Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< [[]] Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 1 Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 2 >


LEYCESTER IN NEDERLAND

TWEE DOOPZUSTERS
1472—90.
Hoofdstuk I.

Jong zonder jeugd, en zonder vrijheid vrij,
Hoe lievenswaard, beminnend noch beminde,
Vroom zonder deugd, kalm zonder vree, verblinde,
Wat zoekt gij in des kloosters woestenij?
Waartoe dien kruin de tressen afgeschoren,
Waarmee de jeugd uw schedel had getooid?
En ’t wollen kleed om ’t poez’le lijf geplooid,
Dat tot de dracht des purpers scheen geboren?

Mijn motto heeft het gezegd; ik vang aan met een tooneel, dat zoo vaak de laatste noodgreep is van een kwijnenden roman; de inwijding eener non.

Al wat Portugal grootsch en aanzienlijks had, was toegestroomd naar Aveiro, had zich vereenigd in de kapel van het Dominicaner vrouwenklooster, en zag toe bij de plechtigheid. De kapel was opgesierd met den prachtig bonten opschik der zuidelijke kerken, die nog zoozeer van een kindschen smaak getuigt, en van grove zinnelijkheid. Een talloos tal van beschilderde, omstrikte, bekranste waskaarsen vergoedde het zonlicht, dat men verdrongen had. Tapijten en gekleurde behangsels bedekten de wanden, wier stroeve ernst niet paste bij een bruidsfeest der Kerk. Het hoofdaltaar zwoegde onder een last van gouden schotels en zilveren vaatwerk, als de credentie-tafel van een hertog; want al wat het klooster rijk was in edele metalen en edele gesteenten, was daar bijeengebracht, om het hooge feest eer aan te doen. Kanten outerdoeken waren met weelderige achteloosheid over de kostbaarste voorwerpen heengeworpen, en het kille marmer der altaartrappen was vermomd onder mollige fluweelen kleeden, doorstikt met goud: het waren ook vorstelijke knieën die zich daarop verdeemoedigen zouden, en het was eene grootsche lotsbestemming die nu eindigen zou in de doodsrust van een klooster. Het was geene droeve maagd, met schendige willekeur heengedreven naar een gewijd graf, geene schuwe onnoozele, die, gruwend van eene wereld welke zij niet kende, zich verbergen ging onder de vleugelen der moederkerk als een sidderend kieken onder die van de klok. Het was geene levenszatte of levenswijze, die afstand deed van de aarde, na die volop genoten te hebben. Het was niet eene, die walgde van een te veel of die wanhoopte aan een genoeg. Het was eene maagd die nog veel te genieten konde hebben, aan welke de wereld nog alles zoude geven wat zij wenschte, die nog niets kon hebben uitgeput en voor welke nog eene toekomst van geluk en vreugde bloeide. Eene, wier keuze met droefheid was aangehoord geworden, en lang was tegengestreefd, en die eindelijk zegepraalde. Het was Johanna van Portugal, dochter van Alphonsus V, die zich toewijdde aan God.

