Bosboom-Toussaint/Een Leidsch student in 1593/Hoofdstuk VI deel 2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een Leidsch student in 1593
Hoofdstuk I · Hoofdstuk II · Hoofdstuk III · Hoofdstuk IV · Hoofdstuk V · Hoofdstuk VI deel 1 · Hoofdstuk VI deel 2 · Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII · Hoofdstuk IX · Hoofdstuk X · Hoofdstuk XI · Hoofdstuk XII deel 1 · Hoofdstuk XII deel 2 · Besluit


EEN LEIDSCH STUDENT[bewerken]

________________________________________

VI. DEEL 2[bewerken]

De jonkman haalde diep adem. »Ja, mijn ooms en neven van Gerolstein zijn ondernemend, wraakgierig en hebzuchtig, ik heb het mijn vader menigmaal hooren zeggen!" sprak hij verdrietelijk, »maar dat ze tot aanslagen op mijn persoon zouden overgaan, hier, op het grondgebied van Holland, en terwijl ik onder de sauvegarde van Hunne Hoogmogenden sta, betwijfel ik toch…"

»Hoe twijfelachtig ook en hoe onwaarschijnlyk zelfs cher comte, onmogelijk is het niet, en bijgevolg behoort men tegen zulke mogelijkheid gewapend te blijven! ware het dan ook alleen maar ter geruststelling van uw Heer vader, die bejaard, lijdende, diep gebogen, van smart en onrust zoude wegteren, zoo hij niet de zekerheid had dat zijne voorschriften werden nageleefd! Is dat voor u geene reden, om met gelatenheid te dragen wat ze voor u hards en drukkends hebben mogen… vooral met het oog op het verledene, Floris!"

»ja, mijnheer, dat is het wel, ik weet het… maar toch komt het mij voor, dat er veel anders kon zijn zonder mijn Heer vader te desobedieeren en te ontrusten, of de gevaren te trotseeren, die gij… mogelijk acht."

»Ja, er kon veel anders zijn, en voor hem, voor allen zou het beter wezen," hernam de la Rivière als bij zich zelve, maar plotseling zweeg hij, als verviel hij in eigen nadenken, of wel uit behoedzaamheid om eene invallende gedachte niet al te gulgauw prijs te geven.

»Mijnheer de la Rivière!" riep op eens Floris met levendigheid, en met iets als verwijt, »gij, gij. hadt nooit dien eed moeten doen!"

»Er zijn oogenblikken cher comte, waarin ik dit mij zelven zeg, maar dan… had ik ook niet uw Gouverneur kunnen zijn!"

»Toch wel, mijnheer! en zonder zulke concessie te doen, zooals de Gravin zegt, die dat zeer betreurt… Zij beweert dat Hunne Hoogmogenden en de Stadhouder u wel in uw ambt zouden gemainteneerd hebben op eene simpele belofte van trouw, die u niet alzoo de handen bond… en waardoor de Gecommitteerde van den Graaf niet boven u werd gesteld…"

»Het is zeer mogelijk dat de Gravin gelijk heeft," hernam de la Rivière droogjes, »maar… ik voor mij verkoos niet op zulke wijze gemainteneerd te worden, en ik dacht op de rechten van UW VADER, monsieur la Comte, die wel wat al te veel overzien worden; deze behoorde alle mogelijke waarborgen te hebben voor mijne trouw, die hij kon verlangen… en wat dunkt u, Floris, gij die een fijn gevoel hebt voor recht en onrecht, zou de man, die in bovengezegde conditiën aan uwe zijde gebleven was, wel een volkomen recht hebben op uwe achting, een volkomen recht ook op uwe gehoorzaamheid?"

»Neen, mijnheer! dat is waar," sprak Floris overtuigd, »maar dan volgt daar ook uit…" ging hij voort op een neerslachtigen toon.

»Laat ons liever niet uitspreken wat daaruit volgt, gij hebt mij verstaan, dat is genoeg."

»De Gravin is intusschen zeer misnoegd, nu zij ervaart hoe het u ernst is geweest met dien eed! Zij had gewacht dat het alleen was voor de forme…"

»Niets meer daarvan!" viel de la Rivière in, met eene verontwaardiging, die hij niet machtig was te verbergen, »en… staan al deze… onderrichtingen in de brieven, die mijnheer Zwaerdecroon leest:" vroeg hij, zich hervattende, op een koelen toon.

»Och! mijnheer Zwaerdecroon," antwoordde Floris glimlachend, »die vindt niets zijne aandacht waard dan Grieksch en Latijn; ik geloof daarbij dat het Duitsch van de Gravin hem te geleerd is, want hij ziet mij altijd aan of hij niet heeft begrepen, en als hij maar in ’t postscriptum gelezen heeft: »Groet meester Bernardus," dan is hij ruim voldaan, de goelijke bescheidene man! Die brieven, welke de Gravin mij aanbeveelt te verbranden, laat ik hem nog inzien… daarmee is er aan de voorgeschrevene verplichting voldaan!"

»En die man zou zich met Floris willen afsluiten tusschen zijne folianten, om hem het hart rein te houden!" dacht de la Rivière met ergernis, dan hij zeide alleen: »Ik waardeer de openheid, waarmede gij mij dit alles belijdt… maar gij begrijpt toch wel, Floris, dat het op dezen voet niet kan blijven voortgaan."

»Ja, mijnheer, dat voorzag ik," hernam de jonge Graaf, en daarom… heb ik geaarzeld… maar bij dubbelheid voelde ik toch geene rust. Een openlijke strijd tegen u, of volkomene overgave aan uwe leiding, ik ook begrijp mij geen middelweg… nu gij mij ander inzicht hebt gegeven op u zelven, op uwe handelwijze, nu eerbiedig ik uwe nauwgezetheid te meer, en ik heb het laatste gekozen…"

»En gij zult geen berouw hebben van uwe keuze, cher enfant," sprak de la Rivière levendig. »Het jammert mij alleen dat gij u zóó voor mij hebt kunnen verbergen, want nu ik de bron ken, waaruit al die beroering van uw harte, al dat verzet en die afkeerigheid tegen mij is voortgekomen, begrijp ik mij niet, hoe gij mij dus lang een goed gelaat hebt getoond. Het laatste schrijven van de Gravin is… zoo ik mij niet bedriege toch wel eene maand oud?"

»Maar het zijn juist niet hare brieven alleen, die deze werking hebben gedaan; integendeel, ik geloofde zoo vast aan uwe goedheid, aan uwe gehechtheid aan haar en aan mij;… aan het alles overheerschend vermogen van uw geest, dat ik hare bekommeringen ijdel waande en mij zelven tot geduld maande… waar ik mij teleurgesteld zag, totdat ik ondervond hoe gij… de nauwgezetheid tot hardheid kondt opvoeren… tot willekeur zelfs… verschoon de uitdrukking… ik moet zeggen wat ik dacht."

»Dat is ook goed, maar ik begrijp mij niet welke ondervinding dat zijn kan, ik herinner mij niet in den laatsten tijd verplicht geweest te zijn u iets te moeten weigeren, dat van mij afhing."

»Gij herinnert u toch wel dat neef Matenesse in de voorgaande week hier is geweest met een verzoek van de Gravin aan u?"

De la Rivière maakte eene beweging van smartelijke verrassing. »Gij hebt dan kennis gehad van zijne boodschap! Wie heeft de onvoorzichtigheid gehad u daarvan te spreken, toch niet mijnheer Matenesse zelf?" vroeg hij hoofdschuddend.

»Neen, mijn neef is heengegaan, zooals hij gekomen is, zonder mij te zien, daar gij dit verlangd hadt. Ik weet het door den Burgemeester!"

»Ik moet u gelooven, Floris! maar het is mij onbegrijpelijk hoe mijnheer Alartsz er toe heeft kunnen komen u mede te deelen, wat hij zoo goed als ik zelf begrepen heeft dat u moest verzwegen worden!"

»Och! ik geloof niet dat hij er het opzet toe had om mij dat te zeggen, maar het is hem in drift ontvallen! In een van die woordenwisselingen, zooals er tusschen hem en mij wel meer plaats hebben… Het was voorgisteren, wij hadden moeielijkheden over den tocht naar Valkenburg; ik, die mij sterk voelde, door de zekerheid die ik had van uwe bewilliging, werd wat ongeduldig over al die zwarigheden, die hij opwierp, over al den omslag, dien hij noodig keurde, en viel wat scherp en wat heftig uit over al ’t verdriet en den last, dien hij mij gestadig aandeed… en… zooals ge begrijpen zult, bij wijze van tegenstelling roemde ik uwe toegefelijkheid, uw kennelijke zucht om mij het leven hier niet zwaarder te maken dan het noodwendig moest zijn! »Ja! prijs vrij uw Gouverneur ," viel hij toen uit, »als gij wist hoe die met u handelt, dan zoudt ge wel anders spreken." Ik eischte natuurlijk eene verklaring van die onbestemde aantijging, mijnheer, en ik vernam toen het overige!"

