Bosboom-Toussaint/Een Leidsch student in 1593/Hoofdstuk VI deel 1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een Leidsch student in 1593
Hoofdstuk I · Hoofdstuk II · Hoofdstuk III · Hoofdstuk IV · Hoofdstuk V · Hoofdstuk VI deel 1 · Hoofdstuk VI deel 2 · Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII · Hoofdstuk IX · Hoofdstuk X · Hoofdstuk XI · Hoofdstuk XII deel 1 · Hoofdstuk XII deel 2 · Besluit


EEN LEIDSCH STUDENT[bewerken]

________________________________________

VI. DEEL 1[bewerken]

Men begrijpt dat het de la Rivière vrij wat moeite gekost had, den Burgerneester te doen berusten in het aannemen eener vol strekt lijdelijke houding, waar deze van ongeduld brandde, om den jongen Graaf weer te zien en zich zelven de voldoening te geven van een geduchten uitval; maar toch — hij smaakte later de vruchten van zijne inschikkelijkheid. De maatregelen van den gouverneur hadden doel getroffen. Er had geene botsing plaats gevonden, die de zeer verklaarbare opgewondenheid van den jongeling tot woeste drift had kunnen vervoeren; het onweer was afgeleid, de kracht der opwinding was gezonken bij gemis van weder stand, en eene afmatting volgde, die den gouverneur gelegenheid gaf om den jonkman te brengen, waar hij hem hebben wilde. Wat er was voorgevallen tusschen hem en den jongen Graaf, op den avond van zijne terugkomst, werd niemand bekend, slechts had de Burgemeester, die zoomin sliep als een der anderen, en daar zijne kamer aan die van de la Rivière grensde, in zekere onrustige spanning had geluisterd — kunnen opmerken, dat hun onderhoud zich bij eene korte levendige woordenwisseling had bepaald, dat de la Rivière Floris naar zijne kamer had geleid, en hem een luid, en opgeruimd »goedennacht" had toegeroepen, waaruit hij voor zich de gevolgtrekking maakte, dat er tusschen hen geen strijd had plaats gevonden; dat de Jonker »goed en wel was thuis gekomen," hoewel niet al te best gehumeurd, had hij reeds terstond door zijn zoon vernomen, en daarop was hij zelf ingeslapen, zoo welgemoed als een man van zijn karakter het zijn kon onder zulke omstandigheden. Des anderen daags echter bleek het, dat er eene verklaring had plaats gevonden tusschen hem en den jongen Graaf, die tot beider satisfactie had geleid. Dit was op te maken uit het verhelderd gelaat van den Burgerneester, uit zijn vriendelijken, opgeruimden toon jegens Floris, en die zekere hartelijkheid, die de ceremonieele deftigheid wat lenigde, waarmede hij gewoon was (vlagen van drift en heftigheid uitgezonderd) dezen te bejegenen; maar vooral was het zichtbaar uit zijne houding tegen den Gouverneur; zij was zoo in ’t oogloopend voorkomend, dat Zwaerdecroon en Aart Amelisz, oprechte voorstanders van de algemeene harmonie, er hun schik in hadden, en nauwelijks lieten de beide laatsten hen samen, of de Burgemeester trad naar de la Rivière toe en sprak hoffelijk: »Ik zal altijd van u getuigen, mijnheer! dat gij onzen jongen Graaf de manieren leert van een volmaakt, wellevend edelman. Hij heeft mij van ochtend door Allendolff laten vragen, of ik hem nog vóór het ontbijt kon ontvangen; en toen ik hem naar uw raad heuschelijk ontving, zonder eenige observatie te maken omtrent zijne singuliere gedragingen van gisteren, is hij uit zich zelven voor mij in de schuld gevallen, en heeft zich met zooveel minnelijke hoffelijkheid daarover verontschuldigd, dat ik van mijne zijde daarop niet anders wist te antwoorden, dan met mijne tevredenheid uit te drukken, dat hij zich zoo goed had vermaakt en zoo behoorlijk thuis was gekomen, na een dag door gebracht te hebben onder luiden, waarbij onmatig toedrinken zoozeer in zwang moest zijn!"

De la Rivière fronsde de wenkbrauw. »Dat voorwaar is eene lofspraak, mijnheer, die ge wel hadt mogen terughouden… ik wenschte hem liever niet gemeenzaam gemaakt met de gedachte aan de hatelijke ondeugd, die in deze landen zoo weinig onteerend wordt geacht… naar ’t mij voorkomt. Daarbij, wie prijst een rijke, omdat hij niet steelt… Floris heeft eene goede maag en is aan ’t gebruik van veel wijns gewend… en onder ons gezegd, nu we toch hierop komen, onze tafel hier kon veel eenvoudiger zijn, zonder schade voor iemands welvaart… "

De Burgemeester schudde het hoofd. »Inmogelijk, mijnheer; de zoon van de Pallants is niet gewoon te leven als een wever, op het slot zijner vaderen, en ik zou mij dood schamen, zoo hij klagen kon dat men hem op dit punt te kort deed in zijne huishouding te Leiden… ik wilde u volgaarne in alles genoegen geven, doch hier… verschoon mij, dit zijn mijne zaken…"

»Het zijn bijzaken… ik dringe niet verder; het verheugt mij intusschen dat gevoldaan zijt over mijn pupil, Achtbare Heer! en nu zult inzien, dat men hem met eenige gerustheid aan zich zelven konde overlaten… De la Rivière verkropte een zucht, toen hij dat laatste had gesproken.

»Ik weet dat men zich op uwe ervaring betrouwen kan," hernam de Burgemeester hoffelijk maar ontwijkend; doch met zekere goelijke vertrouwelijkheid liet hij volgen: »dat heeft u toch zeker moeite gekost, dat hij MIJ excuses maakte, is het zoo niet?" Niet tevreden met de vertooning, wilde hij nu ook nog achter de coulisses zien; maar de Gouverneur antwoordde wat kort en wat verstrooid:

»Volstrekt niet! ik heb hem alleen met een enkel woord zijne verplichting jegens u herinnerd, toen is het andere als vanzelve gevolgd." — Het was zelfs sneller en meer volkomen gevolgd dan de Gouverneur had kunnen wachten. Hij had meer dan eens tot eene verzoening tusschen Floris en den Burgemeester moeten medewerken, maar de snelheid en de gewilligheid waarmede de jonkman zich ditmaal geplooid had naar een eisch, dien hij wist dat hem hard moest vallen, had hem verwonderd, en zelfs een weinig verontrust, De la Rivière wist het, de opvoeding van Floris had niet gestrekt om zelfstandigheid van karakter in hem te ontwikkelen, maar was hij dan volstrekt karakterloos? Was er dan gansch geene energie in hem, dan in vlagen van overspanning als men hem onvoorzichtiglijk tot wederstand had geprikkeld? Of, was hier 1isit in het spel? De gebondene zoekt haar, en Floris — de la Rivière had het doorzien, — voelde zich nu gebonden. De Gouverneur verheelde echter zijne bijgedachten en vroeg alleen:

»Zou het u nu niet goeddunken, mijnheer de Burgemeester, dat wij te zamen overlegden, hoe men den Jonker eenige meerdere vrijheid zou kunnen toestaan?"

»Ik zie niet hoe dat zou kunnen zijn; wij zijn gebonden aan onze instructie."

»Ik zie dat wel, mits men niet het meest achtte op de letter, maar op den geest van dat voorschrift…"

»Verschoon mij, waar men zich afwijking gaat veroorloven van bestemde bevelen, door eigenwillige opvatting daaraf, is men de overtreding derzelve al heel nabij. Mijn plichtbesef althans laat me zulke ruimte niet toe."

»Kan er dan niet naar Culemborg worden geschreven, om deze voorschriften te wijzigen, in deze zes maanden is er immers niets gebeurd dat zulke voorzorge gerechtigt?"

»Omdat die voorzorgen bekend zijn, wellicht; waren ze niet genomen… wie weet…!" De Gouverneur haalde verdrietelijk de schouders op.

»Geloof me, ik zou u hierin gaarne te wille zijn… maar ik heb de zekerheid, dat eene poging bij den Graaf in uw zin tot niets zoude leiden, dan om Zijne Genade te ontrusten en nog meer vast te zetten in het eens genomen stelsel."

»Pauvre cher enfant! waar moet dat heen!" verzuchtte de la Rivière, »Zou er beter vertrouwen zijn zoo ik mij terugtrok?" vroeg hij op eens als met eene plotselinge ingeving.

»Lieve Hemel, mijnheer! wat inval is dat!" riep Alarsz verschrikt, »Wel ter contrarie! ik heb het nooit zoo goed begrepen; gij zijt hier noodig, hoog noodig, en ik wil mijnerzijds alles doen wat ik kan om u te believen en onzen jongen Graaf aangenaam te zijn! Zoo ’t geen nooddwang ware zou ik hem kwellen? Ik heb hem toch ook lief, ik ben aan hem verhecht, nauw minder dan aan zijn Heer vader zelf."

