Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 1 Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 2 Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 3 >


LEYCESTER IN NEDERLAND

TWEE DOOPZUSTERS
1472—90.
Hoofdstuk II.

Gij hebt geen traan gedroogd, geen smart gelenigd,
Geen hart vertroost, geen heilge vreugd gedeeld,
Geen hoofd geschraagd, geen boezemwond geheeld,
Gij ’t snoer verscheurd dat mensch en mensch vereenigt.

Twee nieuwelingen zaten bijeen in dezelfde cel; de eene hield in behaaglijke ledigheid het hoofd op de hand geleund, en scheen zich met kalme blijmoedigheid aan godsdienstige mijmeringen over te geven. De andere bad, ten minste zij beproefde het te bidden. Zij lag geknield voor een elpen beeld, en hief de gevouwen handen op naar de heilige lijdensgestalte, als hoopte zij van daar ook kracht tot lijden. Maar formuliergebeden en opgeheven handen zijn slechte panaceë tegen de oproerige driften binnen in ons; ten minsle de jongste zuster scheen dat te begrijpen, want zij wierp gebedenboek en bidstoel verre weg, en zette zich neder op een eenvoudig houten bankje, tegenover hare gezellin, die haar niet scheen op te merken.

Daar was een groot onderscheid in die heide vrouwen, hoe eenvormig haar gewaad ook was. Men heeft Johanna en Andrea herkend. De Portugeesche vorstendochter zat daar kalm en rustig met eene fiere zelfvoldoening op haar gelaat, alsof werkelijk het gewijde kleed haar al de reinheid en al de beproefde deugd eener heilige had aangebracht, zij droeg als het ware een schild, dat haar voortaan ontoegankelijk maakte tegen elke zonde en tegen elke verzoeking. Andrea daarentegen droeg het hare als de witte lijkwa harer levensvreugd, waarin haar bloeiend lichaam tot een ontijdigen dood zou worden voorbereid; bij haar, welk een scherp contrast tusschen kleeding en voorkomen, maar ook, welk eene overeenstemming tusschen voorkomen en zielstoestand, en weder zulk eene verscheidenheid tusschen haar en de vrouw die eens hare meesteres was geweest, wier vriendin zij altijd had geheeten, en die zich nu hare zuster noemde!

Men vindt zelden vrouwen schoon als Johanna, met toch zoo weinig vrouwelijke bevalligheid. Hare houding was fier en deftig, maar hare gestalte. slank tot magerheid toe, werd geheel vermomd onder de ruime plooien van het kloostergewaad. Haar voorhoofd was hoog genoeg om zich niet geheel te verliezen onder den afhangenden rand van haar kaper. Haar fijn regelmatig gelaat was als gevormd voor de strenge omlijsting van het sluierdoek, dat hals en schouders tevens verborg. Een steil Grieksche neus en een zeer kleine mond, bijna zonder lippen, en zonder glimlach, gaven de strakke trekken maar al te weinig leven. Bleek waren hare wangen als die van een albasten Mariabeeld, onbeschrijfbaar schoon haar donkerblauw oog, maar onbeschrijfelijk koel tevens; de heldere saffier gelijk, die zoo koud is en die toch zoo blinkt. In de zoete weelde der vrome mijmering verzonken, hield zij hare oogen opgeslagen en toonde ze in haar volle grootte, drijvende in het reinste kristalvocht, dat hun evenveel glans verleende als kilheid. Hare handen waren fijn, teer en blauwachtig wit, als die van een lijk. Het waren handen, wier aanraking het bloed van een Afrikaan zoude doen stollen, handen, waaraan men zien kon dat ze altijd ijskoud moesten zijn: handen, wier vingertoppen nooit door een zachten druk konden gegloeid hebben. Evenals nooit een liefdegloed dat marmeren hart had verwarmd! Zij was door het leven gegaan, als het standbeeld van den commandeur, onaangeraakt, onbesmet en koud. Ongelukkige! zij had niet één strijd gestreden en ze meende te mogen pralen op eene overwinning over hare hartstochten. Zij had niet ééne booze begeerte gekend, en zij waande dat zij de begeerlijkheden der wereld in zich had te niet gedaan. Dat was geene groote deugd, een vasten scheidsmuur te stellen tusschen zich en de zonde, zonder zelfs ééne aanlokking tot de zonde te hebben overwonnen. Onverschilligheid is geene zelfbeheersching, en de zegepraal kan niet groot zijn als de vijand nooit is opgedaagd. Maar toch, het was hare schuld niet dat ze nooit had gevoeld, dat de wereld over haar heen was gegaan als een stortbad, waarvan zij de droppels konde afschudden zonder spijt. Zij had toch gehandeld, ernstig en ijverig, toen men haar tot handelen opriep.

