Burgeroorlog in Frankrijk/Adres I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tweede adres van de Generale Raad over de Frans-Duitse oorlog Burgeroorlog in Frankrijk van Karl Marx

Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk I

Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk II


Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk - 1871[bewerken]

I[bewerken]

Op de 4de september 1870, toen de Parijse arbeiders de republiek proclameerden, die bijna op hetzelfde ogenblik geheel Frankrijk, zonder een enkele stem van tegenspraak toejuichte, — toen nam een kliek van op baantjes beluste advocaten, met Thiers als staatsman en Trochu als generaal, bezit van het Hotel de Ville (stadhuis). Deze lieden waren toentertijd doordrongen van een zo fanatiek geloof aan de roeping van Parijs om in alle tijdperken van historische crisis Frankrijk te vertegenwoordigen, dat het hun, om hun onrechtmatig verkregen titel van regent van Frankrijk te rechtvaardigen, voldoende toescheen, hun vervallen mandaten als afgevaardigden van Parijs te tonen. In ons tweede adres over de laatste oorlog, vijf dagen na het omhoog komen van deze lieden, zeiden wij u, wie zij waren. En toch — in de storm van de overrompeling, met de werkelijke leiders van de arbeiders nog in Bonapartes gevangenissen en met de Pruisen reeds in volle opmars naar Parijs, duldde Parijs, dat zij zich van de staatsmacht meester maakten; doch slechts onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat deze staatsmacht enkel en alleen voor het doel van de nationale verdediging zou dienen. Parijs was evenwel niet te verdedigen zonder zijn arbeidersklasse te wapenen, haar in een bruikbare krijgsmacht te veranderen en haar gelederen door de oorlog zelf te scholen. Maar Parijs in wapens, dat was de revolutie in wapens. Een overwinning van Parijs op de Pruisische aanvallers ware een overwinning geweest van de Franse arbeiders op de Franse kapitalisten en hun staatsparasieten. In deze tweestrijd tussen nationale plicht en klassebelang aarzelde de regering van de nationale verdediging geen ogenblik: zij veranderde in een regering van het nationale verraad.

Het eerste, wat zij deed, was: Thiers langs alle hoven van Europa op een rondreis uit te zenden, om hier bemiddeling af te bedelen met het aanbod de republiek voor een koning om te ruilen. Vier maanden na het begin van het beleg, toen het ogenblik gekomen scheen om het eerste woord over capitulatie te laten vallen, sprak Trochu, in tegenwoordigheid van Jules Favre en andere leden van de regering, de vergaderde maires (districtsburgemeesters) van Parijs als volgt toe:

“De eerste vraag, die mij door mijn collega’s nog op dezelfde avond van de 4de september werd voorgelegd, was: Kan Parijs met enig uitzicht op succes een beleg door het Pruisische leger uithouden? Ik aarzelde niet dit te ontkennen. Verscheidene van mijn hier aanwezige collega’s zullen voor de waarheid van mijn woorden, en voor mijn vasthouden aan deze mening instaan. Ik zei hun, in deze zelfde woorden, dat het, zoals de zaken stonden, een dwaasheid zou zijn te pogen Parijs tegen een Pruisisch beleg te houden. Ongetwijfeld, voegde ik er aan toe, een heroïsche dwaasheid; maar dat zou ook alles zijn. . . De gebeurtenissen (die hij zelf leidde) hebben mijn profetische blik niet gelogenstraft”.

Dit fraaie toespraakje van Trochu werd later door één van de aanwezige burgemeesters, de heer Corbon, gepubliceerd.

Dus: op dezelfde avond, waarop de republiek werd geproclameerd, was het de collega’s van Trochu bekend, dat het “plan” van Trochu in de capitulatie van Parijs bestond. Ware de nationale verdediging meer geweest dan een bloot voorwendsel voor de persoonlijke heerschappij van Thiers, Favre en Co., dan hadden de parvenu’s van de 4de september op de 5de hun ontslag genomen, dan hadden zij het Parijse volk ingewijd in het “plan” van Trochu, en hadden zij het opgeroepen, of om onmiddellijk te capituleren, of zijn eigen lot in eigen handen te nemen. In plaats hiervan besloten evenwel de eerloze bedriegers, de “heroïsche dwaasheid” van Parijs door behandeling met honger en bloedige koppen te cureren, en het middelerwijl met snoevende manifesten voor de gek te houden, zoals bv.: “Trochu, de gouverneur van Parijs, zal nooit capituleren!” en Jules Favre, de minister van buitenlandse zaken, “zal geen duimbreed van ons gebied en geen steen van onze vestingen afstaan”. In een brief aan Gambetta bekent dezelfde Jules Favre, dat zij zich niet tegen de Pruisische soldaten “verdedigden’, maar tegen de Parijse arbeiders. Gedurende het gehele beleg maakten de bonapartistische keelafsnijders, aan wie Trochu wijselijk het bevel over het Parijse leger had toevertrouwd, in hun vertrouwelijke brieven gemene grappen over de welbegrepen hoon van de verdediging. Men zie bv. de correspondentie van Alphonse Simon God, opperbevelhebber over de artillerie van het Parijse leger (grootkruis van het legioen van eer), aan Suzanne, divisiegeneraal van de artillerie, welke correspondentie door de Commune werd gepubliceerd. Eindelijk, op de 28ste januari 1871, lieten zij hun bedrieglijk masker vallen. Met al de heldenmoed van de uiterste zelfvernedering trad de regering van de nationale verdediging bij de capitulatie van Parijs te voorschijn als de regering van Frankrijk door Bismarcks gevangenen, — een rol van zulk een laagheid, dat zelfs Louis Napoleon te Sedan er voor was teruggeschrokken. Na de 18de maart lieten de “capitulards”, in hun wilde vlucht naar Versailles, de officiële bewijsstukken van hun verraad te Parijs achter. Om die te vernietigen, — zegt de Commune in een van haar manifesten aan de provincie, — “zullen deze lieden er niet voor terugdeinzen, Parijs te veranderen in een puinhoop, omspoeld door een zee van bloed”.

