Bosboom-Toussaint/Een Leidsch student in 1593/Hoofdstuk XII deel 2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een Leidsch student in 1593
Hoofdstuk I · Hoofdstuk II · Hoofdstuk III · Hoofdstuk IV · Hoofdstuk V · Hoofdstuk VI deel 1 · Hoofdstuk VI deel 2 · Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII · Hoofdstuk IX · Hoofdstuk X · Hoofdstuk XI · Hoofdstuk XII deel 1 · Hoofdstuk XII deel 2 · Besluit


EEN LEIDSCH STUDENT[bewerken]

________________________________________

XII. DEEL 2[bewerken]

Terwijl Floris sprak, had Francijntje hem aangestaard met oogen, waaruit dankbaarheid en teedere bewondering schitterden. Het was blijkbaar dat zij een welgevallen had in zijne geestdrift, en dat zij er trotsch op was hem tot zulken moed, tot zulke voornemens te bezielen. Al sprekende had hij hare hand gevat, en toen hij zweeg, drukte hij even de lippen op haar voorhoofd, als ter bezegeling zijner woorden. Zij liet het toe; maar daarop week zij snel terug, keerde zich van hem aftrad naar het venster en hield haar zakdoek voor de oog en. Floris wendde zich nu naar de la Rivière: »Verschoon mij mijnheer!" sprak hij eerbiedig, doch met ongewone vastheid, »zoo ik in uw bijzijn een toon heb gevoerd, strijdig met den eerbied, dien ik u schuldig ben en zonder uw raad te vragen eene beslissing heb genomen, die zoo wichtig is… maar het gold hier mijne toekomst, het gold hier datgeen, waarvan gij mij altijd hebt gezegd, dat ik er met mijne eigene consciëntie in te rade moest gaan. Dit uitgezonderd, blijve ik als voorheen uw volgaarne discipel, gereed om u in alles te gehoorzamen…"

»Ik wachte ook niet anders, monsieur le Comte, gelijk gij van mij zult wachten, dat ik mijnerzijds mijn plicht zal doen, zonder met uwe excepties te rekenen," hernam de la Rivière laconiek, en scheen willens er nog iets bij te voegen à l’ adresse van Francijntje, want hij wendde zijne oogen naar de zijde, waar hij het meisje had zien staan, dat echter op dienzelfden oogenblik stil en gehaast het vertrek verliet, zonder naar Floris of naar iemand om te zien.

Een schrille alarmkreet, door den Burgemeester geslaakt, begeleidde dit heengaan, en belette de la Rivière voort te spreken. Men kan zich denken dat de driftige meester Alartsz, ondanks zijne belofte van gelatenheid, bij de hartstochtelijke toespraak en handelwijze van zijn jeugdigen Heer niet vrijwillig een zwijgend en werkeloos toehoorder was gebleven. De Gouverneur, die de hoop op zijne bondgenoote nog niet had opgegeven, maar die, zooals wij weten, zijne redenen had om haar vooreerst te laten geworden, en die tevens de overtuiging had dat zijn pupil onder haar oog en in het vuur der passie eene houding had aangenomen, die het niet in zijn karakter lag vol te houden, achtte het noodig de koorts der opwinding te laten afloopen, eer men haar tegenging, en had zich dus bemoeid meester Alartsz door wenken, blikken en woorden te bezadigen en van een onbesuisd tusschenbeiden treden af te houden. »Laat dat stroovuur branden," fluisterde hij hem toe, »’t is de vlamme der jonkheid, die zich zelve verteert, werp er geen olie bij…"

»Moet ik dan aanzien dat hij hare hand vat…"

»Doe als ik en geef er geen acht op, laat ons geen ernst maken van hun spel, dat is mijne tactiek voor het oogenblik, begrijpt gij mij dan niet?"

»Maar nu toch, kunt ge dat dulden, dat hij haar kust voor onze oogen!" riep hij bijna met luider stem.

»Hun afscheid! Pauvres chers enfants! Men gunne ze dat!" sprak de la Rivière zelf bewogen bij de gedachte. Daar keerde Floris zich tot hem, en hij moest Alartsz aan zich zelven overlaten (hetgeen gelijktijdig voorviel en met alle rapheid van beweging en woord, die de gemoedsaandoeningen der handelende personen ingaven, moet onze gebrekkelijke kunst achtereenvolgens voorstellen, en met omschrijvingen, die maar al te zeer het aanschouwelijke der handeling storen), die bij het weggaan van Francijntje haar wilde volgen, uitroepende: »Mijn God! daar gaat zij heen met den ring aan den vinger!" en daarop de la Rivière, Aart Amelisz en Floris zelf, die zich bij dien kreet naar hem toekeerden uit den weg wilde dringen, om zich nog meester te maken van het stoffelijk symbool eener daad, dat hem belangrijker scheen dan de gezindheid des harten. »Wees toch bedaard, mijnheer!" beet de la Rivière hem toe, »daar is op dit oogenblik nu niets aan te doen."

»Dat zullen wij zien, zij zal zóó het huis niet uit, laat mij."

»Geenszins," hernam de la Rivière, standhoudende met eene gebiedende geste, »gij zult geen geweld gebruiken in dit huis, tegen deze jonkvrouw, die wij hier zelf hebben ingeroepen en die hier goede diensten heeft bewezen."

»Mijn vader ik bidde u, gij zoudt dusdoende ruchtbaarheid geven aan een geval, dat zich nu wellicht nog zal laten middelen! smeekte Aart Amelisz, en dwong den heftigen man wankelend onder zijne driften, nog meer dan onder zijne zwaarte, in den armstoel plaats te nemen, dien hij aanschoof.

»Meent meester Alartsz veellicht mijne schenkage ongedaan te maken, zoo hem gelukken kost den ring met dwang van dreiging of geweld aan den vinger der joffer te ontweldigen?" vroeg Floris met wat spottenden overmoed, maar die zeer hoog werd opgenomen door zijn Gouverneur, die hem strafte met zulk een blik van afkeuring en misnoegen, als hem maar zelden te beurt viel, terwijl hij sprak:

»Monsieur le Comte, ik ontrade u ernstelijk uw kwade zaak te verergeren door uws vaders gecommitteerde te braveeren! gij zult er vermoedelijk niet aan hechten, dat men ijlboden zende naar Culemborg, naar KinzweiIer en naar Hage, om den Graaf, de Gravin en de hooge autoriteit dezes lands te adverteeren van datgene, wat gij uwe verloving noemt, en nieuwe orders te vragen omtrent uw persoon?" Floris antwoordde niet terstond, hij maakte een gebaar van schrik en verlegenheid, dat van aanvangende ontnuchtering getuigde. Wat hij ook zeggen mocht, er was bij hem eene geheime hoop op de bescherming van zijn Gouverneur bij zijne liefde, op diens verschooning voor zijne eigenmachtige daad; die toon, die blik zeide hem gansch wat anders, en getuigde van iets, waartegen hij niet was geharnast; hij voelde zijn hoogen moed zinken, de toespeling op eene onmiddellijke verandering in zijn toestand trof zijne verbeelding, hij voelde dat zulk misnoegen hem op den duur ondragelijk zou zijn; hij ving aan zijn haut fait als een misstap te onderkennen, waarover hij zich ontschuldigen moest.

»Mijnheer, ik betuig u in der waarheid, dat die man door zijne tergende rouwheid de oorzaak is van al het gebeurde! zeide hij met eene zachte bewogene stem.

»Over de oorzaken zullen wij thans niet richten, hernam de Fransche edelman met opzet streng, »de gevolgen zult gij hebben te dragen; gij hebt ergernis gegeven, doe uw best het te doen vergeten, door de meest bescheidene houding, ’t is de eenige die u past…

Floris wilde iets zeggen.

»Wees stil, viel de la Rivière in, onbewogen door de diepe verslagenheid van den jongen Graaf, »wees zeer stil, begeef u naar uwe kamer en wacht mij dáár. Ik zal zoo haast met u te spreken hebben. Floris boog zich zwijgend en deed eenige schreden om te gehoorzamen; maar in dienzelfden oogenblik vloog Amelis Alartsz als een razende van zijn stoel open greep de la Rivière in de borst, uitroepende: »Gij zijt een eerlooze, een eedschenner, een verrader!"

»Help! Hemel! mijn vader is krankzinnig geworden! riep Aart Ameliszdie vergeefs had getracht hem te weerhouden.

Floris slaakte een kreet van schrik en trad haastig vooruit om zijn Gouverneur te hulp te komen, maar deze was zeer vaardig om zich zelf te helpen. Het onverwachte van den aanval had hem in eerst verrast. De greep van de forsche vuist des Burgemeesters was niet te ontgaan; maar hij had beide handen vrij, hij was dicht bij de tafel, waar hij zijne pistolen had neergelegd, hij vatte een daarvan en die opheffende sprak hij: »Laat af van mij of ik brand los!"

De Burgemeester bleek niet krankzinnig, zooals zijn zoon van hem vreesde, want hij verstond de waarschuwing zóó goed, dat hij den Franschen edelman vrij lieten de gloed der drift, die op zijne wangen brandde, tot een doodbleek wegstierf; maar hij herhaalde toch de beleediging. Toen sprak de la Rivière met alle bedaardheid: »Gij gebruikt daar benamingen mijnheer, die niet op mij passen, en waarmede ik nimmer ben toegesproken. Ik wacht eene opheldering van de redenen, welke gij daarvoor meent te hebben. Wees echter gewaarschuwd, mijne zelfbeheersching niet op bovenmenschelijke proeve te stellen, want het zou kunnen gebeuren dat ik de verdediging mijner eer mijn naasten plicht achtte… nòg vrage ik u rekenschap in woorden, hoed u dat ik er niet toe kome die te vragen op andere wijze." De la Rivière ging zitten en legde voorzichtig zijn pistool op de vorige plaats.