Zij had misschien door eene ongemeene scherpzinnigheid van oordeel reeds in hare prille jeugd de waarheid van Solomo’s »Alles is ijdelheid!" innig begrepen; zij had niet willen wachten tot de grijsheid en de teleurstellingen en de rampen en de dwaasheden het haar predikten; haar zeker stond het vrij de rust te kiezen voor eene onzekere kans op geluk, en de stille beslotene kreek voor den prachtigen trouweloozen oceaan; alleen wilde ik maar, dat zij een weinigje afstand gedaan had van eigen gerechtigheid en zelfverheffing, dat zij niet te grooten roem droeg op haar offer en dat zij zich niet voor eene betere christin hield, omdat zij tegen den strijd had opgezien, en vooral wilde ik dat zij met veel christelijke inschikkelijkheid nederzag op eene andere, wier lichamelijke en zedelijke gesteldheid beide, haar een zwaren strijd te strijden gaven; op de arme Andrea bij voorbeeld. Het was zoo recht goed te zien. aan die zwarte, levendige oogen, die flonkerden als geslepen gitten, en dat ze tintelden van levenslust, en dat ze vlamden op genot en vroolijkheid. Haar klein opgewipt neusje getuigde van dartelen schertslust en schalkheid en die frissche wangen met dat rooskleurige waas van gezondheid en levensgloed. De tint eenigszins bruin en zuidelijk, de onderlip en wangen met een licht dons overtogen, dat ze de zachtheid gaf van het fluweel der perzik, de lippen frisch en vol als geopende granaten, groefjes en kuiltjes in wangen en kin, waar de lust in zetelde en lokte. Niet groot, maar weelderig gevormd was hare gestalte; ronde, volle armen, kleine voeten en zacht gevulde handen, wier liefkoozing een grijsaard de borst moest verwarmen. O! het was haar aan te zien hoe pijnlijk een offer zij had gebracht, met zich te onderwerpen aan de eischen der menschelijke convenances. Die prikkelbaarheid van zenuwen, die beweeglijkheid van gemoed, die vatbaarheid voor indrukken en voor genot, dat ontvlambare, hartstochtelijke, dat in haar lag, waren als zoovele marteltuigen, die zij tegen zich gekeerd zoude zien in deze stille, doodsche, koude, ledige eenzaamheid, die zij niet vermocht aan te vullen, dan met uitwendig godsdienstbetoon. Hare zinnen en haar hart stonden tot elkander in verhouding als vonken en tondel. Zij vlamde op vermaak; zij gloeide bij het denkbeeld: liefde. Zij juichte van vreugde bij een naderend feest; want zonderling, dezelfde opvoeding die de vorstin tot een heiligenbeeld had gevormd, had niet kunnen verhinderen dat hare hofdame de meest vrouwelijke vrouw was geworden: eene vrouw die behoefte had om te beminnen en zich bemind te zien. Zulke vrouwen hebben gebreken, kunnen tot misdaden komen, waarvan zich geen ander een denkbeeld kan maken, maar… spreekt het menschelijkste in den mensch ons niet toe met zachte stem om deernis en medegevoel voor wie feilden als zij?

