Bilderdijk/Beurtrei (Navonkeling, deel 2)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Beurtrei.

Curaat ovis, repetens a te sua pascua, Pastor!
FORTUNATUS.

Waarom dwaalt gy, schuwe lammeren
Langs die onafzienbre hei’?
Hier, hier is de vette wei’,
Ginds een schouwtooneel van jammeren;
Vlijt u onder ’s Herders staf
Die u dezen veldgrond gaf!

Lokken u de bonte kleuren
Van een valschen bloemhof uit;
Laaft, verkwikt u aan de geuren
Van dees thijm en ’t heidekruid.
Hier moogt gy uw lust verzaden;
Hier in zuivre plassen baden;
Hupplen in ’t verfrisschen groen;
Blijft gedwee, onnoozle schapen, waar zijn arm u mag behoên!

Ginds omgrimt U fel van tanden
’t Aartsvijandig wolfgebroed,
Onverzaadbaar naar uw bloed,
Gierende om u aan te randen.
Vlijt u onder ’s Herders staf,
Lieve lamm’ren; wijkt niet af!

Schijnen u de middagstralen
Somtijds wat te fel op ’t hoofd;
Laat ggen nieuwsgiere oogen dwalen
Waar dat boschjen schuts belooft.
Daar, daar loert de felle roover;
In de lommer van dat lover
Is de schuilplaats van zijn woên.
Blijft gedwee, onnoozle schapen, laat uw Herder u behoên.

Hy, hy kent de veldgewassen
’t Heilzaam voedsel, u bereid.
Waar zijn trouwe hand u weidt,
Zal de dood u niet verrassen;
Buigt, u onder ’s Herders staf:
Moedwil loopt in eigen straf!

Waar zijntrouwe wachters waken,
Daar is veiligheid en rust,
Zal geen vijand u genaken;
Zoekt, ô zoekt geene andre lust.
Hier in thijm- en klaverstreken,
Hier by de onverdachten beken,
Moogt gy hart en lust voldoen:
Blijft gedwee, onnoozle schapen, laat uw Herder u behoên!

1824.