»Onderneem dan de vorming van een jonk mensch! in gemeenschap met zulk een onhandige," dacht de la Rivière bij zich zelven met verdriet en ergernis, »opdat al wat men met de uiterste behoedzaamheid en met inspanning van alle krachten heeft opgebouwd, door een enkelen greep van de ruwe hand worde omvergeworpen," maar hij zelf wist zich genoeg te beheerschen om zijne spijt en verontwaardiging door geen woord lucht te geven, en hij zeide alleen: »Dan is het niet vreemd dat gij zulk wantrouwen tegen mij hebt opgevat."

»Dat griefde mij het meest dat gij, GIJ mij hebt kunnen verheimelijken, wat ik toch recht had te weten: dat mijne moeder… in de nabuurschap was!"

»Ik moest het u verheimelijken, cher enfant, om u verdriet en nutteloozen strijd te besparen, want ik kon niet voldoen aan het verlangen der Gravin, ik kon u niet met mijnheer van Matenesse naar Utrecht laten gaan…"

»Mij niet voor een of twee dagen naar Utrecht laten gaan, om mijne moeder weer te zien! en terwijl gij mij zelf hadt kunnen vergezellen, en daar de Burgemeester zich door Matenesse had laten bewegen om in die reis toe te stemmen."

»De Burgemeester kon veilig de houding aannemen van toe te stemmen, tegenover mijnheer Matenesse, die vermoedelijk een hoogen toon zal gevoerd hebben, en wichtige namen vooropgezet om hem te intimideeren; hij wist dat het plan op mijn wil zou afstuiten, en zoo hij daarop niet had gerekend, dan zou hij geweigerd hebben als ik; hij is een eerlijk man, slaaf van zijn plicht, en hij zou niet verantwoord zijn geweest als hij dit toegeslaan had; want al is in zulk een geval niet bij letterlijk voorschrift voorzien, toch wist hij dat niets meer strijdig kon zijn met de intentiën van den Graaf van Culemborg, dan dat zijn zoon zich zou begeven, onder welk geleide dan ook, op het grondgebied eener provincie, waarmede hij in openbaren strijd is, zulke machtige en ondernemende vijanden heeft, en waar de sauvegarde van Hunne Hoogmogenden zeer wel van kleine deugd had kunnen zijn!"

»En allermeest omdat het hier betrof eene samenkomst met de moeder! Is het zoo niet?" vroeg Floris met smartelijke bitterheid.

De Gouverneur zag hem een tijdlang in de oogen met weemoedigen ernst, tot eenig antwoord; een antwoord dat Floris zeer goed verstond, want een gloed van smart en schaamte kleurde hem het voorhoofd, en hij kreeg tranen in de oogen,. terwijl hij uitriep:

»Ja! Ja! ik weet het wel, men heeft geen ongelijk, zich te stellen tusschen haar en mij, maar dat gij het met zulke strengheid drijft, dat gij erger zijt dan de Burgemeester, die haar particuliere vijand is, dat, dat hadden zij en ik toch wel niet van u kunnen wachten."

»Juist, waar het de Gravin geldt, moet ik erger zijn dan de Burgemeester, zooals gij u uitdrukt," hervatte de la Rivière met een zwaarmoedigen glimlach, »ik moet zoowel allen schijn als de daad mijden eener verstandhouding met uwe moeder, die slechts voedsel zou geven aan dat noodlottig wantrouwen van uw Heer vader, dat niet anders dan schadelijk kan inwerken op uw eigen toestand; maar al ware dat niet, Floris!" hervatte hij met fierheid en vastheid, »Ik zal nooit door eenige concessie aan de Gravin, aan haar zelve of aan iemand, het bewijs geven, dat ik immer deel heb gehad of mijne goedkeuring heb geschonken aan hetgeen Hare Genade heeft ondernomen, om mij bij haar zoon te plaatsen; ik heb haar niet onkundig gelaten van deze mijne zienswijze; waarop zij dus die verwachtingen grondt, waarmee ze u heeft aangestoken, is mij onbegrijpelijk… en zoo hier iemand is die van misrekening heeft te klagen, en die reden heeft tot ontevredenheid, dan ben ik het, die bij uwe moeder het tegendeel vinde van de medewerking, die ik recht had te wachten! De Gravin had niet eens eene poging moeten doen om u weer te zien, terwijl gij onder mijne hoede zijt… ik heb Hare Genade op dit punt mijne meening doen verstaan door mijnheer van Matenesse zelf, en om uw bestwill Floris! om u de pijnlijke aandoening te besparen, die het u geven moet zoo vaak de noodzakelijkheid van zulke scheiding u wordt herinnerd, heb ik haar aanzoek voor u verborgen gehouden. Is het hierdoor, Graaf, dat ik de aanspraak op uwe liefde, op uw vertrouwen zou verloren hebben? Ik meene van neen -- maar zoo ’t u anders dunkt — daal dan dieper af in uwe consciëntie… en gij zult mij voor ’t minst niet uwe achting weigeren!"

De houding van den jongen Graaf gedurende deze toespraak,. die in zekeren zin slechts zijdelings tegen hem was gericht, bewees maar al te goed, dat de Gouverneur gelijk had en dat hij met allerlei smartelijke aandoeningen had te kampen; bij de laatste woorden echter hief hij zich op uit zijne diepe verslagenheid, reikte de la Rivière de hand, en sprak met eene stem, waarin ontroering trilde, hoewel zij tevens van eene vastheid getuigde, als ware er in hem een kloek besluit gerijpt. »Gij hebt gelijk, mijnheer, wie hier liefde… wie hier vertrouwen verbeurd heeft, dat zijt gij,… niet. En zij hebben ongelijk, die mij het gemoed beroeren en in zulken tweestrijd brengen tegen ’t geen mij dacht te zijn — plicht — en plicht. Ik voel levendiger dan ooit — den mijnen… ’t is te waken tegen mij zelven… om nimmermeer verdenking tegen u plaatse te geven…"

»Of indien zij opkomt," viel de la Rivière in met zachtmoedigen ernst, terwijl hij teederlijk de aangebodene hand in de zijne drukte, »mij die onverwijld te belijden, opdat er niets of niemand tusschen ons blijve."

»Dat was ook terstond mijn voornemen, maar… ik liet mij afleiden door het vooruitzicht op een dag van uitspanning… eene zwakheid, niet waar?"

»Wel natuurlijk, en zeer verschoonbaar op uw leeftijd?"

»Een dag, dien ik wist u te danken…"

»En die voor u zoo belangrijk was, dat gij er al uwe groote grieven tegen mij om vergat, is het niet zoo?" vroeg de la Rivière, gemeenzaam zijn arm nemende, en hem onder het verder spreken door het vertrek heen en weer voerende, als voelde hij mede des jongelings behoefte aan eenige lichaamsbeweging, ter afleiding van zoo verschillende zielsaandoeningen.

»Neen mijnheer, als ik waar moet zijn, kan ik dat niet zeggen," hernam Floris vertrouwelijk, »integendeel…"

»Integendeel!"

»Ja, juist, toen ik mij voor eene wijle van die onverpoosde waakzaamheid ontslagen zag."

»Moest het ook had zijn, Floris?" vroeg de Gouverneur schertsenderwijs.

»Neen, geloof mij, ik heb u niet misleid, het was niet in mij opgekomen, mij er aan te onttrekken… maar ik vond er een zeker genoegen in mij te laten meeslepen door het toeval…"

»Het toeval in de gestalte van een allerliefst kind, niet waar?" merkte de Gouverneur aan met een glimlach.

Het gelaat van den jongen Graaf stond op eens in gloed; maar hij meende van machtige zelfbeheersching blijk te geven, toen hij er ook lachende op volgen liet, »en verder onder den vorm van allerlei landelijk vermaak, waarvan ik het mijne wilde hebben… zoolang en zooveel als het slechts zijn kon."

»Wie kan zoo nurksch zijn, u dat ten kwade te duiden; men laat u niet voor niet de Bucolica lezen!"

»Ik voor mij was niet zoo zeker van zulke goelijke opvatting, al trachtte ik het voor de anderen te verbloemen, en… en…"

»Daarom hieldt ge rancune tegen mij, te midden van uwe pastorale?"