»Rekenschap! rekenschap!" herhaalde de Burgemeester, »het is aan mij die te vragen van u. Gij, die een schandelijk verraad gepleegd hebt tegen den huize Culemborg, daaraf de eere en de toekomst was toevertrouwd aan uwe hoede nevens, ja boven mij!" De harde stem van Meester Alartsz werd mat en trillend, en hij zuchtte. »Leyder! gij hebt anderen begoocheld en overheerd, zooals gij het mij hebt gedaan; ondanks mijn wantrouwen, ondanks mijne vermoedens… heb ik u geloof gegeven… tot het uiterste… geloof, dat gij zoo schendig hebt misbruikt…"

»Geene uitweidingen… bewijzen," eischte de la Rivière met zichtbaar ongeduld.

»Zijn er andere noodig, dan die van zooeven, om mij de zekerheid te geven dat gij het met die jongelieden eens zijt?"

»In trouwe, die bewijzen zijn sprekend!" zei de la Rivière met ironie en wat laatdunkend de schouders optrekkende.

»Het heeft u gebelgd dat ik van schuldige toegeeflijkheid heb gesproken… en toch bij ’t geen ik weet en zie, kan ik geen zachter woord gebruiken, Gij hebt van dezen onzinnigen minnehandel geweten; gij hebt dien verheeld, beschermd, aangemoedigd veellicht, gij hebt dien hier voor mijne oogen, ondanks mijne wenken, mijne onrust, mijn tegenstand tot zulk beslag laten komen, dat er voor den jongen Graaf verderf en ellende, en voor zijn edel Huis droefheid en schande na volgen moet!" Alartsz moest even zwijgen, de tranen kwamen hem in de oogen.

»Jonker!" sprak Amelisz zacht tot Floris, die zich ter zijde hield en als wegschool achter den stoel van de la Rivière, maar die in zichtbare spanning en met klimmenden toorn bij het spreken van Alartsz toeluisterde: »Jonker! zoudt gij niet beter doen heen te gaan?"

»Ik kan nu niet meer heengaan, ik zou rust noch duur hebben in mijne eenzaamheid, wetende wat hier voorvalt," antwoordde Floris, daarop den Gouverneur aanziende, sprak hij smeekend: »Och, laat mij nu bij u blijven!"

»Ja, blijf!" hernam deze. »Ik worde hier tot eene verantwoording geroepen, die u goed kan zijn mede aan te hooren; wat de ruwe beleedigingen belangt… die men hier niemand spaart, de onbillijke aantijgingen… gij hebt oordeel des onderscheids genoeg om ze te wegen; blijf, maar vergeet niet dat hier een roekeloos spel wordt gespeeld met zware woorden, en dat het niet aan u is ze op te vatten." Toen zich tot Alartsz keerende: »Mijnheer de Burgemeester, ik waardeere in u de gehechtheid aan het Huis van uw Heer, en ik kan veel van u verschoonen, zonderling in eene ure als deze, waarin er zooveel is geschied om u te verbitteren en tot toorn te verwekken; ik begin te begrijpen wat u heeft vervoerd tot een aanval als die van zooeven; van uw standpunt gezien, moest mijne handelwijze u ergernis geven, ik zal trachten u op het mijne te plaatsen, en zoo moet ik u allereerst zeggen, dat ik geene zottelijke minnarij heb toegestaan, noch beschermd, veelmin aangemoedigd, en dat van het oogenblik af, waarin ik zekerheid heb, dat er tusschen de jongelieden eene betrekking bestaat, die men dus zou kunnen bestempelen, er door mij afdoende maatregelen zullen genomen worden om die tegen te gaan."

»Als dat werkelijk uwe intentie geweest ware, zouden die maatregelen al voorlang genomen zijn; het tegendeel van dien heeft plaats gevonden, de jongelieden hebben verkeering gehad met elkander in alle ruste en vrijheid, met uwe voorkennis, onder uwe toelating, in uw bijwezen, als onder uw opzicht, zou men haast mogen zeggen."

»Welnu, mijnheer, bewijst dat dan niet… ving de la Rivière aan.

»Het bewijst grootendeels tegen u," viel Alartsz in met zijne basstem, daar geen andere toon tegen vermocht. »Van een anderen gouverneur zou men konnen onderstellen dat hij verschalkt ware, of tegen zijn wil genooddrukt toe te geven aan den rebellischen dwang van een weerbarstigen pupil, die zich aan zijn verbod noch vertoogen keert. Maar ’t is voor al de wereld kennelijk, dat zulks hier niet het geval kan zijn. Gij zijt een man van singuliere schranderheid en goed beleid, die zich niet door een paar kinderen zal laten verkloeken. Het is bewezen dat gij een onbetwist gezag oefent over uw pupil, die u gehoor en geloof geeft in alles; dat gij er den slag van hebt hem te brengen, waar gij hem hebben wilt."

»Mijnheer Alartsz wil ons beiden beschamen" sprak de la Rivière tot Floris gewend, daarop luider tot den Burgemeester: »het gebeurde van dezen ochtend is eene droeve ontkenning van ’t geen gij daar zegt… gij kunt toch niet meenen dat ik…"

»Ik meen dat het aan u heeft gestaan," hervatte Alartsz nog heftiger dan te voren, »eeniglijk aan u, mijnheer, zijne jeugd voor dien valstrik te hoeden, en dat gij het niet hebt gedaan; ik meen dat gij, die alles hadt kunnen voorkomen, niets hebt verhinderd; dat gij nog daarenboven mij, die tusschenbeiden wilde treden om de gevolgen van eene onbezonnenheid af te keeren, daarin belemmerd hebt. Ik, dwaas! die mij liet gezeggen, in de onderstelling dat gij een gelijk belang hadt bij de herstelling van de begane fout, en die mirakelen wachtte van uwe abelbeid! Dit alles considereerende moet men tot het besluit komen, dat hier uwerzijds opzet bestaat, schuldig opzet, dat ik met geen zachteren naam weet te noemen dan… dien ik straks heb gebruikt."

»Is de conclusie toch wel niet wat forsch?"vroeg de la Rivière zonder toorn en zelfs met wat weekheid in de stem, waaruit diepe weemoed sprak. »Kan ik mij niet bedrogen hebben? Kunnen de beste voorzorgen niet ijdel zijn, de beste bedoelingen niet falen? Kan ik niet misgetast hebben in de middelen, die ik heb aangegrepen, mij niet vergist in de berekening van uitkomsten, geene fout hebben begaan in ’t eind? Kan mij zelven niet de smartelijkste teleurstelling hebben getroffen, mijne kennis van ’t menschelijke harte, mijne waardeering van situatiën, van karakters niet hebben gefailleerd, zooals ik aanvang te vreezen?"

»Dat is niet aan te nemen, mijnheer! daarbij, het zou u naar mijn gevoelen niet veel verschoonen. Ik spreek niet alleen van ’t geen heden is voorgevallen, niet van die schromelijke onvoorzichtigheid door Zijne Genade begaan, en die het buiten uw vermogen is geweest te keeren… dat wil ik toegeven; maar van ’t geen die heeft voorbereid, den vertrouwelijken omgang tusschen de jongelieden door uwe inschikkelijkheid mogelijk gemaakt… zooals gij niet zult ontkennen…!

»Ik ontken dat geenszins, ik heb zelfs getracht dien te leiden, te kweeken, te veiligen tegen alles wat daarop storend of schadelijk kon inwerken. Ik heb daarover gewaakt met alle behoedzaamheid; in één woord, ik heb de vriendschappelijke betrekking, waarvan sprake is, niet slechts toegelaten, ik heb haar gewild, ik heb haar door mijne goedkeuring gewettigd, en ik had daarvoor mijne beweegredenen, die ik u volgaarne wil uiteenzetten."

»Dat is vrij onnoodig, mijnheer! ik ken ze," gaf Alartsz ten antwoord, hem met zekere opzettelijkheid aanziende.

»Dat wist ik niet!" hernam de la Rivière wat verwonderd, »doch in dat geval zult gij het met mij eens zijn dat de nood mij perste.!

»Ik zeg niet van neen! Ik wil zelfs toegeven dat de handelwijze van den Graaf van Culemborg jegens u eenigermate tot uwe verschooning zou konnen strekken, zoo gij tot… ongewone… hulpmiddelen uwe toevlucht hadt genomen, maar toch, mijnheer, dit hier is onverschoonlijk. Wat mij belangt, ik ben geen man van zoo grooten geest als gij zijt, noch hebbe roem te dragen op edele afkomst en singuliere vroomheid, die men gewoon is in u te prijzen, maar toch zoude ik simpele burgerman mij zelven verlaagd en bevlekt achten, zoo ik die had gebruikt, welke gij hebt aangegrepen; en ik had in uw geval liever het ergste afgewacht, dan gonsten en giften aan te nemen van mijn kweekeling, die mij later verplichten zouden tot laaghartige inschikkelijkheid voor zijne onbezonnenheden of maken tot den deelgenoot zijner misstappen."

Floris had herhaalde malen met de levendigste onrust smeekend de handen naar Amelis Alartsz opgeheven en wenken gegeven, die tot zwijgen aanmaanden, maar de Burgemeester merkte dit niet op, of stoorde er zich niet aan in het vuur zijner beschuldigingen. Aart Amelisz scheen mede zeer bekommerd over de wending, die de woordenwisseling had genomen, maar achtte het evenzeer onraadzaam zich daarin te mengen; de la Rivière hoorde den Burgemeester aan met stijgende verwondering, hij scheen niet gekrenkt, maar het kostte hem blijkbaar groote inspanning hem niet in de rede te vallen.

