Bosboom-Toussaint/Een Leidsch student in 1593/Hoofdstuk XII deel 1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een Leidsch student in 1593
Hoofdstuk I · Hoofdstuk II · Hoofdstuk III · Hoofdstuk IV · Hoofdstuk V · Hoofdstuk VI deel 1 · Hoofdstuk VI deel 2 · Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII · Hoofdstuk IX · Hoofdstuk X · Hoofdstuk XI · Hoofdstuk XII deel 1 · Hoofdstuk XII deel 2 · Besluit


EEN LEIDSCH STUDENT[bewerken]

________________________________________

XII. DEEL 1[bewerken]

Wij zijn eenige dagen verder in Juni, de twaalfde of de dertiende, niemand zal aan den juisten datum hechten, onderstellen wij. Onze Graaf is alleen in zijn vertrek, naar den eenvoud dier tijden »de schoolkamer" genaamd, maar hij zit niet te werken; hij staat bij de deur, die hij een vingerbreed geopend houdt en gluurt door die reet… geene grafelijke occupatie voorwaar, maar… zij heeft hare verontschuldiging. Het geklikklak van zekere muiltjes met houten hieltjes laat zich hooren in de gang. Floris steekt het hoofd naar buiten en roept halfluid: »Francijntje, Francijntje!"

»Ik heb geen tijd, Jonker!"

»Toch wel om mij even de hand toe te steken," smeekte hij op dringenden toon.

»Om u te groeten dan!" en het lieve handje wordt hem toegereikt, onvoorzichtiglijk, want op hetzelfde oogenblik wordt het prijs gemaakt, terwijl Floris spreekt: »Och, Francijntje! wil me even te woord staan."

»Neen, Floris! Ik mag u geene distracties geven, zooals monsieur Rivière dat noemt."

»Ik heb niets te doen, ik heb anderhalf uur met Zwaerdecroon overgebracht, ik mag wel eens ademhalen, ik heb nog een vol uur voor mij eer le cher Scaliger mij wacht."

»Dankje, Jonker! Wat ik hier te doen had, is verricht… en… "

»Dan hebt ge, immers den tijd? kom toch binnen… ik heb u wat te zeggen."

»Dat ken ik! Als ik mij daar nòg door verschalken liet, het komt al te maal op niets uit."

»Neen, heusch Francijntje! ’t is wel luisterens waard, maar als gij daar staan blijft, durf ik niet spreken."

»Zoo zal ik het te middag hooren."

»’t Is nog heel onzeker of tot we elkaar te middag zullen zien!" sprak hij verdrietelijk.

»Dan morgen, bij den tocht naar den Valkenburgschen molen." fluisterde zij bevredigend.

»Dat is het juist, Fransje! van den tocht naar den molen komt niets."

»Is ’t meenens, Floris?" vroeg zij, kennelijk onaangenaam ge troffen, en de kamer binnentredende, zonder er aan te denken, dat zij zich niet moest laten ophouden.

»Zou ik spotten met mijn eigen bitter verdriet! Ik herhaal U wat de la Rivière mij gisteren heeft aangekondigd; hij kost beter zijn tijd te kiezen voor kwaad nieuws, dacht me. Ik heb er te nacht niet van konnen slapen…"

»’t Is mij onbegrijpelijk!" zei Francijntje, »Oom Jeremias was al geadverteerd en moei had mij genood (zooals we wel dachten) om haar behulpzaam te zijn bij de ontvangst; ze zag zoo op tegen den Franschen Gouverneur."

»Ze zal er nu geen last van hebben, ongelukkiglijk!"

»Gij hebt hem zeker oorzaak tot misnoegen gegeven, Floris!"

»Neen, Francijntje! wezenlijk niet. Daarbij om eene kleinigheid zou hij mij niet in ’t harte tasten… dat weet ik wel… zooveel te erger, want nu zie ik er geene remedie op… Gij begrijpt wel, dat ik explicatie vroeg van zoo hard besluit; er volgde geene andere dan een: die fantasie moet ge uit het hoofd zetten, en daarmee was ’t uit. Alsof me dat licht zou vallen, Francijntje! In geen acht dagen die zoete recreatie genoten van een buitentoertje met u, en nu zulke teleurstelling! ’t Is om er krank af te worden!"

»Neen, Floris! men wordt niet krank als men wil, en gij moogt met krankte niet spotten!"

»En gij, Francijntje! gaat u dat dan niet ter harte?

»Grootelijks, Jonker! en ik verpijn mij om er de oorzaak voor te vinden…" sprak zij, en was in hare verslagenheid gaan zitten, of ze rust behoefde…

»Mogelijk zal hij het u zeggen, gij zijt de vertrouwde…!

»Wanneer komt mijnheer de la Rivière thuis?" vroeg zij met een zucht.

»Dit wist hij zelf niet te bepalen, daarom zei ik dat het onzeker was, af wij elkaar te middag zien zouden, daar ik heb moeten beloven niet bij u te gaan in zijne absentie. ’t Is wel eene tyrannie melieve! doch…"

»Neen, ’t is wijze voorzorg… daar zijn zooveel kwaadtongige luiden… maar weet ge niet waarom mijnheer de la Rivière, naar den Haag is? mij heeft hij alleen met een woordje verwittigd, »dat ik hem heden niet treffen zou, en dat hij mij verzocht dezen morgen niet hier te komen, zoo mijne bezigheden uitstel konden lijden."

»De bezigheden hadden dan wel haast, dat ge toch gekomen zijt," sprak Floris, haar wat schalkachtig aanziende.

»Neen, want ik had het noodigste uitgesteld, zoo ik bijtijds geadverteerd ware; maar Allendorff, in stede van mij het briefje aan huis te brengen, zooals hem zekerlijk belast was, heeft goedgevonden te wachten, tot hij mij hier aantrof." Zoo was het. Allendorff, traag als een echte kamerdienaar, die niets te doen heeft, vond het veel gemakkelijker de komst van het jonge meisje af te wachten, dan vier huizen ver te loopen, om het briefje vooruit aan te reiken; te eerder, daar er antecedenten waren, die hem geruststelden, dat er in deze wijze van bezorging genoegen werd genomen. De la Rivière had op de luiheid of de onachtzaamheid van den bediende moeten rekenen en zelf zijne boodschap doen, zoo hij zeker had willen gaan.

»Dus ben ik Allendorff dank schuldig" zei Floris levendig en met een blik vol teederheid haar aanziende.

»Vraag eerst hoe uw Gouverneur het zal opnemen"antwoordde zij half onrustig, half nieuwsgierig rondziende. »Ik, in uwe schoolkamer! en juist in zijn afwezen" is of het er met opzet om gedaan is."

»Dat zal hij immers niet van u denken?"

»Ik hoop van neen, maar nu, laat me gaan, Floris!"

»Waarom nu? de overtreding, zoo gij ’t er eene acht, is toch al geschied, een kwartiertje langer zal haar zooveel niet verzwaren! en wat mij belangt…"

»Gij zoudt me zeggen, waarom monsieur de la Rivière naar den Haag vertrokken is," viel zij in.

»Dat kan ik u niet zeggen, want hij wist het zelf niet. Hij is opontboden bij den advocaat van Holland."

»Bij meester van Oldenbarneveld?!" riep Francijntje met groote ontsteltenis. »Och Heer!"

»Hoe verstelt ge daaraf!" riep hij, glimlachend hare hand vattende. »Dat is de vriend van mijne moeder, hij is de la Rivière wel genegen en hij is altijd heel goed voor mij… Als er zwarigheden zijn, wenden wij ons, op ’t verlangen der Gravin, altijd aan hem."

