Bilderdijk/Voortbestemming des Christens

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Voorbestemming des christens

Dauwdrop van een hooger lucht
Dan des arends steilste vlucht,
Op het aardrijk uitgegoten;
Ziet Gy my, ô Eenigst Goed,
Op dees hobbelenden vloed,
Van een aardsche schelp omsloten.

’k Spiegel, in dit holle graf,
’t Etherzuivre licht niet af
In een mengeling van verven;
Maar, omgeven van de nacht,
Moet ik van Uw hemelpracht
Alle gloed en schijnsel derven.

Gy nogthands, Gy laat me, ô God,
Niet, ten spel van ’t blinde lot,
Worstlend door de baren zwemmen;
Neen, dit weet ik, en gedwee
Kuisse ik de onafzienbre zee,
Zeker van uw heilbestemmen.

De oever wacht my van de rust:
’t Windtjen drijft my naar de kust
Die my eenmaal op moet vangen.
Parel aan Zijn halskarkant,
Zal ik, by den diamant,
Op de borst van Jezus hangen.