Bilderdijk/’t Grasviooltjen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

’t Grasviooltjen.

Qui benè latuit, benè vixit.
                    H O R A T.

Bekoorlijk us uw bloeien,
ô Purpren violet,
Om wie de Zefirs stoeien
In ’t dichte klaverbed.
ô Laat u door de bladen
Uw geur toch niet verraden,
Noch ’t blinken van uw schoon;
Maar leer gelukkig wezen
In roem en lof te vreezen,
En uiterlijk vertoon. —

Als, onder ’t gras ontloken,
De nederige bloem,
Zoo leeft in schaâuw gedoken,
Verdienste zonder roem.
Maar ach! daar trekt zy de oogen;
Der duisterheid onttogen,
Verzelgt zy eer en lof;
Wordt driftig aangebeden;
Dan, met den voet getreden,
Als onkruid in den hof. —

Ook dit is u te wachten,
Wie de Eerzucht sloop in ’t hart.
Zy teelt ontruste nachten,
En dagen vol van smart.
Haar morgenschemer flikkert;
Maar ach! het zonoog blikkert;
De heldre kim verschiet;
De lucht is vol van dampen!
En ’t leven gaat in rampen
Met al zijn hoop te niet.

      1825.