»Ik moet er van afzien u te begrijpen, mijnheer!" sprak hij nu, zich nog tot waardige kalmte dwingende, schoon de verontwaardiging hem het voorhoofd kleurde en de oogen deed fonkelen. »Hier is misverstand. De man, dien gij daar schetst, ben ik niet. Zoo ik die ware, zoude ik alle uwe verwijtingen verdiend hebben, maar zelfs hij misverstand had mijn karakter en mijne gedragingen mij voor zulke onderstellingen behooren te waarborgen."

»Het zijn ongelukkiglijk geene onderstellingen," hernam Alartsz, maar de la Rivière, zonder naar hem te luisteren, keerde zich tot Floris met eene zonderlinge uitdrukking van smart en hoogheid in toon en gelaat. »Nu zal het noodig zijn dat mijn discipel voor mij getuigenis geeft. Herinnert gij u, Graaf, dat ik immer iets jegens u heb gebruikt, dat men laag-har-ti-ge in-schik-ke-lijk-heid zou konnen noemen?" De Gouverneur drukte op iedere syllabe van dat woord, dat hij niet had kunnen aanhooren zonder dat hem het bloed in de aders kookte. Maar Floris verkeerde in een staat van ontroering en verwarring, die het hem onmogelijk maakte te antwoorden, zooals hij moest. Zijne oogen schoten vuur en vlam op den Burgemeester, hij balde de vuist tegen dezen, hij luisterde niet naar de la Rivière, en toen deze dringend en zelfs wat driftig antwoord eischte, zag men hem verbleeken, sidderen, hoorde men hem snikken, maar een antwoord gaf hij niet.

De la Rivière wrong de handen ineen en verbeet zich de lippen van ergernis.

De Burgemeester vervolgde met een zegevierenden glimlach: »Het blijkt dat gij den Jonker niet op logens hebt afgericht, zijne getuigenis, zoo hij waarheid durfde spreken, zou u tegen zijn. Ik heb bewijzen dat gij de man zijt dien ik meene. Ik heb de wissels in handen, die de jonge Graaf voor u heeft betaald, de pandbrieven van de kleinoodiën, door hem bij den lombard gesteldt om zich geld aan te schaffen voor u, zijn onder mijne berusting. Neen, Jonker! zet niet zulke vervaarlijke oogen tegen mij op alsof gij mij te lijf wildet. Gij weet dat ik staande uwe ziekte papieren heb moeten lichten uit uw trezoorken; toen heb ik alles ontdekt! Gij weet dat ik waarheid spreek, ik heb tot hiertoe gezwegen uit consideratie voor u en ook voor hem, wetende dat armoede en geldverlegenheid machtige verzoekingen zijn; maar sinds gij de eene onvoorzichtigheid op de andere stapelt, sinds gij de totale ruïne van uw huis en naam wilt voltooien, zal ik toch het mijne doen om u tegen te houden, door alles aan het licht te brengen en dien voortgang te stuiten."

Floris had telkens getracht door uitroepingen van smart en toorn die terrible toespraak te storen, zonder dat het baatte en zonder dat hij, door heftige aandoening overmeesterd, in staat was meer beslissend tusschenbeide te treden. Nu echter het oog op de la Rivière slaande, gilde hij uit: »Meester Alartsz, zie wat gij gedaan hebt! Gij hebt hem vermoord door uwe beleedigingen. Die beschuldiging had allen schijn voor zich. De ongelukkige edelman had geen enkel woord uitgebracht, geen enkelen kreet geslaakt. Hij was rechtop blijven zitten, de wijdgeopende strak starende oogen op den Burgemeester gericht houdende; slechts had zich eene vale doodskleur verspreid over zijn gelaat, waarvan geen enkele trek zich bewoog; slechts waren de lippen geopend, als willens, maar onmachtig tot spreken; slechts hingen de armen als verstijfd bij het lichaam neer, en Floris, die zijne handen drukte en kuste, bemerkte dat ze koud waren als marmer. Hij scheen gevoelloos, zoowel als bewegingloos; het was of de vlijmende smart en de grieve der beleediging hem in het harte hadden getroffen of dat hart had opgehouden te kloppen en de bloedstroom niet langer vloeide.

»Ik heb mij niets te verwijten, Jonker," riep Alartsz meer ontzet dan hij zelf bekennen wilde, over de vreeselijke uitwerking zijner woorden, »is het mijne schuld, dat hij de waarheid niet dragen kan!"

»Maar ongelukkige, gij liegt! hij heeft nooit geweten, hij zou nooit geweten hebben wat ik voor hem gedaan had, zoo gij ’t in uwe onbesuisde rouwheid niet hadt uitgebracht. Gij zijt het, gij alleen, die mij altijd tot uitersten hebt gevoerd, gij hebt mijn zielsbeminden vriend in dezen toestand gebracht, bid God dat hij er van bekome, want ik zal ’t op uwe kinderen en kindskinderen verhalen." Al sprekende viel het oog van den jongen Graaf op de pistolen, die op de tafel lagen. Onder de ingeving zijner hartstochtelijke droefheid nam hij er een in de hand, en richtte dat op den Burgemeester. »Meester Alartsz kniel neer! kniel neer voor mijn Gouverneur en herroep uwe beleedigingen, herroep ze allen! zoo hij nog leven kan, zal het hem redden, doe wat ik zeg, vazal! of ik schiet toe!"

De vazal in dezen minder gehaast zijn jeugdigen heer te gehoorzamen, dan zich tegen zijne woede te veiligen, week terug naar den uitersten hoek van ’t vertrek; zijn zoon stelde zich vóór hem, Floris wilde volgen.

»FLORIS!!" riep de la Rivière, maar zijn stem klonk hol en schor, of zij slechts met groote inspanning geluid kon voortbrengen. Toch was hij gered. Een zelfde oorzaak als hem de spraak belemmerd had, hielp hem die belemmering overwinnen: de ontzetting! Hij kwam tot zich zelven, rees plotseling op, strekte den arm gebiedend uit, en met een toon, nog trillend van de aandoeningen, die hem geschokt hadden, hervatte hij: »Floris, leg dat wapen neer!" en terwijl de jonkman gehoorzaamde, ging hij voort: »Meent gij misschien dat ik uwe hulp noodig heb om mijne eer te handhaven, zooals men zegt dat ik die heb ingeroepen om mijne schulden te betalen?"en de ongelukkige barstte uit in een akeligen sarcastischen lach, zonk in zijn stoel terug, liet het hoofd in de handen neervallen en kon toen niet langer de bittere tranen weerhouden, die zijns ondanks mildelijk vloeiden. Weldadige verlichting, die hem noodig was, maar die pijnlijk was te aanschouwen. Verblijd hem te zien leven, verschrikt over zijne opvatting van het gebeurde; op het smartelijkst getroffen door deze sprekende bewijzen van diepgaand lijden, wierp de jonge Graaf zich aan zijne voeten, en stamelde: »Vergiffenis!" De la Rivière hief het hoofd op en keerde zich tot hem, daar was nu weer leven en bezieling op zijn gelaat, maar het scheen vervallen en verouderd in die eene ure, en het had eene uitdrukking van zielsangst, die de fijnvoelende jonkman in het harte trof.

»Hebt gij dàt gedaan, voor mij gedaan — wat — die man zegt?" vroeg de Gouverneur met eene zonderlinge langzaamheid, alsof het hem moeite kostte de vraag te doen.

»Vergiffenis!… ik… ik…" was alles wat Floris kon uitbrengen.

»Ik vraag of het waar is of onwaar?" viel de la Rivière in met ongeduld en hoogheid.

»Het is waar, mijnheer! maar…"

»Dan zijt gij het, die mijnheer Alartsz gerechtigd hebt mij te bejegenen, zooals hij deed; dan zijt gij het, die mij aan de verachting der wereld hebt prijs gegeven! Floris, Floris! wat heb ik u gedaan, om mij dit toe te brengen? Ik was arm, zeer arm, en ik heb veel geleden onder mijne armoede, maar ik kon toch met fierheid het hoofd opheffen onder de menschen, want ik was rijk in mijne onbevlekte eer; dien eenigen rijkdom naar de wereld hebt gij mij ontnomen!" Na de hartstochtelijkheid, waarmede dit laatste was gezegd, lag er iets vreeselijks in den koelen nadruk, waarmede hij er bijvoegde: »Ziedaar, wat ik u niet zal vergeven!"

»Neen, neen, mijnheer! zeg dat niet, spreek zóó niet tegen mij!" smeekte Floris onder tranen, »ij zult mij uwe hand reiken, gij zult mij vergiffenis schenken, gij hebt mij nimmer onrecht gedaan, gij zult overwegen dat ik… ik… dat alles zóó niet heb konnen inzien, niet heb konnen berekenen, en… en ik dacht ook wel niet…"

»Wat gaf u het recht u met mijne zaken te bemoeien?" viel de la Rivière in.

»De groote verlegenheid van die jongelieden… die naar Frankrijk terug moesten, en die den tijd van het bedongen uitstel niet konnende afwachten… de wisselbrieven wilden overdoen aan zekeren… Piemontees, dat is me bekend geworden door een trouw vriend…"

»Moliæus!" riep de Gouverneur met heftigheid.