Dat was waar, hij had den ouden Graaf lief, omdat hij zijn Heer was, en den jongen, omdat hij zijn Heer moest worden; maar de teedere, voorzienige, zelfverloochenende liefde van de la Rivière begreep hij zelfs niet. Zonder ware zedelijke kracht, ondanks alle zijne stijfhoofdigheid, had hij voor Floris oogenblikken van zwakke toegeeflijkheid, en liet zich soms afdwingen wat hij eerst met hardnekkigheid had geweigerd. Hij voor zich had wel gelijk, dat hij niet van zijne voorschriften afweek, want bij gebrek aan eigen beginselen en vastheid van wil, had hij reglementen noodig om zich naar te richten, daar hij zonder dat, naar luim en willekeur, of naar den indruk van ’t oogenblik zou hebben gehandeld; dat was zelfs een weinig het geval, toen hij vervolgde: »en zie, om u te bewijzen dat ik al toelaten wij wat ik kan; dezen morgen heeft Floris mij medegedeeld, dat hij voornemens was in den loop van den dag een bezoek te brengen aan den jongen Graaf van Hanau; hij wenschte zich daarbij alleen te doen verzeIlen van de Prounincks, en hoewel het ongewoon is, kwam het mij voor dat men het als uitzondering zou kunnen toestaan…"

De la Rivière had met zekere onrustige verrassing geluisterd.

»Ah! zoo! hij wil vandaag den jongen Graaf van Hanau een bezoek brengen!" riep hij uit.

»Altijd met uw goedvinden, zooals vanzelfs spreekt," ging Alartsz voort, »ter meerdere verzekerdheid kan Allendorff of la Fontaine op eenigen afstand volgen."

»Dat is onnoodig, mijnheer, het is goed dat gij ingewilligd hebt; ik dank u," sprak de Gouverneur wat kort en afgetrokken.

»En nu, mijn waarde monsieur de la Rivière!" hervatte de Burgemeester op een toon van protectie, »als conclusie van dit onderhoud wil ik u mededeelen, dat ik niet, zooals ik gisteren in drift heb gedreigd, voornemens ben het gebeurde op die jaarmarkt, naar Culemborg te rapporteeren, dat zal u zeker welgevallig zijn?"

»De intentie is mij aangenaam, als bewijs van de welwillendheid uwer dispositiën jegens mij, mijnheer de Burgemeester, maar anders, zoo ik, als gij, gewoonte had met Zijne Genade van Culemborg in al zulke détails te treden, zou ik ditmaal zeker niet nalaten melding te maken… ook van dat voorval… "

»Neen, ik doe dat nu liever niet; wat niet geweten wordt, deert toch niet, en… alles is nu zóó goed afgeloopen, dat we er best van zwijgen kunnen!"

»Alles goed afgeloopen! Gave God dat ik er zekerheid van had," dacht de Fransche edelman bij zich zelven, terwijl hij zich naar het vertrek begaf, waar Floris onder de leiding van Zwaerdecroon en Aart Armelisz zich aan de studie der oude Latijnsche schrijvers wijdde.

»Neen, neen! alles is niet goed afgeloopen, en ik zie zelfs niet hoe ik de gevolgen van den kwaden afloop zal kunnen keeren, Het moet ten spoedigste tot eene verklaring komen tusschen hem en mij, of alles is verloren." Dat de Gouverneur ook buiten het besprokene met den Burgemeester oorzaak had gevonden tot ongewone bekommering, was blijkbaar voor ieder, die de gave van opmerking bezat en de moeite wilde nemen hem gade te slaan. Hij had geheel het uitzicht van iemand, die den nacht had doorgewaakt onder pijnlijke aandoeningen; zijne oogen anders zoo helder en levendig, stonden dof en somber, en hij die gewoonlijk onder allen het drukste praatte en met de meeste opgewektheid, had gedurende het samenzijn bij het ontbijt niet dan het noodige gezegd, en meermalen in verstrooiing iets geantwoord, dat bewees hoe hij in eigene overdenkingen verdiept was. Er lag iets gemaakts in zijne houding, of hij zich innerlijke gedruktheid bewust was, en zorgvuldig vermijden wilde, die uiterlijk te toonen, zonder dat hij daarin ten volle slaagde, in één woord, hij zag er niet naar uit als een die zeker was van zijne zegepraal over groote bezwaren, zooals Alartsz van hem onderstelde, en de uitkomst die voor oogen lag scheen te bewijzen. Hij bleef den ganschen morgen zijn pupil gadeslaan met eene onrustige waakzaamheid, die hij wilde ontveinzen; maar die Floris scheen te gevoelen, en waaraan deze trachtte te ontkomen; want hij vermeed zijn blik, zooveel het hem doenlijk was, zelfs zijne toespraak, en er lag in geheel zijne wijze van zich tegen de la Rivière te gedragen, iets stugs en gedwongens, dat volkomen in strijd was met die eerbiedige vertrouwelijkheid, waarmede hij hem gewoonlijk naderde, en die zachte gemeenzaamheid, waarmede zij beantwoord werd. In den regel was het of de jonkman het begeeren van zijn opvoeder verstond, zonder dat het werd uitgesproken, en of hij er naar raadde om het te volbrengen; een wenk, een oogopslag, een enkel woord, waren voldoende daar, waar de eerste niet had begrepen, of waar de eenswillendheid voor het oogenblik faalde. Nu was dat op eens anders. Floris voorkwam niets, misverstond wat niet zeer bestemd was uitgedrukt, en scheen er een wreed genoegen. in te vinden, zijn Gouverneur te verplichten tot het maken van aanmerkingen of het geven van bevelen, die hij weten kon dat hem liefst werden gespaard. En dan betoonde hij de strakke onderwerping van een diep verdrukte, en waar hij spreken moest, was zijn toon kort en koel tot bitsheid toe, het was of eene geheime verbittering zich zijns ondanks uitdrukte in iedere zijner bewegingen, en om het al te kronen nam hij eene ongewone voorkomenheid in acht jegens den Burgemeester, schertste met hem, zeide hem vleierijen, en legde zooveel kennelijk opzet in die cajoleries, dat het doel om er de la Rivière mee te ergeren, onmiskenbaar was, althans voor dezen; »cet âge est sans pitié! want wie ook verzuimen mocht dit alles op te merken, voor de la Rivière zelf ging er niets van verloren; hij smaakte de bitterheid, die hem werd aangedaan, in volle kracht, en ’t geen hem het meest folterde, het meest ontrustte, was, dat hij de oorzaak van dezen zonderlingen ommekeer nog niet wist uit te vinden. Wel was hij bij machte geweest zekere ontdekkingen te doen omtrent den jongen Graaf, die eene ongewone wijze van zijn verklaarbaar maakten; zoowel zijne gekrenktheid als zijn onlust en zijne afgetrokkenheid op sommige oogenblikken; maar waarom die zich juist uitdrukte in zoodanige ontstemming tegen hem zelven, dat was hem onbegrijpelijk, en toch hij was er niet onschuldig aan; door al te groote voorzichtigheid, had hij eene fout begaan. Wij hebben gezien hoe Floris den avond te voren tot hem gekomen was met eene behoefte aan vertrouwelijkheid met de begeerte om zich aan hem uit te storten, zoowel over zijn leed en gemis, als over zijne schuld en zijn berouw. De Gouverneur had die behoefte wel geraden, maar hij had het niet raadzaam geoordeeld daaraan toe te geven, op datzelfde oogenblik, en ondanks zijne eigene vurige begeerte om een vertrouwen te ontvangen dat Floris gereed was hem te schenken, had hij alles vermeden wat er toe kon uitlokken, op zulke wijze, dat hij dezen alleen tijd had gegund om eenige oogenblikken over de genoegens van den dag te praten, en zich daarop van hem scheidde met de aanmerking: dat het te laat was voor al het andere wat men elkander te zeggen had, en dat hij het verdere morgen zoude hooren!" Daarin had Floris genoegen moeten nemen; maar, toen het morgen was geworden, bleek de zucht tot vertrouwen bij hem vergaan. Hij had nagedacht; hij van zijne zijde had ook zijne redenen tot voorzichtigheid; hij had ook zijn geheim dat hij niet wilde blootgeven, nu niet meer; en de moed der opwinding, dien hij voor kracht had gehouden, had hem begeven, hij zag er nu tegen op, een onderwerp aan te roeren dat een strijd kon verwekken, waarin hij voelde niet kalm te kunnen blijven, en die tot gevolg kon hebben zoodanige verdubbeling van waakzaamheid, als hem in deze oogenblikken al heel ongelegen zou komen. Afgewezen in eene beslissende ure, had zijn hart zich gesloten voor den man, die liever met koele bedachtzaamheid was te rade gegaan, dan met de dringende behoefte van een gemoed, dat zich voor hem had willen openen. Uit vroegere ondervinding van zijn leven had hij geleerd, zooals hij zich tegen Fransje had uitgedrukt, »dat het geene zaak was aan ketens te schudden, die men niet kon verbreken, en hij had zich nu voorgenomen de zijne zoo dragelijk te maken als mogelijk was." Dus was hij zeer tevreden dat de la Rivière hem den volgenden morgen niet begroette met een herinnering aan zijne belofte van den vorigen dag, dat hij zich van alle toespeling daarop onthield, gezind scheen te wachten, tot hij daaraan uit zich zelven zou voldoen; en alleen vroeg, of hij er wel aan denken zoude de convenance in acht te nemen jegens den Burgemeester?… Toen had hij daarop zonder eenige aarzeling een voldoend antwoord gegeven en had zich schielijk verwijderd, aanvoerende dat die moeielijkheid moest afgedaan worden vóór het gezamenlijk ontbijt!