»Zoo was het! zelfs de gedachte aan uwe onrust verwekte in mij toorn en verbittering, de ongedwongen vroolijkheid van die jongelieden, die zich niet eens een denkbeeld konden maken, hoe wonderlijk het mij te moede was onder het genot van die gestolen vrijheid, deed mij het drukkende mijner gewone afhankelijkheid te sterker voelen; ja, het was mij zelfs of ik den last er van nooit voor dezen dus had gekend en gesmaakt, als juist toen ik die voor eene poos had afgeworpen, met de zekerheid, dat ze mij weer zou worden opgelegd. Den last zeg ik… de beschaming moest ik zeggen, de spijt, de innerlijke ergernis! toen ik bemerkte hoe deze vreemden gansch niet onbekend waren met mijn toestand, hoe sommigen er mij om beklaagden, anderen er over spotten… sommigen zelfs hunne verwondering toonden, dat ik er mij niet over heenzette, en mij als het ware uittartten om alles te braveeren…"

»En. ,… Francijntje Lantscroon, wat zeide die er toe?"

»Zij! zij! o, mijnheer gij weet niet welk een goed, lief meiske zij is!" riep Floris hartstochtelijk.

»Ik kan mij toch wel een denkbeeld maken hoe lief en goed zij u voorkomt, mon cher !"

»Voorkomt! Meent ge dan dat zij zich anders zou voordoen, dan ze is?" vroeg de jonge Graaf, terwijl hij plotseling bleef stilstaan en zijn arm uit dien van de la Rivière wilde wegtrekken.

»Mais non cher comte! als ik dat meende, zou ik mij wel wachten u dat te zeggen… het zou het zekerste middel wezen om bij u in ongunst te geraken," gaf de la Rivière lachende ten antwoord. »Gij zoudt mij mededeelen, hoe zij uw toestand beschouwde," eindigde hij meer ernstig.

»Zij had veel medelijden met mij, maar zij misprees — mijn wantrouwen in u… Zij ontraadde mij in ’t eerst alle oponthoud, en zij keurde de gedachte aan verzet ernstig af."

De la Rivière haalde diep adem, als iemand, die zich verlicht voelt.

»Een voornemen tot verzet was dus bij u opgekomen?"

»Wat zal ik u zeggen, mijnheer, onder die innerlijke verbittering tegen u, nam ik mij ten minste voor, eenmaal moed te grijpen en alle grieven die ik had op eens uit te storten… tegen den raad der Gravin aan…"

»De Gravin had u aangeraden ze te verkroppen?" vroeg de la Rivière met schijnbare onverschilligheid.

»En u wat koelheid toonen," hernam Floris bijna fluisterend, »zij oordeelde, gij zoudt dan uit u zelf wel wat meer inschikkelijkheid voor mij hebben, en rekkelijker worden als het haar gold…"

»De Gravin schijnt mij zeer weinig te kennen, daar zij zulke middelen aanraadt…"

»Och ik zou dien raad ook nooit hebben kunnen volgen… als… alles tusschen ons geweest ware als voorheen, als het… nu weer is,… meent gij, dat de gedachte u onrust en misnoegen te geven, mij dan niet onuitstaanbaar zou zijn geweest? Meent gij dat ik het dan had kunnen uithouden onder die luidruchtige vroolijkheid? Nu was het wat anders, nu gaf ik mij in ’t eerst daaraan over, om mij te bedwelmen over mijne innerlijke wroeging, en later… later, ik moet het u gul uit bekennen, dacht ik aan… heel wat anders."

»Juist, en dat heel wat anders ontstemde u nog meer tegen den man, in wien gij al vooruit een onmeedoogenden tegenstander zaagt. Is het dat niet?"

»Ik heb het mij zelven niet bekend, maar ik vrees wel… dat gij gelijk hebt… ook zal ik u niet beschrijven met welk eene zonderlinge mengeling van schrik, verrassing en spijt ik u wederzag… in de poort bij Leiden. Gij moest mij dan toch wel wantrouwen dat ge mij dus kwaamt bespieden!"

»Neen, Floris, ik geef u mijn woord dat het geen wantrouwen was; maar ik kon het verlangen u weer te zien niet langer bedwingen… ik had behoefte de lieden te kennen, met wie gij een ganschen dag uit vrije keuze waart samengebleven, en ik had daarenboven mijne redenen om la Fontaine daar buiten te houden; het was mogelijk dat gij tegen het uitgedrukt verlangen van den Burgemeester uw dag van uitspanning tot in den nacht hadt gerekt, en, ’t is nooit zaak een bediende in ’t geheim te nemen van zekere afwijkingen…"

»En gij… gij zoudt geduld geoefend hebben tot den einde!" sprak Floris bewogen.

»Gij begrijpt toch wel dat ik niet was gekomen met het voornemen om uw vermaak te storen en uit mijne rol te treden! Mijn wensch was, dat gij zelf uw tijd zoudt weten, en gij hebt dien niet teleurgesteld… En om nog eens op la Fontaine terug te komen… hij is praatziek… het is bijna zeker dat de afscheids scene van uwe nieuwe vrienden en vriendinnen hem aanleiding zou gegeven hebben tot allerlei commérages… de Burgemeester door zijne dagelijksche aanraking met Mr. Hubrechts, diens huisvrouwen de dienstboden, zou er niet vreemd aan zijn gebleven… en een en ander zou hem vermoedelijk niet gunstig stemmen tot herhaling van deze of dergelijke uitspanningen…"

»Mijn wellieve vriend, hoe beschaamt ge mij door zooveel kiesche, voorzienige zorge! gij denkt toch op alles! op alles!"

»Dat is mijn plicht. De uwe is, dit van mij te gelooven, ook al zoudt ge het niet zoo helder inzien als nu. Wees zeker dat ik mij zelven, noch het mijne voor iets rekene als het uw welzijn, uwe belangen geldt… en als gij weer aan de Gravin schrijft…

»Gij verbiedt mij dan niet de correspondentie met mijne moeder na deze bekentenissen?" vroeg de jonge Graaf verrast.

»Dat zou immers eene uitkomst zijn strijdig met uwe wenschen en… mijne beloften!" hernam de la Rivière, een zucht onderdrukkende. Hoe gaarne hij het ook gewild had, hij wist het te goed, zulk een verbod zou toch overtreden worden, de Gravin zou hare toevlucht nemen tot de oude list, die de afsluiting op Culemborg niet had kunnen voorkomen, en zij zou Floris vervoeren tot allerlei boosheid en laagheid, ze zou het zedelijk bederf van haar eenig kind voltooien, om zich te wreken op den Gouverneur. »Neen, Floris, gij zult aan uwe moeder schrijven, als altoos… maar toch… den eersten brief zal ik u in de pen geven… doch, dit is van latere zorge. Nu hebt gij noodig te hooren wat ik voorgenomen heb u mede te deelen, sinds ik wel zeker ben dat wij weer naar goede, oude wijze samengaan, want dat zal immers zoo wezen!"

Floris leunde zich vaster aan hem tot eenig antwoord

»Ziet gij, cher enfant, in de overtuiging dat ik u zeer nuttig kon zijn, heb ik mij niet laten afschrikken door de menigte der bezwaren, die ik inzag bij de aanvaarding van mijn ambt bij u, in hope ze eenmaal te zullen overwinnen, allermeest die, welke mij verhinderen te voorzien, in die al te nauwe beperking uwer vrijheid…"

»En… hebt hij die hoop nu opgegeven?" vroeg Floris met onrust.

»Non certes! ik geef zoo licht niet op wat ik voor goed en noodig houde; maar ik heb niet willen haasten, vooreerst, omdat men aldus licht zijn doel voorbijstreeft, en ook, omdat ik het vertrouwen van uw Heer vader wenschte te verdienen, dat ik van nu aan meen te vorderen! — Ik heb mij ook niet gehaast, uit oorzaak van uwe groote jeugd, die ook zonder particuliere redenen, voortdurende waakzaamheid vraagt, en omdat gij u nu eenmaal naar zulke ordre van zaken geplooid hebbende, er het drukkende minder van zoudt voelen dan eenig ander, die er niet aan was gewend; ik was daarbij niet zeker, dat gij de vrijheid zoudt kunnen dragen… en al had het alleen aan mij gestaan u die te schenken… de zoon van den Graaf van Culemborg, door rebellische onderdanen reeds Floris II genaamd, en op wien zij het oog gevestigd hielden… moest, naar mijn gevoelen, onder nauwer toezicht worden gesteld, dan ieder ander."

»Och, ik ben toch wel zeer onschuldig aan zulke verwachtingen!" zei Floris zuchtend.