Men denke, hoe hatelijk eene Andrea de dwang was, dien de vrome dweepzucht van anderen haar oplegde, en met hoe innig een afschuw zij een godsdienst beschouwde, van welken zij niets dan de harde, onvruchtbare zijde had leeren kennen. Die godsdienst, die niets is dan een werktuiglijk volbrengen van zekere plichten, van zekere goede werken, maar waaraan de ziel ontbreekt, de onbaatzuchtige liefde; van zelfkastijdingen die niet reinigen; van kruisigingen des lichaams, die niet verbeteren; van zelfbedwang zonder zelfverloochening; van nederigheid zonder ootmoed des harten; van gehoorzaamheid in daden zonder onderwerping van wil. De beklagenswaardige, zij vond niet eens den lichten troost der zelfvoldoening bij haar offer, want het was immers opgedrongen! Ook was het met verbittering, met wanhoop, met verbeten woede, dat zij het bracht. Het was geen kruis dat zij op zich nam, maar dat men haar te dragen gaf, en zij torste het onwillig, en zij boog er zich niet onder met deemoed, maar zij wrikte het heen en weder, om het schielijk van zich te werpen, als dat mogelijk was. Zoo waren die twee jonkvrouwen die zich zusters noemden. Voorwaar , niet zusters in het gemoen, niet zusters in het uiterlijke, niet zusters in het lot, want hoe gelijk dit ook ware voor de menschen, de wijze waarop ieder het hare droeg, maakte het onderscheid van hemel en hel. Eene luide zucht van Andrea en een bittere uitroep van ongeduld wekten eindelijk Johanna uit haar gepeins.

— Zuster! wat beteekent deze diepe verzuchting? wat deert u?

— Ik verveel mij, doorluchtige infante! ik brand van ongeduld om in het refectorium met de anderen samen te zijn. Als uwe Hoogheid altijd peinst en zwijgt, zie ik niet hoe de heiligheid van deze plaats mij tegen verveling beschermen zal.

— Is dit de taal die eene bruid van Christus voeren moet in een uur dat haar gegeven is om te bidden?

— Ik bid veel liever voor het altaar eener hoofdkerk, dan in deze duistere cel.

— Zijt gij dan niet hoogst gelukkig, dat die woelige plechtigheden voorbij zijn. En begrijpt gij niet, hoeveel heilige vreugde er in ligt om tot onszelven in te keeren, nu wij eindelijk los zijn van alle banden, behalve van die ons binden aan den Hemelschen Bruidegom? Is dit niet het eerste uur waarin wij onverdeeld voor Hem leven kunnen? De eerste belooning voor het groote offer? Gij hebt twee dagen lang zonder tusschenpoos de wereld beschreid, ik dacht dat gij nu eindelijk tot de kalmte zoudt teruggekomen zijn, en tot het rechte besef der voordeelen van onzen staat. Met deernis zie ik het, gij zijt nog dezelfde, gij weet ze nog niet te schatten, die voordeelen. Gij vergeet zelfs zoo weinig de ijdelheden der wereld, dat gij mij namen geeft die ik heb weggeworpen voor den hoogsten naam des Heeren.

— Onthoud het toch eenmaal, wij zijn zusters. Gij zuster Dorothea, ik zuster Maria Andrea.

Johanna had werkelijk den naam harer jonkvrouw als kloosternaam aangenomen, uit nederigheid!

— O, Dorothea! ging zij voort. Twee dagen geleden had ik nog een ganschen stoet dienenden, nu heb ik slechts zusters die ik allen dienen moet. Mocht slechts de dag spoedig daar zijn, die hemelsche, die blijde, waarop ik de laatste onherroepelijke gelofte zal uitspreken. Ik ben niet volkomen gelukkig, zoolang deze proefstaat nog voortduren moet.

