Bosboom-Toussaint/De Hertog van Alba in Nederland/Tweede deel

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
<Eerste deel<

De Hertog van Alba in Nederland

Tweede deel

De kortzichtige! die niet naar den raad van Oranje had willen luisteren, en die, verblind omtrent zijn eigen verleden, gevleid door het statelijk onthaal dat hem zelf in Spanje was te beurt gevallen, als bedwelmd door de liefkoozingen van den Koning — al had hij de ondervinding hoe bedriegelijk zij waren — in ’t vaste vertrouwen op de onschendbaarheid van een persoonaadje als hij zich achtte, in de Nederlanden mets van den Generalissimus meende te duchten te hebben, dan alleen hetgeen hij zich voorstelde te ontveinzen, al vervulde het hem met wrok en verbittering, dat deze de plaats kwam innemen, die hij na de luisterrijke ontvangst in Spanje zich zelven had toegedacht! Maar hij zou die teleurstelling lijdzaam dragen en zijn trots buigen voor den wil des Konings, die nu eenmaal goedgevonden had zijn Spaanschen gunsteling drie voeten hooger te zetten dan den ganschen Nederlandschen adel. Hij zou dezen een goed gelaat toonen en de armen voor hem uitbreiden, al ware het ook dat daar binnen in ’t harte de wortel van bitterheid niet even vlijtig werd uitgeroeid. Het was een blijk van trouwe en loyauteit dat hij meende te moeten geven, en waarmee hij waande al de lichte grieven te niet gedaan te hebben, die de Spaansche monarch nog tegen hem hebben kon.

Droeve verblinding! Hoe kon hij vergeten dat de held van Mühlberg persoonlijk eene onverzoenlijke grief had gevat tegen den overwinnaar bij St. Quentin, en hoe geneigd deze moest zijn, schuld in hem te zoeken, hoe licht het dezen zou vallen, bij hem te vinden wat hij zocht.

Een gloed van toorn lichtte uit Alba’s oog, toen hij den roekelooze zag naderen, die in den ijdelen waan verkeerde, dat hij zich nog in de uiterste ure door een vertoon van eerbied zou kunnen veiligen tegen het onweer dat zich boven zijn hoofd had saamgepakt. Meer geëgerd dan gevleid door het verwaten zelfvertrouwen van zijne tegenpartij, kon hij zich niet onthouden iets van die verbittering lucht te geven. Zich naar zijn gevolg keerende, en met de uitgestrekte hand naar den stouten ruiter wijzende, die den schitterenden stoet welke hem vergezelde, als aanvoerder voorging, sprak hij met luide stem, met vonkelenden blik, terwijl zijne koude strakke trekken eene onbeschrijfelijke uitdrukking van haat en minachting aannamen: »Ziedaar den voornaamsten ketter!”

Alba wist wel dat Egmond even goed katholiek was als hij zelf, maar hij wist ook in welken zin deze benaming door zijne Spaansche volgelingen zou worden verstaan; ketter of rebel, het was al een, en hij wilde de zijnen gewaarschuwd hebben met welke oogen zij den kloeken vorstelijken edelman moesten zien, die licht door zijn doorluchten naam, zijn roem van dapperheid en krijgsbeleid, edelmoedigheid en innemende manieren, hunne genegenheid zou kunnen winnen, zoo men er niet op voorzag. Als eene huivering van ontzetting overviel menig Spaansch edelman bij die aanduiding van den meester. Zij wisten maar al te goed wat die te beteekenen had, en terwijl sommigen werkelijk den afschuw voelden dien de Hertog hun had willen inboezemen, rees er bij anderen een gevoel van innig medelijden op met den ridderlijken edelman, die in zoo goed vertrouwen en met zooveel zorgeloosheid zijn doodsvijand tegemoetging. Er zijn geschiedschrijvers die beweren dat Egmond deze aanduiding heeft kunnen verstaan. Zoo dit juist is, moet zij hem zonderling onaangenaam in de ooren hebben geklonken, tenzij de overweging dat de aanval te ruw en te onhandig was om ernst te zijn, hem heeft gerustgesteld. Alba zelf voelde dat hij eene onvoorzichtigheid had begaan en dat hij zich bedwingen moest, zou hij den argelooze niet ten ontijde verdenking doen vatten. Hij beheerschte zich nu beter; de officiëele begroetingen werden gewisseld, de kostbare geschenken met welgevallen aangenomen; als getroffen door zooveel hartelijkheid, sloeg hij den arm om den hals van den Graaf en stelde hem voor, gezamenlijk den tocht te vervolgen. Dus bleven zij een tijdlang naast elkander voortrijden, als tweelingbroeders die de vreugde van het weerzien door de teederste liefkoozingen wenschen uit te drukken.

Wat Alba’s gevolg moet gedacht hebben bij deze handelwijze van hun meester, trachten wij niet te onderzoeken; het gezelschap dat Egmond vergezelde was er door verblijd en gerustgesteld, niet minder dan Egmond zelf, die zich overtuigd hield dat hij zijn doel bereikt had, en dat de onrustwekkende voorspellingen waarmee men hem vervolgd had bij de komst des Hertogs, niet waren dan inbeeldingen van verhitte gemoederen en beangste consciëntiën. De zijne was gerust: de Koning moest overtuigd zijn van zijne onwankelbare trouwe, de Hertog zou zijn vriend worden. Had deze hem niet als met broederlijke innigheid omhelsd, ten overstaan van beider volgelingen?

»Ja! dat had Alba gedaan, maar deze wint niet in onze achting dat hij dit op zich zelven verkreeg. Want dat het eene overwinning was op den haat die er in zijn binnenste gloeide, bewijst reeds een gezegde dat hem in den loop van dat samenzijn ontsnapte.

»Mij zóó te ge moet te rijden op uw vergevorderden leeftijd!” voegde hij hem toe op den toon van minzaam verwijt; maar bij de wreede intentiën van den Hertog, lag er eene bedoeling in dat gezegde, die veel had van het spelen eener kat met de gevangen muis. De Graaf zal het zeker met bevreemding hebben aangehoord. Alba was in zijn zestigste jaar, hij zelf pas zes en veertig! Kon hij vermoeden dat deze hem aanzag met het voornemen hem geen volgende Augustusmaand te laten beleven?

De verdere tocht naar Brussel tot aan de Leuvensche poort werd zonder eenige hindernis voortgezet, hetgeen niet te verwonderen is, daar de Hertog, als een voorzichtig veldheer, niet al te veel vertrouwende op den schrik van zijn naam en de verslagenheid der Vlamingers, doeltreffende maatregelen had genomen om de veiligheid van zijne doorreize te verzekeren. Antwerpen had hij terstond laten bezetten door vierduizend Duitschers onder bevel van Graaf Alberic de Lodron, die zich te Diedenhove bij hem gevoegd had. In geene plaats had hij halt gehouden die hij niet vooruit door zijn eigen vertrouwd krijgsvolk had laten bezetten. In Brussel zelfs was hij meester eer hij er binnentrok, daar hij don Francisco d’Ybarra derwaarts had gezonden met zijn eerbiedige groeten aan de Regentes, maar tegelijk met het bevel om zich van de poorten, voorsteden en publieke gebouwen te verzekeren en die met vertrouwd krijgsvolk te bezetten. Margaretha van Parma was hevig vergramd over deze aanmatiging, die des Konings veldoverste zich veroorloofde in hare eigene residentie nog vóór hij zijn bestuur had aanvaard. Maar Ybarra had in last zich niet aan haar verzet te storen en al hare tegenwerpingen te beantwoorden met de verzekering, dat de Koning gereed stond eerstdaags naar Vlaanderen te komen, en dat de eer Zijner Majesteit er aan gelegen was dat hij de sterkste was in zijne hoofdstad.

Dit legde zelfs der Gouvernante het zwijgen op, die met den dienaar van haars broeders dienaar niet over het twijfelachtige van des Konings beloften kon gaan twisten! Maar zij nam zich wel voor het den aanmatigenden Hertog betaald te zetten. Zij had niet eens dat soldatesk begin noodig om heftig tegen hem verbolgen te zijn.

