Bredero/O Levendige God

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

AENDACHTIGH GEBEDT.

O Levendige God! eeuwigh, goed en almachtigh,
Aenschouwt me-lyellyck my droeve en neer-slachtigh
En uytgequeelde man van soberen gestalt.
Gedooght niet dat hem nu de wan-hoop overvalt,
Die doch een vyandt is van Hemelsche genade,
Want sy mijn arme siel sou eeuwelijcken schade.
Ontfangt, O Heere! doch het suyverst’ van mijn hert,
Gheeft dat my myne sond niet toe-gerekend wert.
Neemt my (die hier op aerd’) als vremdeling most swerven)
In ’s Hemels Borgery na een God-saligh sterven.
Ach! dat u lieven Soon, met zijn onschuldigh bloedt,
Voor myn ken-schuldige, de borrecht-tocht voldoet.
Och! ick ben uytgeteert en ga me smart betreden
Den algemeenen wegh van d’ouwde lang verleden.
O Heer! ick kyve niet, doch hadder niet met u.
Het sterven is mijn lief, ist U behaghelijcke nu,
Want ghy hebt my gemaeckt en mooght my weer ontmaken,
Wanneer ’t u wel gevalt. O God! voor alle saken
Beveel ick U mijn Ziel, O Salighmaker goed!
Ick geer geen ander vreughd, ick soeck geen ander soet,
Geen andeer blydschap, ach! noch oock geen liever lusten,
Als by den Bruydegom van mijnen Ziel te rusten.