Vrome dweepzucht alleen schijnt dit besluit bepaald te hebben: de negentienjarige kon het leven nog niet moede zijn. Der vorstelijke jonkvrouw door een vader en een broeder in elken wensch gevierd, door een gansch volk aangebeden, kon nog de last des levens zoo zwaar niet gedrukt hebben. Ook het purper dat zij achter zich liet, zou hare schouders niet gedrukt hebben met een loodzwaar wicht, zij zoude het gedragen hebben aan de zijde van een der edelste vorsten van Europa, en ondersteund door zijne hand. Karel VIII van Frankrijk, Maximiliaan van Oostenrijk, de jonge veelbelovende Roomsch-koning, en Richard III van Engeland hadden de hare gevraagd. Alphonsus had haar de keuze gelaten. Zij had geen hunner gewild. Zij had de koude rust des kloosters verkoren boven de vroolijke werkzaamheid des maatschappelijken levens. En toch, zij was noch te zwak noch te traag voor de daden der werkelijkheid. Zelfs was hare hand, hoe klein ook, niet te onmachtig, om met kracht den schepter te zwaaien over de volkeren, noch haar moed te zwak, noch haar oordeel te stomp, noch haar oog te kortzichtig, om met eere eene plaats te bekleeden onder de vrouwen, die geschitterd hadden als regentessen des rijks. Maanden achtereen, terwijl de koning en de infant in de woelige oorlogen van Afrika Moor en Saraceen voor zich deden beven, had zij Portugal bestuurd met schrander beleid. En het oog der vorsten was op haar gericht geweest in die dagen, en er was niet een hunner, die zich haar niet ter gemalin wenschte; en de trouwe rekenschap die zij van haar beheer wist af te leggen aan haar vader, was hare grootste lofspraak geweest. Zij had hare taak volbracht, gemoedelijk en met ijver, maar zonder geestdrift en zonder vreugde, niet als eene fiere vorstendochter, die zich met blijdschap beweegt in den kring waar zij past; maar als eene koele huurlinge, die eerlijk haar dagwerk afdoet; en toen de koning vol bewondering, dankbaarheid en trots haar elke belooning toestond, die zij zoude eischen, had zij voor zich den bruidssluier der Kerk gevraagd, als het hoogste dat zij wenschte. Het zoude niet moeielijk zijn, deze vorstin eene jammervolle, hopelooze liefde toe te dichten, als geheime beweegreden dezer keuze, maar er is niet ééne bijzonderheid, die er voor pleit, en wij gelooven meer de waarheid te betrachten, door er niets in te zien dan eene koude, dorre eigenlievende vroomheid. Koud; want de geestdrijverij is een gloed die verzengt, maar die niet verwarmt, een fakkel die brandt zonder te lichten, zooals eene waskaars op helderen middag, eene vlam die ontsteekt maar die niet koestert. Dor; want de bespiegeling is een akker waarop niets groeit, eene woestijn waarin men lichter kan dwalen, dan zijn dorst lesschen. Eigenlievend; want zij bedoelde alleen zich zelve, zij dacht niet aan de tranen van anderen noch aan de smart van anderen, noch aan die schuld van liefde, die zij onbetaald achterliet: zij was als de boom die goede aarde eischte, maar die vruchten gaf noch schaduw. Alphonsus had lang die zelfbedoelende zucht bestreden, twee jaren lang had hij haar in strenge afzondering te Oviedo een proeflijd laten doorstaan, waar hij alles van een beter beraad hoopte. Zij was zich zelve gelijk gebleven, de bisschoppen verklaarden den koning ongerechtigd, om eene zoo duidelijke roeping tegen te gaan, en… zij had nu overwonnen, haar vierdag was daar. Er schitterde triomf op haar voorhoofd, nu zij voor de laatste maal nederzat onder de edelen van Portugal, omgeven als eene koningin; want bij den dood harer moeder Elisabeth van Coïmbra, had Alphonsus haar den ganschen hofstoet toegewezen, die aan deze had behoord. Er was trots en zelfbehagen in dien blik van verachting, waarmede zij nederzag op haar vorstelijken tooi, op dat prachtig gewaad van zware witte damastzijde, stijf van borduursel en gesteenten, met dien statigen langen sleep, die ruime stofverkwisting der middeleeuwen, die zij heden voor het laatst droeg; waarmede zij nederzag op dien sluier van keurige kant met zilverdraad doorweven, die afhing van de huif met diamanten bezet, onder welke hare lokken waren samengevoegd in ééne enkele rijke wrong; op dien langen wereldschen sluier, die niets bedekte, en die zij weldra ging verwisselen voor den witten sluier der nieuwelingen: want tot de onherroepelijke gelofte werd zij heden niet toegelaten, en het was nog niet het gewaad der orde dat men haar zoude aandoen.

En met welk eene ijskoude welwillendheid wierp zij glimlachjes toe aan allen, die smart en droefheid toonden over de aanstaande scheiding.

Toen de feestmis werd aangevangen, kleurde zich haar gelaat met een vroolijken blos, ofschoon ook de koning, haar vader, inéénkromp in zijn prachtig gestoelte, ofschoon ook de infant, haar broeder, haar aanzag met blikken vol weemoed en bittere zielesmart. O, het was duidelijk dat zij reeds gebroken had met alles wat haar aan de wereld konde hechten, dat zij zonder smart heenging uit den kring, waarin zij zich vreemdelinge had gevoeld, en dat zij juichte nu zij zoude worden binnengeleid, in wat zij de voorpoorte des vaderlands heette.

Niet alzoo de jonge vrouw, die aan hare zijde zat, wier lot was vastgeketend aan het hare, door een onzichtbaren maar onverbrekelijken band, wier jammer zij niet eenmaal giste bij hare onmenschelijke vroomheid, en die zij toch onbarmhartig medesleepte in den levenslangen kerker, dien zij voor zich verkoos. Want Andrea del Campo, eene dochter uit een der edelste geslachten van Portugal, was reeds van hare vroegste jeugd af bestemd geweest tot onafscheidelijke gezellin der prinses. Op denzelfden dag geboren, was zij ten doop geheven tegelijk met het vorstelijke kind, eene eer, door de moeder zeker beter geschat dan door de zuigeling, doch welke de laatste voor altijd aan de koninklijke doopzuster verbond door alle banden van hofdwang en familietrots. Eene telg uit hun huis opgevoed te zien met de infante, in zusterlijke eenheid van lot, was een voorrecht, dat de del Campo’s niet zouden verruild hebben voor het rijkste leengoed in Portugal, en er werd zeer weinig naar gevraagd, of Andrea zich altijd gelukkig zou de gevoelen onder die opgedrongen onscheidbaarheid. O, der menschen hoogmoed speelt zoo licht met der menschen geluk!

