Bosboom-Toussaint/Een Alkmaarder te Praag/Aantekeningen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Bosboom-Toussaint/Een Alkmaarder te Praag/Hoofdstuk IV Bosboom-Toussaint/Een Alkmaarder te Praag/Aantekeningen [[]] >


Aantekeningen

Over Een Alkmaarder te Praag heb ik kort geleden een bericht opgevangen uit den Kunst- en Letterbode, dat ik mijn lezers niet wil onthouden. In het eigenhandig dagboek van zekeren Hans Jacob Wurmoser von Vendenheym, die Lodewijk Frederik Hertog van Wurtemburg Mumpelgard op een gezantschap naar Engeland vergezelde, wordt gelezen onder dagteekening van den 1en Mei: »S. E. alla au parc d.Elthon (Bitham) pour voir La Perpetuum Mobile. L’inventeur s’appelle Cornelius Trebel (Drebbel) natif tf Alkmaar, homme fort blond et beau, et d’une tres-douce façon, tout au contraire des esprits de la sorte. Nous y vismes aussy des Espinnettes, qui jouent d’elle mesmes. De Letterbode vervolgt: »Het Engelsche blad vermeldt daarbij Drebbels werk: de quintessentia, et epistola ad Jacobum Regum de perpetui mobilis inventione, in 1621 uitgegeven, dat echter in geene openbare bibliotheek te vinden is. — Het hier bedoelde werk schijnt ook in geene Nederlandsche openbare bibliotheek aanwezig te zijn." Wie er naar zoeken of groote begeerte hebben het te vinden, zou men misschien moeten raden om eens rond te zien in eene of andere boekerij te Weenen of te Praag. Van heeler harte aan den Roomschen Keizer verbonden (die reeds in 1621, zooals bekend is, den armen Winter-Koning had verwonnen), voormalig leermeester van diens zoons, zou het niet onnatuurlijk zijn zoo Drebbel aan dezen een exemplaar van een werk had aangeboden dat in dien tijd zeker grootere belangrijkheid zal gewekt hebben, dan in den onzen; — den volledigen Latijnschen titel kan men nazien in den Letterbode van 14 Maart 1857, No. 11.

Volgens Dr. G. D. J. Schotel is men verplicht den geslachtsnaam onzer beroemde jonkvrouwe: Anna Maria van Schurman te schrijven, en niet Schuurman of Schuurmans, zooals men haar meestal hoort noemen, en zooals ik in de vroegere uitgaaf had geschreven. Ik heb in dezen herdruk van mijne schets zijne aanwijzing gevolgd. Men raadplege zelf het uitvoerig werk van den Tilburgschen geschiedvorscher, over Anna Maria van Schurman, zoo men verlangt kennis te nemen van zijne gronden voor deze spelling. Men zal in dat werk tevens vinden, wat mijne voorstelling niet geven kon, noch omvatten mocht; ik vond er in, de vervulling van mijn wensch: onze onvergelijkelijke landgenoote opnieuw tot het voorwerp gemaakt te zien van een billijk en nauwkeurig onderzoek, en begrepen en gewaardeerd in datgene, wat voor haar zelve het hoogste is geweest, en waarbij zij al het vele, dat zij boven anderen bezeten had, gering achtte. Ook getuigt hij van haar: »dat zij gestorven is niet, zooals velen willen, in eenzaamheid, op haren ziekenstoel gezeten, als verlaten van God, in vertwijfeling en wanhoop; maar omringd door hare geestelijke broeders en zusters, kalm en gelaten, vast verzekerd van hare zaligheid." En zij kon op haar sterfbed de vraag der haren, of zij iets begeerde, uit de diepte van haar hart beantwoorden: »Ik verlang niets dan mijn God zelven!"

Wat zegt het haar en ons, die haar liefhebben, na zulk een einde — dat het nageslacht niet eens volkomen zeker is omtrent het plekje, waar haar aardsch omhulsel rust, en dat geen monument of standbeeld — de manie onzer eeuw — hare grafzerk pralend versiert?