— Mocht de proeftijd u slechts zoo hard vallen als mij deze dag, er ware dan nog uitkomst! dacht Andrea, maar zij zeide luid: Maar, mijne zuster! het zal toch eentonig zijn, dat leven.

— Het is een leven in de voorpoorte des hemels, in den dagelijkschen omgang met de Heiligen…

— Goed, indien wij engelen waren, — viel Andrea haar snel in de rede, en zich bezinnende, voegde zij er blozende bij, — ik spreek niet van Uwe Hoogheid, maar van mij zelve, en… en waarlijk ik heb niet al de vatbaarheid…

— Helaas! ja, de genade schijnt u nog maar flauw getroffen te hebben; en toch hoe zalig is het leven eener Godgewijde maagd… Rustig bij al wat op aarde woelt en bruist… Zonder vrees… maar houd op met snikken, tranen, handenwringen, ik begrijp u in waarheid niet, wat betreurt gij dan toch zoo in die wereld welke gij verliet?

— De wereld zelve!

— Dwaas kind! maar spreek, want waarlijk, om uwentwil moet ik woorden op mijn lippen nemen die niet passen in mijn mond, noch op de plaats waar wij zijn. Is er bepaald iemand van wien u het afscheid zoo zwaar viel?

Op eene zoo rechtstreeksche vraag was de arme niet bedacht geweest.

Weet ik het zelve! — riep zij, haar oogen bedekkende met de handen.

En waarlijk, zij wist het niet.

Aan zelfonderzoek was zij niet gewoon, en zij was vreemdelinge in haar eigen hart. Zij had vele jonge edellieden gekend en aardig gevonden, zij had met dezen gelachen, met genen gedweept, met meerderen nog gespot; een blijvenden indruk had geen hunner op haar gemaakt. Slechts sedert de terugkomst des Konings en bij de feesten waarmede hij zijne overwinningen vierde, had zij een jonkman gezien met wien zij niet gelachen had en niet gedweept en dien zij niet aardig gevonden had, maar wiens beeld ondanks haar zelve altijd dáár voor haar stond, gedurende die lange opsluiting te Oviedo, den eenigen aan wien zij dacht als hij niet bij haar was; maar die jongeling was ]ohanna’s broeder, dat was de Infant Johannes, in wien het jonge meisje niets zien kon, dan den aanstaanden Koning van Portugal; en zij begreep niet recht, waarom haar de scheiding van de wereld altijd zoo bijzonder smartelijk viel, juist als zij: aan hem dacht. Iets jonger dan zijne zuster en geheel afzonderlijk opgevoed, had de Infant tot op zijn zestiende jaar met deze slechts weinig gemeenschap gehad. Alleen toen hij Alphonsus naar Afrika volgde, om bij de luisterrijke wapenfeiten die zich daar verwachten lieten, zijne sporen te verdienen, was hij haar met meer vertrouwelijkheid genaderd. In die korte samenkomsten had zich tusschen hen eene vriendschap gevestigd, zooals maar zelden onder vorstelijke kinderen gevonden wordt: belangeloos en zonder naijver. Er ligt zoo iets roerends in die innige teederheid tusschen een jonkman en eene jonkvrouw, die de banden des bloeds niet noodig gehad hebben om elkander te beminnen; dat is de eenige reine, vertrouwelijke liefde, waarbij de zinnen geene stem hebben, en die sterker en duurzamer is dan iedere hartstocht.