»Wat weet ik, cher comte, ook zou het voor U al te hard zijn daaraf op den duur de poene te dragen, Gij moet u in deze uwe jonkheid ook niet al te ongelukkig gevoelen… daar is eene zucht tot vrijheid in u ontwaakt, waarin ik wil te gemoet komen, en daar ik de onmogelijkheid heb ingezien dit te doen langs den weg der letterlijke uitvoering van uws vaders voorschriften, zoo wil ik hierna meest op den geest er van achten, zoo mogelijk in samenstemming met zijn gecommitteerde, en indien niet, op mijne eigene verantwoordelijkheid! — Eene verantwoordelijkheid, Floris, die gij met mij deelen zult, dus, overweeg het wel, ik eisch dubbele nauwgezetheid, kalmer berusting in alles wat u niet kan worden gespaard… dat is afgesproken niet waar?"

»Gij zult het zien…"

»Ik zal nog heden aan den Graaf van Culemborg schrijven… en wat u belangt, gij zijt nu in goede termen met den Burgemeester… tracht het daarbij te houden, zooveel het met oprechtheid kan bestaan."

»Ik zou hem wel genegen zijn om zijn goed harte voor mij… zoo hij maar niet zoo stijf stond op zekere poincten."

»Bij voorbeeld?"

»Niets ergert mij meer dan dat hij mij nooit een voet buitenshuis laat zetten tot hier in Leiden toe, dan omstuwd door zooveel personen!… een stoet, die mij prijs geeft aan de nieuwsgierigheid van al de leegloopende Leienaars, en aan ieders hinderlijke aandacht. De poorters gapen mij aan; de kinderen roepen mijn naam uit; de studenten lachen achter mijn rug en keeren zich af; de Heeren van den Magistraat schudden het hoofd en glimlachen, zij vinden het vreemd dat men mij zoo weinig veilig acht in hunne stad; professor Scaliger groet me in de verte en — gaat zijns weegs… en ieder weet dat het hier geene kwestie is van mijn rang… De Graaf van Hanau, die van Nassausch bloed is, gaat alleen over straat!"

»Binnen Leiden en op den helderen dag is die omslag overbodig… dat is zelfs niet eens uit Culemborg voorgeschreven; ik zal mijnheer Alartsz doen verstaan, dat hierna mijn geleide alleen voldoende is… en als ge welhaast de openbare lessen zult waarnemen…"

»Zou dat mogelijk zijn, het was me niet toegezegd!" riep Floris verheugd.

»Ik acht het zóó noodig, dat ik sinds lange daarop aandringe bij den Graaf, en het ook wel zal verkrijgen; in dat geval zijn de Prounincks of Aert Amelisz als vanzelf uwe geleiders! en dan moet u ook eenige ruimte gelaten worden om met de jongelieden van de Hoogeschool om te gaan."

»Dat zal een goede tijd zijn!"

»Maar zoo ver is het nog niet, en daarom als ge heden dat bezoek gaat brengen bij joffer Lantscroon… met Hendrik Prouninck, mag ik immers van de partij zijn?"

»Het lieve kind zal wel verrast wezen van zulk een statelijk bezoek," zei Floris met eene intonatie, waaruit zijne geheime teleurstelling sprak.

»Wij zullen het zoo ceremonieel niet maken."

»Het eenvoudige meiske zal tegen u opzien… is op zijn best wat Fransch machtig, en…"

»Maar zij wacht u immers toch niet alleen?" viel de la Rivière in, »en daar Hendrik bij u is…"

»Hendrik! o! dat beteekent niets, die houdt zich buiten het gesprek als ik het verlang…"

»Ik zal zijne discretie navolgen; er moet een oude Heer Lantscroon zijn, die zich met mijne conversatie zal vergenoegen… ’t is… in ’t eind een bezoek van simple courtoisie… en…"

»Neen, mijnheer, sinds ik u oprechtheid heb beloofd, moet ik u bekennen, dat het van mijne zijde geene simple courtoisie meer kan zijn… mijn hart heeft gesproken…"

»Mon enfant, op uw leeftijd beeldt men zich zoo iets al heel licht in! — Omdat gij een welgevallen hebt gevonden in een aardig deerntje, waarmee gij op wat romaneske wijze hebt kennis gemaakt, en verder een vroolijken dag hebt overgebracht, is daarbij nog uw hart niet in ’t spel; als gij die joffer weerziet in haar eigen huis, op een gewoon bezoek, zal die droom uwer fantasie wellicht op eens uit zijn… Geloof daarin mijne ervaring, ik ben ook zeventien jaar geweest, en ik weet hoe licht aan het hart geweten wordt, wat niet dan uit het hoofd voortkomt."

»Ik erken mijne onervarenheid… en toch ik hoop niet, dat gij gelijk hebt… ik… kan het niet gelooven. Het is mij alsof dat, wat ik voor dit meisje gevoele, diep, zeer diep zal ingrijpen in… mijn leven. Ik was niet zoo betooverd door haar uiterlijk schoon. Ik voelde mij tot haar getrokken, door eene onweerstandelijke behoefte, aan… vriendschap! Ik voelde mij toen zóó gedrukt, zóó verlaten, en het kwam mij voor, dat alles mij beter en lichter zou zijn als ik haar tot vriendinne had."

»Nu gij in mij weder uw vriend hebt hervonden, zal die behoefte aan deze vriendschap mogelijk minder… levendig worden."

»Ik… ik durf het u niet beloven. Wel maakt mij dat gerust en gelukkig, en ik houde u voor mijn besten, mijn meest vertrouwden vriend, maar toch… mij dunkt dat is niet hetzelfde…"

»Dat is waar! ik heb het ongeluk geen achttien jaar te zijn, en niet Fransje Lantscroon te heeten! Is het dat niet?"

De jonge Graaf bloosde als ware hij zelf Fransje Lantscroon, knikte met een verlegen glimlach, maar hij voelde zich onuitsprekelijk verlicht, en nooit was zijn Gouverneur hem zoo beminnelijk voorgekomen. Zooveel toegevendheid had hij niet kunnen wachten, in een geval dat hem zoo ernstig toescheen. De la Rivière zelf zag de zaak ook zoo licht niet als hij het deed voorkomen, maar hij hoopte nog dat de morgenwolke zou wegdrijven, en hij wilde althans niet door voorbarige waarschuwing of harde afkeuring ontijdige onrust en beroering brengen in een harte, dat zich zelf nog niet recht begreep, en waarin misverstand mogelijk was, zoolang het niet tot volle bewustheid was gekomen. Het kon de indruk zijn van het oogenblik, die ras zou uitgewischt worden; het was niet geraden dien dieper in te prenten, door er al te groote beteekenis aan te geven, en als iets zeer gevaarlijks voor te stellen en te bekampen. Het kon ook eene genegenheid zijn, meer blijvend, meer diep, en meer teeder… maar dan nog was het geene zaak, haar tot hartstocht op te voeren, door openlijken tegenstand; en waar ze reeds tot een zulke mocht zijn gerijpt, daar hoopte de la Rivière nog, bij den invloed dien hij nu op Floris had herkregen, door zijne behendige leiding de gevaren er van af te leiden of te verminderen; maar daartoe moest hij geheel meester blijven van de positie, opdat geene onvoorzichtige hand door een ruwen greep, de pastorale, zooals hij het noemde, tot een drama kwam verwikkelen; daartoe moest Floris niet worden afgeschrikt hem meerdere bekentenissen te doen, noch zelfs ontrust worden door voorstellingen van de onmogelijkheid een er liefdesbetrekking op zijn leeftijd, in zijn toestand, bij zulke ongelijkheid van rang; voorstellingen, die de jonge Graaf volkomen bij machte was zich zelf te doen, en indien niet, alles wat hem omringde, zou er hem stilzwijgend toe vermanen. Ook vervolgde hij met goedheid: »Gij begrijpt wel, cher enfant, dat ik aan deze… vriendschap, die gij gelooft te gevoelen, niet mijne goedkeuring kan geven, zoolang ik niets anders van joffer Lantscroon weet, dan dat zij een aardig gezichtje heeft, en door hare verwanten als een zedig meiske geprezen wordt. Ik zou allereerst willen weten, wie ze is en wat ze voor u zou kunnen zijn…"

»O, mijnheer! als ge dan straks met ons gaat, zult ge haar immers leeren kennen," sprak Floris met gulhartig vertrouwen. »Ik zal er mijn best toe doen. Zij heeft dus… eene afspraak met u gemaakt voor heden?"

»Neen, dat heeft ze niet… alleen ik heb hare belofte dat ik haar zou weerzien… en… alles hangt nog af van hare boodschap, die Hendrik… zal overbrengen."

»Ja, dat begrijp ik, Hendrik is uw natuurlijke bondgenoot en vertrouwde…"

»Neen, mijnheer! integendeel, ik heb hem niets gezegd… maar," — Floris zweeg plotseling; er werd aan de deur getikt, en zij werd geopend nog voor de la Rivière zijn »Entrez" kon laten hooren

Het was dokter Molinæus, die binnentrad.