Zooveel haast met iets dat hem toch zwaar moest vallen, en zooveel drift om aan het samenzijn met hem zelven te ontkomen! De la Rivière begreep er niets meer van, doch daar hij den lonker hierop niet weerzag dan onder getuigen, was er nog geene gelegenheid voor hem geweest om nadere opheldering te verkrijgen, daar bij te behoedzaam was, en te veel zelfbeheersching wist te oefenen, om uit de brusqueries van Floris aanleiding te nemen tot eene ontijdige aanmerking of eene onvoorzichtige vraag, die als vanzelve en ten overstaan van de andere huisgenooten datgene had moeten uitlokken, wat men gewoon is eene scène te noemen. Liever oefende hij geduld; nu echter trad hij de studeerkamer binnen, vastelijk besloten om een eind te maken aan die gevaarlijke spanning en zich gewapend houdende op alles wat volgen kon.

De jonge Graaf schrikte op, toen hij den Franschen edelman zag binnenkomen; toch had hij hem kunnen wachten; behalve dat deze de gewoonte had bij al zijne lessen tegenwoordig te zijn, was het uur daar, waarop de vakken van onderwijs moesten behandeld worden, die hij zich persoonlijk had voorbehouden, en Aart Amelisz had reeds een paar malen met een veelbeduidenden wenk aan Zwaerdecroon naar den zandlooper gezien, die bewees dat het oogenblik hunner verlossing nabij was; want tegen gewoonte hadden zij dien dag eene zware taak gehad Zij hadden moeten worstelen met allerlei verstrooidheid van hun leerling, en met de sprekendste bewijzen van zijn onlust en ongeschiktheid tot den arbeid, waaraan hij zich in den regel met ijver en volharding wijdde. Zwaerdecroon in zijne letterlijke getrouwheid aan zijn plicht als leermeester, meende de worsteling te moeten volhouden, nonobstant tout, terwijl Amelisz zich zelven en het slachtoffer van die hardnekkigheid beklagende, met ongeduld uitzag naar de komst van den »principalen Gouverneur," van wiens goed oordeel hij het eind wachtte dier marteling. Floris integendeel ving nu aan zich zelf te overwinnen, en de afzwervende gedachten met gezetheid te bepalen bij… ik weet niet meer welke breedvoerige toespraak van Cicero, die zeker hare belangrijkheid zal gehad heb ben voor diens lands- en tijdgenooten, maar die althans niet de mérite de l’apropos had voor onzen jeugdigen student, welke er dies ondanks met zulke oplettendheid naar luisterde, dat hij den blik niet eens afwendde bij het binnentreden van de la Rivière, die, om geene stoornis te geven, zwijgend in alle stilte op eenigen afstand plaats nam, en dien geheimen kamp, voor zijn blik zeer kennelijk, met sprekende belangstelling een tijdlang gadesloeg; de naïeve Zwaerdecroon, zeer verheugd dat de oorzaak der verstrooiing eindelijk geweken was, stelde zich voor, de geledene schade door een verlengd leeruur in te halen, en scheen de wenken van Amelisz in zijn ijver niet op te merken of niet te begrijpen; maar de la Rivière maakte er een eind aan; — hij stond op, trad naar de tafel toe, en het leeggeloopen uurglas omkeerende, zeide hij glimlachend: »Meester Zwaerdecroon, uwe klassieken hebben hun tijd gehad, gun mijne landtaal en letteren nu ook hare rechten!"

»Het is waar, mijnheer, ik vergat zoo wat mijn tijd! maar de Jonker vond zooveel smaak in die uitnemende eloquentie……! dat…"

»Waar blijven toch de Prounincks!" viel op eens Floris in, met zeker ongeduld het boek dichtslaande, waaruit al die eloquentie hem toesprak, en opspringende stoof hij naar het venster .

Amelisz en Zwaerdecroon niet gewoon op zoo onhoffelijke wijze hun afscheid te krijgen, zagen eerst elkander aan en daarop den Gouverneur, die even de schouders ophaalde en fluisterend een paar woorden wisselde met Amelisz; deze verwijderde zich daarop met Zwaerdecroon.

»Ge snakt naar lucht, cher enfant! in trouwe men stikt hier," sprak de la Rivière, zich mede naar het venster begevende en een der raampjes openslaande, »meester Zwaerdecroon vergeet wat al te veel de zorg voor het stoffelijk welbevinden. "

Floris gaf geen antwoord, hij hield strak het oog gericht op de scherpblauwe lucht, en scheen de drijvende wolkjes na te staren.

»Monsieur le Comte," hervatte de la Rivière meer deftig, »het komt mij voor dat gij heden geen hoofd hebt voor de studie, de zuivere Septemberlucht zal u goed doen, hebt gij lust tot eene wandeling?"

»Verschoon mij, mijnheer, ik wacht dokter Molinaeus, en ik heb mij nog niet kunnen voorbereiden op zijne les," en Floris plaatste zich aan de tafel; als met een opzet, om alle vertrouwelijkheid te vermijden, sloeg hij het eerste het beste boek open, dat hem onder de handen viel, en bladerde daarin, om het recht te hebben den blik van de la Rivière te vermijden, die den zijnen zocht.

»Gij hebt daarvoor op dit uur gerekend, Floris?" vroeg de Fransche edelman met eene intonatie, die het midden hield tusschen verwondering en afkeuring.

»Op uwe inschikkelijkheid, ja, mijnheer; maar ik zie wel het zal een misrekening zijn!" hernam Floris met eene bitterheid, die zoo weinig gepast was na de bewijzen van voorkomenheid, hem in ditzelfde oogenblik gegeven, dat de Gouverneur noodig oordeelde zijnerzijds van toon te veranderen.

»Gij hebt u werkelijk misrekend, zoo gij inschikkelijkheid van mij wacht voor kwade luim, en evenzeer als gij meent dat ik mij door ijdele uitvluchten zal laten afschrikken van ’t geen ik vastelijk voorgenomen heb… dit uur zult ge niet gebruiken naar willekeur."

Floris beet zich op de lippen, trok een lessenaar naar zich toe, zocht er papieren in, die hij niet vond, en sprak in verwarring: »dat opstel over de Fransche geschiedenis schijnt zoek geraakt… wij waren, zoo ik meen, genaderd tot Pepin en Childebert II!"

»Trève de faux-fuyants!" viel de la Rivière in, »wij zullen later tijd vinden voor Pepin en Childebert, gij moet begrepen hebben dat ik ernstelijk met u heb te spreken," en hij zette zich tegenover den jongen Graaf, die nu met een smachtenden blik naar de deur zag, als hoopte hij van daar eene gelukkige stoornis.

»Gij wacht Hendrik Prouninck immers zóó vroeg niet!" zeide de la Rivière, dien blik verstaande.

»Neen, mijnheer, maar toch… het kon zijn… ik hoopte…" de jonkman kleurde en verbleekte beurtelings, hij voelde dat hij zich verspreken zou en zweeg plotseling; hij moest zich voelen als de reiger onder den klauw van den valk.

»Is het uw voornemen met Hendrik Prouninck heden een bezoek te brengen aan den jongen Graaf van Hanau?" begon de Gouverneur, als ving hij aan met eene onverschillige vraag; maar dat die onverschilligheid gemaakt was, bleek uit de gespannen belangstelling, waarmede hij het antwoord afwachtte.

»Vindt… gij er… bezwaar in?" vroeg Floris met eene haperende stem, alsof de woorden hem niet van de tong wilden.

»Een enkel, Graaf," hernam de edelman met zekere ironie, »maar, ik zal de eere hebben u te vergezellen!"