»Is hij ook de vriend van uw vader?" vroeg zij zeer ernstig, bleek van ontroering.

»Ik geloof niet, dat de Graaf daar »ja" op zou zeggen," sprak Floris, wat kleurende en de oogen neerslaande.

»Hij was het ook niet van den mijnen, denkelijk uit gelijke oorzaak."

»Uit gelijke oorzaak, Francijntje!" vroeg Floris niet zonder eenige verwondering en haar meesmuilend aanziende.

»Ja, ten tijde dat de Graaf van Leycester hier Gouverneur-Generaal was. De Heer Graaf van Culemborg had diens zijde gekozen en mijn vader ook, toen zijn er zware onlusten gerezen, zonderling hier te Leiden, en de religie was er ook in gemoeid, en mijn vader had er de handen in met nog vele vrome, welgezinde burgers, hier ter stede, en ze zeiden het was om de autoriteit van den Algemeenen Landvoogd te herstellen, door Barneveld en de Staten van Holland deerlijk aangevochten; ik heb het wel honderdmaal hooren zeggen, en daarbij, ik was twaalf jaar en ik zat altijd scherp te luisteren, schoon daar op mij niet werd gelet. En wat daarna gebeurde, moest het mij wel in ’t geheugen prenten; want de toeleg mislukte en kwam uit! En toen raakte de partijschap eerst recht aan ’t woeden en de Advocaat kreeg zijne wraak, eene schrikkelijke wrake, Floris! Gode zij lof! dat mijn vader het heeft konnen ontvluchten… maar niet allen waren zoo gelukkig als hij, en de anderen, die niet konden ontkomen; o, Floris, Floris! ik heb hun schavot gezien, en die goede, vrome meester Volmaer, die dagelijks bij ons aan huis placht te komen, die was ook onder hen, die ze onthoofd hebben!"

En, onder de folteringen harer levendige herinnering kromp het jonge meisje samen, als had ze het ontzettend gezicht nog voor zich; de jonge Graaf meende haar door zijne liefkoozingen tot bedaren te brengen, maar zij weerde hem af met de heftigheid van een zenuwachtigen angst en ging voort: »Iok hoor ik den naam van den man des bloeds nooit, zonder dat eene rilling van afgrijzen mij door de leden vaart."

»Man des bloeds!" herhaalde Floris met zekere afkeuring, »certein, melieve! gij gaat wat ver, ik begrijp wel dat het u moet getroffen hebben van die luiden, maar dat is toch niet de schuld van den Advocaat; oproer is strafbaar… en daar moet toch justitie geschieden."

»Justitie!" riep zij bijna met toorn, »dat was geene justitie, dat was een moord! Ik heb het de vroomste en vroedste personages altijd hooren zeggen."

Floris haalde de schouders op. Te Culemborg in afzondering gehouden, terwijl zijn vader in de mêlée was van dien grooten politieken strijd, had hij nimmer de bijzonderheden vernomen van de Leidsche samenzwering, en haar verhaal was niet bijzonder geschikt om een jonkman, die op sommige punten reeds zijne eigene zienswijze had, op de hoogte van de kwestie te brengen; ook had hij heel weinig lust om dit eenige uurtje te wijden aan een strijd over politieke sympathieën met Francijntje Lantscroon. »In elk geval," hervatte hij, »het zijn nu andere tijden en monsieur de la Rivière, die zich zekerlijk niet verstout zal hebben om tegen de autoriteit van de Heeren Staten te conspireeren, heeft wel niets van den Advocaat te vreezen… en zal tot ons wederkeeren in alle vrijheid en veiligheid, na eene heusche ontvangst."

»Dat geve God! maar ik ben er nog niet zeker af… daar schuilt ietwes achter, mogelijk wel belangt het ons!"

»Hoe der vrouwen fantasie zich spooksels kan scheppen! Melieve! meent gij dat de man, daar al den last van den lande het meest op steunt, zich de moeite zal geven het zoet geheim onzer teere vriendschap te bespieden?"

»Hij zelf zal niet naar ons uitzien, dat versta ik wel… doch er zijn altijd aanbrengers te over, die hem tot oogen en ooren strekken."

»En al ware ’t hem aangebracht, wat kan het hem verschelen, dat gij en ik elkander een weinigje liefhebben?" sprak hij teederlijk; maar hij dwong haar geen glimlachje af. Zij hernam ernstig: »Luiden, die door de staatszucht gedreven worden, om heerschappij te voeren over anderen, zijn zonderling waakzaam en bedrijvig, en achten op alles… en… ziet ge Floris, dat er groot belang gesteld wordt van der Staten zijde, in den jeugdigen Heer, die eens Graaf van Culemborg zal zijn, zult ge toch niet ontkennen?"

»Zoo ik ’t wilde ontkennen, Francijntje, zou mijn verblijf hier tot Leiden tegen mijn zeggen getuigen," hernam de jonge Graaf, zelf meer getroffen bij het dieper indenken van hare opvatting, dan hij het weten wilde… maar toch, ik ben wel gerust, al ware er iets ruchtbaar geworden van ’t geen wij duchten, dan nog zou de la Rivière het voor ons weten goed te maken, hij is zoo’n behendig man!"

»Dat is hij zeker… maar zeg mij, Floris, was het na de ontvangst van die… boodschap uit ’t Hage, dat uw Gouverneur het plan van het Valkenburgsche tochtje heeft afgesteld?" vroeg Francijntje den gang harer eigene gedachten volgende.

»Och ja! maar daar komt het niet bij te pas, geloof mij toch," sprak hij met wat ongeduld, »ok ben veel meer ongerust dat er ietwes anders besproken zal worden tusschen die beide Heeren."

»Zeg mij dat andere!" hield zij aan.

»Mijn aanstaand vertrek naar Culemborg, en ik ben eigenlijk zeer beducht, dat er van deze of gene zijde pogingen worden gedaan, om dat vertrek te bespoedigen!"

»Dat zou nog niet het ergste zijn"sprak Francijntje met naïveteit, »maar waaruit vreest ge dat, Floris?"

»Zie, melieve! ik had er u niet af willen spreken om bestwil, om u niet ongerust te maken, maar nu ge mij tot mededeelingen perst, zal ik alles uitzeggen. De Burgemeester is, zooals ge weet, een dag of wat naar Culemborg geweest, in dien tusschentijd hebben we hier een gecommitteerde van den Graaf gehad, waarmede mijn Gouverneur gansch geen mondgemeenschap heeft konnen houden, omdat hij geene andere taal kent dan plat Geldersch, zooals men dat tot Culemborg spreekt. Hij was bijgevolg argwanend en soms wel wat lastig… hij heeft mij een paar malen te kennen gegeven dat de borgerij van ’t Graafschap niet zonderlinge zeer gediend was met mijn verblijf tot Leiden en met mijn Franschen Gouverneur, en dat men mij volgaarne weer op het slot of in de stad zoude zien! Hij hoopte mij in dezelfde disposities te vinden; doch gij begrijpt wat hij daarop ten antwoord kreeg…

»En… is die argwanende man nog hier?" vroeg Francijntje wat onrustig.

»Nu de Burgemeester gekeerd is, heeft Cornelis Floris Leenaerszt, zoo heet hij, zijn afscheid van ons genomen en dezen huize verlaten… maar hij is nog in Leiden, en hij niet alleen, want gisteravond toen de la Rivière naar ’s Hage was vertrokken, is hier aangekomen, een andere figuur uit Culemborg, die mij niet bevalt!"