Johanna’s baatzuchtige vroomheid had dien schoonen band verscheurd. Toen de Infant terugkeerde als jeugdige overwinnaar, het voorhoofd met lauweren bekranst, lauweren die hij wilde nederleggen aan hare voeten, klonk haar somber besluit hem akeliger in de ooren, dan voor het eerst het wapengeschrei der Saraceenen. Met tranen en gebeden had hij vergeefs getracht haar terug te brengen tot de wereld; met liefkoozingen en voorkomende zorgen had hij haar het hofleven zoet willen maken, vruchteloos, altijd vruchteloos, zij ging zich verschuilen te Oviedo. Ook hier gaf hij zijne pogingen niet op. Van allen, die ontmoedigd de hardvochtige aan zich zelve overlieten, was hij het die bleef aanhouden, die haar bezocht, die haar afleidde van hare strenge boetedoeningen door haar met kieschen dwang tot kleine uitstapjes te noodzaken, tot onschuldige uitspanningen die haar weder aan het gezellige leven moesten boeien. Hij had niet opgegeven, nooit gewanhoopt; totdat eindelijk de beslissende dag daar was. Toen eerst hadden zijne bleeke lippen haar: »wreed!” genoemd, maar de prinses was sterk gebleven, want zij had immers het schild van den godsdienst, dat haar dekte tegen de aandoeningen der menschelijkheid. Maar van alles wat er tusschen hen omging was Andrea getuige geweest; zijne teederheid had zij gezien, zijne zachtheid had haar geroerd, bij ieder zijner klachten had zij een traan medegeschreid, door hem was zij (en o! hoe gaarne) verplicht geworden zijne pogingen te ondersteunen; zij was telkens de derde geweest bij hunne tochtjes; voor haar was die jonge man de eenige afleiding geworden bij hare opsluiting. En dan Andrea! was het wonder dat zij bezweek bij zijn afscheid; was het wonder, dat er toen, maar toen ook voor het eerst, een licht opging in hare ziel, waarnaar zij met huivering heenzag, waarvan zij sidderend het oog afwendde. en dat zij zich zei ve nog niet durfde bekennen, toen de Infante haar de ernstige vraag deed. Deze was nog bezig haar met koele vermaningen tegen wereldliefde en aanvechtingen des satans te waarschuwen, toen zich eene leekezuster aanmeldde, die haar vanwege de abdis de vergunning bracht om in de spreekkamer te gaan: twee edellieden waren daar, die haar wachtten.

— Het is treurig, dat men mij in aardsche bemoeiingen wil verwikkelen: ik verlang niet naar berichten uit een oord dat ik ben afgestorven.

— Maar toch, het kon zijn van… stamelde Andrea bevend en doodsbleek.

— Van mijne bloedverwanten, meent gij? welnu ga gij heen, en zeg hun dat ik geene verwanten heb dan onze Hoogwaardige Moeder de abdis en onze lieve zusters van Aveiro.

Snel, alsof zij eene herroeping vreesde, verwijderde zich Andrea met de leekezuster, maar onstuimig klopte haar het hart en eene duizeling woelde haar door het hoofd, toen zij zich stelde voor de traliën van het spreekvertrek. De leekezuster stootte haar zachtjes aan. Zij had niet eens de abdis opgemerkt; en zij had vergeten haar sluier neer te slaan. De Infant met zijn edelman don Pedro was dáár. Beiden in diepen rouw. Johannes betreurde zijne zuster als eene doode, de Koning, en de gansche Portugeesche adel had zijn voorbeeld gevolgd. Op het verzoek van Johannes verwijderde zich de abdis. Hij sprak niet van zijne teleurstelling, nu hij Andrea vond in plaats van hare meesteres. Zij hadden een lang en vertrouwelijk gesprek, waarbij Andrea geschreid had en gebloosd, en op welks einde de Prins had gezegd: u zoo jong en zoo onbarmhartig medegesleept in dien kerker, gij, ten minste, moet gered worden. — Gij zult gered worden, had don Pedro gefluisterd, terwijl hij door de traliën hare hand drukte. Andrea gaf zich zoo gaarne over aan de hoop en aan de liefkoozing. Zij was gloeiend rood en tot dartelheid toe vroolijk, toen zij zich met de anderen in de eetzaal vereenigde.