Deze jonge Fransche geleerde, die zich tijdelijk te Leiden had gevestigd, om er de hoogeschool te bezoeken, was toen nog niet de beroemde hoogleeraar, dien men er later met zooveel aandrang een leerstoel zou aanbieden, en wiens raad men zou innemen (een weinigje te laat echter om dien met vrucht te volgen) in de heftige kerkelijke twisten van de 17de eeuw; maar hij was nu nog slechts de jonge docent Pierre du Moulin, die echter onder de Leidsche academieburgers reeds uitmuntte door zijne veelzijdige kennis en scherpzinnigheid, en door de professoren werd onderscheiden als iemand, van wien men groote verwachtingen had. Hij was den Graaf van Culemborg aanbevolen als: »een jonge man, ervaren in de Fransche en Latijnsche spraken, die kaatste, en alle uitwendige en inwendige exercitiën ondernam." En de la Rivière zelf scheen het onderwijs van dien landgenoot in zijne eigene taal niet overbodig te hebben geacht. Vermoedelijk vertrouwde hij zich zelf beter als opvoeder, dan als exact taalkundige (uit de kennis die wij hebben aan zijne schijfwijze, gelooven wij dat hij wel deed), hoe dat ook zij, de geestige, begaafde Franschman, uit Sédan geboortig, één met hem in godsdienstige gevoelens, die al spoedig blijken gaf zijne inzichten en denkwijze te deelen, was hem een zeer welkome bondgenoot geweest, en welhaast ondanks het onderscheid in den leeftijd, een vertrouwde vriend geworden, de eenige in dien ganschen kring, met wien hij over belangrijke punten gedachten kon wisselen, zonder vreeze van misverstaan te worden. Aan den jongen Graaf was de persoon en het onderwijs van Molinæus bijzonder welgevallig; het laatste bovenal als afwisseling van de strengere studiën, waarbij hij door Zwaerdecroon en anderen werd geleid, en niet het minst omdat de jonge levendige Fransche dokter, in samenstemming met de la Rivière, soms de les tot een »jolyselijk en protijtelijk onderhoud maakte," waarbij de geest eerder werd ontspannen dan ingespannen, en haar niet zelden eindigde met het voorstel tot eene kaatspartij (het kaatsen was eene oefening, die toenmaals zeer in estime werd gehouden), waaraan dan gewoonlijk de Prounincks, zoo zij het onderwijs hadden bijgewoond. deelnamen. Men adverteerde dan inderhaast den Burgemeester, die in het verplichte geleide voorzag, zoo hij zelf niet medegingen men rukte uit naar zekere herberg, om hare kaatsbaan druk bezocht door de studenten, waar Floris zich voor een oogenblik kon verbeelden een van de hunnen te zijn!

Men begrijpt dus dat de leermeester, die zulke methode volgde, in den regel met een vroolijk welkom werd begroet; maar ditmaal toch was de toon, waarop de jonge Graaf zijn naam uitsprak, zoo weinig opgewekt, zijn groet, hoe hoffelijk ook, zoo gedwongen, en kwam er zulk eene sprekende uitdrukking van verdriet en verlegenheid op zijn gelaat, bij het vooruitzicht van op nieuw een geruimen tijd aan de schrijftafel geboeid te zijn, en verplicht te wezen de aandacht te bepalen bij onderwerpen, die, hoe aangenaam ook voorgesteld, hem op dit oogenblik eene zeer ondergeschikte belangstelling inboezemden, dat de la Rivière zich haastte hem gerust te stellen, door aan Molinæus te zeggen:

»Heer dokter! het is gelukkig voor ons dat gij niet slechts een geleerde zijt, maar ook een homme d’esprit; in die laatste kwaliteit zult ge het geen al te grooten gruwel achten, als ik u zeg, wat de Graaf schroomt u te bekennen, dat hij gisteren geen boek in de handen heeft gehad, en dat de morgenuren van heden door de studiën zijn ingenomen met de heeren Amelisz en Zwaerdecroon, welke laatste zijne consciëntie bezwaard zou voelenl als hij een kwartier gratie gaf… Vervolgens heb ik hem zijn laatste half uur geroofd, en… "

»Zijne Genade is alzoo in ’t geheel niet voorbereid, en even weinig gedisponeerd… ik begrijp dat al te goed om het euvel te nemen; op een dag van uitspanning volgt een andere dag van verstrooidheid… wie onzer weet het niet! toch is het hier soms winste in verlies; de koorde kan niet altijd gespannen we. zen, trouwens, gij weet hoe ik hierover denk, en gij wenscht bijgevolg de les te verdagen," eindigde hij, den jongen Graaf aanziende, die meende dat hij iets zeggen moest van zijne aarzeling om iemand als dokter Molinæus een vergeefschen gang te laten doen!

»Geene plichtplegingen," viel deze in, »tu nihil invitâ dices faciesve Minervâ," zeggen de Latijnen, en ik geef ze gelijk; ik zou u voorstellen uit te gaan, dan, ik heb straks mijne bezigheden en ik wenschte zoo mogelijk een half uurtje met monsieur de la Rivière te spreken," eindigde hij, dezen aanziende, die daarop zeide:

»Heer dokter, gij verstaat er u op ieders geheime wenschen te raden! Monsieur le Comte, haast u van deze voorkomendheid gebruik te maken, en ga wat versche lucht scheppen in den hof te eerder," voegde hij er bij met een blik naar het venster, »daar ik den zeer gewenschten Hendrik Prouninck de stoep zie optreden!"

»Met uw oorlof dan, mijne Heeren, ga ik hem te gemoet!" sprak Floris, kleurende van blijdschap, en zich haastende om weg te kamen, op zulke wijze, dat Hendrik nauwelijks was binnengelaten, of reeds had de jonge Graaf zijn arm gevat, om hem als in triomf naar den tuin te voeren!

»Het is voorwaar goed dat ik uwe intentie heb begrepen, monsieur de la Rivière!" sprak Molinæus, toen zij alleen waren, »de Jonker vliegt weg als een vogel, wien men de kooi openzet!"

»Pauvre cher enfant!" verzuchtte de Gouverneur met diepen weemoed.

»Hoe zegt ge dit zoo klagelijk?"

»Ik heb allerlei oorzaak van bezorgdheid over hem!"

»In trouwe, hij zag wat ontdaan, toen ik binnenkwam, wat schort er aan?"

»Hij is een hachelijk tijdperk ingetreden; het tijdperk, Heer en vriend, waarin men meest bekwaam is tot vruchtbare oefening der ars poëtica en allerminst gedisponeerd zich te schikken naar eene werkelijkheid, als die hem moet worden opgelegd."

»Heeft hij de liefde in ’t hoofd?" vroeg Molinæus met een veelbeduidend hoofdschudden.

»Of in ’t harte… ik ben er nog niet zeker van…"

»Arme vriend, dan beklaag ik u."

»Dat moogt gij wel, en te eerder daar ik het ben die gelegenheid heb gegeven tot hetgeen met hem is voorgevallen…" en de la Rivière deelde aan Molinæus mede hetgeen wij weten, zoover hij het zelf wist.

»Het heeft zóó moeten zijn, de praedispositie was er, deze occasie of eene andere…"

»Dat is zoo! maar ik vraag mij zelven telkens af, of ik die niet had moeten voorzien, of ik de uitbarsting niet heb verhaast, of ik niet alles had kunnen voorkomen?"

»Neen dat niet. Men voorkomt niets — als het zoo ver is dat men voorkomen moet. — »Natura expellat furcâ, tamen usque recurret!" zegt Horatius terecht; »maar alevel begrijp ik, dat uwe Christelijke consciëntie zich bezwaard voelt, omdat juist de occasie door u is bijgebracht! Alleen nu het geval er toch toe ligt, zou ik mij in uwe plaats troosten met de gedachte, dat uit alle kwaad goed is te trekken, en met uw goed beleid…"

»Ondersteld, dat ik eene mate daaraf bezit te, nog kan ik mistasten in de middelen, die ik meene aan te wenden. Ik kan mij aan niemand van de anderen heeren openen over deze zake… want de vrees dat ik niet alleen meester zal blijven van dit geheim, en bijgevolg niet meer naar mijn eigen gevoelen zal kunnen handelen, beklemt mij het meest…"

»Wat denkt gij te doen?"