»En die is?" vroeg Francijntje angstig.

»Zekere Joost Vossenraede, de hopman van de burgerij, die indertijd gefungeerd heeft voor kapitein van de lijfwacht, zoo ’t heette te mijner bescherming, te midden der Culemborgsche troebelen; maar die bovenal gebruikt werd om mijne persoonlijke vrijheid in banden te leggen… genoeg, ik was wat verwonderd die personage hier te zien, en te meer daar hij begeleid werd door Leenaersz, die zich excuseerde van zijne terugkomst uit een nieuwen last van mijn vader, dien hij den Burgemeester had te communiceeren. Joost Vossenraede, een houw en trouw man, doch wat plomp, zei ronduit, gezonden te zijn met beleid van den Culemborgschen magistraat, om mij te beschermen in cas van perikel, daar het gerucht van de woelingen en rumoersche zeden der studenten tot in onze goede stad was doorgedrongen. Ik barstte uit in lachen, toen de man van die onrust mijner toekomstige onderdanen gewaagde. Denk ook eens in, Francijntje! ik blootgesteld aan de perikelen der nachtelijke vechtpartijen van de studenten. Ik! die een leven leid als… een jong meisje; die na het luiden der poortklok nooit verder kom dan van uw huis tot het mijne, en die bij avond nooit een voet op straat zet, dan begeleid door mijn Gouverneur! Terwijl nog daar te boven de ordre van dit huis medebrengt, dat elk en iegelijk die hier inwoont, klokke tien binnen moet zijn, en tegenwoordig bij den huiselijken godsdienst en het avondgebed, waarbij de la Rivière voorgaat!"

»Dat is goede tucht!" zeide Francijntje, gesticht door zijne voorstelling.

»Ik zegge daar niet tegen, ik bedoelde alleen dat op zulke wijze de suppositie mijner goede Culemborgers, dat ik zoude geëxponeerd wezen of handdadig zijn aan de nachtelijke baldadigheden der academische jongelingschap, al vrij ongerijmd is, en belachelijk mag genoemd worden!"

»Als die luiden dat alles zoo niet weten, hoe het bij u in huis toegaat, dan is hunne vrees toch niet al te dwaas. Het klinkt het heele land door de straatschenderijen en onzinnige woestheden, die deze jongelieden hier tot Leiden plegen! Wij burgers lijden er groote last en onrust af, en zij zelven niet weinig schade en schande. Hunne krakeelen eindigen vaak in moord en doodslag, op zulke wijze, dat onze magistraat al het dragen van wapenen bij nacht heeft verboden… zonder dat ze gehoorzamen, als, wel blijkbaar is, daar er nog gisteren onder mijn venster een troepje slaags is geraakt en ik het geklank der wapenen duidelijk heb vernomen!

»Als ik daaromtrent had konnen zijn, hoe lustig zou de ik uwe gestoorde nachtrust aan die baldadigen gewroken hebben,"sprak Floris glimlachend.

»Wat ge ook immer onderneemt, Floris! voor mij geen vechtpartijen; geen geweld!" viel zij in met levendigheid.

»Het heeft niet in ’t allerminst gevaar,"viel hij lachend in, »ook heb ik Joost Vossenraede in goeder minne, doch met allen ernst te kennen gegeven, dat hij met de zijnen naar Culemborg had weer te keeren, en liever heden dan morgen, want dat mijn Gouverneur, die het volle vertrouwen mijns vaders heeft, mitsgaders der Heeren Staten, onder wier sauvegarde ik sta, om niet te spreken van den Leidschen magistraat, zulk misvertrouwen in hunne mesures te mijner verzekerdheid, zeer kwalijk zouden opnemen. De man heeft zich toen verontschuldigd en is heengegaan; maar mij rest de zorge, dat zij mijn heer vader, die toch al zoo gedrukt en zwaartillend is, met hunne vreeze zullen aansteken, of alreede aangestoken hebben, en dat men zich moeite zal geven mijne reize naar Culemborg te verhaasten. Gelukkig heb ik duizend pretexten vóór een, om het invallen van de groote vacantie af te wachten, en ik ben zeker dat de la Rivière mij daarin zal steunen, en hij niet alleen, maar de professoren en de curatoren daar benevens… Of het nu om zulke reden is, of om eene andere, dat mijnheer naar den Haag moest, kan ik niet bepalen; zeker verraste hem het opontbod, want schoon hij het wilde verbergen, hij zag wat ontdaan, en hij was zonderlinge zeer bewogen, toen hij mij naar Fransche gewoonte tot afscheid omhelsde!"

»Alles wat ik van u hoore, vermeerdert de beklemdheid van mijn gemoed!" hernam Francijntje gedrukt.

»Dan zal ik maar zwijgen, anders had ik u nog een goede nieuwsmare mede te deelen."

»Zeg het dan schielijk uit," sprak zij met vernieuwde onrust want in trouwe het bezwaart me, dat ik nog hier ben."

»Eilieve, waarom toch! De la Rivière zal u dat immers zoo kwalijk niet afnemen, als gij zegt hoe het toegegaan is.!

»Mogelijk niet… maar er zijn hier anderen…"

»Och wat anderen. Zwaerdecroon en Aart Amelisz komen hier nooit binnen dan voor mijne lessen… en wat was het dan nog? Mag ik niet met u praten, sinds ze weten dat wij te zamen op den voet van vertrouwde vriendschap verkeeren, onder het welnemen van mijn Gouverneur!"

»Dat is ook zoo… maar daar is bij exempel de Burgemeester…"

»Och de Burgemeester! die zal het wel laten zijne voeten over dezen dorpel te zetten. Hij is bang voor mijne boeken en nog banger voor de la Rivière, die de »schoolkamer, onvrij territoir heeft verklaard. Wij zijn nergens zoo vrij en veilig, als juist hier! Nu dan, blijf zitten, of ik zeg u mijn nieuws niet!"

»Ik luister, Floris!"

»Dat hijliksplan, door de Gravin opgeworpen, is al afgesteld! Het blijkt dat de joffer geene Paltzgravin was, maar eene dochter van een Rijngraaf, en dat ze van de Roomsche religie is. Bijgevolg behoef ik niet eens »neen, te zeggen!

»Het is gelukkig voor u dat het zoo tijdig uitkomt van die religie!" hernam Francijntje wat strak en wat verstrooid.

»Gij antwoordt mij of gij er u niet in verheugt," sprak hij met verwijt.

»Och Jonker!" hernam zij neerslachtig, »wat verscheelt mij dat; deze of een andere, ge zult toch eenmaal eene princesse hijliken… en wij zullen wel gescheiden zijn eer het zoo ver komt! Mijnheer de la Rivière heeft mij dat indertijd heel klaar uiteengezet, en ik weet wat mij wacht…" zij zweeg en zuchtte.

»De la Rivière mag ze binnenhouden, zijne sombere profetiën, die u droevig maken!" riep hij met vuur. »Francijntje, melieve wat zijt gij mismoedig vandaag! Hoe komt het in u op; wij gescheiden! twijfelt gij aan mijne standvaste trouwe?"

En de jonge Graaf, die zich naast haar had nedergezet, nam zachtjes hare hand, die zij hem liet.

»Ik ben niet mismoedig, Floris! ik ben op alles bereid, en ik ben wel getroost," hernam zij; maar ondanks hare betuigingen, kon zij het traantje niet weerhouden, dat door de wimpers heendrong.

