Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 3 Bosboom-Toussaint/Twee Doopzusters/Hoofdstuk 4 [[]] >


LEYCESTER IN NEDERLAND

TWEE DOOPZUSTERS
1472—90.

Hoofdstuk IV.

Reeds vier weken had nu de Prinses van Portugal in het klooster geleefd, vier weken in welke zij geen reden had gehad, om over hare jonkvrouw te klagen. Zij meende zeker te zijn, dat eindelijk ook de Hemelsche Bruidegom dit stugge hart tot zich had getrokken, en dat de genade ook haar had verlicht. De rampzalige huichelde. O, dat moest ook op rekening komen van die weinig menschelijke deugd, dat ze huichelarij eischte en voedde. Andrea trok veel nut uit de lessen van Pedro; na een nachtelijk uur in zijn gezelschap doorgebracht, met het vormen van plannen en schoone hersenschimmen eener verbodene liefde, viel het haar niet moeielijk den dag door te brengen, zooals de Infante het goed vond. Iets was haar vreemd voorgekomen. Een schrijven van don Johan aan zijne zuster, waarbij hij haar trachtte over te halen, om Andrea na verloopen proeftijd alleen als wereldlijke bij zich te houden in het klooster, zonder haar door verdere geloften te binden. Waartoe een verzoek, dat onnoodig scheen, omdat zij het eind van dien proeftijd niet zien zoude, te Aveiro? Maar Pedro stelde haar gerust; dat was alleen om elken achterdocht af te leiden; de arme geloofde. Waarom zoude zij, die iederen God had verlaten, behalve den afgod van haar hart ook nog het geloof opgeven aan dezen?

Het was nu in de eerste morgenschemering van een hoogen feestdag, die plechtig zou gevierd worden. Johanna van Portugal, of liever zuster Maria Andrea, begaf zich lang nog vóór het luiden van den eersten Angelus naar de kapel, om een buitengewoon offer harer gebeden te brengen aan de Heilige Maagd. Ofschoon hare gezondheid zichtbaar afnam onder de strenge plichten die zij zich oplegde, verdubbelde zij altijd in geestdrift en in ijver om ze waar te nemen. Haar weg voerde door den kloostertuin. Een geritsel in de bladeren van een zijlaantje, dicht bij den tuinmuur, deed haar onwillekeurig daar heenzien. Zij bleef roerloos staan van ontzetting en schrik. Het voorwerp, dat zij zag, was don Pedro, die weg wilde sluipen langs zijn gewoon pad. De Prinses wilde om hulp roepen, want haar ging een vreeslijk licht op. Andrea had zich verontschuldigd, om haar te vergezellen. Maar vó ó nog de beschuldigende kreet hare lippen ontsnappen konde, die den edelman zeker zoude verraden, ging een schot af van een vuurwapen, dat hij op haar richtte, en zij stortte neder!

— Andrea! Voort, nu spoedig voort, wij hebben geen ander uur voor onze redding! Met deze schrikmare drong Pedro onstuimig in de cel, die hij zooeven verlaten bad.

— Hoe nu, don Pedro! ik wil mij ter rust begeven, wat beteekent dit, waarom keert gij terug, is onze afspraak dan niet morgen?…

— Zoo was zij, ja, maar het zou dan te laat kunnen zijn; kleed u schielijk, werp dezen mantel om, neem mijn barret, mijn paard wacht ons bier dichtbij. Ik zeg u, zoo wij nu niet gaan, is alles voor altijd verloren… Zij zag mij, toen ik vluchten wilde. Zij wilde ons verraden, ik had geen ander middel. In de verwarring van dit oogenblik is het ontkomen nog mogelijk. Ik dacht aan u, die men zeker medeplichtig zal noemen. Ik waagde mij liever dan u te verlaten, maar nu volg mij schielijk Zie mij zoo schuwen strak niet aan, niet met zooveel afkeer; wat ik gedaan heb, is vreeslijk, maar het was geen opzet.