De lijvige Plutarchus, die het ongeluk had zich op dit oogenblik onder de handen van Floris te bevinden, werd met een heftigen smak op den grond geworpen, zonder eenigen eerbied voor de groote mannen daarin voorgesteld. De jonge Graaf, die zich moest bukken om het boek op te rapen, hield zich ontslagen van een antwoord. De la Rivière had toch een antwoord dat hem volkomen duidelijk was. Toen Floris zich oprichtte stond de Gouverneur vlak voor hem, leide hem beide handen op de schouders, richtte een blik op hem, waardoor Floris het hoofd boog en sprak met eene mengeling van strengheid en ironie:

»De zwarigheid, waarop gij zeker niet hebt gedacht is deze: dat de Graaf van Hanau voorgisteren naar ’s Hage is vertrokken, om afscheid te nemen van Zijne Excellentie, wijl hij eenigen tijd bij zijne familie gaat overbrengen! Zoo ik mij niet bedriege, heeft, hij de hoffelijkheid gehad u daarvan te adverteeren!"

Floris was doodsbleek geworden, en vroeg met zenuwachtige heftigheid:

»Hebt gij dat aan den Burgemeester gezegd?"

»Neen Floris! ik heb uwe eer gespaard," hervatte de la Rivière met smartelijken ernst, " niemand dan ik, weet hier nog dat gij u verlaagd hebt tot list en leugen. Maar denk gij er toch aan dat de Alwetende God u het harte doorziet; dat zondige harte, waaruit alle booze bedenkingen voortkomen."

»O! ik ben diep, diep rampzalig!" riep de jonge man, in hartstochtelijke tranen uitbarstende, die hij echter trachtte te verbergen, door het gelaat met de handen te bedekken, en het hoofd van de la Rivière af te wenden. Deze sloeg den arm teederlijk om hem heen en vroeg met diepen weemoed:

»Hoe zijt ge toch vervallen tot zulke foute, pauvre cher enfant?" Maar de jonge Graaf trachtte aan die omarming te ontkomen, en sprak met kennelijke zielsangst: »Satan heeft macht over mij verkregen! Ik versta nu wat Dr. Modet mij heeft geleerd, hoe de menschenmoorder de ziele naar de hel trekt…"

»Ik laat de voorstellingen van Dr. Modet in hunne waarde," hernam de la Rivière zeer koel en misnoegd, »maar u Floris waarschuwe ik, dat het ijdel en roekeloos is de verantwoordelijkheid van de booze bewegingen onzes gemoeds van ons af te schuiven, onder pretext dat ze de werkinge Satans zijn: De prins der duisternis overheert geene ziel, dan die zich wel gaarne wil laten trekken; daar gaat niemand verloren dan door eigen schuld, en door zich hardnekkig en moedwillig af te keeren van God. Ik zeg dit niet om u eene heilzame vree ze te ontnemen, die tot waakzaamheid maant, ik zeg het opdat ge u niet zoudt overgeven aan eene schadelijke fantasie, die den lust tot den goeden strijd verzwakt en de krachten verlamt.

»Wat u belangt, men heeft u van der jeugd aan opgevoed in de vreeze des Heeren, in ’t onderhouden Zijner geboden, in het lezen van Zijn Woord; ik heb u voorgegaan in het achtnemen op de stemme der consciëntie, in de volharding des gebeds, in zelfbeproeving, in schuldbelijdenis voor God, en al is ’t dat gij in al deze dingen zwak en gebrekkelijk bevonden wordt, daar is toch in u een beginsel van gehoorzaamheid aan God; dat is niet de conditie waaronder een gedoopt Christen zich behoort te ontrusten over de heerschappij van den Booze; gij zijt in deze uwe jonkheid niet losgelaten aan uws zelfswil, gij zijt onder de bewaring van den goeden Herder, die den Booze overwonnen heeft, en naar den raad en leiding Zijner voorzienige wijsheid, onder mijn bestier, niet alleen waar het uwe uiterlijke daden geldt, maar ook voor de behoeften en belangen uwer ziele. Ik vreeze wel dat daarin nu omgaat, wat schuldig is en gevaarlijk beide, maar belijd mij uwe misstappen, of \’t geen anderszins u in onrust brengt of in tweestrijd met u zelven, en zeg me allereerst, wat er u toe gebracht heeft met gedragingen zoowel als met woorden te liegen; want gij zult wel begrijpen, dat ik mij niet vergist heb in uwe ongewone houding tegens mijnheer Amelis Alartsz. Hem de schuldige onderdanigheid te bewijzen als vertegenwoordiger van uw vader is uw plicht, wellevendheid en zachtmoedigheid jegens hem te oefenen, betaamt u als Christen edelman; maar de bewijzen der vriendschap te geven, waar ze niet uit het harte komen; maar zwakheden te vleien, daarover men glimlacht, dat is… doch ik zal het niet stempelen met den naam dien het verdient aleer ik de bron ken, waaruit het voortkomt."

»Waaruit het voortkomt!" riep Floris met heftigheid, »de gevangene, wien alle hoop op ontslaking begeeft, koopt zijn kerkermeester om! Ik moet een paar uren vrijheid hebben dezen dag, ik moet het."

»Omdat gij een bezoek hebt te brengen aan Francijntje Lantscroon, niet waar?" viel de la Rivière in op een kalmen toon.

De jonge Graaf werd gloeiend rood, en zag zijn Gouverneur aan met oogen, wijd geopend van schrik en verbazing, even snel vervangen door eene verslagenheid, die hem bleek en moedeloos op een stoel deed neerzinken, terwijl hij uitriep: »HIJ weet dat! zoo is alles verloren…"

»Mon cher!" sprak de la Rivière, zijne hand vattende, »gij valt heden in allerlei overdrijving. Waarom ontstelt het u zoo; dat ik dit voornemen heb geraden, en wat is daarmee voor u verloren?"

»Niets minder dan dat ik het nu zal moeten opgeven!" antwoordde Floris met eene onbeschrijfelijke mengeling van smart en toorn, gij zult mij toch wel niet toestaan derwaarts te gaan.!

»Ik zie niet waarom ik u daarin zou verhinderen! Het behoort; tot mijne verplichtingen u de manieren van een welopgevoed edelman te leeren. Courtoisie te oefenen jegens de vrouwen is daaronder wel degelijk begrepen naar mijne meening; het is niets meer dan beleefd, dat gij die joffer een bezoek brengt, nadat gij haar dienst hebt bewezen en een dag in haar gezelschap hebt overgebracht! Zoo ge ’t niet uit u zelven hadt bedacht, zou ik er u toe hebben aangemaand."

Floris slaakte een zucht van verlichting en had moeite een kreet van blijdschap te wederhouden; een levendig rood verving zijne lijdende bleekheid, en zijne zacht blauwe oogen tintelden van vroolijkheid; hij wilde zich in de armen werpen van den Franschen edelman, en toen deze dat afweerde, kuste hij zijne handen in eene verrukking, die hij op eenige wijze moest uitspreken. De Gouverneur was minder verrukt. Hij onderdrukte een zucht, die er geen van verlichting was, en zijne trekken namen eene uitdrukking aan van strakken ernst, toen hij zeide:

»Ik verlang geene bewijzen van vriendschap, Floris, voor ’t geen gij eene concessie acht en dat het niet is. Ik heb aanspraak op uwe achting en genegenheid op betere gronden, die gij heden schijnt te miskennen. List en vleierij hebben gelijke kwade fortuin bij mij, daar kunt gij op tekenen, mijn Jonker! gij hebt mij oorzaak gegeven tot misnoegen en…"

»Ik voel dit zelf! mijne houding tegen u dezen morgen was in alle manieren onbehoorlijk, ik verwijt het mij… wil het verschoonen; ik heb u beleden dat ik mij in eene gansch vreemde en ongewone stemming bevond, die mij ongelijk maakte aan mij zelven en zeer ongeschikt voor mijn werk… dat had invloed op mijn humeur… de heeren Zwaerdecroon en Amelisz moeten het mede ervaren hebben, ik zal hen mune excuses maken, gelijk nu aan u, et je me gouvernerai mieux à l’ avenir!" sprak Floris schielijk, zonder veel bij zijne woorden te denken; nu hij dus onverhoopt bereikt had wat hem het naaste aan het harte lag, was niets hem liever dan nu ras in vrede te scheiden, ware het ook na eene wat al te oppervlakkige verzoening, die hem zoo niet aan zijne eigene wegen, dan toch aan zijne eigene gedachten overliet; maar hij rekende zonder zijn… Gouverneur.

»La question, n’est pas là, mon cher!" viel deze in. »De wijze waarop uwe zonderlinge ontstemming zich uitte tegen mij, hoe onheusch ook en hoe weinig gepast, weegt bij mij niet zoo zwaar, het valt mij licht die te overzien en te verschoonen; maar hetgeen mij bekommert en ’t geen waar ik u naar vraag, dat is de bron, waaruit zulke onwil tegen mij is opgeweld, die wil ik kennen, en zoo mogelijk wegnemen; daarom kan ik u niet ontslaan, hoe gaarne ik het wilde, en al zoudt ge mij ook in uw binnenste verwenschen als een onmeedoogend vervolger."