„Elk hart heeft zijne zwakke zijde;"<br. „Dààr valt de zielevijand aan!"

zegt de christelijke dichter niet tevergeefs. Dat van het jonge meisje werd op dit oogenblik bestormd en geslingerd door pijnlijke herinneringen en angstige voorgevoelens. Dat maakte haar week en gaf de aandoeningen vrij spel om over het verstand te zegevieren. Zij wist daarbij dat zij tegen wijsheidsraad en voorschrift iets gedaan had wat zij niet moest, toegevende aan de verlokking der omstandigheden. Het gevoel van schuld drukte haar neer en zwoer samen met de onbestemde bekommeringen, die haar overvielen, om haar minder vrij, minder moedig, minder sterk te maken in dien strijd, dan gewoonlijk. Het wakkere, het eerlijke, het bedachtzame Francijntje, hoe bereid ook tot het zware offer, dat zij wist eenmaal te moeten brengen, voelde zich aangegrepen door iets als opzien en tegenzin in dat offer, waar zij het zeer nabij achtte; brengen moest zij het, dat wist zij wel, maar… het was toch wel hard! en zie, daar liet zij, zich medeslepen door eene onweerstaanbare zucht om toe te geven aan die diepe zwaarmoedigheid, die haar overmeesterde; daar boog zij neer onder de overmacht harer smartelijke gewaarwordingen!

Floris zag het niet aan met onverschilligheid, zooals men denken kan. Het ontroerde hem, het wond hem op, het maakte hem zelfs een weinigje boos.

»Op alles voorbereid, wat is dat voor tale?" riep hij heftig. »Gij hebt mij niet lief, Francijntje! als gij zoo spreken kunt!"

»Ik u niet liefhebben, Floris? wel al te lief! Lacen!" was alles wat zij wist te antwoorden en de tranen vloeiden opnieuw.

»Die zoete traantjes moet ik afwisschen," riep hij opspringende en die wegkussende met eene hartstochtelijkheid, die haar verschrikte en tot zich zelve bracht. Zij rees op, zij weerde hem af, zij wilde spreken; maar de jongeling liet het haar niet toe, en riep met al het vuur van den hartstocht:

»Wees daarop bereid, allerliefste, mij trouwe te houden uw leven lang, zooals ik gansch gewisselijk zal doen aan u, dan zal niets of niemand het vermogen hebben ons te scheiden. Als gij en ik het niet willen, kan zóó hechte en tee re verbintenis als de. onze niet verbroken worden. Laat heel de wereld tegen ons samenzweren; nu gij mij liefhebt zooals ik u, zal het hun toch niet meer gelukken, ons te scheiden!"

Men zal toch de vrijheid nemen het te beproeven, Jonker!" sprak Burgemeester Alartsz, binnentredende met al de onstuimigheid zijner driftige natuur. De onvoorzichtige kinderen hadden in hunne argeloosheid er niet eens aan gedacht de deur te sluiten, die op eene kier stond en de eerste die door de gang zou komen gelegenheid gaf hun teeder onderhoud te bespieden.

Die eerste was de Burgemeester; maar hij was de laatste, zooals men begrijpen zal, om in een geval als dit te aarzelen of terug te treden.

»Floris, Floris!" hoe… schuldig… ben ik!" bracht Francijntje uit, onder den schrik die haar trof buiten staat zich aan den steun van den jonkman te onttrekken, want de kracht om zich opgericht te houden, ontzonk haar; de jonge Graaf hield haar bewusteloos in zijne armen.

»Dat’s maar aanstelling!" sprak Alartsz ruw, »nu in zwijm vallen, nadat ge eerst den Jonker tot bekentenissen en beloften verlokt hebt, daaraf ge zeer zeker voor u groote voordeelen wacht! maar die speculatie is mis, jofferken! Uw toeleg was slim genoeg beleid, maar weester Alartsz waakte, en alschoon ieder hier zijn plicht verzuimt of met voeten treedt; ik dacht op den mijnen, ik ben onomkoopbaar!"

Floris, die zich bezighield Francijntje met alle omzichtigheid in een stoel te plaatsen, scheen niet te luisteren of niet te verstaan. Alleen met de geliefde vervuld, had de komst van den Burgemeester hem niet zoo groote ontzetting aangejaagd als men had kunnen wachten. Eerst nu keerde hij zich tot hem en zeide met hoogheid:

»Verwijder u, meester Alartsz, niets of niemand roept u hier."

»In trouwe, dat weet ik wel Jonker! maar ik voelde mij gedrongen te komen, en niet ten onpas voorwaar!"

»Gij hebt geenszins het recht hier binnen te treden!"

»Uwe Genade vergist zich. Ik heb het recht toezicht te oefenen over uw persoon en handelingen, waar gij u ook bevindt, en ik laat me niet voorschrijven door uw Franschman, waar ik u al of niet zou mogen zoeken… zoo ik u op kwade wegen acht. Ik had vermoedens tot zekerheid te brengen, daarom ben ik gekomen, wetende dat dit meisje zich bij u ophield!

»Bespieden, luisteren! Meester Alartsz, dat is verachtelijk!" hernam Floris met toorn en minachting.

»Dat kan zijn, Graaf, maar, is bij wijlen profijtelijk en gij moogt er mij voor danken, in stede van mij te beleedigen, want ik heb u verhinderd eene groote dwaasheid te begaan. Hier was een toeleg om u in een dicht net te vangen!

»Ik geloof, meester Alartsz," hernam Floris met fierheid het hoofd opheffende, terwijl zijne oogen fonkelden, »dat hier een toeleg is uwerzijds, om deze Joffer te beleedigen. Wees daar omzichtig in, want zij is het voorwerp mijner reine en teere genegenheid, en ik begeer dat men haar de achting zal toedragen, die zij verdient!"

»Mooie woorden, Jonker! maar daarmee maakt men eene onzinnige vrijagje niet goed. Die joffer, die gij zegt achting te verdienen, is bezig u een strik om den hals te werpen en de hitte der passie verblindt u dus, dat gij ’t niet kunt zien!"

»O, mijn God!"snikte Francijntje, »ik, ik!" Zachtjes aan tot bewustzijn gekomen, had zij de harde aantijgingen wel verstaan, zonder de macht te hebben er op te antwoorden.

»Francijntje, mijne wellieve! luister niet naar de grove taal van dien plompen man, luister naar mij" sprak Floris, zich aan hare voeten werpende, en hare handen in de zijne nemende, »de logens, die hij spreekt, zijn geen oprapenswaard."

»God kent mijn hart en mijne intenties! Ik ben zwak geweest, dat is wel zóó; maar dat, wat hij daar zegt, was niet in mij," snikte zij, »en monsieur de la Rivière kan getuigen…"

»Dat’s de rechte getuige," viel Alartsz in, »beroep u op dezen, daar doet ge wel aan! Of meent ge dat ik niet weet wat er tusschen u en hem omgaat. Gij zijt het met u tweeën eens om den Jonker tot zijn bederf te brengen."

»Meester Alartsz!" sprak Floris, zich nu oprichtende en zich tot dezen keerende met eene waardigheid, die boven zijn leeftijd was, »meester Alartsz, ik heb u gewaarschuwd. Alle wond, die gij hier slaat, zal IK heelen!"Al sprekende had hij den grafelijken zegelring, dien hij droeg, van den vinger genomen, en schoof dien snel aan de rechterhand van Francijntje, die bleek, bevende, verward en schreiende zich niet kon of niet wilde verzetten tegen die handeling. »Hiermede. verlove ik mij aan u, ondelr belofte van hijlik, dezen man tot getuige nemende." Daarop haar hand vattende, wendde hij zich opnieuw tot meester Alartsz, en sprak gebiedend: »Nu eerbied voor mijne bruid, voor de toekomstige Gravinne van Culemborg!"

