Bilderdijk/De krekel

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De krekel

Voor schatten is uw heil
Niet veil,
Door woorden niet te melden;
ô Krekel, die, op d’ eikenbast,
U met een luttel daauw vergast,
En huppelt door de velden!

Waar gij, op akkers, graan
Ziet staan,
In voren, zaadjens schieten;
Voor u is ’t, dat het koren wast;
En wat de boer in schuren tast,
Gij moogt het al genieten.

De noeste boer besteedt
Zijn zweet
Voor u, voor uw genoegen:
En als uw zuizen hem vermaakt,
De vorsch rikkikt, de eendtjen kwaakt,
Vergeet hij al zijn zwoegen.

Gij zijt geen haatlijk leedprofeet,
Als duizend onweêrkraaiers;
Maar, zomerboô, maar zongezant
Bevestigt ge aan ’t bezwangerd land
De onzeekre hoop des zaaiers.

Gij draagt degunst de Mingodin;
Der Heliconiaden;
Apol verleende u den snuit
Een zoet en zangerig geluid,
waar aan geen jaren schaden.

En matig, en benijdingvrij;
In altijd vrolijk zingen;
Bereikt ge, ô kleen en bloedloos dier,
Den staat der hooge Goden schier,
En spot met stervelingen.