»Die gedachte, mijnheer…"

»Moet nu de uwe zijn, ik begrijp dat zeer goed; doch het is nu eenmaal niet anders; ik moet een weinig den inquisiteur spelen, alleen ik kom niet onderzoeken naar uw geloof, maar naar uw hart; ik moet weten wat daarin omgaat, wat daarin omgaat tegen mij!"

»Waarlijk gij vergist u, mijnheer!" hernam Floris verward en verlegen, »het was eene opvatting van het oogenblik… ik vreesde geene inschikkelijkheid bij u te vinden voor… zekere wenschen, Ik geloofde aan misnoegen, ook aan uwe zijde… ik was gisteravond gezind om… ik weet niet wat al uit te zeggen… dat mij nu min gepast, en zelfs nutteloos voorkomt; ik heb u toen, als ik vreeze, met een enkel woord reeds gekwetst; gij hebt mij het voortgaan verhinderd… het vertrouwen afgewezen, dat ik had willen schenken, en gij hadt gelijk… ik zie het nu in — een onderhoud als waartoe ik toen moed en kracht voelde, behoort nimmer plaats te vinden tusschen ons."

»Ieder onderhoud kan en moet plaats vinden tusschen u en mij, dat ons nader brengt bij zulke vervreemding, als ik voel dat er is ontstaan. En wat het andere betreft, Floris, overmoed is geen moed, en opwinding geene kracht; ik heb u dat toen aan u zelven bewezen; slechts als men kalm is, kan men waarlijk moedig en krachtig zijn; zóó spreek nu."

»Ik smeek u, dring mij niet, mijnheer, want ik voele het maar al te wel, ik mis zelfs nu de noodige kalmte, die… woorden doet wegen en uitdrukkingen matigen," hernam Floris, die van zijne zoete droom en afgeleid, nu volkomen bij het gesprek was, en bij wien de oorzaken van zijne geheime verbittering opnieuw hunne pijnlijke prikkelen deden voelen.

»Ik vraag niet naar vormen, Floris, ik zal niet achten op uitingen in ’t vuur van ’t gesprek, in de hitte der uitstorting aan de tong ontglipt; maar ik eisch openhartigheid, ik verlang vertrouwen, en — ik heb er recht op."

»Neen, neen! dat hebt gij niet!" riep Floris nu met een gloed van fieren toorn in de oogen en op het voorhoofd. »Vraag geene openhartigheid, geene eerlijkheid, geen vertrouwen van een die gekweld wordt en verdrukt, zooals ik! Predik me gelatenheid, breng me tot berusting, eisch onderwerping, ik zal er mij opnieuw toe schikken… zoolang het mij doenlijk is… maar zeg niet dat gij recht hebt op dat eenige, wat ik aan deze verdrukking kan onttrekken: mijne gedachten… mijne… geheime smart?"

»Valt datgene, wat gij verdrukking noemt, u waarlijk zóó zwaar , Graaf?" vroeg de la Rivière zacht en deelnemend.

»Ondragelijk, mijnheer!" barstte Floris uit

»Sedert wanneer?" vroeg de la Rivière schielijk.

Floris zweeg.

»Kan het ook zijn sedert gisteren?"

Floris schudde het hoofd. »Al sedert… lang!" sprak hij haperend uit, of hij eene gedachte terughield, die hij op het punt was te uiten.

»Is dan wellicht het gebeurde van gisteren het uiterlijk bewijs geweest van dien innerlijken onwil?"

»Neen! dat was toevallig, zooals ik u heb gezegd…"

»Weet gij dat wel zeker? Ik spreek niet van de toevallige omstandigheden, die u van ons afvoerden… maar van dat volgehouden uitblijven… waarvan gij toch weten kondet, wat het ons allen, wat het inzonderheid mij moest zijn… Kwam dat niet voort uit wat anders… dan alleen uit de zucht naar vermaak?" Wie de la Rivière nooit met zijn pupil had hooren spreken, kon zich geen denkbeeld vormen van de tooverkracht zijner stem, van zijne meesterschap over iedere harer intonaties, allerminst van die wondervolle doordringende zachtheid, die hij voor dat bijzonder gebruik scheen uit te sparen, maar die intusschen zoo weinig van weekheid had, dat men haar — zoo de woorden zich evengoed lieten vereenigen als de klanken, — snijdende zachtheid zou kunnen noemen; want zij was voor ’t gehoor als liefelijke muziek, en waar ze doordrong tot het gemoed, deed ze de werking van het fijne lancet des heelmeesters. Floris wist dat bij ervaring; door den toon, waarop de ondervraging werd aangevangen, voelde hij zich zijns ondanks zóó overweldigd, en hij had zóó opgezien tegen de verdere operatie, dat hij er aan zocht te ontkomen door te antwoorden, met zeker ongeduld: »Och, dat weet ik niet, mijnheer, ik heb over dat alles niet zoo nagedacht, ik herinner mij alleen dat er rondom mij gemompeld werd: »dat ik het niet zou durven doen wat ik mij voorstelde," en dat het mij bitterlijk krenkte, te zien, hoe de anderen wisten onder welk juk ik mij krommen moest, toen… toen heb ik hun willen toonen, dat ik het kon afwerpen, als ik het wilde, en… en… het overige weet gij."

»Nog maar zeer onvolkomen, dan… het is altijd goed dat ik voor ’t minste dit wete."

»Goed! waarvoor goed!" riep Floris wat onrustig en met drift, »om er mij nog te vaster in te klemmen, niet waar? Ik zeg u, mijnheer, onderneem dat niet… want ik verklaar u nu, daar het er toch toe komen moet, dat ik niet langer gezind ben het te dragen!"

»Gij zijt van betere gezindheid, dan gij nu toonen wilt, Floris;" sprak de la Rivière zachtmoedig, »en ik neem zulke uitvallen voor \’t geen ze zijn, want gij zijt met een goed verstand gezegend, en met een helder oordeel, en die beide zult gij gebruiken om u in \’t onvermijdelijke te schikken."

»Neen, mijnheer! neen!" riep Floris altijd heftiger, sinds het eens tot eene uitbarsting was gekomen, en de eerste grens van \’t ontzag overschreden was, dat hem tot hiertoe had teruggehouden, »neen! wees er zeker van, ik zal bezwijken onder dezen last, of ik zal eindigen met in uitersten te vervallen, ik zal in versuftheid wegzinken of tot woestheid overslaan!"

De Gouverneur was koeler en strakker geworden, naarmate hij zijn pupil meer zag opbruisen. Hij had de rustige houding aangenomen van iemand, die aandachtig maar kalm zit te luisteren, en die bezig is bij zich zelven het gehoorde te overwegen; hij bleef voor zich heenzien, zoolang Floris sprak, als ware hij het, die zich versuft en verslagen voelde. Eerst toen de jonkman zweeg, wierp hij even een zijdelingschen blik op hem en sprak toen zeer bedaard en zelfs met wat opzettelijke langzaamheid, of hij de beteekenis van ieder woord dat hij sprak volkomen wilde laten gevoelen.

»Ik beklage u in waarheid om deze opvatting van uw toestand! ik zeg niet dat zij onnatuurlijk is, maar —… ik ben verplicht u te waarschuwen, dat gij aan dat natuurlijke niet te veel moet toegeven, want dat is gevaarlijk; woestheid is een zeer ongeschikt middel om tot meerdere vrijheid te komen, en in ’t bijzonder ongeraden voor u, tegenover mij."

Floris beet zich op de lippen, kleurde sterk, maar hervatte toch op een toon, waaruit eerder dreiging dan drift sprak:

»Ik verzeker u, mijnheer, als er geene verandering komt, zal ik! tot opstand komen, tot verzet!"

»Dat geloof ik niet, Floris, gij zult voorzichtiger zijn!" hernam de la Rivière zeer koel.

»Wat zoudt gij doen als ik… die… voorzichtigheid miste?" vroeg Floris, half onrustig, half uittartend.

»Wilt gij ’t weten nu reeds?" vroeg de la Rivière met eene stembuiging, die niet is te omschrijven; maar waarin het snijdende meer dan het liefelijke vooruit kwam, op zulke wijze, dat de gloed der driften op ’t gelaat van Floris tot doodsbleekheid bestierf, en hij alleen een dof: »liever niet!" hooren deed, waarop de la Rivière vervolgde:

»'t Is ook onnoodig, het geval zal zich niet voordoen, alleen mag ik u niet onbewust laten van dit eene, dat ik in zulk geval handelen zou, niet dreigen, en dat ik ge ene halve maatregelen zou nemen, maar AFDOENDE…" Dat laatste sprak de Fransche edelman bijna fluisterend, alsof zijne stem hem begaf; maar luid en krachtig, en als met eene opwelling van lang weerhouden gevoel, waaraan hij moest toegeven, voegde hij er bij: »Floris! Floris! verhard u niet tegen mij;… want ik zou doen wat ik moest, en gij zoudt al te ongelukkig zijn!" Maar het was of Floris reeds verhard was en dien toon van teederheid niet meer wist te verstaan, want hij riep wild en dreigend:

»Mijnheer de la Rivière, als ik tot wanhoop gebracht worde, sta ik niet voor mij zelven in!"