»Neen, mijnheer! hoe komt gij op dezen," hervatte Floris wat bevreemd, »dokter Moliæus heeft mij later welover de zaak gesproken, en ik heb hem toen alles bekend en zijne geheimhouding afgebeden, die hij, zooals blijkt, getrouwelijk is nagekomen…

»De kring uwer vrienden is niet wijd, Floris! ik ga ’t raden."

»Verdenk geen onschuldige sinds het kwaad is in uwe oogen. Jacobus Prouninck heeft er mij van geadverteerd, en meende wel te doen… want de tijd drong en men waarschuwde mij dat die Piemontees een gevaarlijk mensch was, wel bekwaam u in groote ongelegenheid te wikkelen om deze zake…"

»Zoo hadt gij tot mij moeten gaan en mij alles mededeelen." »opdat gij mij buiten de mogelijkheid stellen zoudt iets voor u te doen! Neen, in trouwe, daarop waagde ik het niet. Ik begreep daar te boven dat de zwarigheid, daarin gij u bevondt mijn vader tot oneer strekte, ik verbeeldde mij dat het mijn recht was in zijne plaats te treden, sinds hij achteloos was in het nakomen zijner verplichtingen; maar allermeest vond ik een recht in den aandrang van mijn hart, die mij prikkelde om mij zelven de stille vreugde te schenken, u een dienst te bewijzen, daaraf gij onbewust zoudt zijn?"

»En die mijnheer Alartsz gelijk geeft, waar hij mij een ontrouwe noemt aan eed en plicht," merkte de Fransche edelman aan met bitterheid. Verdacht, vernederd, voor de oogen van zijn kweekeling op het pijnlijkst in zijne fierheid gekrenkt, bekommerd over de gevolgen van \’t gebeurde, diep gedrukt door eene verantwoordelijkheid, waaraan hij zich kon noch wilde onttrekken, verzette hij zich tegen de zachtere aandoeningen, die Floris wilde doen gelden; overzag in strijd met zijn vast beginsel de goede beweging des halten, die de daad had ingegeven om slechts op de uitkomst te letten, en gebruikte hardheid om roerende liefde te beantwoorden.

»Het stond u niet vrij te doen wat gij gedaan hebt, uw goed is niet eens het uwe, gij moogt er dus niet over beschikken" vervolgde hij streng.

»Toch wel!" voerde Floris aan met eene beweging van verdriet en ongeduld, »dit hier was mij toegekomen uit het legaat van mijne moei Florentine van Culemborg. Verschoon mij, mijnheer, dit zijn familieschikkingen, daarmede gij onbekend zijt."

»Dit is zeer mogelijk, monsieur le Comte, maar des te beter ben ik bekend met den omvang mijner plichten, en daarin was begrepen, dat ik u had behooren af te houden van wegen, die gij, te mijner wille, zijt gegaan; schoon God weet dat ik liever mijn eigen graf gedolven had, dan dezen kuil voor uw voet. Hetgeen niet belet dat de Graaf van Culemborg, zoodra hij dit zal vernomen hebben, volkomen in zijn recht zal zijn, mij als een plichtschendige uit mijn ambt te ontslaan."

»Neen, neen! dat kan niet zijn!" riep Floris levendig »daarbij… hij zal niets vernemen, de Burgemeester zal nu wel zwijgen," voegde hij er bij, met meer goedhartigheid dan goed overleg.

»Wat is dit nu, monsieur le Comte! sprak de la Rivière met koele hoogheid. »Inderstelt gij dat ik hier zelf niet zal spreken! Ik niet het eerst en voor allen? Meent gij misschien dat ik zulk een geheim zou willen deelen met u, met mijnheer Alartsz, en onder zulke conditiën uw Gouverneur blijven? Ik in uwe afhankelijkheid! in de zijne! Hebt gij dan zulk een onvolkomen denkbeeld van mijn karakter, om dát mogelijk te achten? Hebt gij daar wellicht op gerekend bij de zotte hersenschimmen, die gij u hebt gevormd voor uwe toekomst? gerekend op mijne dankbaarheid voor wederdiensten… zulke diensten waard! Heeft mijnheer Alartsz gelijk en heeft zijne verdenking tegen mij hem in uw hart doen lezen, wat mijne liefde daarin niet heeft konnen zien? Is de verwonderlijke stoutmoedigheid, die gij heden in mijn bijzijn hebt betoond, reeds ontslaan uit het bewustzijn, dat gij maar een enkel woord hadt te spreken, om mij als een dankbaren verplichte aan uwe voeten te zien? Ongelukkige, gij hebt u misrekend! zonderling misrekend. Begrijpt gij dan niet dat iedere toegeeflijkheid, iedere verschooning, ieder liefdebewijs mij van nu aan onmogelijk is gemaakt? Begrijpt gij dan niet dat de woorden: laaghartige inschikkelijkheid, die mij naar het hoofd zijn geworpen door uwe schuld, mij voor altijd in ’t geheugen zijn gegriffeld, dat uw recht op mijne dankbaarheid en mijne onheelbare grieve, elkander altijd zullen stooten en botsen, en dat het van nu aan tusschen u en mij dus gesteld zal zijn, dat gij, gij zelf het eerst onze scheiding zult wenschen?" »Neen! dat heb ik niet konnen berekenen, dat waarlijk niet, dat gij, hetgeen ik gedaan heb in allen eenvoud, in alle liefde, dus zoudt opvatten, en daaraan zulke bijgedachten zoudt verbinden!" hernam Floris smartelijk, en mismoedig terugtredende, ziende dat de hand, waarnaar hij smeekend de zijne uitstrekte, hem niet werd gereikt, en dat geen enkele blik van liefde de harde toespraak verzachtte. »en toch,"hervatte hij, »toch kan ik mij niet voorstellen, dat het zijn zal zooals gij zegt! Ik weet alleen dat ik mij inniger dan ooit aan u verhecht heb gevoeld, door den dienst dien ik u in stilte had bewezen, dat ik meer dan voorheen heb geschroomd, u door het lichtste verzet te krenken, dat mijn eerbied voor u, dat mijne vrees u te mishagen altijd is toegenomen, veel meer dan verzwakt, en dat ik nu, waar ik zie dat de diepte der krenking u hard en onbillijk maakt, wel gezind ben ook hardheid en onbillijkheid van u te dragen, om u eenmaal ongelijk te geven in uwe voorstelling, en u te toonen dat gij het hart van Floris van Culemborg toch hebt miskend!"

»Ik misken uw hart niet, Floris! ik wantrouw mij zelven" hernam de la Rivière nu zachter, maar toch zonder minzaamheid. »Ik vreeze, niet meer in de condities te zijn, om mijne taak bij u te vervullen. Ik zal u zeggen waarom ik uw Gouverneur ben geworden, dan zult gij mij misschien begrijpen; luister, en gij ook mijnheer Alartsz, treed wat nader, en tracht mij te verstaan, dan zult gij zelf weten hoe weinig er tusschen mij en den jongen Graaf sprake heeft konnen zijn van laaghartige inschikkelijkheid!

»Och mijnheer! gedenk die woorden niet meer, ik heb ze mij zelven al lang verweten,"sprak de Burgemeester geroerd en langzaam nader komende.

»Dat is te vroeg mijnheer, oefen even geduld. Gijlieden weet dat ik een zoon gehad heb die… Beringen heette…" De Gouverneur scheen den naam niet zonder moeite uit te spreken, hoewel hij al het volgende zeide op vasten, maar diep zwaarmoedigen toon.

»Gehad mijnheer! Hemel! is Beringen dood?" vroeg Floris ontsteld.

»Het is waarschijnlijk dat hij nog leeft, maar hij is dood voor mij, gij zult wel begrijpen waarom?"

»Helaas, ja!" hernam de jonge Graaf met een diepen zucht. "Toen er met mij onderhandeld werd om de betrekking bij u te aanvaarden, wist ik welke intriges er gebruikt waren om den Graaf van Culemborg te dwingen eene andere richting te geven aan uwe opvoeding, en mij aan uwe zijde te plaatsen, maar ik wist niet, wie daarbij de voorname rol had gespeeld, en ik had weinig lust, ten spijt van den vader, een ambt aan te nemen, waarin ik door eene moeder en door zekere personen van kwaliteit zou worden ingedrngen. De Gravin, om mij over te halen, deed mij verstaan dat het mijn eigen zoon was, die zich te haren gevalle in deze zaak sterk had gecompromitteerd bij den Graaf, en dat ik bijgevolg daarin reeds te veel betrokken was, om mij nu nog terug te trekken. Ik zag dat niet in, want ik was van gevoelen dat ik niet gebonden kon zijn door betuigingen en beloften van een zoon, met wien ik sinds lang geene communicatie had gehad, van wien ik zelfs niet geweten had waar hij zich ophield, noch wat hij deed, en die stoutelijk mijn naam had gebruikt bij handelingen, die ik moest afkeuren; maar ik zag wat anders, en dit haalde mij over tot het verlangen van de Gravin. Ik zag, dat mijn zoon het instrument was geweest om haar zoon tot het kwade te voeren, tot list en leugen te verlokken, op bedrog en opstand af te richten. Dat trof mij in \’t harte. Daar voelde ik mij door de consciëntie gedrongen goed te maken wat mijn bloed had misdreven, ware het ook ten koste van mijn eigen hartebloed! Daar zwoer ik bij mij zelven een duren eed, dien ik, God is mijn getuige! heb getracht te houden: om het vreemde kind lief te hebben met alle krachten mijner ziel, om alle gaven en vermogens die in mij waren te besteden eeniglijk ten dienste van dat pleegkind; om te herstellen, wat hersteld kon worden door mijne tusschenkomst, om mij zelven volkomenlijk te verloochenen in alles, waar dat geëischt kon worden te zijnen oorbaar, en om te beginnen… zond ik Beringen van mij weg, die tot mij gekomen was met tranen van boete en berouw!"