»Ik kan nog niets beslissen voor ik er meer van weet, voor ik ze samen heb gezien, voor ik dat meisje heb waargenomen, en wete of zij het is die mijne intentiën dienen kan. Is dat zoo, dan zal ze mijne bondgenoote worden, en Floris zal behoed zijn voor vele gevaren, waartegen de Burgemeester, met zijn gansche Culemborgsche lijfwacht hem niet zou kunnen veiligen. Is dat zóó niet, dan moet de kwale worden afgeleid, of,… uitgebrand, al zou de cure den arts nog smartelijker vallen aan den patiënt… doch ik heb nog wel hope dat het eene bui is die zachtkens zal afdrijven, hij is nog zóó jong, Het kan nog geene passie zijn… en al ware het er eene, zij zal smoren onder de loodzware onmogelijkheid, die haar gaat drukken."

»Reken daar niet al te veel op, beste vriend! de hindernissen vermeerderen de passie en geven haar ten laatste de kracht ze te overwinnen. Ik misken niet uwe ervaring, maar… ik spreek uit de mijne, ik zelf heb eene liefde in \’t hart, waartegen alle uiterlijke omstandigheden samenzweren, en toch… ik hoop daarover te zegevieren… eenmaal zeker…"

»Gij, dat is wat anders, in de volle kracht des levens en van een vast mannelijk karakter; maar, Floris… staat niet in zulke conditiën, hij is bekwaam tot een coup de tête, doch hij heeft niet en hij zal nooit hebben de vastheid van geest, die er noodig is tot een aanhoudenden weerstand. Hij heeft niets van de onverzettelijkheid zijns vaders tenzij… en ziedaar wat mijn zwaarste kamp is — zijne moeder hem door de hare weet te inspireeren hetgeen in dezen, zooals gij begrijpen zult, wel niet zijn zal. De Gravin ziet reeds om, naar zijne aanstaande bruid onder de Duitsche vorstendochters, en gij zult mij toestemmen dat het geene gewone middelen van contrainte zouden zijn, die men zou aanwenden, als er eens tot dwang zou moeten besloten worden, dat God Almachtig verhoede… Want niet slechts zou zijn harte daaronder bloeden, maar ook de ziele bedorven worden, onder de worsteling van list tegen geweld, die dan zou aanvangen. Men gaat hier zeer despotisch te werk in deze republiek met de personen in wie men, om welke redenen dan ook, belang stelt, en een wenk aan mijnheere den Advocaat van Holland…"

»Maar die wenk zou dan toch door u moeten gegeven worden?"

»Dat is juist mijne vreeze, dat ik geen meester zal blijven van de positie, dat een vermoeden van den Burgemeester, of van wien ook, tot onverstandige tegenwerking zou leiden, die te onmachtig om iets te verhinderen, en toch te ondragelijk om niet tot wederstand te prikkelen, alle driften te zamen zou ontvlammen, en ten laatste eene uitbarsting daarstellen, die mij dwingen zoude eenige tusschenkomst in te roepen, die krachtig, maar verpletterend zoude werken. Ook neme ik liever alle verantwoordelijkheid van ’t geen komen zal voor mij alleen, dan tot zulk einde den weg te bereiden, door de anderen voorkennis te geven van ’t geen er bij Floris omgaat! Gave God, beste Heer dokter, dat ik drie maanden met hem reizen kon, ik alleen, dat zou voor alles het beste en noodigste zijn!"

»Welnu, is dat zóó gansch onmogelijk?"

De la Rivière glimlachte smartelijk. »et aanzoek reeds zou mij bij den Graaf in de zwaarste verdenking brengen, en geheel zijne ruste verstoren, die ik meen hem door mijn onderschikken aan zijne wenschen verschaft te hebben… Weet gij hoe ver en hoe ik met Floris kan reizen, dokter?"

Deze zag hem vragend aan.

»Van hier naar ’s Hage, onder goedvinden van den Burgemeester en met het geleide door dezen te kiezen! Nog heb ik vrijheid om naar IJsselmonde te trekken onder dezelfde voorzorgen… maar tenzij in een uiterst geval, zal ik er mij wel voor wachten; want mevrouwe de Mérode is eene harde, hooghartige vrouw, die, naar men zegt, zeer tegen mij is ingenomen, omdat ik in de plaats ben gestreden, die zij haar beschermeling had toegedacht: entre nous, il s’en serait bientôt dégoûté en hij zou ongelijk hebben, zoo hij mij die benijdde…"

»Kunt gij niet met den Jonker een keer doen naar zijn vader, naar Culemborg?"

»Dat kan niet zijn, daartoe zou de speciale vergunning noodig wezen van de Hooge Regeering, zonder welke de jonge Graaf de provincie Holland niet mag verlaten, en gij weet welk een omhaal er noodig is om hier iets te verkrijgen, dat van de gezamenlijke autoriteiten afhankelijk is, daarbij dat zou al eene schrale afleiding voor hem zijn, en zeer weinig bevorderlijk aan zijne wezenlijke belangen. Neen! ’t is maar al te waar, er kan niet aan reizen gedacht worden; doch zie, terwijl ik van hem spreek, vergeet ik mijn kweekeling te observeeren," hervatte de Gouverneur, zich naar een der vensters begevende, dat op den tuin uitzag. »Ah! de schalk schijnt zich niet meer veilig te achten in den hof; hij begecft zich met zijn vertrouweling naar zijne eigene kamer, om onbespied te blijven; ik kan hem geen ongelijk geven, de Burgemeester treedt hem op zijde; dat wordt hachelijk;… mais non! l’enfant prend son air de prince, Mijnheer Alartsz deinst af, dat is goed afgeloopen; gelukkig, zoo kan ik daar buiten blijven! Verschoon mij, heer dokter," sprak hij, zich weer tot Molinæus keerende, dat ik u niet uitsluitend mijne aandacht gaf, ik heb niet wel verstaan wat gij mij zeidet…"

»Ik heb niets gezegd, monsieur de la Rivière, ik heb zwijgend uwe belangstelling gadegeslagen en uwe zorgzaamheid bewonderd."

»Daarin is niets der bewondering waardig. Ik ben verplicht alle krachten mijner ziel, alle gaven mij door den Heer verleend, in te spannen en geheellijk te wijden aan mijn pupil, hij heeft recht op al wat ik ben en wat het mijne is; wat ik daaraan onthoude, is verzuim!"

»Het kan niet anders, een man van uwe gemoedelijkheid moet zulke taak dus ernstelijk opvatten; maar toch moet gij mij gunnen u er een oogenblik van af te leiden, om over uwe eigene belangen te spreken."

»Mijne eigene belangen, Heer dokter!" hervatte de la Rivière, de hand aan ’t voorhoofd brengende met een pijnlijken glimlach, »och! die raken zoo wat op zijde onder de groote bekommernissen over den jongen Graaf!"

»Wat men op zijde schuift, Heer en vriend, is nog niet uit den weg geruimd ," sprak Molinæus met beduidenis, en daarom als ik uwe getrouwheid in al deze dingen gadesla, komt bij mij de twijfel op, of gij wel eenigszins naar evenredigheid uwer verdiensten beloond wordt, door hen, die u tot deze taak hebben geroepen."

Bij den Franschen edelman hernieuwde zich de vroegere glimlach. »Wat zal ik u zeggen, mon frere! Ik vind… wantrouwen bij den vader, bij de moeder geheime tegenwerking, die erger is dan openlijke tegenstand, en gansch geene genoegzame ondersteuning bij hen, die mij hier omringen, niet zoozeer uit onwil, als wel uit onverstand! Het is zoo, de jonkman zelf heeft voor mij…" al de genegenheid, die men in mijn geval van hem kan wachten en die sterker zou zijn dan zij nu is… zoo zij niet door onvoorzichtige inblazingen werd ondermijnd!"

»Gij vergist u in mijne bedoeling; ik vroeg u eigenlijk naar de geldelijke voordeelen van uwe betrekking,… ik heb wat zorge voor u, dat ze niet zijn wat ze behoorden te wezen…"

De la Rivière haalde de schouders op. »Ik ben geen huurling, heer dokter, dat ik daarop het eerst zoude denken."

»Een arbeider is zijns loons waardig, monsieur de la Rivière! daarom denken uwe vrienden over dit punt met eenige bezorgdheid; en daarom vrage ik u, niet uit indringende onbescheidenheid, maar met de belangstelling die men voelt voor een landgenoot, die, als ik zelf, in den vreemde verkeert, met de hartelijke deelneming van een broeder, van een vriend, dien ik heb leeren hoogachten; hebt gij u van eene voldoende jaarwedde laten verzekeren?"

»De jaarwedde, die men mij heeft toegekend, zou wel toereikende zijn, maar…"

»Maar zij wordt u niet geregeld betaald?"

»Niet geregeld!" herhaalde de la Rivière met ironie, »dat zou nog niet het ergste zijn, als maar alle beloften mij door den Graaf op dit punt gedaan, niet zonder effect blijven, zooals ik begin te vreezen."