»Dat is ook niet noodig, als het zoo ver komt sta IK in voor u!" De la Rivière wist het beter dan iemand dat hij hier een macht. woord sprak, dreigend van klank, maar zinledig van beteekenis. Geen mensch kan voor zich zelven instaan, veel min voor een ander mensch, zij die andere ook een onmondige, op wien men zich iedere soort van heerschappij is bewust; maar het was, een hachelijk oogenblik, een uiterst geval, waarin het de vraag werd zijn overwicht voor altijd te verliezen, of ruw door te tasten, en in zulk een oogenblik was het van betere hulp de verbeelding te treffen, door een aangrijpend machtwoord, dan het verstand te voldoen door eene onomstootbare sluitrede. En er was iets ontzettends in de stoutheid van die uitspraak, waardoor die man zoowel zijne eigen voor niets terugwijkend meesterschap, als de volkomene afhankelijkheid van den overheerde, als met één trek kenmerkte, en dat ontzettende werd verhoogd door iets, dat voor het eerst den jonkman trof: die blik uit zijne fonkelende zwarte oogen, die blik waarvoor wij den Burgemeester te midden zijner ruwe drift hebben zien terugdeinzen, en wiens uitwerking op den jongen Graaf geene zwakkere was; want terwijl hij te voren de heftigheid zijner woorden met een driftig heen en weer treden, en met levendige gebaren van spijt en toorn had begeleid, bleef hij nu een oogenblik roerloos staan, als in aarzeling of hij zou wegvlieden, dan wel nader treden, en koos daarop zijne partij tot het laatste, terwijl hij in hevige ontroering uitriep: »Maar… het IS immers nog zóó ver niet gekomen tusschen ons, ik… ik…"

»Gij wilt den strijd tegen mij niet langer volhouden, niet waar?"

»O, mijn God! neen! ik heb alles vooruit geweten!" riep de jonkman, nu in tranen uitbarstende, waardoor verkropte spijt zoowel als droefheid zich lucht gaf, en vlood toen naar den uitersten hoek van het vertrek, waar hij zich op een stoel liet neerzinken, als afgemat door den heftigen kamp, als vermoeid van zijne nederlaag!

De la Rivière liet hem eenige oogenblikken aan zich zelven over. »Floris!" riep hij eindelijk op een toon van gezag met goedheid doormengd, »kom bij mij!" En toen de jonkman gehoorzaamd had, hervatte hij zacht bemoedigend: »Wij spreken immers slechts van onderstellingen… en opdat ze het blijven, vergeet het nooit dat IK geen verdrag kan maken met rebellie, en weet het ook: zij, die klagen dat ze tot wanhoop gebracht zijn, hebben doorgaans zich zelven in een wanhopigen toestand geplaatst. Gij zijt een van dezulken op dit oogenblik. Gij hebt uw harte van mij afgekeerd, gij ontzegt me vertrouwen, gij verklaart me dat ik geen recht heb op uwe openhartigheid… Zonder dat alles kan ik niet uw leidsman zijn als voorheen, in alle liefde en lankmoedigheid; toch moet mijne hand de uwe vasthouden, en we moeten samen voort langs een weg, die niet effen is… Hoe kan dat dan anders zijn dan op eene wijze, die u pijnt en kwetst, al is \’t ook dat het mij deert? Daar is geene derde manier; de keuze staat nòg bij u!"

»Ik zou willen, maar… ik kan niet meer," sprak Floris, terwijl hem de tranen van de wimpers gleden.

»Waarom niet, daar kan toch niets onherstelbaars liggen tusschen ons," hervatte de la Rivière in klimmende onrust. »Ik weet het, liefde laat zich niet afdwingen en vertrouwen niet gebieden, maar toch… gij zijt aangevangen met mij beide te schenken, waarom is u dat nu ondoenlijk geworden? wil het toch uitspreken."

Maar Floris schudde smartelijk het hoofd. »Ik weet al te goed wat daaruit volgen zal."

»Niets, dan hetgeen u ten goede zal komen, geloof mij toch, Floris, wat vreest gij? waarin heeft mijne liefde gefailleerd, dat gij mij wantrouwt? heb ik in lankmoedigheid te kort geschoten, heb ik u een enkel hard verwijt gedaan over het gebeurde van gisteren."

»Neen, dat hebt gij niet, en dat is goed ook, want…"

»Gij zoudt geene lijdzaamheid hebben gehad. Pauvre cher enfant, ik begreep dat! het was zeer verklaarbaar, en… verschoonlijk, ik althans heb dat zoo opgevat, en gezorgd dat niet anderen… die… anders zagen, u kwetsten in onverstandige gekrenktheid."

Floris hief het hoofd naar hem op en glimlachte even. »Ik dacht wel dat die schikking… van u was…"

»Ik moest dit niet hebben gezegd, maar ik wil dat gij er uit zien zult, hoe ik uwe behoeften tracht te gevoelen en te voorkomen; opdat ge welovertuigd zoudt zijn, dat ik ook het drukkende van uw toestand begrijp, en er het mijne toe doen wil, om dat te verlichten?"

»Verlichting door u!" riep nu de jonge man met smartelijke bitterheid. »O mijnheer! spreek zoo niet, als ik zelfs niet de achting zal verliezen, die ik nog voor u voele… GIJ moest niet spotten; GIJ moest niet onwaar zijn. Verlichting, ja! ik heb ze gehoopt van u! Wat heb ik al niet gewacht en geloofd van u, en toch wat is er door u gedaan om mij van dat juk te ontheffen; gij die mijne behoeften kunt raden en die weten moet hoe het mij drukt. Wat hebt gij mij aangebracht — verandering in den vormwijziging naar mijn leeftijd die anderen mogelijk verzachting zouden noemen; maar die mij hard valt, omdat ik beter had gewacht van uw kant, en omdat ik U ZELF, U ALLEEN als mijn wezenlijken verdrukker heb onderkend!"

»Sinds wanneer die ontdekking?" vroeg de la Rivière levendig. »Het is geen nieuwe, mijnheer! ik ben er toe gekomen langs den weg der teleurstelling…"

»Is het mijne schuld, dat gij u hersenschimmen hebt gevormd, die ik niet heb kunnen, niet heb mogen verwezenlijken?"

»Mijn geloof aan uwe beloften van vriendschap, van bescherming, hersenschimmen! O mijnheer de la Rivière!" riep Floris smartelijk.

»Neen, daaraan kunt gij vasthouden, wees er zeker van, dat ze echt en waar zijn, zoowel als onherroepelijk. Ik meen ze te volbrengen, zelfs al zoudt gij er niet meer op achten; maar de verwachtingen, die gij er op gebouwd hebt, zijn hersenschimmen, die in uw hoofd zijn opgerezen, maar die ik mij niet bewust ben u te hebben voorgespiegeld. Ik heb nimmer beloofd mij met u te stellen tegen hem, dien het uw Heer vader behaagd heeft over u te zetten en gezag te geven boven mij in dit huis! Ik heb u nimmer gerechtigd tot de verwachting, dat ik de orde van zaken hier eenmaal ingezet, zoude omkeeren… Ik heb, zooveel ik weet, nimmer iets gezegd of gedaan, waaruit gij vrijheid hebt kunnen nemen om in mij den man te zien, die met zijn eed kon spelen, en een gegeven woord van geene waarde zou achten!"

»Het spreekt ook wel vanzelf, dat het woord, gegeven aan den regeerenden Graaf van Culemborg, bij u meer gelden moest, dan alle betuigingen en verzekeringen door U gedaan aan zijne lijdende en vervolgde gemalin en aan zijn minderjarigen zoon!"

»Van welke verzekeringen en betuigingen spreekt gij?" vroeg de la Rivière rustig.

»Van welke anders dan van die eener trouwe en genegenheid, die men onveranderlijk zou geacht hebben, en die de hoop dier vrouwe op u moest vestigen, dat gij haar zoon, dien zij in uwe hand had gegeven, tot een beschermer zoudt zijn, tot een waren vader en haar zelve tot een vriend en voorstander!"

»Ben ik dat dan niet voor u geweest, Floris?" vroeg de Fransche edelman met zachtmoedigheid.

