Beschrijving van Oekraïne/Taurica Chersonesus
| ← Borysthenes (Dniepr) | Beschrijving van Oekraïne (1664) door Guillaume Le Vasseur de Beauplan, vertaald door Joan Blaeu |
| Uitgegeven in Amsterdam door Joan Blaeu. |
[ 92r ]
TAURICA CHERSONESUS
Ofte
PRECOPENSER TARTARIE.
DE naem van Taurica Chersonesus, welck een landtschap der Scythen is, komt van de Taurus, volckeren van Scythia Europæa. Ptolemæus noemt het Taurica, en Strabo Scythica. Plinius in sijn tweede Boeck, cap.96, Taurorum Peninsula; Appianus in Mithridaticis, Chersonesus Pontica; Paulus Diaconus Chersena; hedensdaeghs wordt het Precopska en Gesara by Antonium Pinetum, en van andere Praecop, en kleyn Tartarien geheeten. Het is een groot en ruym halfeylandt, tusschen den Pontum Euxinum, en Maeotidem Paludem, tot aen den Bosphorum Cimmerium (welcke Europam van Asien separeert) naer 't oosten gelegen, lang 24 mylen, en 15 breedt.
De Peninsula, welcke van 't oosten en zuyden de middelste van Pericopia is, heeft een sachten winter en getemperde gesonde lucht; want in 't eynde van December begint daer de winter, in 't midden van Februarius is hy op het heftighste, mede brengende veel sneeus, doch duurt gemeenlijck maer drie dagen, en eyndight in 't begin van Martio.
Dit gantsche landt is korenrijck, en bequaem om vee te wyden; en alhoewel de aerdbodem vruchtbaer is, wort doch weynigh bebouwt en gesaeyt. Paerden, kameelen, ossen, koeyen, schapen, en andere beesten, zijn hier in overvloedt, waer van de inwoonders sich geneeren: daer is oock een groote menighte van delicate vogelen, welcke de Christenen ofte Turcken somtijdts, maer de Polen weynigh plachten te vangen. De jaghten van herten, wilde geyten, swijnen, en halen zijn gemeyn in Tartarie naer de Turcksche zee toe. Desen Chersonesum deelen die seer schrickelijcke rouwe bergen midden van malkanderen in het noorden enzuyden, gelijck den Apenninus Italien.
't Zuyder deel, waer van Capha de hooftstadt is, heeft Mahomet in 't jaer 1475 ingenomen; maer in 't noordelijckste deel, hebben de Crim Tartars voor 400 jaren in de stadt Crim haren Koninglijcken stoel geplant, waer van sy den naem van Crimeische Tarters hebben, gelegen op de wijde en ruyme velden tusschen den Borysthenes en Tanais, daer sy somtijdts, derweyden halven, van plaetse tot plaetse haer wooninge veranderen. Dese hebben daer naeden Isthmum van Taurica doorgegraven, en gelijck een eylant gemaeckt, by die graft een Stadt gesondeert , die sy Praecop noemden, en aldaer den Koninglijcken stoel gestelt, daerse Precopenser Tartaren van heeten. Deser Tartaren Koning, staende in 't verbont met de Turcken, als hy lijn eygen broeders, daer hy tegen oorloghde, door ophitsen der Turcken, omgebracht hadde, en Capham belegerde, is hy van sijn eygen Raetsheeren (die met groote schenckagien daer toe gekost waren) met sijne twee soontjens, in stucken gehouwen; en heeft alsoo gestreckt tot een ongeluckigh exempel der Ottomannischer vriendtschap. Want nae sijn doot zijn de Tartars, (die tot noch toe vry waren) van bontgenoten en broeders, tot slaven der Turcken gemaeckt.
Behalven dese Precopensers, en Cazan, en Astrachan , Koningrijcken der Tartaren, welcker inwoonderen hare landen bouwen, en in huysen woonen, en nu onder 't gebiedt des Molcoviters staen, zijnder noch andere Tartaren, die met hoopen in de velden swermen, geen vaste wooninge hebbende, en zijn in horden, als in provincien verdeelt, waer van sy den naem hebben. In dat deel van kleyn Tartarien, 't welck in 't zuyden leght, is Capha de hooftstadt, eertijdts Theodosia geheeten, een treffelijcke koopstadt, en oude colonie ofte voortplantinge der Genuesen, gelegen aen de zee, en heeft tot noch toe een bequame haven gehadt. Sy is rijck en bevolckt geweest, toen de Genuesen daer over 't gebiedt hadden; doch na dat de Turcken, voor 100 jaren, die ingenomen hebben, zijn de Italiaensche Christenen daer soo gemindert, datter weynigh meer te vinden zijn, soo dat dese stadt hare oude heerlijckheyt en cieraet meestendeels verlooren heeft want de kercken der Roomsche Christenen liggen vervallen, de huysen, muuren en torens, in welcke men noch veele wapenen en Latijnsche opschriften siet, verdestrueert. Sy wordt hedensdaegs van Turcken, Armeniers, Ioden, Italianen en Griecksche Christenen bewoont, doch heeft weynigh inwoonders; is anders van wegen de koophandel, en treffelijcke haven, beroemt. Wijn wast daer in overvloet; boomgaerden en schoone tuynen sijnder ontallijck. Daer sijn noch andere steden, als Perocopia, by den ouden Griecken Eupatoria genaemt, Pompejopolis, Sacer Lucus, Dromon of Cursus Achillis, oft Græcida Heracleum ofte Heraclea, en Coslovia een vermaerde koopstadt. Ingermenum heeft een kasteel van steen gebouwt, en een kercke tegen over 't selve: onder 't kasteel sijn holen konstelijck in de steenen uytgehouwen; in vorigen tijden was 't een heerlijcke en rijcke stadt. Chersonesus ofte Corsunum is de oudste stadt van Taurica, dese hebben de Turcken Sacri Germenum genaemt, 't welck soo veel te seggen is als een geel slot, om dat het aerdrijck, ontrent [ Kaart ]

Iamboli ofte Balachaium, is een stadt met een kasteel. Mancopia oft Mangutum (gelijck het van de Turcken genoemt wordt) is een slot met een stadt; Cercum is oock een slot met een stadt. Cremum van de Tartaren Crim geheeten, is een stadt en slot, met een oude en hooge muur. Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de andere steden van Taurica Chersoneso Mediterranea niet te vergelijcken: mogelijck is 't die, welcke Ptolemæus Taphros, en Plinius Taficae noemt.