De Burgemeester had een gesmoorden kreet geslaakt van woede en ontzetting; doch de handeling was met zooveel snelheid geschied, en hij zelf zoodanig door schrik overheerd, dat hij er zich niet had tegen kunnen stellen, maar bleef toezien met wijd geopende oogen, stom en stijf van verbazing.

Dergelijke verbintenissen waren toenmaals geldig genoeg, om bij het volharden van beide partijen de grootste moeielijkheden te geven aan hen, die ze wilden verbreken. Dat Floris in menig opzicht niet meer een onmondige werd geacht naar het recht dier tijden, blijkt daaruit, dat hij bij de schikkingen van financiëlen aard tusschen den Graaf en de Gravin niet slechts inzage kreeg van de akten en stukken, maar dat hij ze moest teekenen en met zijn grafelijken ring bezegelen, opdat er geen verschil over de geldigheid mocht ontstaan. En dien ring nu, had hij als een pand van trouw aan dat meisje geschonken, en geen recht, geweld alleen, zou haar dien nu kunnen ontweldigen. Ook wist de Burgemeester, toen hij een weinig tot bedaren kwam van zijne eerste verslagenheid, zich niet anders te redden dan door vernieuwden hoon, die hem toescheen het beste protest te zijn van het gebeurde.

»Aleer Uwe Genade in dit fraaie hijlik verder gaat, zal ik zoo vrij zijn de aanstaande Vrouwe van Culemborg hier ter deure uit te leiden," en hij trad op Francijntje toe, uitroepende: »Goedschiks of kwaadschiks, gij zult mij dien ring teruggeven!"

Maar Floris haastte zich tusschenbeiden te treden. »Terug, vazal!" riep hij hem toe in bruisenden toorn, »eer gij haar aanraakt, zult ge eerst de hand verheffen tegen uw Heer!" en hij plaatste zich vóór het jonge meisje, de armen beschermend uitbreidende. Slechts in huisgewaad gekleed, droeg de jonge Graaf geen degen, maar er stond een rapier in een hoek van ’t vertrek, en door langzaam achterwaarts te wijken, en haar zachtkens naar die zijde heen te dringen meende hij zich in de mogelijkheid te stellen dit wapen te grijpen, ingeval van nood; maar de Burgemeester viel niet op hem aan. De jeugdige edelman, gloeiende van toorn en opgewondenheid, met de vlamme van ridderlijken moed in het oog en de onverzettelijkheid van besluit op de saamgeklemde lippen, zich dus aan hem blootgevende, had iets in de houding, in het wezen, dat den ruwen man weerhield zich aan hem te vergrijpen. Hij voelde het in dien oogenblik hij was onderdaan, en de jonkman was Heer, was een zoon van dat bloed, waarvoor hij zijn eigen bloed had willen storten; hij kon hem krenken, hij kon.hem bespieden, hem tegenstaan, hij kon hem desnoods opsluiten! maar de hand slaan aan zijn persoon; dat kon hij niet.

»Floris! Floris! ik verlang te gaan, laat me, terg dien man niet!" riep Francijntje met eene gesmoorde stem; maar de jonge Graaf liet zich niet afbrengen van zijne tactiek, en verplichtte haar door een zwijgend gebaar, altijd dieper op te gaan in het vertrek.

»Gave God! dat er uitkomst kwame, gave God! dat monsieur de la Rivière hier ware!"verzuchtte zij in den angst haars harten.

Die bede werd verhoord; de la Rivière trad binnen, en hij niet alleen, Aart Amelisz, die tegelijktijdig met hem was thuisgekomen, volgde hem; Zwaerdecroon was door zoo’n klein gerucht niet uit zijne studiën op te schrikken!

De Fransche edelman had geheel het voorkomen van iemand, die een langen vermoeienden tocht heeft afgelegd; hij was gelaarsd en gespoord, hield eene rijzweep in de hand, en droeg ’t behalve zijn degen, twee pistolen in zijn bandelier; gansch geene onnutte voorzorg te dier tijde van iemand, die, hetzij in den nacht, hetzij in den vroegen ochtend, in de verplichting was geweest voor een deel den weg te nemen door het toen nog zoo onveilige Haagsche bosch.

»Floris, zijn Gouverneur ziende, liet onverwijld zijne heldhaftige pose varen; Francijntje vrijgelaten, liep dezen schielijk te gemoet alsof zij zich onder zijne bescherming wilde stellen.

»De Heer zij geloofd, dat gij hier zijt!"riep zij nog geheel onder den indruk van de doorgestane angst en smarte.

»Ik ben alleen wat verwonderd u hier te vinden!" sprak hij halfluid op een toon, die niet precies voor eene vriendelijke begroeting kon gelden; hare tegenwoordigheid, de strakke houding van Floris en den Burgemeester, zeiden hem genoeg om hem iets van de waarheid te doen raden, en met een haastigen stap het vertrek dieper intredende, vroeg hij, na die beiden beurtelings te hebben aangezien: »Wat valt hier voor?"

»Niets anders dan wat gij door uwe schuldige toegevendheid hebt voorbereid!" gaf Alartsz ten antwoord.

»Wees zoo goed eenigszins juister te determineeren, wat gij door schuldige toegevendheid verstaat, heer Burgemeester," hernam de la Rivière bedaard, terwijl hij zijne pistolen vóór zich op de tafel legde met die zekere behoedzaamheid, die bewees dat ze geladen waren; daarop vervolgde hij: »Houdt mij ten goede dat ik intusschen ga zitten. Ik ben in één adem doorgereden; het stof van den heerweg steekt me in de keel, ik ben moede en aemachtig, ik zou zeer dankbaar zijn, zoo iemand zich de moeite wilde geven mij aan een beker water te helpen."

Misschien oordeelt men dat de Gouverneur geen gepast oogenblik koos om zijne eigene behoeften op den voorgrond te stellen; maar het bleek toch zoo onhandig niet, want de jonge Graaf liep zonder eenige aarzeling de kamer uit om het verlangde te halen; hij voelde dat de tegenwoordigheid van bedienden moest vermeden worden. Die afleiding kon in geen geval schaden. Ook toen hij keerde, was de moed der opwinding, die hem bezield had, reeds aan ’t zinken, en maakte plaats voor zeer drukkende bijgedachten. De la Rivière had van zijn afwezen gebruik gemaakt om tot Alartsz te zeggen:

»Zou ik u mogen vergen, Mijnheer! mij een verslag te geven van het voorgevallene, zoo het zijn kan zonder begeleiding van zoodanige verwijtingen, tegen mij of tegen anderen als waarmede gij zijt aangevangen. Zij leiden alleen, ten nadeele van ’t gemeen belang, om mijn respect te krenken, en den jongen Graaf tot uitersten te voeren! Indien hier schuld is, indien hier mijne schuld is, wil ik die volgaarne belijden en op een voegzaam moment mijne gansche handelwijze uiteenzetten; maar nu, wees voorzichtig; zoo ik mij niet bedriege, is de situatie van dien aard, dat zij alleen door de volkomenste kalmte kan beheerscht worden.