Onder allen die over de zending van Alba naar de Nederlanden ontrust en misnoegd waren, stond de Regentes bovenaan; zij had er zich kras en openlijk tegen verzet in hare brieven aan den Koning. Hoevele en hoe schelle noodkreten zij ook geslaakt had over den slechten geest van het volk, den wederstand van den adel en over de driestheid waarmee de ketterij het hoofd opstak, de onnoemelijke lasten en bezwaren van het regent, schap in een land waar zooveel verdeeldheden heerschten, waar men ’t alleen eens was als het er op aankwam de Gouvernante, den voet dwars te zetten — niet zoo haast was het besluit des Konings haar ter oore gekomen om haar in dat alles bij te staan door den Hertog van Alba naar de Nederlanden te zenden, of zij veranderde van toon en sprake. De onlusten waren gestild, meldde zij nu, de adel was handelbaar, van ketterij was nauwelijks meer gewag. Zij had die onderdrukt, zoo niet uitgeroeid, door de strenge en doeltreffende maatregelen; de Geuzenkerken waren omgeworpen, en van de balken en binten had men galgen gemaakt om er de ketters aan op te hangen; de Koning kon gerust zijn; de zaken in de Provinciën waren nu op zulk een voet gebracht, dat Zijne Majesteit met voegzaamheid derwaarts over kon komen, zooals sinds lang Zijner Majesteits voornemen was, althans zijne stellige belofte aan haar.

De vorstelijke oogen zouden nu zeker niet gekwetst worden door ’t aanschouwen van iets dat krenken of ergeren kon. Alles wat er vroeger voor strafbaars en betreurenswaardigs was voorgevallen was nu als te niet gedaan, en, bleef de komst des Konings altijd wenschelijk om den goedgezinden moed in te boezemen en de boozen af te schrikken, niets dan deze was er dan ook verder noodig om de schoone Nederlandsche gewesten volkomen tot rust te brengen en alle verdeeldheden te effenen. Des Konings overkomst zou daartoe meer doen, schreef zij elders, dan een groot leger; dit volk had zijne vorsten lief, en het aanschouwen van des Konings aangezicht zou meer helpen dan alle strafgerichten en dwangbevelen, om den band tusschen Vorst en onderdanen te vernieuwen en te versterken. (Of Filips nu juist de rechte persoonlijkheid was om zulk een wonder te werken, betwijfelen wij — de Hertogin scheen het te gelooven). Maar! zij voegde er toch bij, dat, zoo de zaken in Spanje nog altijd ’s Konings tegenwoordigheid eischten, en de reis moest uitgesteld worden, dat het dan volstrekt onnoodig was, ja, niet dan hoogst schadelijk kon zijn, zoo de Herlog van Alba werd gekozen om zijn persoon te vertegenwoordigen; dat niets nadeeliger zou zijn voor de openbare rust; dat reeds bij het gerucht dier mogelijkheid allerlei teekenen van misnoegen zich begonnen te vertoonen; dat de naam des Hertogs in Braband en Vlaanderen hatelijk was boven alle beschrijving, en dat zijn persoon de meest ongeschikte was om een goeden indruk te maken op een volk, sinds zooveel jaren aan de zachtere leiding van eene vrouwelijke hand gewend; dat zijne soldateske manieren, zijn trots, zijne laatdunkendheld en bovenal zijne bekende onverbiddelijke strengheid adel en volk beiden ondragelijk zouden zijn; dat niets gevaarlijker kon wezen dan dezen over te zenden, en dan nog wel met een groot leger. Waartoe een leger? waartoe anders dan om het volk in beroering te brengen, dat een afkeer had van vreemde soldaten, en de Vliesridders te krenken, die in hunne verschillende Gouvernementen het opperbevel voerden over het krijgsvolk.

Toen het, ondanks die dringende raadgevingen, die beden en dreigingen, aan Margaretha van Parma bleek, dat de Koning niet naar haar luisterde, en dat Alba zich voor den tocht gereedmaakte, ja afgereisd was, meende zij nog tot haar doel te komen door dezen zelven, en op haar eigen gezag te bewegen van zijn voornemen af te zien! Zij zond hem renboden om hem tot den terugtocht te vermanen; zij schreef hem brieven om hem het doorzetten van de reis, het aanvaarden van het commando af te raden. Zij waarschuwde hem ernstig zijn verworven krijgsroem en zijn vermaarden naam niet op het spel te zetten in eene onderneming waarvan geen goede uitkomst was te wachten; zij uitte de sterkste bedreigingen van haar misnoegen, zoo hij, dies ondanks, in zijn opzet volhardde en hare raadgevingen in den wind sloeg. Het spreekt wel vanzelve, dat deze beden en bedreigingen bij Alba niets uitwerkten dan hem den maatstaf aan te geven van de verhouding waarin hij tot de Regentes zoude staan. Maar het wekt onze verbazing dat eene vrouw als Margaretha van Parma, die Alba zóó goed kende, en die, al ware zij zelve niet in de staatskunst volleerd, toch de scherpzinnigste raadslieden nevens zich had, zich kon inbeelden dat een man als de oude Toledo zich door haar dringen en dwingen zou laten bewegen om afstand te doen van een ambt dat zijn meester hem had opgedragen, en waarnaar hij zelf had gestaan, in de vaste overtuiging dat hij de rechte man op de rechte plaats zou zijn.

Het is waar, zij kende zijne gehechtheid aan de nagedachtenis van Keizer Karel haar vader, zijn diepen eerbied voor diens bloed; — maar Filips II was diens wettige zoon en zijn Koning, hoe kon hij aarzelen tusschen zijn souverein en eene vorstin, die alleen maar door de inschikkelijkheid harer verwanten den rang voerde van een lid der Koninklijke familie! Het blijkt dus wel dat zij in dezen haar geslepen oordeel niet gebruikt heeft, en zich meer door vrouwelijke drift en hare antipathie heeft laten leiden, dan door haar slimmen geheimschrijver Machiavelli, die haar zeker omzichtiger handelwijze zou hebben aangeraden, en meer behoedzaamheid in het dragen van eene grieve, die door luid misbaar toch niet zou worden geheeld.

Alba van zijne zijde, al kon hij nu met gewisheid berekenen met welke gevoelens hij door de Gouvernante zou worden ingewacht, achtte het zijn eersten plicht om haar niets te onthouden van ’t geen hij haar schuldig was, en wat hij haar geven kon zonder zijn meester ongehoorzaam te worden. Als Kastiliaansche grande wilde hij de zuster van zijn Koning de hulde brengen die haar toekwam; als Gouvernante der Nederlanden was zij de eerste die recht had op zijn bezoek. Ook was hij niet zoo haast de Leuvensche poort binnengetrokken, of hij haastte zich naar haar paleis, zich geen tijd gunnend om af te stijgen, of een weinig van den vermoeienden tocht uit te rusten, alvorens hij aan; dezen eisch der wellevendheid had voldaan.

Had men hem zelf bij zijn intocht in de hoofdstad noch krijgseer bewezen, noch met eenige plechtige begroeting ontvangen, erger dan dat zou hem treffen bij zijne aankomst op het voor, plein van het paleis. De boogschutters van Margaretha ’s lijfwacht wilden de hellebaardiers, die de garde van den Hertog uitmaakten, niet toelaten hun meester te vergezellen. Er ontstond twist en verwarring, men drong tegen elkander in, en de schermutseling liep niet af zonder bloedstorting. Op den trotschen Grande, den vriend van orde en krijgstucht, moest dit begin een pijnlijken indruk maken. Maar in dezen oogenblik gedoogde zijne waardigheid niet, dat hij er zich door liet ophouden, al zou hij het later straffen. Zeer zeker was Margaretha niet rechtstreeks te beschuldigen van deze slechte ontvangst, maar zijdelings had zij er toch deel aan. Zij had hare gekrenktheid over de komst van den Hertog zoo weinig willen of kunnen verbergen, dat het hare gansche hofhouding bekend was in welke stemming zij den komende zou verwelkomen. Men wist dat zij drie dagen te voren haar Staatsraad had belegd, om te overwegen of zij den Hertog al of niet zou ontvangen.

De meerderheid had haar zelfs geraden hem niet toe te laten. vóór hij zijn lastbrief had ingezonden. Maar Alba, die iets van die aarzelingen had geraden, had de Gouvernante, door zijn vertrouweling Francisco d’Ybarra, in de vleiendste bewoordingen de verzekering laten geven, dat hij niet kwam dan om zijne krijgsmacht, zijne garde en zijn persoon aan hare voeten te werpen, bloot eene uitdrukking van Kastiliaansche étiquette, eene ijdele betuiging, die te holler was naarmate zij luider klonk, en in de beteekenis waarvan zij zich ook niet vergiste. Toch nam zij den schijn aan daarmee genoegen te nemen; zij wist het maar al te goed: Alba kwam niet op zijn eigen gezag, achter hem stond Filips zelf, en zij zou dezen doodelijk beleedigen, zoo zij zijn vertegenwoordiger openlijk voor het hoofd durfde stooten. En hoe misnoegd zij ook was op haar broeder, hoeveel bittere klachten en scherpe verwijten zij zich ook tegen hem veroorloven durfde in hare brieven, voor het oog van het volk zijn wil te wederstreven, durfde zij niet. Zij wist te goed waartoe Filips in staat was, als hij in zijn vorstentrots was gekrenkt. Dat de Hertog dus ontvangen zou worden door de Gouvernante met of zonder gevolg, zooals hij zelf zou goedvinden, was het groote nieuws dat in den hofkring rondliep. Maar met welk een innerlijken tegenzin van de zijde der vorstin, dát bleef ook niet geheim: — hare lijfwacht zal zeker niet de laatste zijn geweest om die gezindheid te deelen. En in dezen stand der gemoederen was de lichtste aanleiding genoeg, om het prikkelbaar krijgsvolk, dat elkaar toch al niet met goede oogen aanzag, tegen elkaar in ’t harnas te jagen; en zoo was de Gouvernante zelve wel niet onschuldig aan deze ruwe uitingen van den afkeer, al kon zij de verantwoordelijkheid daarvan met fierheid van zich afwerpen.