— Nu kom en wees moedig. De Jonkvrouw die zoo werd overrompeld, wist niet recht wat zij deed, noch waaraan zij zich blootstelde; zij bad slechts een bepaald denk beeld, zij moest vluchten, zij moest doen wat die man zeide; en zij gehoorzaamde werktuiglijk, half bewusteloos van ontzetting. Oe vermetele vlucht slaagde, werkelijk werd er in de verwarring aan hen niet gedacht. De kloosterzusters ijlden allen toe op het gerucht van het schot. Zij vonden Maria Andrea reeds weder tot zich zelve gekomen, alleen de sluier was doorschoten en de linkerarm slechts licht gewond: »Een wonder was er geschied voor eene heilige!" zoo luidde naderhand het dagverhaal van het klooster. De dienst moest worden gedaan als ware er niets gebeurd, op het verlangen der Prinses. Later zocht men Andrea… Natuurlijk tevergeefs.

Het hof van Lissabon deed strenge nasporingen naar de ontvluchten, die men van opzettelijke misdaad verdacht hield. Den buitenlandschen vorsten werd het aangezegd hun geene schuilplaats te geven. En echter ondanks dit alles ze werden nimmer gevonden. Niet vreemd ook. In eene kleine baai, nabij de kust van St. Ubes, lag een bevallig vaartuigje bij gunstigen wind zachtjes te wiegelen. Het wachtte op twee lieden, die te paard naderden, Andrea en Pedro.

— Maar ik bid u, Pedro, sprak zij angstig, gij hebt van het gebergte gesproken, en gij voert mij naar de kust.

— Derwaarts kunnen wij nu niet meer heen. Wij moeten ons Inschepen. - Maar, om ’s Hemels wil, waar henen? En de Infant! spreek toch van mijn Johan.

— Op de zee is nog slechts onze eenigste veiligheid. En spreek niet van den Infant; hebt gij dan waarlijk gemeend koningin van Portugal te worden?

— Bedrogen, bedrogen, Heilige Maagd, en ik heb het verdiend! gilde Andrea in verbijstering van het paard springende.

— Een weinig, dat is niet te ontkennen, hoe zoudt gij mij anders gevolgd zijn. Maar gij zult, gij moet mij vergeven. Ik zal alles goed maken… Ik, ik heb u hartstochtelijk lief. De Infant .denkt niet aan u. Hij is verloofd aan Eleonora, Hertogin van Visea. En hij zal spoedig huwen.

En dit zeggende, vatte hij met heftigheid haar arm en dreef haar voort naar het strand. Zij trachtte te ontsnappen, en wilde zich In radeloozen angst neerstorten in de golven. Hij hield haar terug, dat was eene akelige worsteling; die vrouw, welke plicht en eer en geweten had verzaakt, om tot zulk eene teleurstelling te komen, en die nu te kiezen had tusschen den zondigen dood der wanhoop of het volgen van een bedrieger. Nog meer, de keuze was haar ontzegd. De krachtige man sleurde haar voort naar het vaartuig. Matrozen lichtten de ankers, de bootsman nam het roer, en een schip zeilde weg van de kust.

Algerijnen hebben het later genomen. Twee Spanjaarden, uit Afrikaansche boeien verlost, hebben naderhand verhaald, hoe een Portugeesch edelman onder slavenarbeid bezweken was, en hoe eene schoone Christenslavin, die zich Andrea noemde, bij een opstand in een harem was verworgd geworden.

Andrea heeft wel geboet!

Toen het proefjaar ten einde was, trof eene groote grieve Johanna van Portugal. De Infant bleef zonder erfgenaam, en de staten des lands verzettenden zich tegen de gelofte der Prinses. Don Johan, die haar weder bezocht, en die met zachtheid niets had kunnen verkrijgen, eindigde met toorn. Hij bedreigde zelfs de kloosterlingen, die daarop in een plechtig kapittel besloten, de jonge vorstin niet tot de orde toe te laten. Zij verkreeg eindelijk de vergunning, om als nieuweling te blijven, totdat andere plichten haar riepen.

Die tijd is niet voor haar gekomen. Zij stierf op haar acht en dertigste jaar. En zoo de hemel verdiend kan worden door strenge kloosterdeugd, dan heeft zij zich dien verworven, want zij heeft nimmer opgehouden te wandelen naar het licht dat haar was gegeven.

1839.