Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 2 Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 3 Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 4 >


LEYCESTER IN NEDERLAND

TWEE DOOPZUSTERS
1472—90.

Hoofdstuk III.

Ze ontheiligt daar de Godgeheiligde aarde.

Het was nacht; een flauw lampje verlichtte de cel van Andrea, die nog waakte. Zij had een doek heen geworpen over het doodshoofd, het verplichte memento mori van ieder kloosterverblijf. Zij hield niet van den dood, en zij baatte die herinnering. Zij liep in hevige onrust heen en weder, somtijds zich nederwerpende voor een Maria-beeld.

— O! mijne gezegende Patrones! zoo Brigitta en de tuinman slechts getrouw zijn… O, gebenedijde Moeder Gods! en dan wierp zij zich neder voor het beeld der Maagd. Verlaat eene arme zondares niet in dezen uitersten nood. Help mij slechts ditmaal! Geef dat hij veilig kome en veilig ga! En ik offer u het eerste wereldsche kleed, dat weder het mijne zal zijn, al ware het doorstikt met paarlen, als dat van de Hertogin van Milaan.

En dan weer, als begreep zij de ongenoegzaamheid van haar gebed, rees zij wanhopig op en de handen wringende, riep zij met eene snikkende stem:

— Mijnheer Satan! ik kan niet strijden tegen uwe macht, neem mijne ziele te pand, maar verlos mij uit deze aardsche hel!

En toen zij een diergejijken volzin opnieuws had geuit, trad er een persoon binnen, die, zoo hij al zijne helsche majesteit niet was, toch een gevaarlijke vijand konde zijn voor eene jeugdige kloosterlinge. Een bevallig edelman, van om trent zes en twintig jaren, in eene kleeding die zijne scboonheid verhoogde.

Toch scheen Andrea meer verrast dan verheugd.

— Hoe, don Pedro, gij? vroeg zij met schrik.

— Niet waar, het was don Johan dien gij verwachttet. Gij bemint den Infant, antwoordde hij stout en eenigszins hard.

— Dan moet het waar zijn als gij zelf het weet! riep zij en liet zich nedervallen op haar houten bidbankje.

— Hoe, zoude ik. het niet weten! is het niet voor hem, dat ik kom. Meent gij, dat hij zelf zich wagen kan aan de mogelijkheid eener ontdekking?

— Maar het briefje… hernam zij aarzelend.

— Zeide wel, dat iemand die u beminde, zich aan uwe voeten wilde werpen, maar het was in zijn naam, dat ik het u schreef, in zijn naam ook, dat ik hier ben. Mij hebt gij eenmaal versmaad, schoone donna, gij herinnert u nog dien dag te Oviedo, toen…

— Ach, Pedro! breng mij dat niet in het geheugen, het was omdat toen reeds zonder mijn weten een ander mijn hart vervulde.

— O! ik heb het u vergeven, gij trachttet naar hooger en gij deedt wel. Het bewijs, hoe oprecht ik vergeven herb is, dat ik u en hem diene. En nu, laat ons ernstig en verstandig overleggen, als vriendin en vriend zonder hartstocht en met goed beleid:

Wilt gij u verbinden aan den man die u bemint, wilt gij werkelijk het klooster verlaten als de kans daartoe goed is?

— Ik wil het, Pedro! ik wil het, de Heilige Maagd vergeve mij mijne zonde, die ik biechten zal en boeten, maar ik wil het van harte.

— Welnu dan, luister: Op bevel van don Johan woon ik te Aveiro totdat deze zaken zijn afgeloopen. Hij zelf is naar Lissabon teruggekeerd. Gij zult hem niet zien voor gij in vrijheid zijt. Brigitta en de tuinman en nog eene andere, die ik niet noemen mag, zij? in mijne soldij. Ik heb vrijen toegang tot u, zoodra de nacht deze vrome zielen tot rust noodt. De abdis is zonder argwaan. En zoo zij die opvatte, geloof mij, zij zoude veeleer het oog afwenden, dan scherp toezien. De eere eene koninklijke dochter onder haar opzicht te hebben, is haar drukkend genoeg bij de strenge vroomheid der Prinses, die haar op de vingers ziet als een provinciaal bij jaarlijksch kloosterbezoek, en het zal baar eene kleine zegepraal zijn, zoo er door een van u beiden ergernis gegeven wordt. Wij hebben dus niets te vreezen, alleen komt het er op aan of gij kracbt genoeg bezit om te veinzen, en moed genoeg, om als het beslissend uur daar is, onbeschroomd voort te gaan alsof u de portierster op helderen middag de kloosterpoort opende. Zult gij dat?

— Zeker, ik hoop niet te aarzelen, maar — hem niet zien, geen woord van hem te hooren, tot troost en sterking, dat is toch hard!

— Zeker, hernam Pedro met een bitteren glimlach; maar wees gerust, zoodra wij deze muren achter ons hebben, voer ik u ver van bier, naar een sterk kasteel in het gebergte: dan verlaat ik u, mijn dienst is afgeloopen, ik vlucht naar Spanje, ik alleen sta bekend als uw schaker. De Infant voegt zich heimelijk bij u. Hij is nu eenig kind, de koning zal vergeven.

— Dat geve de Hemel! zuchtte Andrea, neergedrukt door het gevoel der zware verantwoordelijkheid die zij op zich nam.

— En zie, dit zendt hij ten bewijs zijner liefde, ging Pedro voort. Hij gaf haar eene prachtige gouden doos met de beellenis des Prinsen in het deksel.

Andrea greep die hartstochtelijk in de beide handen en kuste het beeld met eene verrukking, waarbij don Pedro zicb de vuisten gebald op de borst drukte. Toch zeide hij haar een koel en deftig vaarwel. Zelfs toen zij hem dankend de hand reikte, kuste hij die luchtig en eerbiedig, zooals men eene vorstin de hand kust bij een openlijk gehoor.