Toch had zij daarom niet afgezien van eene wraakoefening op hare eigene hand tegen den man, dien zij gedwongen was openlijk in zijn rang te erkennen. Maar het zou eene wraakneming zijn op echt vrouwelijke wijze, waartegen geen stalen harnas kon beschutten, en die het slachtoffer lijdzaam zou moeten ondergaan, zonder de vrijheid te hebben van te klagen. Zij hoopte wel le défaut de sa currasse te vinden, en daarop was zij bedacht toen de Hertog omstreeks drie uren in den namiddag tot haar werd toegelaten.Zij wachtte hem op in hare slaapkamer, waar zij gewoon was gehoor te verleenen, een vertrek ruim genoeg om eene audiëntie-zaal te kunnen zijn, dat zich alleen onderscheidde van de laatste door een kolossaal ledikant, dat met zijn gedraaide kolommen zijne statige! damasten gordijnen, de courtepointe van fluweel en kant en het bidgestoelte er nevens met het kruisbeeld, bijkans eene kapel geleek. Daar hier echter de vorstelijke troonhemel ontbrak, hield: de Regentes zich staande in het midden der kamer, alleen even, met de hand tegen een armstoel geleund, toen de Hertog binnentrad, van twee of drie zijner voornaamste edellieden vergezeld, die zich echter bescheidenlijk op den achtergrond hielden, tot het hun vergund zoude zijn de Gouvernante te begroeten. — De Hertog van Aerschot, de Graaf van Mansfeld, de Graaf van Barlaymont, en Lamoraal van Egmond (die zich gehaast had zijn rijkleeding met een schitterend hofgewaad te verwisselen) stonden der Gouvernante ter zijde, als volleerde hovelingen beslote hunne houding tegenover den Hertog te regelen naar die der vorstin.

Margaretha van Parma had nooit aanspraak kunnen maken op vrouwelijke schoonheid. en zij was nu in haar zes en. veertigste jaar — een hachehjke leeftijd, waarop de rozen en leliën meest zijn uitgebloeid. Maar wat zij nooit had bezeten, was ook niet bij haar verloren gegaan, en had zij weinig van de bevalligheid haren moeder, de bekoorlijke Vlaamsche jonkvrouw van Ghenst, zij droeg in hare trekken den stempel harer afkomst uit Karel del Vijfden, en het fijne kneveltje aan de bovenlip misstond niet bij de fiere en schrandere uitdrukking van dat sterk sprekende gelaat, dat, donker getint, met den leeftijd eer winnen kon dan verliezen. Er schitterde geest en stoutmoedigheid uit hare levendige bruine oogen. Zij had eene vorstelijke opvoeding genoten aan het hof harer tante Maria van Hongarije, was vroeg aal sterke lichaamsbeweging gewend en eene hartstochtelijke liefhebster van paardrijden en het — nobele — jachtvermaak. #3 Vandaar dat in haar toon en manieren zekere forschheid lag, die in den gewonen huiselijken kring iets onvrouwelijks zoude gehad hebben, maar dat de gebiedende Vrouwe, de Gouvernante der Nederlanden, niet misstond. In die kwaliteit was zij toch niet eigenlijk bemind. Leerlinge van Loyola, had zij te veel geestdrift voor de Kerk, om sympathie te voelen voor een volk, dat zich tegen de kerkelijke traditiën begon te verzetten, en wat zij niet gaf, werd haar ook niet geschonken. Door haar eerste huwelijk met een Medicis #4 en haar tweede met een Farnese, Hertog van Parma en Piacenza, was zij te veel eene Italiaansche Prinses, om het goedronde Vlaamsche volk vertrouwen in te boezemen; terwijl zij de verdeeldheid onder den adel te haren bate onderhield, door de kunstgrepen eener geslepen staatskunst, die het: »verdeel om te heerschen” voorschreef. Maar zoo zij fouten beging, zij leefde ook in een moeielijk tijdperk, waarin alles samenliep om haar bestuur te bemoeilijken en in discrediet te brengen. Filips had het opzet om de Nederlanden van uit Spanje te regeeren door de hand zijner zuster, en deze had veel te goed ingezien, hoezeer dat ondoenlijk was om dat niet te ontraden. Toch moest zij niet zelden edicten maken of tenuitvoerleggen, die zij zelve afkeurde en die toch voor hare rekening kwamen. Was zij volgzaam aan de voorschriften uit Spanje, dan had zij te worstelen met het misnoegen en het verzet van den adel, met den morrenden weerstand van het volk. Wist zij haar pays te maken met die allen, door de teugels wat te laten schieten en zich naar de eischen en usantiën van het land te voegen, dan kwamen er klachten en noodkreten uit Spanje, als offerde zij de belangen des Konings op aan hare rust. Zoo geraakte zij veeltijds in eene valsche positie, en was hare taak als Regentes evenmin eervol als gemakkelijk. Haar opvolger echter heeft het zijne gedaan om de schaduw, die over hare gestalte was geworpen, tot een gloriekrans om te scheppen. Bij vergelijking van Alba’s schrikbewind was het tijdperk van Margaretha’s bestuur de gouden eeuw te noemen. Maar waarin Margaretha van Parma ook verschilde met het Nederlandsche volk, op één punt waren ze het volkomen eens: in afkeer tegen den Hertog van Alba, in opzien tegen zijne komst. Doch de beweegredenen verschilden evenzeer, als het Nederlandsche volk ver afstond van de Italiaansche prinses. Dit eerste vreesde zijn willekeur, zijn geweldigen heerschersstaf — zij haatte den opvolger, die haar, ondanks haar weerstreven, werd opgedrongen. Al had zij menigmaal in oprechtheid of geveinsdelijk bij wijze van dreiging om ontslag uit haar ambt gevraagd, nu zij inzag dat het haar zou worden toegestaan, nu zij niet eigenlijk; afgelost zou worden van haar post, maar daaruit verdrongen, en; door zulken plaatsvervanger, voelde zij zich op het pijnlijkst gekrenkt en vernederd. Men komt tot de vraag, waarom Filips zijne zuster deze grieve niet heeft gespaard; waarom hij haar niet heeft teruggeroepen op haar herhaald verzoek, zoo haast Alba zijn tocht naar de Nederlanden had aanvaard. Vermoedelijk vreesde hij te zeer eene tusschen-regeering. Hij vertrouwde noch haar Staatsraad, noch de Vliesridders, noch de Gouverneurs der Provinciën. Egmond, Oranje, Hoogstraten, hoe licht hadden zij, zooals een wantrouwende despoot van hen kon denken, die korte spanne tijds kunnen waarnemen om zich te zamen of afzonderlijk meester te maken van het bestuur, het krijgsvolk waarover zij te beschikken hadden tegen den nieuwbenoemden Landvoogd aan te voeren; het licht verleide volk, dat dezen haatte en vreesde ware gemakkelijk mee te sleepen geweest in dit verraad tegen den wettigen Vorst, en de ketterij zou haar schoonsten triomf hebben gevierd in den grooten afval der Nederlanden van het rechtzinnig Spanje! Daarom wellicht moest Margaretha van Parma de teugels van het bestuur niet loslaten voor zij ze in de forsche hand van Alba kon overgeven, al zou dit voor haar de smartelijkste krenking, de diepste vernedering zijn. Wat verscheelde dit den Heerscher: »de Koning gaat voor ’t bloed” was ook zijn devies, en zijns vaders dochter mocht toezien.

Zoo kwam het dat Margaretha van Parma en de Hertog van Alba die genoodzaakt zouden zijn nog een tijdlang samen te werken, tegenover elkander zouden staan in eene valsche verhouding; waarbij beiden eigenlijk een gek figuur moesten maken.