»Het gebeurde is van dien aard, Mijnheer!"antwoordde Alartsz wrevelig en mismoedig tevens, »dat er al niets meer aan te doen is. Wilt gij het alevel met uwe miraculeuse bedaardheid beproeven, mij is \’t wel, ik zal er mij buiten houden, alleen verg van mij geene kalmte, waar de eere en welvaart van den huize Culemborg op het spel staat, ja als verloren en totaallijk geruïneerd moet beschouwd worden!"

»De Heer Burgemeester is wel hard in zijne uitdrukkingen; de eere en de welstand van den huize Culemborg zijn in mijne handen niet zoo kwalijk betrouwd als hij meent," sprak Francijntje, met zooveel waardigheid, of zij eene geborene Gravinne van Culemborg ware. Voor de la Rivière, hoe ook ontrust door de beteekenis, die er aan het gebeurde scheen gehecht te worden, hadden de woorden van Francijntje een geruststellenden zin; hij kende haar te goed om haar zoo licht te veroordeelen, zelfs waar de schijn tegen haar was; maar den Burgemeester was het niet gegeven een blik in hare ziel te slaan en hij riep spottend:

»Gij triomfeert wat al te vroeg, juffertje! Gij zijt nog niet door het graafschap gehuldigd!"

»Ik begrijp niet, waarop gij zinspeelt," zei de la Rivière, den Burgemeester vragend aanziende, die met drift antwoordde:

»Op niets minder dan dit, dat de jonge Graaf hier voor mijne oogen zich plechtiglijk heeft verloofd met dat meisje en haar zijn grafelijken zegelring aan de rechterhand heeft gestoken, tot pand van trouw."

»Gij neemt dat voor ernst?" hernam de la Rivière, het hoofd schuddende met een schouderophalen. »Hoe komt het in u op, die kinderen hebben gespeeld en zij hebben u willen plagen, is het zoo niet, Joffer Lantscroon?"

Francijntje zweeg verlegen en zuchtte.

Een sombere wolk betrok het gelaat van den Gouverneur.

»Daar is de Graaf terug, laat hij zelf getuigen of hij ’t gemeend heeft," sprak Alartsz.

Floris reikte de la Rivière zwijgend een kleinen beker; de blik, dien deze met hem wisselde, terwijl hij zijn »merci tres cher" van de lippen liet vallen, zeide meer dan duizend woorden! het was eene mengeling van dank en deernis, van meewarigheid en smartelijke onrust tevens. De Fransche edelman scheen werkelijk behoefte te hebben aan wat lafenis; hij dronk met opzettelijke langzaamheid; zonderling, niemand sprak daar, nu die man als het sein tot zwijgen had gegeven. De Burgemeester zijne drift verkroppende onder de spanning van het oogenblik, had zich zijwaarts af teruggetrokken; zijn zoon had zich bij hem gevoegd; Francijntje had de wijk genomen achter den stoel van de la Rivière, zoo ver mogelijk van Alartsz af, die niet laten kon haar met grimmige blikken aan te zien. Floris was bij zijn Gouverneur blijven staan; deze zette den beker neer, vatte de hand van den jongen Graaf, waaraan het belangrijk kleinood gemist werd, en vroeg toen, hem wat scherp in de oogen ziende:

»Hoe hebt gij uw ochtend besteed in mijne absentie?"

»Als ik een verhoor moet ondergaan, laat het dan zijn onder vier oogen, bid de ik u!" sprak Floris halfluid en smeekend; doch met eene intonatie, van bedwongen ongeduld, door het fijn gehoor van zijn Gouverneur wel gevat, die schertsenderwijs hernam: »Men neemt gemeenlijk een verhoor af ten overstaan van aanklagers en… medeplichtigen; doch hebt gij tegen dien vorm… hetzij, ik zal mijn raadvermogen beproeven en gij zult mij terecht helpen, waar ik mistaste."

»Ik worde hier verwelkomd met klachten over u, ik vrees er de oorzaak van te raden; door mijn afzijn uit uwe gewoonten geraakt, hebt gij geen lust gevoeld tot uw werk…

»Ik heb afgedaan wat ik moest," mompelde Floris.

»Meester Zwaerdecroon schijnt geen gevolg gegeven te hebben aan mijn verzoek, om u in mijne plaats bezig te houden… ook buiten zijn leeruur " ging de la Rivière voort.

»Hij heeft zijne dosis Latijn verdubbeld, als dat uwe intentie is geweest, was hij wel zeer getrouw," viel Floris in, niet zonder eenige bitterheid.

»Zijne intentie kon nooit zijn, u overmatige inspanning op te dwingen, ik had zelfs op meester Aart Amelisz gerekend om in zulk geval eene nutte afleiding daar te stellen," hervatte de la Rivière, den laatste aanziende.

»Ik moest eene promotie bijwonen," hernam deze, »en de Jonker wilde niet uitgaan. Zijne Genade had dictaten na te zien, en zich voor te bereiden voor het respondeer-collegie van Professor Merula, zoo ik mij niet bedriege."

»En is in die voorbereiding gestoord geworden door het verrassend bezoek van Joffer Francijntje Lantscroon." hervatte de la Rivière eer scherp dan schertsend, »die weet, hoezeer ik prijs stel op haar omgang met mijn discipel, maar die evenzeer weet," ging hij nog ernstiger voort, zich tot Francijntje keerende, »hoe noodig het is… dat men den jongen Graaf, zonderling in mijne absentie, aan zijne studiën late; die op dit punt mijnerzijds een wenk had ontvangen…

»Die mij te laat is geworden," lispelde Francijntje met een zucht.

»Op zulke wijze, Mijnheer!" viel Floris in, »dat Francijntje buiten alle schuld is… en dat ik alleen… dat ik het ben, die haar verlokt heb bij mij binnen te komen."

»En toen hebben mijne jongelieden hun tijd verpraat en verbeuzeld, als ware kinderen, die zij zich betoond hebben te zijn; ik kan mij zeer goed voorstellen hoe dat toegegaan is; maar dat neemt niet weg, Floris, dat ik u zulk loszinnig overtreden van mijne voorschriften zeer kwalijk afneem. Schaam u! monsieur le Comte, mijn afwezen te gebruiken om vooral het tegendeel te doen van ’t geen ik had aanbevolen… Voorwaar, ik meende dat wij met zulke manieren voor goed hadden afgedaan; het zijn van die, waarvoor men een knaap van twaalf jaar in penitentie zoude stellen, en zóó ongepast van u tegenover mij, dat ik mijnerzijds de gelijkstelling, waarnaar gij schijnt te streven, behoorde te voltooien… wat dunkt u?"