»Neen, neen!" riep de jonge Graaf luid en krachtig, of hij een volkomen recht had tot die beschuldiging, »gij zijt een stiefvader geworden, die heult met mijne tyrannen en met hare vijanden."

Er ontsnapte aan den Gouverneur een: malheureux enfant! dat bewees hoe de aantijging uit dien mond hem pijnlijk trof, maar hij bedwong zich ook nu, en vroeg ernstig maar zonder toorn:

»Zegt gij deze dingen uit u zelven, Floris, of… hebben anderen u dat alles ingegeven?"

Floris kleurde sterk, weifelde een oogenblik en hervatte toen: »iemand heeft mij opgedragen u zoo iets te zeggen… integendeel…" hij zweeg een oogenblik, als uit verlegenheid hoe dien volzin te eindigen. De Gouverneur sloeg hem intusschen stilzwijgend en droevig gade. »Ik rade en doorzie uit mij zelven vele dingen, die men niet meent!" eindigde op eens Floris met levendigheid.

»Uwe oogen zijn nog niet genoeg gescherpt op helderzien, mijn kind! zoomin als… en ik dank er God voor! uw gemoed nog afgericht is op kunstig bedrog! Als ge waarlijk een goed oog hadt kunnen slaan op mijne handelwijze, zoudt ge niet zóó ondankbaar zijn."

»Ondankbaar… mijnheer!" herhaalde Floris met neergeslagen oogen.

»Ja ondankbaar! en gij weet het zelf wel, of, indien gij werkelijk zoo kwade gedachte hadt van mij als ge daar hebt geuit, was het dan niet wat heel onvoorzichtig… mij zulke… hardheden te zeggen?" vroeg de Gouverneur met zulk eene uitdrukking van goedheid in de stem en in den blik, dat de jonkman, die het onmogelijke scheen te doen om er zich tegen te verharden, zijns ondanks daarvan de werking onderging, en met eene zachte bewogene stem antwoordde:

»Ik geloof wel aan uwe goedheid… ik had ook veel liever gezwegen… maar gij hebt het zelf gewild…"

»Dat gij uitspreken zoudt wat er in u omging, juist dat was mij noodig. Nu kan ik u alle twijfeling ontnemen, die opnieuw tot zulk misverstand zou kunnen voeren; maar allereerst moet ik u zeggen, dat gij geen gelukkig tijdstip kiest om mij zulke verwijtingen te doen."

»Ik zou er uit mij zelven nooit toe gekomen zijn… ik had wel groote vreeze u te krenken… als ik… eens tot spreken werd uitgelokt," hernam Floris nu met gevoel, en als verschrikt en versaagd bij het terugzien op zijne eigene vermetelheid.

»Neen, het is zóó beter. Ik heb u altijd aangespoord om met u zelven te rekenen. Zoo moest het oogenblik komen, waarop gij ook rekenschap vragen zoudt aan mij. Het komt vroeger dan ik had gewacht, maar ik heb er mij altijd op voorbereid gehouden. Ik heb nimmer met u den weg genomen, dien men gewoonlijk gaat. Toen gij mij werdt aanvertrouwd, waart gij niet meer op den leeftijd, waarop men een jonkman leidt met geblinddoekte oogen. Ik heb mij bevlijtigd de uwe te openen en bekwaam te maken om alle licht te ontvangen, het licht der waarheid als het licht der kennis. Toch is er wat ik heb getracht u te verbergen, en uwe verwijten, uwe bitterheid tegen mij, bewijzen dat ik daarin zoo goed geslaagd ben als… ik moest. Ik heb niets voor u gedaan, zegt gij, in betrekking tot hetgene u drukt! Kon ik u dan aanbrengen, wat ik van u heb afgeweerd, waar ik mij al heb tegengesteld; hoe ik voor u geworsteld heb en gestreden, wat ik voor u geleden heb en gedragen? Moest ik dan met u komen juichen in mijn triomf, tot schending van den onderlingen vrede, die toch al zoo moeizaam bewaard blijft, tot schade van den eerbied, dien gij altijd schuldig zijt aan de mannen die u hier om geven, naar den wil van uw vader. Moest ik u mijne nederlage klagen, wat oordeelt gij?"

»Neen, mijnheer, neen, dat kon niet zijn!" antwoordde Floris zichtbaar bewogen.

»Want ik heb ze geleden," hervatte de la Rivière, »meerdere en meer smartelijke dan ik u kan mededeelen; moest gij het dan weten, dat onder allen, die hier belast en vermoeid zijn, geen zoozeer gedrukt en gedreven wordt als juist ik; dat ik hier , de lijder ben en de martelaar, op wie allerlei instrumenten van foltering worden toegepast; dan eens waar ik mijne fierheid als welgeboren man, mijn trots als edelman in het stof moest buigen, nu weer waar ik mij als voelend, als denkend mensch, als verlicht Christen moest regelen en schikken naar allerlei grofheid, bekrompenheid en vooroordeel, waarmee geen vergelijk is te treffen; tot zelfs waar ik als dichter en wijsgeer heb te kampen met armzaligen letterdienst en schoolmeesters-geleerdheid, zonder kunstzin en leven!" eindigde hij met meer heftigheid, dan men van zijne machtige zelfbeheersching zou verwacht hebben, meegesleept door het opgewekt gevoel zijner pijnlijke worstelingen; maar hij scheen dit terstond in te zien, en hervatte met minder levendigheid, doch met hoogeren ernst, »ook moet ik de krachten tot dit dagelijksch martelaarschap zoeken in ’t aanhoudend gebed, en menige nacht in pijnlijken zelfstrijd doorgewaakt, zou u kunnen bewijzen, dat, zoo ik niet alles voor u heb gedaan, wat gij hebt gewacht, ik ten minste veel heb gestreden, alleen maar om de kracht te behouden aan uwe zijde te blijven en dat kruis met u te dragen, dat ik niet heb kunnen afnemen, al heb ik voorzien dat het de teere, jeugdige schouders te zwaar zou vallen!"

»Ik wil het dragen, ik zal het dragen om uwentwil! Ja, ik voel het, gij zijt mijn beste, mijn eenige vriend!" riep Floris, die met klimmende deelneming had geluisterd, en nu overweldigd door zijn gevoel in tranen uitbarstte, zich aan de la Rivière\’s voeten wilde werpen, maar in zijne armen werd opgevangen. »Allereerst vergeef mij mijn schreeuwend onrecht, mijne bitse uitvallen, mijne onbillijke verwijten, mijn boos opzet om u tegen te staan! alles, alles, waardoor ik u gegriefd of vertoornd mag hebben, mijn gebrek aan vertrouwen allermeest, ik heb er innig berouw van, en geene bestraffing zou pijnlijker op mij kunnen inwerken, dan de beschaming, die ik nu gevoel over mijn schrikkelijk ongelijk, mijne ondankbaarheid jegens u; het is onverschoonlijk, en toch zou het misschien verschooning vinden bij u, zoo gij alles wist…"

»Zeg mij dan alles!" sprak de la Rivière zacht, hem nog vaster aan zich sluitende, als vreesde hij hem weer te verliezen.

»Ja, ik wil het, niets zal mij nu weerhouden, maar neem geduld, want ik heb niet zoo haast uitgezegd."

»Zit daar neer, cher enfant!" zeide de la Rivière, minzaam hem naar zijne plaats wijzende.

»Neen, laat me zoo aan uwe zijde staan, gij moogt in mijne oogen lezen, en gij zult zien dat ik nu waar en eerlijk ben, ik was het helaas! zooeven niet; mijne moeder predikt mij omzichtigheid en…"

»Als het de Gravin is, zooals ik begin te vermoeden, Floris! dan is het misschien beter dat gij niet verder gaat," viel de la Rivière in met een diepen zucht.

»Neen, laat me uitspreken; zij moest mij niet opleggen, wat ze weten kon dat me te zwaar zou vallen."

»Zij heeft u opgelegd deze houding tegen mij aan te nemen?" vroeg de la Rivière in de smartelijkste verwondering.

»Neen, dat niet," hervatte Floris schielijk, en alsof hij haast had eene kwade gedachte tegen zijne moeder weg te nemen, »wil niet denken dat zij mij tegen u opzet, integendeel, zij vermaant mij altijd u geloof te geven en te doen wat gij zegt… maar toch,… sommige woorden… zekere wenken en uitdrukkingen in hare brieven… gij verstaat ongelukkig de Duitsche tale niet daarin ze mij schrijft, mijnheer de la Rivière."

»Ongelukkig niet! dat is waar," herhaalde deze met een zucht.

»Met één woord, zij heeft hare groote grieven tegen u."