Voor Alba was het nog het minste; hij had de troeven in handen en wist dat zijne tegenpartij haar spel moest verliezen; hij kon licht wat lijdzaamheid oefenen.

Maar wij hebben hem wel wat lang aan den ingang van Margaretha’s gehoorzaal laten staan; niet langer echter dan zij zelve hem had laten wachten eer zij door blik of gebaar hem tot naderen uitnoodigde. Die noodiging volgde zelfs in ’t geheel niet. Strak en zwijgend, in haar statig gewaad, niet ongelijk aan ’t geen Katharina de Medicis uit Florence aan het fransche hof in de mode had gebracht, stond zij daar uiterlijk kalm en waardig, innerlijk ziedende van spijt en ergernis, bewegingloos als een marmeren beeld den binnentredende te wachten, zonder hem door wenk of woord eenig bewijs te geven dat hij welkom was, zonder hem een voetstap te gemoet te treden. Onder dit gespannen zwijgen, onder den druk van dit ijzig voir venir, dat Margaretha tegen hem in praktijk bracht, moest de trotsche man de grootste helft van het ruim vertrek afleggen, eer hij dicht genoeg bij haar genaderd was om naar ’t Spaansche hofgebruik de knie te buigen en haar met de hulde van den handkus te begroeten. In fiere, maar eerbiedige houding deed hij dien zwaren gang ten aanschouwe van Margaretha’s hovelingen, die zich (hij kon het zich voorstellen) aan dit gezicht vermeiden; in de hitte van de mêlée bij Mülhberg was het hem zeker verdragelijker geweest; maar zoo hij daaraan dacht schraagde het zijn zedelijken moed, zelfs toen de Hertogin door geene enkele beweging het Kastiliaansche huldeblijk aanmoedigde.

Men was dan ook in Braband, aan ’t Brusselsche hof, en niet in het Escuriaal! Alba begreep het, en moest hij zich oprichten zonder tot zijn doel te zijn gekomen, hij deed het kalm en waardig als had hem gansch geene teleurstelling getroffen; en een paar schreden achterwaarts tredende sinds zij geen enkele voorwaarts had gedaan, sprak hij in eerbiedige bewoordingen van de haast die hij gemaakt had om haar te begroeten, verontschuldigde zich daarmee over zijn reisgewaad, en wilde er nog iets bijvoegen, toen zij hem koud en uit de hoogte in de rede viel met de opmerking dat hij verzuimde gebruik te maken van zijn voorrecht als Grande van Spanje, om Vorstelijke personen met gedekte hoofde te begroeten. Dies ondanks bleef Alba blootshoofds voor haar staan, den hoed, die alleen een korte liggende veer tot sieraad had, in de hand houdende, en begon te zeggen dat, waar hij stond op dit voorrecht in tegenwoordigheid van Koningen en Keizers, hij het met vreugde verzaakte tegenover eene Prinsesse van hare kwaliteit.

Maar zij liet hem niet uitspreken. »Ik zeg u, wees gedekt, Hertog!” viel zij weer in, en liet de woorden met ijzigen trots van de lippen vallen; »ik weet immers dat zoo mijn Broeder een onderdaan tot mij zendt, hij geen mindere zou kiezen dan een van zij voornaamste Granden,”

»Die met al wat het zijne is, zich komt stellen tot den dien van Uwe Hoogheid, en hier is om hare bevelen te vragen,” hernam Alba op een toon van ootmoed, waaruit fiere zelfbewustheid sprak.

»Mijne bevelen!” herhaalde zij luid en met bitterheid. »Zoo Uwe Excellentie goed gevonden had daarop te achten, zouden wij van het voorrecht verstoken zijn U hier te ontvangen!”

»De bevelen van Uwe Hoogheid te gehoorzamen, zal altijd mijn lust wezen, Mevrouwe, tenzij ze strijden mochten met mijn plicht jegens den Koning.”

»Strijdt het naar uw gevoelen met dien plicht mij te zeggen wat Gij hier eigenlijk doen komt?” vroeg zij op scherpen toon, terwijl hare lippen trilden van ingehouden drift.

»Maar… Uwe Hoogheid!” hernam hij, een oogenblik getroffen door eene vraag, die zoo naïef klonk en toch zoozeer van booze bedoeling getuigde; »ik vlei mij, dat Uwe Hoogheid niet onkundig zal zijn van het doel mijner komst…”

»Voorzeker neen! Mijnheer, wij vergissen ons daarin geenszins, wij weten heel goed wat gij U in dezen hebt voorgesteld; maar wij zijn verplicht U te waaarschuwen, dat Gij U zonderling zult bedriegen; en dat het voor U gemakkelijker is geweest hier te komen dan hier te blijven…”

»Wat het laatste betreft, Mevrouwe! veroorloof mij Uwe Doorluchtigheid te verzekeren, dat ik daartoe even afdoende maatregelen hoop te nemen als die ik genomen heb voor mijn tocht herwaarts heen; en schoon het mij grieft Uwe Hoogheid te moeen tegenspreken, ben ik toch aan mij zelven en aan mijn eer als veldoverste verschuldigd Uwe Hoogheid indachtig te maken, dat het voor mij in ’t geheel NIET gemakkelijk is geweest hier te komen,” hernam de Hertog, met een blik, glanzend van fiere zelfvoldoening. En hij had daar reden toe, want zijn tocht door Opper-Italië over den Mont-Cenis, langs het zuiden van Frankrijk, met eene heirmacht als de zijne, onder ’t oog van een Fransch observatie-leger, dat iedere overtreding van ’t krijgsvolk als een daad van vijandschap kon opnemen, langs de Zwitsersche Alpen, ten aanschouwe van kwalijk gestemde, wantrouwende bergbewoners, en door Hoog-Bourgondiën door Lotharingen tot in Luxemburg, zonder dat er eenige botsing ontstond tusschen zijn volk en het Fransche, of met een der andere volken wier land hij doortrok, zonder dat één schaap uit dier kudden werd ontvreemd, een tros uit dier wijngaard geplukt — dat alles, bij ’t geen de soldaat was te dier tijde, bij ’t geen dit krijgsvolk was bovenal, uit al de verschillende volkeren samengesteld die tot de Europeesche bezittingen van Spanje’s monarch behoorden, was een meesterstuk geweest van veldheersbeleid en van weergalooze krijgstucht, waarop Europa in ademlooze bewondering het oog had gevestigd en dat alleen reeds den Hertog van Alba zijn rang zou gegeven hebben van een der volmaaktste legeraanvoerders zijner eeuw, en hem onsterfelijke eer had moeten aanbrengen, meer dan menige overwinning op het slagveld, zoo niet zijn verblijf zelf in dat landt met zooveel volharding en beleid bereikt, dien lauwer had bevlekt. Maar nu die nog frisch en rein was, kon hij zonder ijdele zelfverheffing spreken, zooals hij voortging:

»Zoo ik niet vreesde het geduld Uwer Hoogheid te vermoeien met eene optelling van de bezwaren, die ik heb moeten overwinnen eer ik — na mij te Carthagena te hebben ingescheept — de Luxemburgsche grenzen veilig had bereikt met mijne heirmacht, zou ik haar vermoedelijk tot de bekentenis brengen, dat het geen lichte taak is geweest, die Ferdinand de Toledo ondernomen heeft in den dienst van zijn Koning, en met Gods hulpe en den zegen van den Heiligen Vader tot een goed eind heeft gebracht.”

»Wij twijfelen er niet aan of de Hertog van Alba, wiens bescheidenheid bekend is, met zelfvoldoening zal terugzien op zijne schreden; alleen wij zien niet in, waartoe het noodig was met zulk eene heirmacht herwaarts heen te komen. Te goeder trouwe en als eene die met de gelegenheid dezer landen volkomen bekend was, heb ik den Koning, mijn broeder, ontraden vreemd krijgsvolk naar deze Provinciën te zenden, dat ganschelijk overbodig is, daar wij hier met niemand in oorlog zijn.”