De Gouverneur scheen er ditmaal een zonderling opzet in te leggen om den jongen edelman, dien hij gewoon was boven zijn leeftijd op te heffen tot de proporties van een schoolknaap terug te zetten, en Floris droeg die vernedering met eene lijdzaamheid, die het levendige Francijntje in alle vrijheid opgegroeid, en wier vorming meest had bestaan in self-education, nauwelijks in hem kon dulden, en die haar tot overwegingen bracht niet precies gunstig voor haar jeugdigen verloofde. Hetgeen zij daar voor zich zag, kon haar geen schitterend denkbeeld geven van den steun en de bescherming, die zij van dezen te wachten had, en hoeveel achting zij ook had voor de la Rivière, zij vatte een geheimen onwil tegen hem op, omdat hij haar jeugdigen vriend, wiens moed zij nog pas had bewonderd, zulk eene jammerlijke figuur liet maken. Misschien was het juist om haar dien indruk te geven, dat de Gouverneur haar getuige maakte van een tooneel, waarbij zekere illusies noodwendig moesten wegvallen; vermoedelijk was dit niet zijn eenig doel en trachtte hij Floris door beschaming terug te brengen tot dat volkomen besef eener afhankelijkheid, in zoo scherp contrast met de eigendunkelijke daad, die hij zich had veroorloofd, dat de ongerijmdheid van zijn bedrijf hem zelf treffen moest, en hij den moed zou verliezen om voor zijn coup de tête uit te komen en zeer dankbaar zou zijn, zoo men daaraan eene wending gaf, die hem meer grievende verwijten spaarde en van moeielijkheden onthief, waartegen hij toch niet zou kunnen opworstelen. Zoo Floris het redmiddel aangreep, waartoe men hem den weg zoude wijzen; zoo hij zijne eigene daad verloochende, al ware het ook slechts door zwijgen, dan was er niets verloren, en de la Rivière rekende er wel op, dat hij de zelfstandigheid miste dat af te wijzen; de Gouverneur vergiste zich zooals Francijntje zich vergiste, in de lijdzaamheid van Floris. Hier was minder zwakheid dan zij meende. Zeker, hij was al te gewoon aan de leiding van die vaste hand, die nu op hem drukte, om zich daartegen te verheffen, zelfs al trof hem pijnlijk haar ongewone klem; maar hij plooide zich uit plichtbesef, hij voelde het, hij had geen recht tot verzet tegen zijn Gouverneur, zooals hij dat achtte te hebben tegen den Burgemeester, en de eerste had oorzaak tot misnoegen, al had hij dat anders kunnen uitdrukken dan hij nu deed; en het diep ontzag, dat deze hem inboezemde, de teere aanhankelijkheid, die Floris aan hem verbond, maakten het den jonkman mogelijk zich te buigen zonder laagheid al deed hij het tevens met de zekerheid, dat in opstand komen roekeloosheid ware geweest; hij raadde het, de Gouverneur liet zich niet vervoeren om tot hem te spreken, zooals hij nu deed door eene opwelling van drift en gramschap, zooals Alartsz, dien men dan ras overblufte door eenig moedbetoon; maar daar was overleg, koel beraad, parti pris, in de houding, die hij hem zag aannemen en het was bijgevolg een onbegonnen strijd zich met dezen te meten; een nuttelooz,e ook, en die zeer zeker eene vernederende nederlaag zou kosten, eer het tot dien anderen strijd kwam, waarvoor Floris zich had aangegord, en waarvoor hij zijne krachten nog moest sparen; daarbij hij had de vaste overtuiging, dat de la Rivière geene andere dan goede bedoelingen kon hebben, al nam deze ook een gansch ongewonen weg om ze te bereiken, en al begreep hij niet, welke het konden zijn. Ook sprak niet het meest de grieve der beschaming uit de verslagene houding, waarmede hij zwijgen bleef, maar veeleer smartelijke verwondering uit den blik, dien hij naar den Franschen edelman ophief, als wilde hij hem vragen: »Waarom doet gij mij dit?" En zonderling, de la Rivière wendde het hoofd af, als kon hij dien zachten, droeven aanblik niet dragen. Het zwijgen duurde nog voort.

»Antwoord mij!" gebood de Gouverneur met eene forschheid, in hem te ongewoon, om niet wat gemaakt te zijn.

»Wat zal ik zeggen…" bracht Floris uit met eene gesmoorde stem, »ik ben schuldig; maar niet aan een opzet om u te desobedieeren; geloof mij toch! toevallige omstandigheden hebben er toe geleid… O, als gij alles wist"hervatte hij op eens in gansch veranderden toon, »alles wat ik nu niet kan uitspreken, zoudt gij deernis met mij hebben en mij… sparen"eindigde hij bijna fluisterend, terwijl hij nogmaals zijne zachte blauwe oogen naar de la Rivière ophief, hoewel er nu toch iets in tintelde, dat getuigde hoe de lijdzaamheid zwaar begon te vallen; hoe de fierheid opzag tegen hernieuwde vernedering, hoe zij mogelijk steigeren zoude bij nauwer aanhouden van haar teugel; maar de Gouverneur scheen op een haarbreed te kunnen berekenen, hoe ver de koorde dier lijdzaamheid kon gespannen worden, zonder hare rekkelijkheid te verliezen, en hij had de zeldzame gave zich op het uiterste van die grens te wagen, zonder die immer te overschrijden. Hij bewees het, door nu te antwoorden op een toon van ernst met goedheid doormengd.

»Ik geloof u, Floris; maar ik wenschte in u de kracht te vinden om de verlokkingen der omstandigheden te weerstaan; het tegendeel is echter geschied, occasio facit furem; en de gelegenheid was er nu eenmaal tot kortswijl en zoeten kout, is het niet zoo?"voegde hij er bij, schijnbaar losweg, doch met intentie, om hem opmerkzaam te maken op zijne zienswijze en die te doen vatten. »te midden daarvan is u mijnheer Alartsz komen verrassen, volgens zijne loffelijke gewoonte om over u te waken in mijne plaats; hij verstaat zich niet goed op de eischen uwer jonkheid, hij is u hard gevallen, alsof jokkernij en jolijselijke vroolijkheid misdaad ware… uw jeugdig bloed is aan ’t bruisen geraakt; hij is driftig geworden, gij hebt hem een weinigje willen kwellen, een weinigje willen trotseeren, al hetwelk wel niet prijselijk is, maar zeer verklaarbaar, en gij hebt u met uwe schalke gezellinne verstaan om de scherts vol te houden, die zijne ergernis wekte en die hij in zijne drift, in zijne verrassing, als ernst heeft opgevat…"

»Scherts, mijnheer! scherts!" viel Floris in met al het vuur eener edele verontwaardiging, »wie u zulke voorstelling van ’t gebeurde heeft gegeven, is wel trouweloos en wel vermetel!"

De la Rivière kon het zich voor gezegd houden; hij zelf had zijn kweekeling niet gevormd om tot eene kunstgreep als die hij had uitgedacht de toevlucht te nemen, zelfs al had deze een uitweg gewenscht of berouw gevoeld, zijne rassche ingeving te zijn gevolgd; maar dààr was hij nog niet; de geestdrift der liefde was nog onverkoeld, en voor den strijd, dien hij te harer wille zoude moeten voeren, was hij vaardig; hij was niet afgemat en smachtende naar den vrede, zooals de la Rivière zich dat voorstelde; hij had zich gespaard ter verdediging van dat ééne punt, dat hij niet meende op te geven. Men las het uit den gloed, die zijne oogen verlevendigde, toen hij voortging: »Dat ik den spot zoude drijven, met zulke ernstige zake, met een vroom en deugdelijk meisje als dit hier! dat zeker zult gij, mijnheer, gij, och wel niet van mij gelooven. Dan voorzeker zou ik u oorzaak gegeven hebben mij hard te behandelen en met uwe minachting te treffen! Neen, op mijn woord, het was niet uit kortswijl, dat ik mijn zegelring als onderpand van trouwe aan haar vinger heb gestoken, het was mij ernst en het was haar recht, het gold hier eene eereherstelling."

»Seigneur Dieu!" riep de la Rivière met ontzetting en bracht de handen naar het hoofd, als duizelde het hem in het brein. Maar de Burgemeester, die zijne bedoeling had begrepen en toejuichte, stelde hem gerust door half toornig, half spottend uit te roepen:

»De Jonker weet niet wat hij zegt. Eereherstelling! om een paar hartige woordjes, die ik tegen…, de Joffer heb gebruikt (hij durfde de verloofde van Pallant Culemborg nu toch waarlijk geene deerne noemen) uit onwilover dat zottelijk geteem, daarmee zij den jeugdigen Heer trachtte om te leiden."

