Bilderdijk/Aan God (Navonkeling, deel 1)

Uit Wikisource
< Bilderdijk(Doorverwezen vanaf Bilderdijk/Aan God)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Aan God.

o God, wy hebben ’t met onze ooren gehoord.

— Psalm XLIV.

Van ’t zacht en streelingvol gekoester
Op lieven Moederlijken schoot;
Uit de armen van die teedre voedster
Die de eerste moedermelk ons bood;
Van dat ons de eerste Vaderzegen
Dien ’t kinderlijk gevoel verstond,
Uit Ouderlijke borst gestegen,
Met onvergeetbaar zielsbewegen
Aan huis en Vaderland verbond;

Van toen reeds werd ons hart doordrongen,
ô GY, die Neêrland hebt bevrijd,
Wien Neêrlands dank werd toegezongen
In onzen, in der vadren tijd — !
Doordrongen? ja geheel doortogen,
Van al de weldaân van Uw hand.
Zy zijn by ’t eerste levenspogen
Uit ’s moeders warme borst gezogen,
Uit ’s vaders ziel ons ingeplant.

Van toen reeds leerden we U vereeren
In elk verkwikkend zielsgenot;
Van U in weedom troost begeeren;
U kennen als der Vaadren God;
Geheel ons uitzicht, ons verlangen,
Met onverdeeld en brandend hart,
Aan U als Neêrlands Heiland hangen,
En, stond de traan ook op de wangen,
U danken by de levenssmart.

Gy hebt ons ’t slavenjuk onslagen
Door Dwang en Bygeloof gesmeed!
Gy deedt ons ’t licht der Waarheid dagen
En dempte d’afgrond van ons leed,
Aan Uw ontzachlijk Alvermogen,
Aan Uw Weldadigheid is de eer,
Die slaven, diep in ’t stof gebogen,
Ten top van grootheid kunt verhoogen,
En bliksemen den trotsaart neêr.

Niet zy bloed ons stroomt door de aâren,
Maar Gy hebt onzen strijd volstreên;
Maar Gy, ô God der Legescharen,
Gy, God van Neêland, Gy alleen!
Hun arm heeft ons niet vrijgevochten,
Geen eigen zwaard of heldenmoed;
Maar Gy, aan ’t hoofd der Legertochten,
De lauwren om hun kruin gevlochten;
Ons erf gemest met vijands bloed.

Wat waart ge, ô Aardomvaâmend Spanje,
Dat Nederland u weêrstand bood?
Wat waart ge, ô uitgeschudde Oranje,
Van wapens, goud, en erf ontbloot?
De Zon, de wareld rondgedragen,
Ziet Oost en West, van strand tot strand,
De golven om heur standaart jagen,
De Volken voor heur macht vertsagen,
En ’t knielend aardrijk lekt haar hand.

Maar Gy, ô God, verhoorde ’t smeeken
Van aller Vorsten besten Vorst!
Gy die de kluisters kunt verbreken,
Stort moed en wijsheid in zijn borst.
« Ja (spraakt Ge), hier aan Neêrlands zoomen,
» Hier vestig ik mijn tempel-borcht!
» Hier wil ik ’s Afgronds woên betoomen;
» In ’t bloed dat Neêrland door zal stroomen,
» Zij de Aspisslang der keel verworgd! »

Gy spraakt, en Neêland is verrezen;
De Oranjevlag zwiert d’aardbol rond,
Leert Oost en West haar donders vreezen,
Rukt Spanjes Rijkvaan uit den grond.
Heur schatten vloeien Neêrlands havens
By volle zegenstroomen in,
Geen vrucht des zwoegens, ploegens, slavens,
Des zielsvermoeiens, woelens, dravens;
Maar gaven van Uw menschenmin!

En Neêrland durft zijn God miskennen?
U, God, door wien het werd en is?
Met blinde drift in d’afgrond rennen? —
ô Keer die zielsverbijsternis! —
Ach, dikwerf holde ’t uitgelaten,
En hield op ’s afgronds oever stand;
Maar — ach, tot welk een trap verwaten!
D Medgenoot der Wareldstaten
Kruipt siddrend in eens muiters band.

Dit is dan vrucht van ’t zelfverheffen,
ô Hemel! Neêrland is niet meer.
Doch neen, indien Uw donders treffen,
Genade, ô Almacht, is Uwe Eer.
Ten vierden maal is ’t uitgesproken,
Het woord van redding, van herstel:
Gods recht en de afval zijn gewroken,
Ten vierden maal is ’t juk verbroken,
Oranje keert; verzink gy, Hel!

ô Juichend aangebroken morgen
Van dien met heil begroeten dag!
Wat was er in uw schoot verborgen
Waarvan zich ’t hart beklagen mag?
Waart ge al te schittren doorgeblonken
Voor ’t Hellicht-schuwende ongediert’,
Dat met zijn wrevelmoedig ronken,
Met oogen die in ’t duister vonken,
Op vale vleêrmuisvlerken giert?

Ja, ’t is de haat, aan HEM gezworen
Die ons verzoende door zijn bloed,
Op wien, by ’t lied der Englenchoren,
De ontbonden Afgrond brult en woedt.
Dees is ’t, die, heet op ’t schepterrooven,
’t Herboren Vaderland begrimt,
En Neêrlands roepstem tracht te doven,
Wanneer ze, ô God door ’t Hof der Hoven
In JEZUS naam tot Uwaart klimt.

Ons hart, het hart van Neêrlands braven,
Vergeet zijn God, zijn Heiland niet.
Neen; gy voor ’t juk geboren slaven,
Die Hem en ’t Zoenaltaar verstiet;
Gy, met Gods vloek gemerkte snoden,
Uit Frankrijks moordpoel opgestaan,
In Heidendom en Zelfvergoden
Den teugel van ’t gezag onvloden.
En barstensvol van eigenwaan;

Gy draagt de wraak, ô Godverzakeren,
Op ’t langgeteisterd Neêrland af,
Om ’t snood verpeste hart te blakeren,
Dat zich uw moedwil overgaf.
Maar, Neêrlands God, en Vorst der Vorsten,
Gy, bron van Wet en Oppermacht,
Zie ons in tranen uitgeborsten,
Die ’t wicht van ’s Lands ellenden torschten;
Straf, straf ons niet om ’t Wangeslacht!

Gy, die de diepstverborgen holen
Van ’t menschelijk gemoed doorziet,
Weet, wie Uw lamm’ren doen verdolen
Wie, drenken aan den zuivren vliet.
Waak op! wat zoude Uw donder slapen;
Aan U behoort de Heerschappy:
Scheid Wolven uit oprechte Schapen,
En red ons uit hun slaverny!

1824.