»’t Is ook niet tegen een buitenlandschen vijand, Mevrouw, dat deze krijgsmacht zal optrekken; ’t is tegen een binnenlandschen, die erger is dan oorlog en pestilentie samen; ’t is om de vijanden neer te leggen die de rust van uwe regeering verstoren; ’t is om orde en wet te handhaven tegen wanorde en bandeloosheid; ’t is om het recht en het gezag des Konings te doen zegevieren…

»Zoo komt Uwe Excellentie hier voor een werk dat al afgedaan is,” viel Margaretha in, met trots en bitterheid. »Wij hebben den, Koning naar waarheid geschreven, dat de troebelen, die een tijdlang de Provinciën beroerden, nu gestild zijn; dat ik, met de grootste vlijt, zorge en inspanning van alle mijne krachten, de heerschende plage heb tenondergebracht, dat de rust is hersteld, dat des Konings gezag, zijn recht en de eere van Gods Kerk volkomen zijn gehandhaafd en nu triomfeeren over alles wat ze heeft aangevochten. Dit heb ik gedaan, ik, Mijnheer de Hertog, met Gods gunst en hulpe, ik zal het dankelijk erkennen! en nli komt Gij om de vruchten te genieten van dezen mijn arbeid.” 5) »Uwe Doorluchtigheid verschoone mij; indien er werkelijk zoo. danige vruchten te oogsten zijn, kom ik ze alleen bevestigen en verzekeren, opdat U we Hoogheid ze in vrede kunne genieten. — Alleen — schoon ik aan de verzekering van Mevrouwe een onbepaald geloof geve — komt het mij toch twijfelachtig voor, dat alles hier in de werkelijkheid zoo is, als dat U toeschijnt. Uiterlijke stilte is nog geen rust, stilstand van openlijk verzet nog geen terugkeer tot de wettelijke orde. Daar heerscht hier, naar ’t mij voorkomt, zekere drukkende kalmte, die meestal zware orkanen voorafgaat.”

»Gij hebt gelijk: dat hier orkanen zullen losbarsten is wel te voorzien. De eerste onlusten in Vlaanderen zijn aangekomen om ’t Spaansche krijgsvolk, dat men hier niet wilde dulden, op zulke wijze, dat de Koning aan den drang der noodzakelijkheid heeft moeten toegeven, en ze heeft teruggeroepen, zooals U we Excellentie bekend zal zijn; dat is nog geen volle zeven jaar geleden en — daar hebben wij ze nu weer!”

»Het is maar al te waar, dat de Koning aan die noodwendigheid heeft moeten toegeven, tot verkleining van zijn gezag; maar dat is juist geschied omdat er te weinig troepen waren. Nu is er gezorgd voor een toereikende legermacht opdat ’s Konings gezag van die grieve gewroken worde — en hierna nimmermeer schade lijde! Voorts verzeker ik u, Mevrouwe, dat er alle maatregelen zullen genomen worden, die strekken kunnen om de gevreesde stormen, zoo zij opsteken, te doen bedaren en des Konings landen voor schipbreuk te behoeden.”

»Uitnemend, Mijnheer de Hertog, en, naar ik onderstel, zult Gij het zijn, die hier al zulke maatregelen zult verordenen! Maart daar Uwe Excellentie verzuimd heeft mij uwe geloofsbrieven en den lastbrief des Konings over te leggen, aleer zij tot mij kwam, ben ik volstrekt onbekend met de mate van gezag, die het den Koning behaagd heeft, U toe te vertrouwen, en bijgevolg, niet overtuigd van Uwe bevoegdheid om diergelijke orders uit te vaardigen.”

»Uwe Hoogheid zal wel begrijpen, dat ik zoodanige kostbare documenten niet bij mij drage op de reize; in mijne haast om Uwe Doorluchtigheid te begroeten ben ik niet afgestapt dan voor haar paleis… maar ik zal niet verzuimen mijne commissie en het schrijven van Zijne Majesteit aan Uwe Hoogheid ter inzage over te leggen, zoo haast ik die zal hebben uitgepakt.”

»Gij kunt mij toch voorloopig wel den inhoud van die kostbare documenten mededeelen: de Staatsraad heeft er mij reeds een verwijt van gemaakt dat ik er in toestemde U te ontvangen, zonder dien te kennen.”

»Dien inhoud kenne ik, Mevrouwe, dat is waar, doch alleen in ’t algemeene en volstrekt niet woordelijk; en daar ’t hier juist op de letter aankomt, zou ik niet gaarne door eene vergissing in de termen oorzaak willen zijn, dat de uitdrukking van des Konings wil onjuist of met onbestemdheid werd opgevat. Uwe Hoogheid veroorlove mij dus, hierover absoluut te zwijgen, terwijl ik beloof mij zooveel doenlijk te haasten met het vertoonen van deze bescheiden. Nu vraag ik verlof om mijn afscheid te mogen nemen. Zelfs de tocht naar Brussel was geen zoo gemakkelijke rit, of ik voele mij eenigszins vermoeid en verlangend naar wat ruste en verfrissching.”

Daar het onderhoud staande had plaats gevonden en de Hertogin den Hertog zoomin den eerewijn ter verwelkoming had aangeboden als eene zitplaats of een vriendelijk woord, was het niet te verwonderen, dat deze het zoo kort maakte als eenigszins. doenlijk was, en de vermoeidheid, die hij als reden opgaf, behoefde geen voorwendsel te zijn. Toch scheen het Margaretha te krenken, dat hij het eerst van scheiden sprak bij dit samenzijn, waar men zoo strak en gedwongen tegen elkander over stond.

»’t Is wél, Mijnheer de Hertog,” voegde zij hem toe op spijtigen toon. »Gij zijt ontslagen, wij zouden het niet gaarne op ons geweten laden dat een zoo vermaard veldheer, wien het in zoomenigen veldslag nooit aan kracht heeft ontbroken, onpasselijk; werd van uitputting in een onderhoud met ons. Ga uwe rust nemen in Uw logies; maar zoo gij wenscht ons nogmaals een bezoek te brengen, moet ik U waarschuwen, dat het niet zal kunnen zijn voordat Gij ons die volmachten hebt overgelegd, die gerechtigen herwaarts heen te komen en onze hofstad met u krijgsvolk te bezetten.” En met dit afscheid kon de Hertog zich verwijderen. Hij deed het, zonder op eenige wijze zijn misnoegen te toonen over die onthaal.

Alba was bekend voor zijne behendige wijze van terugtrekken bij zijne krijgstochten; hij, die niet wist wat vrees was, had meermalen voor een zwakkeren vijand den terugtocht geblazen, op zulke wijze, dat zijne eigene soldaten hem met twijfel en onwil aanstaarden en zijne kwaadgunners lasterden dat het hem som wijlen aan moed ontbrak: maar hij placht dan te doen of hij die verbaasde blikken, die morrende soldatengezichten niet eens zag, en haalde met zijn eigenaardigen glimlach de schouders op over de lasteraars, die hij eerst later beschaamde door te bewijzen dat hij het terugwijken om beter zijn sprong te nemen, heel goed verstond. Ook hier wist hij, dat hem de mooiste rol niet was toe, bedeeld voor het oogenblik, maar hij wist ook welke schitterende revanche hij zich zelven kon geven; en zoo er onder Margaretha’s hovelingen waren, die hem met een spottenden glimlach nazagen toen hij daar wegtrok, als onder den slag eener pijnlijke ongenade, mochten zij wel zorgen, dat de Hertog deze lachjes niet opmerkte, daar ze dan gewis met bloedige tranen zouden geboet worden.

Reeds des anderen daags had de Hertog van Alba voldaan aan het verlangen der Gouvernante, en de volmachten die hij uit Spanje medebracht ter inzage overgeleverd. Niet zoo ras waren zij in haar Staatsraad gelezen en onderzocht, of er ontstond algemeen misnoegen en diepe verslagenheid. Behalve zijn recht om als Kapitein-Generaal onbeperkt gezag te voeren over het krijgsvolk, werd hem ook de macht toegekend om de Gouverneurs der Provinciën af- en aan te stellen om kasteelen en sterkten te bouwen waar hij het goed zou achten, om de magistraten te veranderen; in één woord, hem werd eene macht gegeven zooals de Regentes met haar Raad van bestuur te zamen nooit had bezeten, en die Filips zelf, zoo hij in persoon het bewind over de Nederlanden was komen voeren, niet had mogen oefenen. Filips gaf in dezen meer dan hij gerechtigd was te geven, en bij deze opdracht van een dictatoriaal gezag aan zijn Generalissimus deed de Koning een voorbeeldeloozen greep in de voorrechten en vrijheden van zijn volk en in de bestaande overeenkomsten, die hij zelf had bezworen te eerbiedigen en te handhaven. In een vorig tijdperk waren de heftigste onlusten ontstaan over veel lichtere inbreuken op verkregen rechten, en dit nu, daar het gansche land in spanning verkeerde, omdat nevens de nooit sluimerende zucht tot het herwinnen van ’t geen langzamerhand was ontnomen, ook nog nieuwe denkbeelden heerschende werden omtrent de rechten en plichten van Vorsten en volken onderling. Wat hieruit volgen moest? De leden van den Staatsraad durfden het niet voor zich zelven indenken, veel min tegen elkander uitspreken. De staatsgreep van Filips had dit met menige andere na den zijnen gemeen, dat hij als met verlamming trof alleerst diegenen, die geroepen waren er tegen op te komen.

