Bilderdijk/Berusting (Mengelingen, deel 4)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Berusting.


Mag my dan na zoo veel treuren
Zoo veel zwoegen, zoo veel wee,
Niet een uur van rust gebeuren
Op een stille legersteê?
Drijft my, met gebroken lenden,
Kreupel, ademloos, en krom,
In een’ kring, die nooit zal enden,
’s Warelds tuimelmolen om?

God! Gy zaagt my heel mijn leven
Aan natuur en leedgenoot
On vermoeid ten beste geven,
Waar uw wijsheid dit gebood.
’k Dreef nooit handel met de gaven
Door uw goedheid my besteed.
Mocht ik redden, troosten, laven,
Altijd was mijn hart gereed.

’k Zag den last van duizend schouderen
Op mijn zwakke hals gelaân;
In dien dwang mijn jeugd verouderen;
In dat leed mijn’ bloei vergaan.
Niemand, waar mijn lijdend harte
Ooit zijn last in overgoot!
Niemand, die my in mijn smarte
Troost, verkwikking, bystand bood!

Doorgeworsteld zijn die plagen!
’k Vond de blijde reê van rust!
’k Dacht het, ja, maar nieuwe vlagen
Slaan my rugwaarts van de kust.
Daar, daar storten nieuwe baren
Op mijn’ wrakken steven los!
’k Scheen de haven ingevaren,
En verbrijzel op een rots!

’t Is uw wil, mijn God, ik zwijge!
’k Ben getroost, en zal vergaan.
Zoo ik zuchte, zoo ik hijge,
’k Roep U niet om redding aan.
Neen, ik leg het hoofd hier neder,
Zie de zeekolk in den mond,
Geef het op aan ’t stormend weder,
En ga in Uw’ naam te grond.