»Ik begrijp mij dat, ik heb haar teleurgesteld in verwachtingen… die zij zeer ten onrechte op mij heeft gebouwd… ik moet haar gekrenkt hebben zeer tegen mijn wil en wensch, ik wil haar volgaarne dienen in alles waar ik kan en mag, ik ben haar dankbaarheid schuldig…"

»Dat zegt zij ook! en… zij zegt er bij dat gij het haar niet vergeldt," eindigde Floris met eene schuchtere, fluisterende stem, De la Rivière haalde de schouders op, »ik kan die beschuldiging niet van mij afweren, dan alleen door te verzekeren, dat ik mij bewust ben hare belangen voor te staan en te verdedigen, in alles waar ze niet strijden met de belangen en de bevelen van den Graaf van Culemborg, haar Heer en Gemaal, aan wien ik eed heb gedaan!"

»Ziet ge wel, dan heeft ze toch geen ongelijk met te beweren, dat gij niet genoeg hare zijde houdt."

»Eer het aan die zijde genoeg werd geacht, zou het zeer haast te veel kunnen worden, Floris! maar ik begrijp zeer goed dat al zulke insinuatiën indruk moesten maken op u, en te meer daar ik u, in den beginne vooral, meer de kracht dan de mildheid mijner liefde heb moeten toonen…"

»Toch vergiste ik mij daarin niet! dat mag ik u verzekeren, mijn welbeminde vriend! dat ik ben aangevangen met geloof aan u, met een onbegrensd vertrouwen, maar…" hij aarzelde opnieuw.

»Eh bien! du courage mon cher," sprak de Gouverneur bemoedigend, »gij hebt immers mijn woord dat ik u in dezen niets ten kwade zal duiden."

»Welnu mijnheer, gij zult mij toestemmen, dat ik al te veel belang had bij de bewijzen voor mijn geloof in u, om… er op te kunnen teren zonder uitkomsten te zien."

»Dat stem ik u toe, en ook, dat uw geloof op zeer zware proeve is gesteld. Hetgeen ik van u afweerde, moest u verborgen blijven; wat ik u niet kon sparen, kwam u toe als uit mijne hand."

»En daar ik altijd heb vermoed, wat gij mij nu hebt vertrouwd, dat gij niet eenswillend zijt met hen, die mij verdrukken, dat gij niet als zij gelooft aan de noodzakelijkheid van de genomene maatregelen, noch die goedkeurt…"

»Gij holt voort op het stokpaardje uwer veronderstellingen, dat alles heb ik niet gezegd."

»Moest ik als vanzelf op de gedachte komen, dat gij wreeder en harder waart dan zij, en — verschoon mij, minder oprecht!" ging Floris voort, zonder op de tegenspraak te achten, »en zóó van u denken… gij begrijpt hoe mij dat hard moest vallen, hoe mij dat tot bitterheid moest verwekken, te harder, daar ik wel zeker wist dat het aan u stond alles eene andere wending te gegeven…"

»Op mijn woord als edelman, Floris, dat staat niet aan mij! Ik moet zoowel als gij zelf mij onderschikken aan veel, wat mij tegen is."

»Waarom toch? Hoe kan de Burgemeester u in den weg zijn? Hij schreeuwt luid, dat is waar, maar als hij ziet dat men zich niet aan hem stoort…"

»Maar ik ben juist van gevoelen dat men zich wèl aan hem storen moet, Floris, gij, ik, en iedereen; daarbij gij bedriegt u in mijnheer Alartsz, dien… gij beoordeelt naar oogenblikken van zwakheid voor u; hij is een onverzettelijk man, die geen stap terugtreedt, waar hij meent in zijn plicht te zijn, zoomin als ik, en een man van uitersten daarenboven…"

»Dat weet ik maar al te goed!" viel Floris in met eene mengeling van ernst en schalkheid, »maar toch ook… zeg me niet dat gij hier geen meester zoudt kunnen zijn als gij het wildet…"

»Ik mag hier niet alles wat ik zou kunnen… Floris! geloof mij daarin… en ook dat het geen lichten strijd kost zich zelven datgene te verbieden, waar het zwakke hart wel gedurig toe neigt, en de prikkel van den hoogmoed niet zelden toe maant. O! daar zijn vele verlokkingen in een toestand als de mijne, en ik durf niet roemen dat ik ze allen te allen tijde heb overwonnen; maar toch, dit mag ik van mij zelven getuigen, dat ik nimmer uit willekeur, noch uit zwakheid voor u van mijn overwicht heb gebruik gemaakt, en alleen dan tusschenbeiden ben getreden, als ik vreezen moest dat hetgeen men voorhad van schadelijke werking kon zijn op uw jong gemoed; voor het overige, ja ik erken het, heb ik mij onthouden en in stilte geleden, al kon men het mij niet aanzien, zoo ik hope." In dezen oogenblik althans was die hoop ijdel; eene zoo sprekende uitdrukking van lijden teekende zich op het fier, maar vermagerd en verbleekt gelaat van den Franschen edelman, dat de jonge Graaf van eerbied en ontroering getroffen, zijne hand nam en die kuste en eerst na eenig zwijgen kon antwoorden:

»Dat is het juist, mijnheer, wat tot mijne verbijstering heeft medegewerkt, wat tot mijne verschooning moge strekken; dat men het u niet kan aanzien, wat er in u omgaat, als gij het niet wilt… want ik die er toch zoo groot belang bij heb u te kennen, die altijd gemeend heb in uwe trekken te kunnen lezen, ik heb u altijd rustig, welgemoed, opgewekt gezien onder allen… Dezen morgen zag ik u afgetrokken en bekommerd, ik wist maar al te goed waarom; doch waar ik u overigens met die heeren zag omgaan in de beste verstandhouding, hoffelijk, welgezind, al was het niet gemeenzaam… waar ik wist dat gij allen hoogachting afdwingt, waar bij strijd uw gevoelen altijd zegeviert, en ieder zich op uwe uitspraak beroept, waar gij het zijt op wien ze allen het oog gericht houden, al is ’t ook dat de Burgemeester den naam heeft hier meester te zijn: is het dan vreemd, dat in mij de gedachte moest opkomen, dat, hoewel deze ondragelijke beperking mijner vrijheid niet door u is ingesteld, gij er toch de principale voorstander en handhouder van waart? "

»Die onderstelling is geene valsche, de voorstander van die maatregelen ben ik niet; maar ik moet de hand houden aan de uitvoering daarvan, omdat de Graaf van Culemborg ze heeft voorgeschreven!"

»Ziedaar, juist wat de Gravin zegt niet noodig te zijn…"

»De Gravin ziet de zaken op hare wijze, die… niet de mijne is…"

»Mag ik u eens eene enkele vraag doen, mijnheer!" viel Floris in met levendigheid.

»Welke?"

»Gelooft gij in vollen ernst aan de noodzakelijkheid van die maatregelen?"

»Het is hier niet de vraag van ’t gene ik geloof of niet geloof, maar van ’t geen ik doen moet. "

»Mijnheer de la Rivière! dat is een antwoord, waarmede ik mij zou moeten tevreden houden als een gewone gouverneur het mij gaf, maar gij hebt beloofd wat anders voor mij te zijn… ik ben nu weer op den weg van liefde, van vertrouwen, bijgevolg…"

»Heb gij aanspraak op het mijne, bedoelt gij?"

»Heb ik althans recht op een ander antwoord… van mijn… vaderlijken vriend… heb ik dat noodig… om te kunnen berusten," eindigde hij met zwaarmoedigheid.

»Uwe berusting mag met afhankelijk zijn van mijn antwoord, mon ami, dat weet gij zelf wel! daarom durf ik u zeggen, dat ik de mesures, die er genomen zijn, te omslachtig vind, althans bij letterlijke executie en al te rigoureuse toepassing… maar ik zou niet durven beweren dat ze nutteloos zijn, en bovenal kan ik mij zelfs uit de onvolkomene bekendheid, die ik heb van het verledene, zeer wel begrijpen, dat de Graaf van Culemborg ze genomen heeft, en verlangt dat ze gehandhaafd blijven."

»Gij ook, gij acht dan mijne Vrouw moeder tot die booze praktijken bekwaam, waartegen men zich zoo wapent," riep Floris met droefheid, »gij ook gelooft dat zij mij van de Academie zou oplichten?"

»Neen Floris, dat geloof ik niet. Ik houde de Gravin voor eene verstandige vrouw, die niet roekeloos haar eigen werk zal tenietdoen. Als ik dat dacht zou ik mij dan zóó uitdrukken tegen u? maar zijt gij zeker dat de Gravin van Culemborg tegenwoordig alleen meesteresse is harer daden? Zij wordt omringd, en in sommige opzichten bestuurd, misschien zelfs wel gedwongen, door personen, die haar omgeven…"

»Gij meent toch zeker hare verwanten?" vroeg Floris, een onrustigen en onderzoekenden blik op den Gouverneur richtende, waarvan deze maar al te goed de beteeken is begreep, en hij had het aplomb om met een onverwogen gelaat te antwoorden:

»Wie anders zou ik kunnen meenen?"