock overvloet van visch heeft; 't welck, gelijck ick acht, dickwils d'oorsaeck van de sieckte is, die sy Koltun noemen, en het hair te samen wart. In dese landen sijn noch ontallijcke andere aenmerckens-waerdige dingen, soo wel die de seden en 't leven der inwoonders aengaen, als in d'andere wonderlijcke en voortreffelijcke dingen; en ick oordeel dat, soo iemant daer op het breetste wilde af spreken, hy geheele boecken soude moeten beschrijven. Doch ick hope dat de gunstige Leser het gene, dat ick hier af geschreven heb, terwijl ick met andere besigheden belemmert ben, in 't goede sal nemen, en gelegentheyt verwachten om meer dusdanige dingen in 't licht te brengen.
Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het verhael van Willem le Vasseur, Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.