Toch was de jonkvrouw vroolijk en zorgeloos opgegroeid. Zij had zich nooit eene bestemming gedacht buiten de prinses, en zij vond haar toestand noch vreemd, noch gedwongen, zij kende geen anderen. Heeft de prachtige goudvink achter de vergulde traliën geboren een denkbeeld van de ruime bosschen, die daar ginder zijn, en waarin zijne broeders vrij rondfladderen?

Het hof gaf zooveel te genieten, en Andrea was zoo hoogst vatbaar voor genot, en de vermaken zouden met ieder jaar toenemen, dacht de zestienjarige, en de infante zoude aan een buitenlandschen vorst worden uitgehuwelijkt, en zij zoude haar volgen buiten het vaderland, een nieuw tooneel en nieuwe feesten, en een edelman van het huis der jonge echtgenooten zoude haar echtgenoot worden, en de zoete onrust, of die gemaal een bevallig ridder zoude zijn, of hij een Franschman zoude wezen of wel een Oostenrijker, was het alleen wat de dwepend droomende bezighield. Daar klonk haar op eens Johanna’s woord: »ik wil non worden" in de ooren als een grimmige rukwind, die hare schoone. luchtkasteelen verwoestte, alle op eens, zonder barmhartigheid, zonder verschooning.

Lang nog had zij zich gevleid met eene verandering van dit harde besluit, en toen de koning naar Afrika trok, hoopte zij heimelijk dat de beslommeringen van een staatsbestuur dien strengen godsdienstzin zouden afleiden, en toen later de proeftijd op twee jaren werd gesteld, bleef zij nog hopen, zij berekende alles naar zich zelve, en zij kon zich zooveel vastheid van wil niet denken in eene vrouwelijke ziel; ook was het met eene overredingskracht, die wel duidelijk bewees, hoezeer het zelfbelang welsprekend maakt, dat zij de pogingen van het hof ondersteunde, om Johanna tot een der voorgeslagene huwelijken te bewegen; maar toen al hare welsprekendheid schipbreuk leed op de rots der geestdrijverij, toen had zij zich onderworpen niet met berusting, maar met wanhoop: zij had niet gebogen, maar zij was gebroken. Haar luid snikken getuigde er van. Toen de mis was geëindigd, en de laatste tonen van het Deo Gloria in excelsis reeds lang hadden opgehouden te weerklinken, stond de koning op. Bleek en zichtbaar geschokt en zijne aandoening nauwelijks meester, vatte hij zijne dochter bij de hand en geleidde haar naar de Priores, die haar tegemoet kwam aan het hoofd der gewijde maagden tot op den dorpel van het traliewerk, dat de zusters der kerk scheidde van de leeken. Als overstelpt van eene sprakelooze smart, naderde de prins Johanna, aan den arm van don Pedro, een edelman uit zijn gevolg, om afscheid te nemen van zijne zuster. Hij drukte een broederlijken kus op haar voorhoofd, kil en plooiloos als albast. Hij reikte Andrea de hand. Zij vatte die met wilden hartstocht, en hield die lang in de hare geklemd, als ware het de laatste hand der vriendschap, die haar aan deze zijde van het graf zou worden toegestoken. Toen zij deze eindelijk losliet, waggelde zij als eene die door eene duizeling bevangen wordt; arme Andrea! zij kon zich nauwelijks staande houden van rouwe, en toch Johanna leunde op haar; Johanna, wier voet zoo vast was, en die het hoofd zoo rechtop hield, Johanna, die geen steun noodig had; — maar dat behoorde immers ook tot de hof-étiquette: de prinses moest zwakker schijnen dan hare volgelinge! De koning en de infant traden terug; de infante wenkte nog eenmaal met de hand een vaarwel toe aan hare vrouwen; met gretige lippen kuste zij het witte gewaad, dat men haar aanbood, plechtige koren hieven lofzangen aan ter eere van den Hemelschen Bruidegom; de prinses overschreed den drempel; de balustrade werd gesloten, de nieuwelingen medegevoerd in de reien van Christus’ maagden. Een enkele doordringende kreet herinnerde aan Andrea, die machteloos neerzonk in de armen der zusters, en alles was gezegd; Johanna van Portugal bestond niet meer.