»Meester Alartsz!" riep Floris opstuivende; maar de la Rivière had zich hervat, wierp Floris een blik toe, die hem deed verstommen; richtte zich toen op, legde hem de hand op den schouder en sprak eenige woorden in een zacht rad Fransch, voor niemand dan zijn leerling verstaanbaar; maar ook voor dezen verstaanbaar genoeg om den gloed van den hartstocht op zijne kaken te doen verbleeken; de Fransche edelman keerde zich daarna van hem af en naar Francijntje toe.

»En heeft joffer Lantscroon het noodig geacht die… eereherstelling aan te nemen?" vroeg hij, haar aanziende met beduidenis en op een toon, waarvan hij hoopte dat zij de bedoeling zou vatten.

Maar zij antwoordde met levendigheid: »Zij moest wel, monsieur de la Rivière!"

»Het zij verre van mij eene jonkvrouw als joffer Lantscroon voor te schrijven wat zij heeft te doen en te laten op zoo teeder punt," hervatte hij vleiend, daarop hoffelijk hare hand nemende en haar wat ter zijde afvoerende, vervolgde hij met zachten nadruk, »maar toch, het komt mij voor dat een paar grove woorden van Mijnheer Alartsz, die gewoonlijk luider klinken dan zwaar wegen, en diens intentiën nimmer zoo rouw zijn als zijne taal, u, zonderling u, niet volkomen gerechtigen, om zoodanige vergoeding aan te nemen, als waaraf hier sprake is."

»O mijnheer de la Rivière!" sprak zij niet zonder eenige bitterheid, »gij zijt een wijs en voorzienig man, gij zegt in u zelven: »zij is gewaarschuwd en zij weet waarop zij te rekenen heeft," dat is ook zoo! maar toch… ik ben zoo hard bejegend, zoo grievend verdacht geworden in dit huis…"

»Erken althans, mejoffer, dat ik het mijne gedaan had om dit te voorkomen," gaf hij ten antwoord, haar met wat opzet in de oogen ziende, die zij nedersloeg.

Zij kleurde sterk, en hervatte na een diepen zucht: »Ik ben niet zonder schuld, dat is zóó, maar gij die mijne intentiën kent, die weet hoe ik verre en vreemd ben van alle eigenbelang en bijbedoeling, gij zult nu toch voor mij getuigen, gij zult nu toch in mijne zaak spreken?"

»Dat zal ik gewisselijk; alleen, gelooft gij dat Floris nu zou konnen dragen wat ik te zeggen heb?"

»O monsieur de la Rivière!" bracht Francijntje uit op den toon van de diepste teleurstelling. »Zoo zal ik mijn eigen weg gaan," hervatte zij daarop met zonderlinge beslotenheid, waarin iets als dreiging doorschemerde, dat den Gouverneur wel wat in onrust bracht, vooral toen zij, zich van hem verwijderende, luid, doch met zachte vrouwelijke waardigheid voortging: »Gij, mijnheer, weet beter dan iemand, welke goede genegenheid ik Graaf Floris toedrage, en dat ik daarop nimmer verwachtingen voor mij zelve heb gebouwd! Maar nu is ’t gebeurd dat de Burgemeester heeft goed gevonden, mij zulke harde woorden naar ’t hoofd te werpen… dat een weleerlijk meiske ze niet hooren mag, noch zich laten aanleunen, en een weleerlijk meiske ben ik, al is de schijn tegen mij…"

»Daarop geef ik mijn woord als edelman!" viel de la Riviere in.

Men hoorde een wonderlijk »hm!" uit de keel des Burgemeesters, Francijntje vervolgde: »Meester Alartsz heeft gesproken van opzet, van verlokking, van strikken, die ik… ik! Graaf Floris zou gespreid hebben: dat heeft den edelen Jonker getroffen, die toen achtte mij vergoeding schuldig te zijn, en ik ontveins het niet, dat ik Zijne Genade dankbaar ben mij beter geoordeeld te hebben; dat hij getoond heeft mij recht te willen doen naar zijn beste vermogen, door de aanbieding van zijne trouw, juist ten overstaan van diengene, die mij zoo grievend heeft beleedigd. Daarmee heeft de Jonker gehandeld als een moedig en ridderlijk jonkman, daarom wil ik hem eeren en vriendschap toedragen voor al de wereld, al weet ik ook dat het niet aan hem zal staan, zijn gegeven woord te houden… maar dat is ook niet noodig, dát, wat hij deed, is mij genoeg!"

»Genoeg! gansch elementen! ik wou zien wat ze meer kon wenschen," bromde Alartsz tusschen de tanden.

De Gouverneur was deerlijk in zijn wiek geschoten, toen hij zijne bondgenoote met geringe consideratie voor ’t geheim tractaat aan de zijde van den vijand zag overgaan, doch hij moest zich bekennen, dat hij zelf haar een weinig in den steek had gelaten, en nu hij voelde dat hij niet langer te doen had met het volgzame jonge meisje, dat zich door zijne wenken liet leiden; maar met eene jonge vrouw, die rancune tegen hem had opgevat, en die besloten scheen haar eigen hoofd te volgen, durfde hij haar niet in dezen oogenblik, niet voor deze getuigen, meer nadrukkelijk aan de geslotene overeenkomst herinneren, uit vreeze haar nog meer te verbitteren. Hij wist het, alles hing af van haar goeden zin; zij scheen nu in eene luim, die gevierd wilde zijn, en zij had een karakter, dat dwang zou trotseeren, doch voor overtuiging zou buigen. Nu, de kunst van overreding wist hij goed te verstaan; maar de gelegenheid om haar toe te passen moest gunstig zijn, zou zij werken. »En somme filons doux," was het besluit zijner overweging! maar tot vermeerdering zijner ergernis moest hij het aanzien dat zijn pupil het opgelegde stilzwijgen verbrekende, zich tot Francijntje wendde, zeggende:

»Zóó moet ge niet spreken, Francijntje, mijn woord zal ik houden, wees daar wel gerust op; veracht mijne jonkheid niet, en betrouw u op mijne belofte. Ik weet wel, dat ik nu in dezen tijd niet bij machte ben ietwes meer hierin te doen; ik weet wel, dat ik om deze verbintenis last en vervolging zal lijden, dat allen, die hier zijn, en vele anderen nog daartoe, het hunne zullen doen om ons te scheiden en van elkander te rukken; dat men ons verhinderen zal elkaar te zien, te spreken, dat de vrijheid tot hiertoe genoten, zal worden ingetrokken, dat wie voor ons is geweest, ons nu tegen zal zijn, en dat we kwade dagen zullen hebben, liefste mijne! en veel zullen lijden naar het harte! Doch dit alles is toch slechts voor een tijd; ik zal welhaast mondig zijn, ik zal eenmaal regeerend Graaf worden! Ik zal alle hindernissen verzetten, verbreken, overwinnen, al zou ik er mijn graafschap bij inboeten. Al zou ik dien schelklinkenden titel, die mij niet gebracht heeft dan ledige eere en blinkende boeien, aan eene zijde stellen en als simpel edelman met den degen in de hand in het leger van den Prins mij een staat, een rang, een naam verwinnen, daaraf ik niemand rekenschap schuldig zal zijn, en dien gij met mij zult deelen!"