Wat de Gouvernante betrof, haar spijt en gramschap steeg tot wilde woede reeds op het eerste inzien der volmacht! — Dit alles aan een Alba! den man waartegen zij had gewaarschuwd, onder al ’s Konings raadslieden juist die, welke het meest impopulair was in de Nederlanden bij adel en volk beiden!

Maar dit was niet eigenlijk het bedrijf des Konings — Alba zelf had het dus gewild; hij had het hem ingeblazen, hij had het doorgedreven in ’s Konings raad; zijn eeren heerschzucht was niet te verzaden geweest dan met het hoogste, en de Koning had zich in zijne besluiteloosheid laten trekken door wie het meeste geweld had gebruikt. Ja, hé kon niet anders zijn, en toch moest zij den aanmatigenden indringer ontvangen. Hij had opnieuw een gehoor aangevraagd, en zij — moest het inwilligen. Ze zouden te zamen over de zaken hebben te raadplegen, want zij was nog altijd Landvoogdes; het had Filips niet behaagd haar te ontslaan; aan haar zou het beleid der burgerlijke zaken (de ongeharnaste regeering, zooals Hooft zegt) blijven toevertrouwd. Nu ja! zij zou hem dan ook ontvangen, allermeest om den vuurgloed van haar toorn over zijn schuldig hoofd uit te storten!

Het kon voor Alba niet twijfelachtig zijn, in welke stemming hij de Landvoogdes zoude vinden, maar hij moest door dezen zuren appel bijten, en hij was de man niet om terug te gaan, voor vrouwelijke verbolgenheid, al was hij tevens de man om met de meest mogelijke lankmoedigheid het kwaad humeur eenen Vorstin te ontzien, te verdragen. Hij had vooruit berekend welken rol hij te vervullen had bij ’s Konings zuster. Het hoen te plukken zonder dat het schreeuwde, was in dezen wel niet mogelijk, daar Margaretha te kloek en te prikkelbaar was om zich zonder luidruchtig verzet hare fraaiste veeren te laten uittrekken; maar toch moest het geschieden met die reverentie, die haar dwingen zou te erkennen »qu’elle était contente de ses procédés”al was zij het volstrekt niet over zijne daden.

In hofgewaad gekleed, omhangen met de Vliesorde, vergezeld door een grooter getal edellieden dan de eerste maal, omstuwd door eene lijfwacht, die de strengste orders had om zich niet door de trawanten der Regentes tot den strijd te laten verlokken, maar zich bij tegenstand striktelijk tot eigen verweer te bepalen; trad de Hertog het voorplein op, waar men hem ditmaal de krijgseer niet durfde onthouden, noch zich er tegen verzetten, daar zijne Hellebaardiers zich en haie schaarden tot bij den ingang der voorzaal. Binnengetreden, werd hem echter bericht vanwege de Gouvernante, dat Hare Hoogheid onpasselijk was en verhinderd werd Zijne Excellentie te ontvangen in dezen oogenblik. Daar Margaretha zelve het uur voor dit tweede bezoek had bepaald, begreep hij dat het haar voornemen was hem anti-chambre te laten houden, hetzij om hem daardoor hare meerderheid te toonen, of wel zijn geduld te tergen, tot hij in gekrenkten trots eenig vergrijp legen de vormen zou begaan, dat zij als gekwetste Hoogheid zou opnemen, of althans in dien zin zou voorstellen aan haar broeder.

Maar in dien strik was de geslepen Toledo niet te vangen, die bijna even goed hoveling was als krijgsbevelhebber, al moet men er tot zijne eer bijvoegen, dat hij zijne meesters den diepsten eerbied wist te betoon en zonder ooit tot lage vleierij te vervallen, op zulke wijze, dat Filips hem achting toedroeg en vertrouwen schonk boven alle anderen, maar zonder dat hij hem tot gunsteling koos. Alba kon niet als een Ruy Gomez speculeeren op de geheime ondeugden van zijn vorst; in diens belang durfde hij hem tegenspreken, al was het in de eerbiedigste termen. Ook nu wist hij waardig en lijdzaam te zijn, overtuigd dat deze vrouwegril welhaast zoude optrekken. Hij begreep dat deze onpasselijkheid niets was dan een voorwendsel, en de revanche die zij nam voor de vrijheid, die hij zelf had gebruikt, vermoeienis voor te wenden om het kwaad half uurtje van het eerste samenzijn te bekorten. Maar reeds wachtte hij niet meer alleen en als verlaten. Gisteren hadden de edellieden, die de Gouvernante omringden, op haar voorbeeld lettend, geen stap voorwaarts gedaan om hem te begroeten; heden, nu het bekend was welke macht hem was toebedeeld, voelden sommigen zich geroepen om de opkomende zon te aanbidden en — al was het ook met innerlijken tegenzin — de onhoffelijkheid van den vorigen dag goed te maken; hovelingen van Margaretha kwamen den Hertog begroeten in hare voorzaal, en, zeker niet daartoe gerechtigd. de verontschuldigingen brengen van de Hertogin, die nog altoos niet te voorschijn kwam. Op deze betuigingen antwoordde Alba, met zijn gewoon lakonisme, dat de courtoisie gebood wat geduld te nemen met de dames, en dat niets hem minder zwaar viel dan den gelegenen tijd af te wachten van zulk eene vermaarde Prinsesse als de Hertogin van Parma.

Men ziet het, Alba was besloten des Konings zuster alles te geven wat haar toekwam, behalve de voldoening van hem boos gemaakt te hebben. Ten laatste moest zij zich toch vertoon en en hem tot zich toelaten. De ontvangst was nu minder koud en afgemeten, maar des te meer hartstochtelijk. De Hertogin deed geene moeite om hare gramschap te ontveinzen, maar gaf die lucht met eene heftigheid als men niet van eene leerlinge van Loyola zou verwacht hebben, allerminst van eene vorstin die mannen als Machiavelli en Armenteros tot raadslieden had.

De Hertog liet die onweersbui over zijn hoofd heengaan zonder iets te doen om haar af te leiden; eerst toen hij de lucht genoegzaam gezuiverd achtte, deed hij haar op kalmen toon opmerken, dat hij zonder eenig gevolg bij haar was binnengetreden, dat hij zijne edellieden allen in de voorzaal had achtergelaten, omdat hij haar mededeelingen had te doen vanwege den Koning, die geheel alleen voor Mevrouw de Gouvernante waren bestemd. Zij begreep den wenk en volgde dien op, door de omringende hovelingen weg te zenden. Toen zij onder vier oogen waren, zette zij zich, en de Hertog reikte haar een eigenhandigen brief over va Filips II, waarin deze zijne welbeminde zuster te verstaan gaf, dat de Hertog behalve de volmacht, die hij ter inzage had overgelegd, nog een nieuwen en geheimen lastbrief had medegekregen, waarbij hem werd opgedragen zekere maatregelen te nemen zonder hare voorkennis, iets, waarvan zij vooruit verwittigd werd, opdat zij geene ergernis zoude nemen aan zijne wijze van handelen.

»Maar wat beteekent dat? Wat zijn dit voor zaken, waarvan ik, de Gouvernante, de zuster des Konings, geen kennis mag n men en die aan uw goedachten worden overgelaten?” vroeg zij m schijnbare kalmte, maar het geschrift tusschen de vingeren verfrommelende in zenuwachtige drift.

»Indien het noodig ware dat Uwe Hoogheid daarmede beken werd, zou de Koning ze gewis hebben medegedeeld,” hernam Alba rustig en vast; »maar het is juist veel beter, dat Uwe Hoogheid daarvan gansch onkundig blijft, opdat niemand dan ik alleen worde blootgesteld aan den haat, die er het noodwendig gevolg van zal zijn.”

Alba zelf wist niet hoezeer hij profetie sprak in dien oogenblik. Hij kon zich zeker niet voorstellen hoe algemeen, hoe ingekankerd die volkshaat zoude zijn, die hij besloten was geheel alleen te dragen, door met niemand de verantwoordelijkheid te deelen, juist van zulke maatregelen, die het meeste afkeuring zouden wekken.

»Ah! nu versta ik het,” hernam Margaretha, met verbeten ergernis, »het zal zijn om mij te sparen, dat de Koning alles zoo goedgunstiglijk heeft beschikt, dat mij niets gelaten wordt an — de titel van Gouvernante, terwijl Gij mij als absolute Landvoogd vervangt met der daad!”