»O mijnheer de la Rivière!"riep Floris met zekere ontzetting, »mijn vader had hem vergiffenis geschonken."

»Uw vader kon dat doen, ik… ik mocht het niet. De vergiffenis van den Graaf van Culemborg bracht mede, zooals gij u herinneren zult, mijnheer de Burgemeester! dat Beringen den jongen Graaf zou de vergezellen naar Leiden, dat hij er zijne studiën zou deelen en zich bekwamen in eenigen tak van wetenschap, waardoor de ongeregelde, zwerfzieke jongeling met der tijd tot een gevestigden stand zoude konnen komen. Hij deed mij de sterkste betuigingen van goede voornemens, beloofde betering van al zijne gebreken, en onderwerping voor het toekomende. Het was mijn oudste kind… ik had hem zeer lief, ik geloofde aan zijn hart, aan zijn goeden wil, maar… ik had geen vertrouwen in zijn karakter… ik moest op u denken, Floris, op mijn eed, op mijn plicht; hij kon het werk, dat ik op mij nam, bemoeielijken; afbreken wat ik opbouwde, hij was uw verleider geweest, hij kon uw verderf voltooien, dat moest niet zijn, ik heb hem van mij gestooten en losgelaten!"

»Heere God! zijn eigen zoon!"riep de Burgemeester.

»Ja! ja… ik herinner het mij, de orders omtrent Beringen zijn plotseling ingetrokken."

»Op mijn verlangen," hernam de la Rivière met een zucht, »toen is hij zijne eigene wegen gegaan, het breede pad des verderfs op!"

»Mijnheer!" sprak Floris met schuchterheid, »op één punt stel u gerust… hij is bij de Gravin."

»Zóó, ja… dit verwachtte ik," hernam de la Rivière in verwarring en met een pijnlijken glimlach, en hij bedekte de oogen met de beide handen; er vloeiden tranen, die hij niet wilde toonen. »En nu, Floris!" hervatte hij, het hoofd opheffende, »oordeel zelf, waartoe ik bekwaam ben ter wille van u: zelfs om ter zijde te gaan, waar ik u niet meer goed zoude zijn, en zoo ik meene is nu de tijd dáár voor mij, om dit offer te brengen. Ik ben verdacht geworden en gekrenkt, zooals ik niet had konnen wachten, zooals ik niet heb konnen dragen… ik ben niet zeker dat ik het volkomenlijk zal konnen vergeten; dat ik het mij nimmermeer zal herinneren ter kwader ure: ik ben niet meer zeker van mij zelven, niet meer zeker van mijne lankmoedigheid en zelfverloochening te ieder stond. Alzoo zou ik u tot schade zijn, schoon in omgekeerden zin dan Mijnheer Alartsz van mij heeft vermoed. Het zou ondankbaar wezen en onbillijk, ik weet het, want gij hebt mij deugdelijken dienst bewezen, en ik zou de edelmoedigheid, de kieschheid van uwe handelwijze moeten loven, zoo ik niet dan uw vriend ware, maar nu ik uw leidsman moet zijn, moet ik dat alles met andere oogen zien, en nu ligt uwe weldaad daar tusschen u en mij, als eene weerhaak, die onze harten scheuren en onze personen scheiden zal."

»Ik wil u in alles geloof geven, maar niet in dit!" hernam Floris met levendigheid. »De indruk van de geledene krenking doet u alles nu zoo duister zien. Ik ken u ook, mijnheer! Meent gij misschien dat de discipel vóór alle andere studiën geene studie maakt van zijn meester. Gij hebt mij dankbaarheid beloofd voor een bewezen dienst en gij zult die betalen, ik ben er zeker van… Nog in deze zelfde ure heb ik u pages-dienst verleend… is het u vergeten?"

»Zeker neen, de beker waters, dien gij mij hebt gereikt, die vrijwillige dienst der liefde, die u op dat oogenblik zelfverloochening moest kosten, heeft in mijne oogen groote beteekenis."

»Nu dan, voor eenigen dank vrage ik, dat gij om dezen dienst dien anderen, die u gekrenkt heeft, wilt vergeven en vergeten, of zoo u dat te moeielijk valt, mij te vergunnen haar door menigen diergelijken dienst te vergoelijken!" Al sprekende was de jonge Graaf den Gouverneur weer dichter genaderd, en scheen nu willens zich in zijne armen te werpen, maar deze weerde hem af met zachtheid, maar toch met een gebaar, dat tot terughouding dwong.

»Gij zijt een beminnelijk jong edelman, en ik beloof u zulke dankbaarheid als mij mogelijk zal zijn; wat er aan gebreekt, moogt gij verschoonen,"antwoordde hij stroef en somber, altijd sprekende of de woorden hem niet van de tong wilden; toen na een oogenblik zwijgens: »Floris van Pallant! de Heere God spare u armoede, maar zoo het gebeuren moest dat gij een enkel oogenblik kost voelen, wat een welgeboren man met een fier gemoed en een karakter als het mijne lijdt onder hare kwellingen, lijdt onder de vernederingen, onder de pijnigende zorgen, die zij oplegt; onder de beschaming, die zij met zich brengt, en die de fierheid tot hoogmoed overspant, dan zult gij het in uw rampspoedigen Gouverneur begrijpen, dat hij hierna niet meer anders kan zijn dan een stug, hardvochtig man, diens harte voor teedere aandoeningen is gesloten, en diens liefde zich nimmermeer uiten kan, dan in — kracht."

»Verschoon mij, mijnheer! die man kunt gij niet zijn,"hernam Floris stoutmoedig en met zekere geestdrift, »want uwe ballingschap, en de onspoed, dien zij met zich brengt, zijn immers dezulke, waarvoor de Heer zelf honderdvoudige belooning heeft toegezegd, en ik weet dat gij een christen zijt, en dat in menige bittere ure die hope u heeft vertroost en versterkt. Alzoo ook nu!"

»Dat is een goed woord, Floris! dat mij noodig was, en waarvoor ik u dank," hernam de la Rivière zachtmoedig, doch zonder iets van die mildheid in stem en gelaat, die hem placht eigen te zijn; »maar nu laat mij, ik ben… vermoeid en ik heb nog met den Burgemeester te spreken."

»Zendt ge mij zóó van u?" hernam Floris smartelijk getroffen, »als ik eene misdaad gepleegd had, zoudt gij mijn berouw hebben aangenomen, en nu…" De Gouverneur wees met eene gebiedende beweging naar de deur. De jonge Graaf keerde zich af. »Och!" zuchtte hij, »gave God dat ik maar weer ziek werd, zooals ik zeker wel worden zal, bij alles wat ik heb te lijden, dan zult gij mij weer oppassen en voor vader en moeder strekken, als voorheen, en dan zult gij ten laatste uw stervenden Floris toch wel de hand reiken… en aan ’t harte drukken."

»Seigneur Dieu! die roekelooze wensch, dat ziekbed! Pauvre cher enfant, waaraan doet ge mij gedenken?" riep de la Rivière, met drift opvliegende en nu hem volgende, om hem met hartstochtelijkheid in de armen te sluiten.

»Aan iets van al het vele dat ik u schuldig ben!" hernam Floris met blijde zegepraal, »omdat ik wel wist dat uw hart niet verkoud kon zijn voor mij! Mijn vriend! mijn vader! beteekent geld en goed dan zóó veel, dat ik ooit in staat zoude wezen, ware ’t met de schenking van mijn gansche graafschap, in waarheid mijne verplichtingen af te doen jegens u?"

»Als ik dàt toestemde, cher fils, zoude ik u ruimte laten om in de vorige foute te vervallen," sprak de la Rivière nu met dien toon en dien glimlach, die bewezen dat hij weder zich zelf was geworden, »maar ik mag niet ontkennen dat ik geloof u het betere gegeven te hebben, God helpende, en uwe gewillige volgzaamheid mijne pogingen schragende… Uwe groote liefde heeft den demon van den hoogmoed in mijn hart verslagen. Wees gezegend! wees gedankt!" en hij kuste hem het voorhoofd. Toen zich omwendende en snel zijne tranen wegwisschende, hervatte hij: »De Burgemeester zal mij voor een week, zwak man houden…"

»De Burgemeester denkt op gansch wat anders!" mompelde deze halfluid met vochtige oogen.

»Nu deze verzoening getroffen is, kom ik mij als middelaar stellen voor een anderen vrede, sprak Aart Amelisz, die zijn vader bij de hand hield.

»Monsieur de la Rivière, mijn vader erkent zijn ongelijk; hij heeft leedwezen van hetgeen hij gezegd heeft over uw persoon en handelwijze, hij neemt dat alles terug, hij is volkomen overtuigd dat zijne vermoedens, zijn wantrouwen onbillijk waren, en hij hoopt dat gij zijne excuses zult aannemen."

»Wel gaarne mijnheer… zooals altijd." hernam de Fransche edelman niet zonder eenige ironie, »en te eerder daar ik mijn pupil kwalijk het schadelijk exempel kan geven van een tweegevecht met een ambtgenoot! Tot de gevoeligheid van den edelman op het punt van eer moet men verloochenen in deze betrekking," eindigde hij met een zucht.

De beide mannen gaven elkander de hand, de Burgemeester wischte zich het voorhoofd af en ging zitten; hij ook had meer aandoeningen gehad dan hij dragen konde.