»Ziedaar wat ik onderstelde en wat mij zoo vrij en rond tot u deed spreken."

»Hoe zijt gij op die onderstelling gekomen, ik heb mij aan niemand hierover uitgelaten, gij spreekt toch niet uit eigene ervaring?"

»Wat mij aangaat, ik ben gewaarborgd door mijnheer Dousa, toen deze mij heeft opgewekt uit naam van den Graaf van Culemborg, om diens zoon eenig onderricht te geven in de Fransche sprake; doch voor mij zou het eene geringe zwarigheid zijn in dezen eenige winst te derven, daar ik meerdere leerlingen heb en mij slechts tijdelijk hier te Leiden ophoude; maar voor u, die al uwe krachten en geheel uw tijd geeft aan dezen éénen jonkman, voor u is dat, dunkt mij, gansch wat anders… daarom ondervroeg ik mijnheer Dousa, of hij dezelfde goede voornemens had te uwen aanzien, wat hij tot mijn leedwezen ontkennend beantwoordde, er bijvoegende, dat gij vermoedelijk eene overeenkomst hadt gemaakt met de Gravin."

»De Gravin heeft mij wel vele goede verzekeringen gedaan. maar ik heb mijne wichtige redenen, om mij niet dan in het alleruiterste geval aan Hare Genade te wenden, en het is de Graaf, die zich bij mij verbonden heeft… zekere door mij gemaakte voorwaarden te voldoen…"

»Bij notariëel contract?"

»Dat dacht me onnoodig; bij mondelinge belofte, maar het woord van een edelman was mij genoeg! Kon ik onderstellen, dat de Graaf minder getrouw zou zijn in het nakomen zijner verplichtingen, dan ik in de mijne… En toch, ik zie mij teleurgesteld! bitter teleurgesteld! en ik moet u bekennen, mon frère, dat ik mij door zijne nalatigheid in nijpende geldverlegenheid bevind… Dat zou nog niets zijn, zoo ik alleen in de wereld was, want ik heb zeer weinig behoeften, maar…"

»Gij hebt te zorgen voor een groot gezin?"

»Dat wel niet, — mijne vrouw met haar jongste kind is bij de Gravin te Kinszweiler, mijn oudste zoon (de Fransche edelman zuchtte diep) heeft zich van mij onafhankelijk gesteld, en… is ook op den leeftijd het te zijn; alleen ik heb twee zonen te Sédan moeten achterlaten, zij studeeren er vlijtig, zij gedragen zich goed, en zij zouden mij niet dan vreugde geven, indien… het mij niet zoo bezwaarlijk viel in de kosten van hunne studiën te voorzien. Niet slechts heb ik in het vaderland al mijne bezittingen verloren, maar… om den wille mijner kinderen heb ik er nu ook schulden!"

»En gij zijt er bijgevolg op verdacht dat die te eenigen tijd kunnen ingevorderd worden?"

»Ja! er zijn wissels op mij getrokken!"

»Beste vriend, ik wist het, en het is daarom dat ik u wilde voorbereiden…"

»Hoe weet gij dat?" vroeg de la Rivière, onaangenaam verrast. »Van de personen, die ze in handen hebben ."

»Wie zijn dat?"

»Jongelieden uit Sédan, die hier hunne studiën komen voortzetten. — Ze zijn bij mij gekomen om naar u te vernemen. Gij zijt dus niet bij machte hen te voldoen?"

De la Rivière schudde droefgeestig het hoofd. »Ik had op den Graaf gerekend!" bracht hij uit met eene doffe stem, »de eere is er mee gemoeid, als ik geen recht kan doen aan die vordering," hervatte hij met toenemende somberheid, »dat is niet billijk, dat is niet Christelijk van den Graaf, mij in zulke verlegenheid te laten; hij weet toch wat het zegt balling te zijn in den vreemde en alles wat het onze was te moeten verzaken om des geloofs wille; hij behoorde te bedenken, dat ik in iedere manier een recht heb op zijne hulp, op zijne dankbaarheid!"

»Kent de Graaf den staat uwer zaken?"

»In een onderhoud, dat ik te Culemborg met Zijne Genade heb gehad, heb ik hem alles gezegd, wat hem in zijn, in mijn belang noodig was van mij te weten…"

»Dan begrijp ik mij de handelwijze van den Graaf niet, zij is…"

»Wreed!"

»En hoogst onpolitiek daar benevens, hij heeft zóó groot belang bij uwe getrouwheid."

»Meer dan iemand weten kan! Dat hij desniettegenstaande dus met mij handelen durft, is een bewijs zijner hoogachting, dat menigen trek van zijn onoverwinnelijk wantrouwen vergoedt, een bewijs echter," eindigde hij met fierheid, »dat ik hem niet raden zou, met ieder ander te wagen; en zelfs met mij blijft het eene onvoorzichtigheid; ook bij den besten wil en de meest volhardende zelfverloochening kunnen er oogenblikken komen, waarin de stoffelijke bezwaren, daarin men mij laai, zoodanig overwicht verkrijgen, dat ze mijne aandacht afleiden van mijn pupil, dat ze mij de geestkracht verlammen. Tot hiertoe heb ik er mij over heen kunnen zetten, maar ’t is mij niet beloofd dat ik dit altijd zal kunnen doen…"

»Wellicht is het onvermogen; de groote Heeren van dezen tijd zijn dikwerf in nood van gereede penningen, daaraf wij ons geen denkbeeld kunnen vormen."

»Een huis dat tegen zich zelf verdeeld is kan niet bestaan, en waarheid is het, dat de onzalige twisten met zijne gemalin, met zijne bloedverwanten, neffens de oorlogen en de vorstelijke leefwijze, dezen ongelukkigen Heer meer dan half geruïneerd hebben, mais ce sont encore de belles ruines, en alleen waar het zoovele duizenden gold, als het nu honderden belangt, zou ik aan onmacht kunnen denken! De voorname oorzaak van deze onbillijke handelwijze tegen mij ligt in het misnoegen van monseigneur over het verblijf van zijn zoon te Leiden. \’t Is zijne wijze van verzet tegen een fait accompli, dat ik zoomin heb daargesteld, als heb kunnen beletten; ook een weinig, eene niet zeer princelijke wrake tegen mij, die dit ambt heb moeten aanvaarden zijns ondanks!"

»In uw geval, en onder zulke omstandigheden bleef ik niet in deze betrekking."

»In mijn geval, beste Heer dokter, zoudt gij hetzelfde doen, zelfs al maakten de bijomstandigheden de positie nog meer onhoudbaar."

»Maar monsieur de la Rivière, gij kunt met uwe bekwaamheid, met uwe relatiën toch wel een beter ambt krijgen hier in Holland, dan dat van Gouverneur bij een jong edelman, al is het dan ook de zoon van een Souverein Heer op zijn klein gebied. Ik heb professor Scaliger hooren zeggen, dat de jeugdige Graaf Frederik Hendrik het naaste jaar te Leiden wordt verwacht om zijne studiën te maken, zoudt ge bij dezen niet beter geplaatst zijn?"

»Dat laat zich denken, en ik heb blijken van gonste en vertrouwen van Zijne Excellentie en van de Princesse-douairière, die het niet onwaarschijnlijk maken dat de keuze op mij zoude vallen; maar, ik zou moeten weigeren, zoolang ik Floris van Culemborg tot iets nut kon zijn. Ik ben hier op mijn post…"

»Gij hebt… naar men zegt… verplichting aan… de Gravin," sprak Molinæus wat strak.

De la Rivière fronsde de wenkbrauw. »Altijd die Gravin," sprak hij met zekere ergernis, »ik ben het allereerst verplicht aan den Graaf van Culemborg, en aan Floris zelf, en ik dien den eerste beter, dan hij ’t van zijn liefsten vriend zou kunnen wachten, om redenen… die… omdat de consciëntie mij dringt in één woord! Daar kan hier voor mij geen van beter of liever sprake zijn, ik moet, dat is alles wat ik zeggen kan."

»Als ge dus gezind zijt, en zoo vast besloten te blijven, dan hebt ge zooveel te meer recht op betere procédé van hem wien ge dient…"

»Ik zal het hem herinneren, ik zal opnieuw een meer dringend schrijven aan den Graaf richten…"

»Maar daarmee zijt ge niet geholpen voor het oogenblik."

»De jongelieden zullen toch wel eenig geduld nemen…"

»Denkelijk wel… maar zij kunnen zelf verlegen zijn om dat geld… ze hadden ten minste groote haast om u op te zoeken."

»Ze zullen dus hier komen? Wanneer?"