»Hoe kan Uwe Hoogheid zich zoo iets inbeelden! Wel verre dat ik iets op Uwe autoriteit zou willen bekorten, zal het integendeel mijn streven zijn, om uw gezag, dat door de aanmatigingen van de Vliesridders al meer en meer beknibbeld is, weer in volle beteekenis te herstellen en te bevestigen, op zulke wijze dat, zoo ’t God blieft Uw leven te sparen, Uwe Hoogheid Vlaanderen, nog lange jaren met glorie zal regeeren!”

Dat was te veel. Margaretha van Parma rees op in haar zetel, en met eene stem, trillend van ingehouden toorn, voegde zij hem toe:

»Uitnemend, Mijnheer! uitnemend gevonden, Hertog! dat moet ik zeggen. Zoo meent gij dan waarlijk, dat het glorieus zal zijn voor mij hier te regeeren met Uw welbehagen, naar Uwe voorschriften? En Gij verbeeldt U dat ik, ik, Keizer Karel’s dochter” mij deze voogdij zal laten welgevallen, en de Koning verwacht van mij dat ik mij zulke vernedering zal getroosten! Daarin hebt Gij u beiden zonderling vergist. Ik ben de vrouw niet die men met een ijdelen titel kan verblinden. Of meent gij dat ik niet zie, hoe de dictatorstaf, die in Uwe handen is gelegd, mijn vorstinne-scepter zal verbrijzelen bij de eerste botsing? Het zij zoo, Mijnheer! ik ben niet zóó verzot op gezag of ik zal weten af te treden met waardigheid, veel liever dan met U te strijden over ’t geen ik hier zijn zal al of niet. Maar het had mijn broeder beter gepast zijne zuster bijtijds terug te roepen, dan haar dus te laten verdringen. door een onderdaan! Toch verheugt het mij, het verheugt mij werkelijk, dat de Koning een onderdaan heeft gevonden, die getrouwer en ijveriger is voor zijne zaak dan ik ben, en aan wien hij zijne geheimen, en het behoud van Vlaanderen beter vertrouwen kan dan aan zijne zuster. Ik wensch Zijne Majesteit daarmee geluk, en verblijd mij, dat zich zulk een groot man opgedaan heeft, van wiens bekwaamheid hij zoozeer verzekerd is, dat hij dien kan verheffen boven zijn eigen bloed.”

Dat deze stortvloed van klachten en verwijten, van satyrieke gelukwenschingen en betuigingen van blijdschap, niet door den Hertog met koele onverschilligheid werden aangehoord, spreekt wel vanzelf; maar al kookte het binnen in hem, hij achtte zich niet gerechtigd haar bitterheid voor bitterheid terug te geven, en hare scherpe ironie te beantwoorden. De laatste pijl, die zij af schoot, trof bovenal doel bij den man, die zoo diep doordrongen was van de rechten eener vorstelijke afkomst.

In de eerbiedigste bewoordingen en haar de eeretitels gevend van »groote Vorstin”, »keizerlijke Prinses” en meer andere, zelfs boven ’t geen haar toekwam, zoodat hij later van zich zelf kon getuigen: »dat hij de Koningin van Spanje zelve niet met me eerbied en onderdanigheid had kunnen bejegenen”, trachtte hij haar te bevredigen en te bewijzen, dat er geene kwestie kon zijn van haar te vernederen en te verdringen: dat niets verder af lag van des Konings intentiën, en dat hij, Alba, de laatste zou zijn om zich tot zulk een doel te laten gebruiken. Maar zij wilde niet naar hem luisteren, zij was te schrander om niet in te zien dat ledige titels en eerbiedsbetuigingen geen bewijzen waren, en dat, al zou Alba zich getroosten voor haar regentenzetel geknield te blijven, hij toch inderdaad den staf zoude zwaaien, die haar uit de hand was genomen.

»Wat moet ik wachten na dit begin,” viel zij in, »niets kan mij meer voorstellen dan schande en versmading, zoo ik hier bleef. — Gij, gij zoudt mij den schijn willen laten, ik geloof het. Gij zoudt Keizer Karels dochter geen kleinachting toonen door uwe houding tegenover haar, maar uwe daden zelf zouden uwe woorden tegenspreken, en liegen tegen dat huldebetoon, en de anderen — ik ken de menschen — de anderen zouden niet twijfelen wie hier meester was, en de opkomende zon aanbidden voor mijne oogen.”

»De opkomende zon! Maar Mevrouwe! de Koning komt zelf herwaarts heen. Zijne Majesteit gedenkt in Zeeland aan wal te stappen. Ziedaar de zon, bij welker stralen elk ander licht moet verbleeken en waar elk getrouw oog op zien moet.”

»Gij zult mij toch niet wijs maken, dat Gij, gij zelf aan de komst des Konings gelooft?”

»Zoo vast als aan mijn eigen goeden wil om de zaken hier op zulken voet te brengen dat de Koning komen kan. Slechts moet vooruit alles geëffend zijn, voor zijne schreden elke steen der ergernis zijn weggenomen, opdat zijn voet zich niet stoote, zijne vorstelijke oogen zich niet behoeven af te wenden, om de schuld en de schande van deze landen niet te zien. Alle hoogte die zich tegen hem heeft durven verheffen, moet neergeworpen, alle schennis tegen Zijne Majesteit gepleegd uitgewischt zijn in het bloed der schenders, alle gezag wezen in de hand waar het behoort, en die het getrouwelijk zal overgeven in de zijne. Dan eerst kan de Koning komen, maar dan ook zeker zal hij komen om de goeden en getrouwen te beloonen, om vergiffenis te schenken aan berouwvollen, die zulke gunst waardig blijken, en om allereerst Uwe Doorluchtige Hoogheid voor de gansche wereld de eere en de achting te betoonen waarop zij aanspraak heeft, om te bewijzen hoezeer hij Uwe diensten op prijs stelt…”

»Treffelijk gevonden! zoo zal ik hier moeten wachten op de dankbetuiging des Konings tot die gouden eeuw aanlicht — ik zou even goed kunnen wachten op de komst van het duizendjarig rijk. En inmiddels, opdat wij die schoone dagen zullen zien, zal de Hertog van Alba hier zijn wil en werk doen en mij het mijne uit de handen nemen…”

»Mevrouwe!”

»Of kan men het anders noemen… Men maakt U Souverein over het krijgsvolk, Souverein over de Provinciën, Souverein over de steden, wat rest er dan nog voor mij? Ik moet waarlijk zeggen dat ik veel verplichting heb aan mijn broeder! hij laat mij toch iets — ja in trouwe! hij laat mij de kerken en de velden — de kerken waarschijnlijk om te bidden, en de velden om in te wandelen. Welnu Mijnheer, het zij zoo. Ik ben dies getroost, gij kunt hier voortaan doen wat U is opgedragen, de Gouvernante zal U niet meer in den weg zijn. Margaretha van Parma zal het regentschap neerleggen, dat zij negen jaren lang onder de hachelijkste omstandigheden heeft gevoerd, terwijl zij met ontelbare lasten en bezwaren heeft te kampen gehad, geene rust heeft gesmaakt, hare krachten en gezondheid in niets heeft gespaard; ja zelfs haar leven in gevaar heeft gezien, om hier order op de zaken te stellen; en nu dat alles tot een goed einde is gebracht, nu is dit mijn loon dat ik terzijgezet worde voor een onderdaan, en dat aan dezen meer gezags wordt toegekend, dan ooit Vorst of Vorstinne heeft bezeten. Maar dit zegge ik U Mijnheer, ik wil niet langer blijven wachten op de onzekere resolutiën des Konings. Als Zijne Majesteit mij mijn ontslag niet geeft, zal ik het op mijn eigen gezag nemen. Ik zal, zooals van mij verlangd wordt, de Provinciën aanmanen om U we autoriteit te erkennen, maar daarna zal ik mij ook niet meer met de zaken bemoeien; dat zij U overgelaten. — Draag zorg Mijnheer, draag zorg voor Vlaanderen, beveel hier de justitie en de politie, stel de Gouverneurs af- en aan, verander de wet en de magistraten, schend alle usantiën en privilegiën, breng alles hier in rep en roer, door den schrik van Uw naam, door ’t geweld Uwer wapenen — alles is U voortaan geoorloofd; maar houd deze mijne voorspelling voor oogen, gij kunt doen wat Gij wilt, dit volk van Vlaanderen en Braband waarmee ik negen jaar heb geworsteld, zonder het naar den wil des Konings te kunnen fatsoeneeren — dit volk dat Gij niet kent waarvan Gij niets weet noch begrijpt, dat U nu reeds haat, nog meer dan het U vreest, dit volk zult Gij nimmermeer naar Uw wil kunnen plooien…

»Verschoon mij, Mevrouw, dat ik ongeloovig blijve bij Uwe profetie,” viel de Hertog in, wat laatdunkend de schouders ophalend. »Ontrust U niet vooruit over het mislukken van mijn werk en laat dat vrij aan mijne zorge over. Ik heb voormaals volken van ijzer getemd,” ging hij voort met een glimlach van fiere zelfvoldoening, »zou ik dit volk van boter dan niet naar mijn zin kunnen kneden?”