»En nu, meester Aart Amelisz, ik heb nog explicaties te geven aan mijnheer den Gecommitteerde van den Graaf van Culemborg, die welonder vier oogen konnen geschieden; verzel gij den Jonker naar zijne kamer, en houd hem eene wijle gezelschap; voor ’t geval dat de Prounincks komen, eer ik daar ben… worden ze niet toegelaten; Zijne Genade gaat vandaag niet uit!"Al sprekende legde hij de hand op den schouder van Floris, en zag hem aan met die uitdrukking van ernst en liefde, die genoegzaam scheen om den jonkman in zijne uitspraak te doen berusten, want deze, schoon hij sterk kleurde, als trof hem, wat hij niet had gewacht, nam de hand van den Gouverneur, drukte die aan de lippen, ten bewijze van onderwerping, en verwijderde zich zonder aarzeling. Aart Amelisz, eer hij volgde, wierp onwillekeurig een onrustigen blik op de pistolen. De la Rivière zeide glimlachend:

»Wees zoo goed die wapens mede te nemen, meester Amelisz, »ik geloof niet dat ze te pas zullen komen bij de ophelderingen, die ik mijnheer uw vader heb te geven!"

Waarover die ophelderingen liepen, is voor ons gemakkelijk te raden. De Gouverneur hechtte er aan den Gecommitteerde van den Graaf van Culemborg, den man die aan zijne getrouwheid had getwijfeld, te bewijzen dat hij niet lichtvaardig, maar alleen in een uiterste geval de jongelieden tot elkander had gebracht, na uit alle macht en met alle behoedzaamheid elke toenadering te hebben geweerd; en nadat het mogelijke beproefd was om een hartstocht te bestrijden, die in diepte toenam, ondanks den meest omzichtigen tegenstand, en die het leven en de rede van den jeugdigen lijder in gevaar had gebracht.

»Het is daarbij,"ging hij voort, »in eene opvoeding niet de vraag alle hartstochten te dooden en uit te roeien, het is de vraag die te regelen en te leeren beheerschen, en tot de instrumenten te maken van het goede en groote. Dat heb ik ondernomen met die van Floris. Ik heb ondernomen die om te scheppen in eene zachte, reine genegenheid, die de liefelijke koorde kon zijn om hem tot minnelijke deugd te trekken en van velerlei kwaads af te leiden. Ik weet wel, van de honderd pedagogen zouden geen drie dezen weg gaan, en bij honderde kweekelingen zou men ook verkeerd doen, dien in te slaan: maar in het singuliere geval van den jongen Graaf, bij eene opvoeding als de zijne is geweest, bij zijn isolement, met een karakter, een gemoed als het zijne; bij de aanhankelijkheid, die hij mij betoonde, de volgzaamheid, daaraf ik zeker was, en het volkomen vertrouwen dat hij mij schonk, durfde ik het wagen. Ik kon dat te eer, omdat ik bij het meisje de dispositie vond om mijn oogmerk te dienen, en de hoedanigheden die het haar mogelijk zouden maken. Zij is kloek en degelijk, paart vastheid van karakter aan lieftalligheid van aard, is deugdzaam en fier, kuisch zonder gemaakte preutschheid, noch ijdel, noch behaagziek, en heeft toch genoeg vrouwelijke behendigheid en ervaring van het leyen, om over zich zelve te waken. In één woord, om de herstelling van Floris te verzekeren, wetende wat zij deed, en tot welke uitkomst het leiden moest, nam zij de taak op zich, die ik haar aanwees, vatte mijne bedoelingen met vrouwelijke intuïtie, en voerde ze uit met mannelijke kloekheid en trouwe.!

»Ik geloof aan alle mogelijke goede eigenschappen van het meiske, als gij ze mij optelt," merkte Alartsz aan, »maar dat belet niet, dat wij er nu deerlijk mee opgescheept zijn; ik zie wel dat gij ’t om bestwille dus hebt beleid, maar naar mijn verstand was het toch altijd eene groote onvoorzichtigheid, zooals gij zelf zult erkennen, want nu de zaak is tegengeslagen, zijt gij niet meer in uw geheel om er ordre op te stellen, en ik begrijp mij nu zeer wel uwe houding van dezen morgen en uwe verlegenheid, hoe te scheiden wat gij zelf bij den ander hebt gevoegd."

»Ik achtte het niet mijn tijd om met ruw geweld tusschenbeiden te treden, daar hebt gij gelijk in; maar toch wees gerust, het meisje weet, dat zij terug moet gaan als Floris passie wil maken van de teedere vriendschap, die ik heb toegestaan…"

»Mij dunkt, daar zijn wij nu; en van haar terugtreden zie ik toch niets! ik zie alleen, dat zij zijne beloften, zonder eenige aarzeling heeft aangenomen, u en mij ten spijt, en dat ze is heengetrokken met het onderpand zijner trouw."

»Het is zóó, de schijn is tegen haar en de uitkomst getuigt tegen mij, maar wij zijn nog niet aan ’t einde, en ik blijf nog gelooven aan de goede trouw van dat meisje, aan hare bereidwilligheid tot ieder offer; ik ben vastelijk overtuigd, dat zij niet rekent op de beloften van Floris, wiens afhankelijkheid, zelfs dan als hij zich verbeelden kan meester te zijn van zijn eigen lot, haar ten volle bekend is; daar heb ik voor gezorgd. Ik heb nog wel goede hoop, dat de houding, die zij dezen morgen heeft aangenomen, haar niet volkomen ernst is; dat zij Floris niet heeft willen grieven in ons aller bijzijn, door eene weigering, dat zij hem heeft willen beproeven, mogelijk wel… want het hart en de aard der vrouw weet de edelmoedigste daad met wat specerij van schalkheid te kruiden, mogelijk heeft zij u en mij een weinigje in onrust willen brengen, om hare kleine wrake te nemen over de smart en de vernedering die haar is aangedaan. Zij had rancune tegen mij, ik zag het klaar , want zij had gewild, dat ik zóó op staanden voet te harer ontschuldiging alles uit zou zeggen wat ik u nu mededeel, en toen ik dat weigerde, op grond van de voorzichtigheid, die men jegens Floris in acht moest nemen, is ze boos geworden en heeft haar eigen hoofd gevolgd. Ziedaar het ergste wat ik er van geloof, mais j’en aurai raison gij kunt er zeker van zijn…"

»Ik help het u wenschen van ganscher harte, maar ik ben er niet gerust op. Vooreerst heb ik met mijne eigene oogen gezien, dat Floris haar kuste en omhelsde onder allerlei hartstochtelijke uitroepingen, en dat zij zich maar flauwelijk verzette, of eigenlijk alleen met zulke tranen antwoordde, die de passie van den jonkman eer aanzetten dan bluschten, dat was vermoedelijk niet volgens uw akkoord…?"

»Helaas neen," zuchtte de la Rivière.

»Een vrouwenhart is eene zwakke schans tegen den hartstocht," ging de Burgemeester voort.

»Het hare scheen me een vast bolwerk, ik ontken het niet, maar ik heb de menschelijke broosheid wat te weinig wicht in de schale gegeven, of liever, want ik heb nimmer zekere voor zorgen verzuimd, de omstandigheden zijn tegen mij samengezworen… de eenige oproeping, waaraan ik niet weigeren mocht te voldoen, riep me ter kwader ure van mijn post."

»Nog hadt ge die aan mij kunnen overdragen, zoo ge de mate uwer voorzorge hadt volgemeten, en mij hadt bekend gemaakt met hetgeen er omging; dat is een verzuim van uwe zijde."

»Ik erken het, ik stem toe, dat ik meer openheid had moeten gebruiken; maar, vergeef mij, ik vreesde te zeer uwe drift, uw gemis aan geduld, aan… behoedzaamheid, ik wanhoopte u in mijne beschouwing te doen deelen, veelmin u in mijn geest te doen handelen, ik vreesde bovenal, dat gij gewelddadige middelen zoudt gebruiken, die bij Floris altijd mislukken… in uwe hand."

»En ook een weinig, omdat gij er uw lust en uwe vreugd in hadt deze zaak naar uw eigen hoofd te leiden en te bestieren! want gij zijt trotsch, Mijnheer de la Rivière, zeer trotsch op uwe schranderheid en op uwe groote behendigheid… waarmede gij meent alle dingen te kunnen wenden naar uw wil, menschen als zaken, en ze te kneden naar uwen vorm. Dat is roekelooze hoogmoed, mijnheer."

»En hoogmoed komt voor den val, ik ervaar het tot mijne beschaming," hernam de Fransche edelman met diepe verslagenheid. »Ik heb lessen ontvangen van mijn discipel, die ik noodig had; ik heb mij te verootmoedigen voor u…, schoon God mijn getuige is, dat schuldig zelfvertrouwen, mogelijk inmengsel, maar zeer zeker niet de drijfveer is geweest van mijne handelwijze!"

»Maar gij vondt er vreugd in, schijnschoone theorieën in werking te brengen, die hinken als ze loopen moeten, dat spreekt vanzelve," ging Alartsz voort, fier op de zegepraal, die hem werd toegekend, en zonder verschooning voor zijn diep gebogen slachtoffer. »Gansch elementen! Mijnheer, men laat vrijen, of men laat niet vrijen; gij hebt hier een middenweg gezocht, de jongelieden zijn dien gegaan, zoolang gij ze bij de hand hieldt, ik wil dat gelooven: doch, waar gij den rug wendt en ze samen laat, zijn ze u te gauw geweest en hebben het pad genomen, dat de jonkheid en het harte hun als vanzelve heeft aangewezen… ge zijt verschalkt, mijnheer de Gouverneur! en wat het ergste is, wij allen, en mijn arme jonge Graaf niet het minst, zullen er den last af dragen."