In 't uyterste deel deses lands is Tanais, gelegen aen den uytgang van de riviere Tanais, en wordt van de Russen Azac geheeten: een vermaerde koopstadt, daer veel kooplieden uyt verscheyden gewesten komen; door dien yder geoorloft is daer te koopen en verkoopen. In dit landt zijn vele groote rivieren, komende meest uyt de bergen loopen, onder welcke Borysthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de principaelste is, diep, en snel; nemende sijnen loop van het noorden in den inham ofte stroom Careinitum, en verliest sich by Oczacovia in Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don, Ariel, en Samara.
Bosphorus Cimmerius, tot welcken sich dese Chersonesus streckt, is die engte der zee welcke Europa van Asien separeert, door welcke strate Palus Mæotica in Pontum Euxinum loopt: en heeft desen naem van de Cimmeriis, die het koudtste deel daer van bewoonen; oft van de stadt Cimerio, na het getuygenisse van Volaterranus.
Mæotis Palus is by den uytgang des strooms Phafidis, ontfangende den Tanaim, en wordt van de Scythen, de moeder van Ponto geheeten, gelijck Dionysius getuyght, om datter soo groote menighte waters van daer in de Pontus loopt, 't welck uyt verscheyden gewesten komt.
Pontus Euxinus (welcks bovenste water soet is, en 't onderste sout) wierde eerst Arenus ('t welck soo veel te seggen is, als onbewoont) genoemt, of, na Sophocli meening. Apoxenus, om dat daer noyt schepen aenquamen, of om dat de Barbarische Scythen de vreemdelingen die daer quamen, doodden. Den naem Pontus heeft dese zee bekomen, als zijnde bynae een tweede Oceanus; want toen ter tijdt meende men dat die dese zee overvoeren, iets merckelijcks verricht hadden; hebben hem deswegen, als Strabo verhaelt, door uytnementheydt Pontum, 't welck een zee te seggen is, genoemt.
In dit Kleyn Tartarien zijn vreeslijcke en rouwe bergen, insonderheydt, die den Chersonesus midden door kloven. Daer zijn noch eenige andere groote en vermaert; op de hooghste van welcke een groot meyr is.
De politie en justitie der Tartaren wordt in de steden en vlecken bedient van de Cham, en de andere Sultanen, na de Mahometische wet: in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en Schouten, die de particuliere injurien verhooren en recht daer over spreecken; de hals- of criminele saecken, als moordt, diefstal, oock de geschillen van onroerende goederen, komen tot kennisse van den Cham, en sijne Raden, waer in sy geen procureurs van noode hebben; want sy altijdt verhoort worden, en verkrijgen daer oock korte expeditie.
De sonen worden van hare jeught in de Arabische talen onderwesen, en de dochters niet by hare ouders, maer by hare naeste verwanten opgetrocken; als de sonen wat tot haer jaren komen, begeven sy haer in dienst van den Cham ofte Sultanen; en als de dochters volwassen en houwbaer zijn, wordense de voornaemste Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven. In des Princen hof voeren de Edele en principaelste Heeren sonderling geen uytwendige pracht, maer dragen sich eerlijck en cierlijck na haeren staet.
De Tartars houden hare wetten in groote waerde; sy eeren en aenbidden hare Vorsten als goden: de Richters worden, na de Mahometaensche wet, voor heylige, oprechte en redelijcke persoonen gehouden; sy onthouden haer van alle twist en tweedracht, calumnien, vyandtschap, haet, schande, en van alle overdaet in kost en kleederen. In 't Princen hof, noch oock onder haer, dragen sy geen geweer, uytgesondert de vreemdelingen, ofte de reysende man, welcke sy alle beleeftheydt betoonen, en gastvry houden. Der rijcken spijs is broodt en vleesch, en haren drank gesoden wijn en meede: de arme gebruycken in de plaets van broot, gestooten hierse met melck en water vermengt, 't welck sy Caffa noemen, en eten kaes; haren dranck is paerden melck. De kameelen, paerden en ossen, die niet meer bequaem sijn tot den arbeyt, dooden en eten sy. Schapen vleesch nuttigen sy oock veel. Daer zijn weynigh ambachts- en veel minder kooplieden; want alle de ambachts- en kooplieden, zijn Christen slaven ofte Turcken. Armeniers, Ioden. Czircassen. Petigorenses. Phylistinen ofte Cyngani, welcke aldaer seer veracht worden.
E Y N D E.