Neen Alba, neen! juist dat kunt gij niet. Gij hebt het ijzer kunnen smeden met ijzer, gij hebt het kunnen buigen en te pletter slaan onder uwe mokerslagen, maar het smijdige zuivel wil niet met een stalen gantelet gekneed zijn. Hoe vaster gij het knelt des te eerder zal het aan uwe vingeren ontglippen: Gij kunt het wringen in uw bloedige wijnpers, maar formeeren naar uw wil, naar het voorschrift van uw Koning kunt gij het niet.

Hertog van Alba! gij hebt eene taak aanvaard die gij eene lichte acht voor Keizer Karels grooten veldoverste, en die u toch te zwaar zal vallen. Gij zijt een volleerd krijgskundige, die weet hoe men vestingen bouwt en sterkten opwerpt die den gloed van het vuur en den tand des tijds kunnen trotseeren: maar nu gaat gij een toren bouwen waarvan gij de kosten niet hebt berekend. Gij meent den vijand te kennen waartegen gij strijden moet gij veracht zijne zwakheid, die mogelijk zijne sterkte is. Gij meent kunnen slechten en fatsoeneeren naar uw believen, en gij kunt slechts in den blinde rondtasten, om wilde en bloedige grepen te doen en verwarring te stichten, daar waar gij orde herstellen wilt. Gij kunt niets voortbrengen dan verwoesting. Gij wilt rebellie straffen, en gij gaat eene omkeering van zaken daarstellen. Gij hebt uw Koning lief, meer dan uw eigen bloed, Ferdinand de Toledo! en toch zult gij, zijn trouwste dienaar, hem slechter dienst bewijzen dan de snoodste verrader het had kunnen doen. Gij zult ijveren voor de eer der Kerk, en gij zult haar verliezen bereiden, in geen drie eeuwen door haar terug te winnen. Gij acht u den grooten voorvechter van het Pausdom, en gij zult Rome en den man op den Stoel van Petrus gehaat maken meer dan Turk en Heiden. Dit alles zult gij doen, Alba, en uwe tegenstanders zullen de vruchten plukken van de fouten die gij begaat. Noch uw weergaloos krijgsbeleid, noch uwe rustelooze waakzaamheid, noch de uitstekende mannen die gij met u gebracht hebt om u in uwe onderneming bij te staan, zullen u baten, om haar tot een goed eind te brengen. Gij kunt Wiltem van Oranje afmatten in den krijg, zijne legers verstrooien zonder veldslag, maar hem zijne staatskunst afzien en navolgen, dat kunt gij niet.

Gij zijt op moerassigen bodem beland, Ferdinand de Toledo! Gij zult er geen grond vinden voor uw geharnasten voet. Gij zult moeten waden door slijk en bloed, en uwe eer, uw vermaarde naam zal bezoedeld worden in dien roemloozen tocht. Zes jaren lang zult gij dit land van zuivel kunnen beuken met uwe mokerslagen tot het zieltogend en verpletterd neerligt onder uw voet, maar toch, gij hebt het niet kunnen kneden naar uw vorm. En al hadt gij het ganschelijk kunnen uitmoorden, zooals gij u voornaamt, al hadt gij alle steden kunnen platbranden, die niet door uwe Spanjaarden te bezetten waren — nòg zoudt gij het niet hebben geboetseerd naar uw zin. »Hoe heeft dat kunnen zijn?” moet Alba zich zelven wel eens onder tandknarsen van spijt hebben afgevraagd; »Hoe heeft dit kunnen zijn?” vraagt de geschiedschrijver, als hij het ijzingwekkend tafereel van Alba’s schrikbewind heeft geschetst en bevindt dat het volk van zuivel toch nog geen slavenvolk is geworden, gevormd naar Spaansch model.

De oplossing laat zich vinden. Er was in dit volk van zuivel een geest gevaren dien tirannenwoede wel kon bedroeven, maar niet uitblusschen, een geest des wederstands, geheiligd door den geest dier liefde en ijver, die hechter samenbindt dan het krachtigste cement. En de Heer der Heirscharen ontfermde zich ver dat volk, dat daar nederlag, gebogen, maar niet verslagen, dat onder zielsangst eendrachtiglijk saamverbonden, de knieë neerboog en tot Hem riep om uitkomst, en de Heer gaf hun een MAN, een MAN, zooals Hij nog aan geen volk gegeven had, dan aan zijn uitverkoren volk van Israël, een man, die als een tweede Mozes hen zou leiden met raad en daad, die als een tweede Mozes een verbond zou maken met den Potentaat aller Potentaten in den naam van zijn volk — en tegen dat bondgenootschap kon Alba niet op met zijn bloedraad en zijne inkwisitie, tegen dat bondgenootschap kon Filips niet op met al de schatten van zijne Indiën, met heel de strijdmacht van zijne monarch al kon hij roemen, dat de zon nooit onderging in zijn rijksgebied.

Och! de zon van Spanje’s glorie zou toch dalen; het verzen tegen dat bondgenootschap kwam te duur te staan.

„Al zwoeren al de duivlen zaam,”

geen satanische machten konden dat bondgenootschap verwinnen, zelfs niet toen de man, van God gegeven, neerzonk onder het moordend lood van een dweepzieken verrader, als Mozes, ook het beloofde land der vrijheid van verre ziende, maar zonder het nog gansch veroverd te hebben. Zelfs toen niet; want zijn laatste woord was eene bede om ontferming voor zijn volk gericht tot dien Bondgenoot, die trouwe houdt tot in eeuwigheid! Toch is dat bondgenootschap opgelost, dat zoo vast had moeten zijn. Volk van Nederland, volk van zuivel, dáár is uwe schuld, dáár is uwe zwakheid. Sidder, want gij staat nu alleen, en al zijn er geen Alba’s meer om uw dierbaren grond te vertreden, het ras der overweldigers is nog niet uitgestorven. Nòg ziet men ruw geweld voor recht gelden, nòg woelen er booze invloeden rond, nòg werken er schadelijke krachten, nòg dreigen er gevaren van allerlei aard zoomin te weren als te overzien. Volk van Nederland! al schijnt gij nu te staan in de vrijheid, in het licht, daar zijn wolken en donkerheid rondom u, en gij hebt tegen dat alles geene macht, tenzij gij de hand vat des Almachtigen!


Hooghartigen weerstaat Hij,
En nu en t’ allell stond.
Zijn hateren verslaat Hij
Met d’adem van Zijn Mond!
’t Geheim van allen zegen
(Oranje en Neerland hoor ’t)
Is in Gods vrees gelegen,
Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn Woord!

1872.

Voetnoten[bewerken]

3 Haar portret door Alonzo Sanchez Coëlho — in het Koninklijke Museum te Brussel — waarvoor zij zeker in hare jeugd geposeerd heeft, stelt haar voor met een toom en teugel in de hand, vermoedelijk eene zinspeling op hare geliefkoosde uitspanning: de kleeding ook, en de zwart fLuweelen toque met pluim, doel wel eenigszins aan rijgewaad denken. Zoo zij niet gevleid is, was zij toen gansch niet onbevallig.
4 Een zoon van Lorenzo en neef van Paus Alexander VI. De booze wereld van het tijdperk vermoedde een nauwere betrekking van dien Paus op dien jonkman, en Motley zeker bevooroordeeld door de slechte faam van Alexander VI op het punt der zedelijkheid — aarzelt niet dat gerucht te herhalen — maar daar „la recherche de la paternité" door de wet verboden is — hebben wij zoomin het recht als den lust om de zondenlijst van dezen Paus te verzwaren — waartoe een Borgia zwarter te maken, dan hij is.
5 De Hertogin had zelfs eene medaille laten slaan om van dit volbrachte werk te getuigen. Aan de ééne zijde ziet men haar borstbeeld met haar naam en titels; aan de keerzijde nogmaals hare gestalte staande op een rots, waar de baren tegen aanslaan, met een lauwerkrans om het hoofd, in de eene hand een zwaard, in de andere een palm- en een olijftak, de winden tegen haar aanblazende, met dit opschrift. Favente Deo.
<Eerste deel<