»Neen, neen! Neen!" riep de la Rivière bijna in wanhoop, »de Heere God zal mij niet straffen in hem. Neen, schoon het hoofd mij duizelt van smart en onrust, wil ik nog moed houden en herstellen wat mogelijk is. Neen, glijden is nog geen vallen, zwakheid nog geene schuld; het meisje kan geweifeld hebben in haar plicht, maar zij zal zich opheffen."

»Ja opheffen tegen ons! met hare rechten, met hare eischen optreden tegen den Graaf, zijne beloften ter eener zijde, zijn minnepand ter andere, u tot getuige nemende, dat de betrekking bestaan heeft; zich in naam en faam gekwetst noemen, krijten van geschonden eere. Dat zou zoo groote zaak niet zijn of men zou haar konnen smoren met geld, met goede woorden; met klem van dreiging misschien, zoo het hier niet de Graven van Culemborg gold; maar ik weet hoe ’t er mee gelegen is, de occasie om mijn lieven genadigen heere te vexeeren, te contrariëren en te declineeren in rechten en autoriteit en in hunne afhankelijkheid te brengen, zal naarstiglijk worden aangegrepen door de Heeren Staten van Holland, die met den Leidschen magistraat doen wat ze willen…!

»Dat laatste betwijfel ik zeer; van dat andere kan ik u ter geruststelling zeggen, dat niets gebeuren zal. De Heeren Staten zijn in dezen oogenblik gansch niet vijandelijk gezind tegen den Graaf, wees er zeker af. Gisteravond had ik eene samenkomst met den Advocaat van Holland, en ik heb de gewisheid mijnheer, dat zoo de Hooge regeering in deze tusschenbeiden moet treden, het niet zijn zal tegen, maar in \’t belang van den huize Culemborg… en zoo daar, hetgeen God verhoede! ruchtbaarheid werd gegeven aan ’t gebeurde van heden, en daarop eischen en verwachtingen werden gegrond, waartoe men niet is gerechtigd, zouden er dwangmiddelen gebruikt worden, allereerst tegen de lijdende partij… ik meen tegen meester Lantscroon zelf!"

»Kan ’t mogelijk wezen! Zou de Advocaat ons willen uithelpen?"

»Ja, maar ’t is eene hulpe die mij op ’t geweten zou branden, en die ik alleen in den uitersten nood zou de aangrijpen. Luister: de Prounincks zijn niet zoo trouw of niet zoo omzichtig geweest als ik van hunne vriendschap voor Floris had kunnen wachten. Jacobus althans schijnt aan zijn vader te hebben medegedeeld, wat er omgaat tusschen Floris en Francijntje. De oude heer Prouninck heeft niet nagelaten de Gravin te onderrichten, en deze, in plaats van eerst mijne opinie te vernemen, heeft zich aan den Advocaat gewend, die mij, zooals gij weet, ontboden heeft, en ophelderingen heeft gevraagd. Gisteren nog kon ik ze geven met een ruimer hart dan ik het nu zou mogen doen. Ik had het voorrecht Zijn Edel Achtbare in mijne zienswijze te doen deelen, ik heb hem blootgelegd op welke maniere ik de zaak tot een goed einde hoopte te brengen; de Advocaat hield zich daarmee tevreden, schoon zonderlinge zeer drukkende op de belangstelling, die de Heeren Staten hadden in den persoon des jongen Graven, in wiens alliantie zij zich voorstellen wel ten eenigen tijd de hand te zullen hebben; hij gaf mij tevens de middelen in handen om in zekere dringende aangelegenheid te konnen handelen…"

»Tegen Lantscroon?"

»Wel neen! hij kon immers niet weten wat hier gebeuren zou? Tegen Floris, voor ’t geval dat ik oogenblikkelijke scheiding noodig keurde, en hem wederspannig vond…"

»God lof! Zoo kunnen wij al aanstonds krachtige maatregelen; nemen." zeide Alartsz, zich de handen wrijvende.

»Integendeel, zoo kunnen wij alle lankmoedigheid gebruiken, wetende dat we de macht in handen hebben," hernam de la Rivière met vastheid.

»Gij zult nog zoo lang lankmoedigheid gebruiken, tot dat…"

» Deze crisis is doorgestaan… dat is wel mijn voornemenmits hij het mij mogelijk make…"

»Wat is dan toch uw plan? gij hebt welgedaan de Prounincks van hem af te houden, die hij lichtelijk tot boden of briefdragers zoude gebruiken en evenzeer met hem vooreerst het uitgaan te beletten, want bij de vrijheid daarmede hij jegenswoordiglijk onverzeld op straat gaat, is hij bekwaam recht toe recht aan naar ’t huis van Lantscroon te loopen en hem in alle forme de hand zijner dochter te vragen."

»Neen mijnheer, ik duchte geenszins dat hij nu in zoodanige dispositie zal zijn, ik ben zeker dat hij in deze ure van gansch ander indrukken is vervuld, en mogelijk nu reeds met bittere tranen zijne schromelijke onvoorzichtigheid beschreit. Tot hetgeen hij deed heeft gewisselijk de hartstocht hem vervoerd, maar de zucht om u te braveeren is hem mogelijk even scherpe prikkel geweest als de liefde. Ik meene hem op iedere wijze een lichten voorsmaak te geven van de groote zwarigheden, waarin hij zich heeft gezet, en al roept hij luid in zijne ure van moed, dat hij er op rekent: hij moet ze voelen om te weten dat hij er niet tegen vermag; de jongeling durft soms wagen wat geen man zich zou vermeten, en machten uittergen, waarvoor helden wijslijk ter zijde gaan, maar… hij mist de kracht der volharding tegen de kleine belemmeringen, waarmede hij telkenmale opnieuw zal te worstelen hebben, en bij de eerste aanraking daarvan ziet hij mogelijk reeds uit naar ontslaking van den band, waarmede hij zich zelven heeft omsnoerd."

»Ik wil u gelooven, maar wij kunnen daarop niet wachten om onze partij te kiezen; gij kunt hem vandaag binnen de vier muren houden, en morgen, en overmorgen misschien…"

»Beware ons, mijnheer de Burgemeester! eer het morgen is heb ik Francijntje gesproken; met een enkel woordje harerzijds, dat ik zal weten te verkrijgen, is zijne schoone kleurrijke zeepbel ineengezonken… maar… hij zal dan genoegzaam toebereid zijn, om de harde waarheid te hooren, en ik zal daar zijn, om ze hem te helpen dragen."

»Ge spreekt nu in de onderstelling dat alles zal afloopen, zooals gij het voorschrijft, maar… het zou anders konnen uitvallen, wat dan te doen?"

»Ik wenschte zoo mogelijk alle uitersten, alle opzien te mijden om bepaalde redenen," sprak de Gouverneur met zekere aarzeling, »het zou me daarbij heftiglijk tegen de borst stuiten, het meiske, zelfs al is ze mij ontrouw geworden, door dreiging arf te persen, wat alleen waarde heeft als vrijwillig offer, ik wenschte allerminst uit te voeren, waartoe men mij heeft gemachtigd…"

»’t Is, dunkt me, hier niet de vraag van ’t geen u welgevallig is, maar van ’t geen noodig kan zijn; is het door dreiging of geweld te bewerken, dan zie ik niet waarom…"

»Neen, o neen! dan is er nog een ander middel, dat althans van oogenblikkelijke hulp kan zijn… verwijdering."

»Waarop dacht ik ook, maar waarheen? Het verlof om naar Culemborg te trekken hebben wij nog niet konnen verkrijgen, en het zou ook eerst invallen met Juli… Wat dunkt u van een verblijf te ’s Hage?"

»Seigneur Dieu! Mijnheer laat ons daarvoor zorgen dat Floris nu niet in ’t hoofd krijgt naar ’s Hage te trekken… de Gravin is dáár!"

»De Gravin! Lieve Hemel! dan zal ze ook wel naar Leiden komen."

»Neen! daar wordt voor gezorgd"zeide de la Rivière met vastheid. »Ik heb ook eene samenkomst gehad met de Gravin ten huize van Mijnheer Losen. Hare Genade was om vele redenen samen zeer tegen mij ontstemd, maar het gelukte mij toch… de Heeren Barneveld en Losen helpende, haar van hare plannen te doen afzien."

»Welke plannen mijnheer?!

»Ze zijn me niet vertrouwd om ze mede te deelen; ik zeg u dat zij er van afgezien heeft, en ik heb hope dat haar verblijf te ’s Hage zeer kort zal zijn; maar ik zal u niet verder behoeven aan te wijzen wat het zijn zou, indien Floris in dit kritiek moment met zijne moeder samentrof."

»De Gravin zou in staat wezen zijne minne-dolheid voet te geven om hem op hare zijde te houden en met een zoet lijntje naar Kinzweiler te lokken.."

»Neen, in trouwe! wat men de Gravin ook te laste legge, zij is geene zwakke moeder. Zij heeft zelfs nu, willende voorzien in een geval, dat mij gisteren nog niet denkbaar scheen, maatregelen aanbevolen ten opzichte van haar zoon, die mij zonderlinge zeer tegen zijn, doch die ik in het uiterste zal moeten aangrijpen… met één woord, zoo de jonge Graaf naar \’s Hage komt, zullen de Heeren Staten zich belasten met de verzekering van zijn persoon… Zij hebben hun pretext, de zorg voor zijne veiligheid, de woelingen hier te Leiden onder de jongeluiden, sinds hij onder hunne sauve-garde staat, en daar te boven het verzoek der moeder, die hem van eene jeugdige dwaasheid wil terughouden! Zoo ziet ge, dat de tocht naar ’s Hage onder deze omstandigheden…"

»Te droes neen! dat moet niet zijn, het zoude dien heeren kunnen invallen onzen jeugdigen heer niet weer vrij te laten voor hij bewilligd had in de opdracht van het graafschap aan Hunne Hoogmogenden!