»Nog heden! Zij wilden mij vergezellen, maar ik heb er mij van verschoond onder voorwendsel van mijne les… Zoo bleef me tijd u te waarschuwen… en mijne diensten aan te bieden… Is de som groot?"

»Ze kan zijn ongeveer 300 tot 600 francs…"

»Zooveel heb ik zelf ook niet… Maar wilt ge dat ik mijnheer Dousa of professor Scaliger voor u aanspreke, ze houden u in hooge achting en…"

»Ik blijf u zeer dankbaar voor uwe trouwhartige dienstaanbieding, maar… zoo het mogelijk ware, zoude ik liefst niet zulke diensten aannemen van hen, die mij hoogachten. Ik was zoo gaarne mij zelven genoeg… zoo is het ook met de heeren Barneveld en Matenesse, als ik mij aan hen wend… zou het mij zijn of ik ietwat van mijne onafhankelijkheid had afgestaan…"

»Ik versta u, maar toch…"

»Moet ik allereerst zorgen mijne verplichting te voldoen, wilt gij zeggen… en daar peins ik ook op… misschien is er een middel… ja! dat wil ik beproeven…"

»Mij valt iets in! Waarom wendt gij u niet tot Burgemeester Alartsz, hij zal zeker gelden van den Graaf onder zich berustende hebben… en gij vordert immers slechts het uwe!"

»Ook zou ik niet aarzelen, maar… ik ben de eenige niet die hier lijdt onder de antipathie van den Graaf tegen de Leidsche huishouding, die hij evenwel op den voet eener kleine hofhouding heeft ingesteld. Reeds een geruimen tijd wordt mijnheer Alartsz als wij allen, gevleid met de hoop op de komst van den zaakgelastigde uit Culemborg met de noodige sommen, ter voorziening in alles… maar de eerste zoowel als het laatste blijft uit, en hoe de Burgemeester het maakt, alleen maar om in de dagelijksche uitgaven van zulk eene omslachtige huishouding te voorzien, is mij een raadsel; de man moet beter financier zijn dan ik, dat is zeker. Ik ben zeer dankbaar dat het buiten mij omgaat. Slechts als ik meester ware, zoude ik den staat, die hier gevoerd wordt, minstens ter helfte vereenvoudigen. Wij hebben acht paarden op stal; de tafel wordt hier dagelijks aangericht voor tien tot veertien personen; het minste rijtoertje wordt eene kostbare uitspanning, om de groote suite, die de Burgemeester onmisbaar acht, en toch… heeft het geval zich reeds voorgedaan dat hij mij verzocht den aankoop van noodige boeken te verschuiven tot na de komst van den zeer gewenschten afgevaardigde uit Culemborg, die aux calendes grecques wordt uitgesteld, zooals. het mij toeschijnt! Waarlijk, wij worden hier allen geoefend in het proeven van de uitersten. Hier heerscht zonderling gebrek in — weelde! Alles wat ik u hier zeg blijft onder ons, zooals vanzelf spreekt, maar niemand is onder dit alles zóó te beklagen als mijn pupil. Uit ijdelheid op zijn Graaf, omringt de Burgemeester hem met een schijn van de grootschheden des levens, terwijl het wezen ontbreekt, het geld namelijk! Onze Jonker wordt op dit punt in eene afhankelijkheid gehouden, die mij om zijnentwille bedroeft! Het blijft mij onbegrijpelijk dat monseigneur het op dien voet heeft ingesteld! Hij is geen penningmeester; om de geringste uitgaaf moet hij zich tot mijnheer Alartsz wenden, en tot van zijne aalmoezen toe moet hij rekenschap doen!"

Dat de Gouverneur hier niet overdrijft, bewijzen de lijsten der uitgaven van de Leidsche huishouding, die naar Culemborg werden opgezonden, en nog aanwezig zijn. Men vindt er opgeteekend tot de giften in de kerk, aan de armen! Men vindt er tevens de bewijzen, dat de Jonker milddadigheid oefende op ruimere schaal, dan vermoedelijk de fondsen toelieten. Nu eens zien wij een armen student begiftigd, die »enige carmina vervaardigd had," dan weder een reizenden predikant ondersteund, of eene zieke weduwe bijgestaan, dan weder een werkman, »die zijne knye hadde gebroken," beweldadigd. Daarentegen komen er zeer zelden posten voor, die op de persoonlijke vermaken of liefhebberijen van Floris kunnen slaan, enkele rij- en reistoertjes uitgezonderd, of het moest zijn, eene fooi gegeven aan den jager van een voornaam Heer, die hem twee jachthonden ten geschenke bracht, en de onkosten voor ’t in orde brengen van jachtroeren en schermdegens. De drie gulden, die hij op de Valkenburgsche jaarmarkt, verrijffelde, staan er wel degelijk opgeteekend!

»Toch," vervolgde de la Rivière, wien wij in de rede gevallen zijn, »bekommert Floris zich niet al te veel over dezen staat van zaken. Hij oefent barmhartigheid, zooveel hij kan, met eene onbezorgdheid, die bewijst dat hij, ongewoon aan ’t behandelen van geld, niet in staat is er de waarde van te berekenen, en ik kan niet op mij zelven verkrijgen, die natuurlijke edelmoedigheid van zijn harte zoo nauwe perken te stellen als de voorzichtigheid misschien zou eischen… met het oog op het tegenwoordige… althans. Ik kan een jong edelman, die Souverein Heer moet worden, en wien eenmaal groote goederen wachten, niet africhten om op eedige penningen te zien, tegen de goede bewegingen zijns gemoeds in, en zoo vaak over dit punt strijd valt met den Burgemeester, is het mij onmogelijk Floris in ’t ongelijk te stellen."

»Gelukkig dat bij deze verhouding in ’t geldelijke de jonge Graaf in de onmogelijkheid is, het gewone leven te leiden der overige studenten!" merkte Molinæus aan.

»Wel gelukkig, want dan was het te vreezen dat hij kennis maakte met den woekeraar en den tafelhouder; — hij heeft belangrijke waarden aan kleinoodiën in zijn bezit…"

»’t Is waar, de diamanten knoopjes aan zijnen halsboord en mouwen schitteren mij altijd tegen, maar… als dat zoo is… zie mijnheer de la Rivière daar valt me iets in… Is niet Floris zelf het eerst en ’t meest schuldig uwe vordering te voldoen? Staat ge mij toe het hem te doen inzien?"

»Dokter Molinæus, waarheen vervoert u de vriendschap voor mij! Floris moet nooit of nimmer iets weten van hetgeen ik u gezegd heb; ik laat me liever alles welgevallen dan van mijn pupil zulke diensten aan te nemen, dat moest gij van mij begrepen hebben, dacht me!" eindigde de la Rivière, bijna met toorn.

»Juist, omdat men u kent als een man, die groot van harte is en van machtigen geest, zou ik onderstellen, dat zóó geringe verplichting aan uw leerling, die u ook kent, nietwes schaden kon aan ’t ontzag, dat hij u behoort toe te dragen."

»Maar voelt gij dan niet, dokter Molinæus, dat ik gansch geene toegeeflijkheid meer voor hem zou kunnen hebben, als ik mij op die wijze aan hem verplicht zag!"

»Ik zou geene onbillijkheid van u wachten; daarbij als de Graaf eenmaal aan zijne verplichting voldeed, was immers alles weer in ’t evenwicht!"

»Encore!" riep de la Rivière met ongeduld en ergernis, »ik zegge u, mijnheer de dokter, dat ik mij liever laat gijzelen!"

»Een prijslijk voornemen!" maar… als gij in de gijzeling zit, wat wordt er dan van den Jonker?"

De Fransche edelman verbleekte, bracht de hand naar het hart, alsof hij daar schrijnende smart voelde, en scheen een oogenblik als in den heftigsten zelfstrijd; maar hij hervatte zich toch en zeide rustig: »Zoo ver zal het niet komen. Ik ben fier, dat is waar, maar ik zal mij niet laten beheerschen door zondigen hoogmoed, als de Heer van mij wil dat ik het hoofd zal buigen en de hand uitstrekken naar menschenhulp, dan zal ik het doen, alleen niet naar de zijne. Mijn besluit is genomen, ik zal…" de la Rivière zweeg; zij werden gestoord, de kamerdienaar Allendorff kwam aandienen dat twee Fransche heeren vroegen naar: Monsieur Samuel de Lacherniere, Seigneur de la Rivière! »Ik zal ze ontvangen. Leid ze naar mijne kamer, Allendorff," beval deze.

»Het verdere later!" sprak hij tot Molinæus met een handdruk, terwijl hij hem uitgeleide gaf, »ij ziet ik ben zoo welgemoed, als een man het zijn kan in mijne omstandigheden, het belangt toch maar bijzaken!"