»De Heeren Staten zijn geen roofridders, mijnheer! maar zooals ik zeide, alleen op het uiterste rest ons deze toevlucht; op mijn eersten wenk wordt hij naar ’s Hage ontboden en als hij er is…" de la Rivière zuchtte diep, »voert de Baljuw hem naar de kasteleinij! Wees echter gewaarschuwd, mijnheer! dat ik u dit alles mededeele, niet opdat gij er onzen pupil mede zult bedreigen of versagen ten ontijde, maar opdat gij met mij de hooge noodzakelijkheid zult inzien van de grootste behoedzaamheid, van de teerste lankmoedigheid zelfs, en vooral van de striktste geheimhouding, en alle vermijding van opzien en ruchtbaarheid. Zoolang het binnen onzen kring blijft hebben wij nog alles in handen, dringt het gebeurde van heden naar buiten, door welke oorzaak ook, dan kunnen wij niet langer handelen naar ons eigen inzicht, en dan zou er licht kunnen volgen, wat ons beiden zeer hard viel. Gij hebt Floris lief als ik, al is het, dat gij ’t op andere wijze toont; te zijner liefde, er liefde van het Huis Pallant-Culemborg bidde ik het u, welks achtbaarheid inderdaad eenige schade zoude konnen lijden, zoo de Heeren Staten een al te groot overwicht bekwamen in de familiezaken!

»Dat ben ik volkomen met u eens. Ik belove u mij in niets te moeien, zeg mij alleen… wat gij voornemens zijt als… gij U in uwe hoop op dat meiske bedrogen zaagt…"

»Ik meende het u gezegd te hebben…" zeide de la Rivière verstrooid, alsof hij op iels anders dacht, met Floris naar Culemborg trekken, ware ’t morgen aan den dag."

»Dat was voor alle dingen het beste, maar dat is immers onmogelijk!"

»Onmogelijk! waarom? Ik heb de machtiging der Heeren Staten daartoe in mijn bezit!"

»Zie nu toch!" riep de Burgemeester half geërgerd, »en de magistraat van Culemborg heeft die tot heden niet konnen verkrijgen?"

»Dat is niet vreemd," hervatte de la Rivière, »de pretentiën van den magistraat en de borgeren van Culemborg gaan wel wat ver!"

»Wat… bedoelt gij daarmede?" vroeg de Burgemeester, zichtbaar in verlegenheid.

»Daarover zal ik nu liever niet uitweiden, mijnheer!" zeide de la Rivière, hem in de oogen ziende op eene wijze, die Alartsz nog meer verlegen maakte, »ik moet u echter adverteeren, Heer Burgemeester! van een besluit, dat ik genomen heb niet onder den indruk uwer vroegere beleedigingen, noch zelfs uit rancune over de kuiperijen, die men tegen mij aanwendt in uwe stad, maar uit de overtuiging, heden opnieuw verkregen, hoe weinig wij elkander verstaan, en hoe weinig het mogelijk is, dat wij met goed profijt kunnen samenwerken tot hetzelfde doel. Als ik den jongen Graaf door dit hachelijk en beslissend tijdperk heb heengebracht… als we veilig en rustig tot Culemborg zullen zijn… denk ik er over…"

»Uw ontslag te nemen!" viel Alartsz in met groote levendigheid en niet zonder een glimp van blijdschap.

»Verschoon mij, mijnheer! dat bedoelde ik niet,"antwoordde de la Rivière zeer kalm. »Ik zal alleen den Heere Grave van Culemborg de keuze geven tusschen u en mij."

»Gij meent dan wel zeker te wezen van den uitslag, gij acht u dan welonmisbaar, zelfs na al het gebeurde?"

»Ik weet alleen, dat het niet meer goed zal zijn voor den jongen Graaf, zoo wij langer samen blijven. Tooneelen als die van heden herhalen zich te vaak tusschen ons; zoo ze niet altijd dus schokkend zijn, dat ze gevaarlijk worden, zijn ze doorgaans beschamend voor ons beiden tot belachelijkheid toe; daarop moet voorzien worden. Ik heb er dikwerf over gedacht, ik zeg het u nu, opdat gij er ook in allen ernst over kunt denken, en mijn besluit u tot Culemborg niet verrasse, als een onverhoedsche aanval. Blijft Monseigneur mij, juist na al het gebeurde, dit blijk van vertrouwen weigeren, dat mij nu noodig is geworden ook bij mijn kweekeling; is het Zijne Genade onmogelijk een persoon van minder kwaliteit nevens mij te stellen, die zich simpellijk tot de regeling der huiselijke zaken heeft te bepalen, dan zal ik, hoe ’t mij ook smarte, mijne taak bij Floris onafgedaan moeten nederleggen…"

»Gij zijt bij u zelven gerust, dat het daar niet toe komen zal, mijnheer!" merkte Alartsz met wat bitterheid aan. »Gij zijt te ’s Hage geweest en hebt van den Advocaat de verzekering ontvangen, dat de Heeren Staten u zullen handhouden bij den Graaf tegen mij!"

»Gij vergist u! de heer Barneveld, wien ik mijne bezwaren mededeelde, heeft mij juist zijn leedwezen betuigd, dat de Heeren Staten geresolveerd waren in dezen niet tusschenbeiden te treden, ten deele uit aanzien der Gravin, die eer tegen dan voor mij zoude zijn, en ten andere om redenen van politiek. De Graaf van Culemborg heeft, zooals ge denkelijk weten zult, zijn pays gemaakt met de heeren van Holland, op zulke wijze, dat hij besloten is de Utrechtsche ballingen, dien men, zoo ik meene, de Reingoudisten noemt, op te offeren en uit zijn dienst en stad te verwijderen!"

»Dat is voor mij een singulier nieuws!" riep de Burgemeester, »en om de waarheid te zeggen bevalt het mij niet. En ik stem u toe, dat het uwe kans niet verbetert!

»Noch die vermindert! want het is altijd mijn voornemen geweest terug te treden, zoodra ik de autoriteit van de Hooge regeering had moeten inroepen om mij in dit ambt tegen den vader te handhaven. Tot hiertoe is die tusschenkomst mij gelukkig niet noodig geweest, en gij begrijpt wel, dat ik daarmee nu niet zou willen aanvangen.!

»Mijnheer de la Rivière! gij zijt in waarheid een braaf man…" sprak de Burgemeester, zichtbaar getroffen, »en ik heb spijt… ik heb waarlijk spijt, dat wij elkander niet beter hebben konnen verstaan… dat ik… er het mijne toe gedaan heb om… u hier het leven zwaar te maken… wil mij vergeven zoo in ’t vervolg…"

Maar de la Rivière, die bij het laatste gedeelte van dit onderhoud al sprekende heen en weer had geloopen, als iemand, die door beweging zijne gemoedsaandoeningen tracht te bekampen, scheen niet naar hem te luisteren en stond nu voor het venster ’t waar we vroeger Francijntje hebben zien heenwijken.

»Ik meen ’t in oprechtheid, mijnheer!" sprak de Burgemeester, naar hem toetredende en hem de hand toestekende, »laat ons vrienden zijn… zoolang… we nog samen blijven…"

»Daar heb ik niets tegen," hernam de Fransche edelman en keerde zich van het venster af naar hem toe.

»Wat is dat! kan ’t mogelijk zijn!" riep op eens de Burgemeester, de hand uitstrekkende en hem wijzende naar een tinnen inktkoker, die op de schrijftafel stond, waarop ook het oog van de la Rivière was gevallen in dienzelfden stond.

»Nu, wat heb ik u gezegd!" hernam deze met een verhelderd gelaat en met een blik van zegepraal.

»Ik zeg mij zelven dat ik een dolle driftkop ben; dat ik mij buige voor uwe voorzienige wijsheid, dat het meiske een juweel is en dat ik haar mijne excuses zal maken!"

De Burgemeester had reden tot die boetvaardigheid. De zegelring van den jongen Graaf was in alle behoedzaamheid tusschen de veeren eener pen ingestoken; maar op zulke wijze, dat die zeer licht in het oog kon vallen. Francijntje had de la Rivière willen bewijzen, dat zij zijne trouwe bondgenoote was gebleven. Zij had willen toonen, dat zij de woning van Pallant Culemborg verliet, zooals zij er gekomen was, zonder eenige zelfbedoeling of bijoogmerk. Zij had woord gehouden; zij was teruggetreden, zoodra Floris hartstocht had gemaakt van de vertrouwelijke vriendschap. Zij had aan hare eigene belofte voldaan, van niet langer te blijven dan voor Floris noodig kon zijn; zij zag in, dat ze hem gevaarlijk kon worden, noodlottig zelfs; zij was stil heengegaan!

Maar in stilte ook, had zij zich een klein weinigje willen wreken op de la Rivière, door hem in eene onrust te laten, waaruit alleen eene toevallige ontdekking hem redden kon.

»Nu schielijk naar Zijne Genade!"riep Alartsz, die als een veranderd mensch was van blijdschap.

»Geene overijling, mijnheer! Ik ga eerst zien of Floris het dragen kan," sprak de la Rivière, den ring nemende.