Maar om zulk een uitkomst te verkrijgen, hadden verschillende van de voornaamste leden van de verdedigingsregering bovendien nog heel bijzondere persoonlijke redenen.

Kort na het sluiten van de wapenstilstand publiceerde Millière, afgevaardigde voor Parijs in de Nationale Vergadering, thans op uitdrukkelijk bevel van Jules Favre doodgeschoten, een reeks van authentieke gerechtelijke documenten, ten bewijze, dat Jules Favre, die in vrij huwelijk leefde met de vrouw van een in Algiers gevestigde dronkaard, door een uiterst brutale aaneenschakeling van zich over een lange rij van jaren uitstrekkende vervalsingen, in naam van de kinderen uit zijn echtbreuk een grote erfenis had verduisterd en zich daardoor tot “een rijk man gemaakt; en dat hij in een, door de rechtmatige erfgenamen ondernomen proces slechts aan een ontmaskering ontsnapte, dank zij de bijzondere gunst van de bonapartistische rechtbanken. Daar het niet mogelijk was deze droge gerechtelijke bescheiden te weerleggen, al was het ook met nog zoveel retorische paardenkrachten, hield Jules Favre voor de eerste maal van zijn leven zijn mond, terwijl hij in alle stilte het uitbreken van de burgeroorlog afwachtte om dan het Parijse volk woedend te belasteren als een bende van losgebroken tuchthuisboeven, in volslagen oproer tegen familie, religie, orde en eigendom. En deze zelfde vervalser was nauwelijks aan de heerschappij gekomen toen hij, dadelijk na de 4de september, Pic en Taillefer uit sympathie in vrijheid stelde, die beiden, nog wel onder het keizerrijk, bij de schandaalgeschiedenis met het blad L’Etendard wegens vervalsing waren veroordeeld. Een van deze edelen, Taillefer, had de brutaliteit onder de Commune Parijs binnen te komen en werd onmiddellijk weer gevangen gezet. En daarop riep Jules Favre van de tribune van de Nationale Vergadering, ten aanhoren van de hele wereld, uit dat de Parijzenaars al hun tuchthuisboeven vrij lieten.

Ernest Picard, de Karl Vogt van de regering van de nationale verdediging, die zich zelf tot minister van binnenlandse zaken van de republiek benoemde, nadat hij tevergeefs zijn best had gedaan om minister van binnenlandse zaken van het keizerrijk te worden, is de broer van een zeker Arthur Picard, die als zwendelaar van de Parijse beurs werd gedrongen (mededeling van de Parijse politieprefectuur van 13 juli 1867) en op eigen bekentenis schuldig werd verklaard aan een diefstal van 300.000 Francs, door hem als directeur van een filiaal van de Société Générale, Rue Palestro Nr. 5 (mededeling van de politieprefectuur van de 11de december 1868) gepleegd. Deze Arthur Picard werd door Ernest Picard als redacteur van zijn blad L’Electeur Libre benoemd. Terwijl de gewone soort van beurslui door de officiële leugens van dit ministeriële blad werden misleid, liep Arthur Picard tussen het ministerie en de beurs heen en weer en veranderde hier de nederlagen van de Franse legers in zuivere winst. De gehele zakencorrespondentie van dit rechtschapen broederpaar viel in handen van de Commune.

Jules Ferry, voor de 4de september een brodeloze advocaat, speelde het klaar als burgemeester van Parijs gedurende het beleg uit de hongersnood een vermogen voor zichzelf bij elkaar te zwendelen. De dag waarop hij zich wegens zijn wanbeheer zal hebben te verantwoorden, zal ook de dag van zijn veroordeling zijn.

Deze mannen nu konden hun tickets of leave #4 slechts in de puinhopen van Parijs vinden. Ze waren juist de mensen die Bismarck nodig had. Een beetje gegoochel en Thiers, tot dusverre de geheime aanbrenger van de regering, verscheen nu als stille verklikker met de ticket-of-leave-mannen als ministers.

Thiers, dit dwergachtig misbaksel, heeft de Franse bourgeoisie meer dan een halve eeuw lang betoverd, doordat hij de meest volmaakte geestelijke uitdrukking van haar eigen klasseverdorvenheid is. Vóór hij staatsman werd, had hij reeds als geschiedschrijver zijn kracht in het liegen doen blijken. De kroniek van zijn publiek leven is de geschiedenis van Frankrijks rampen. Vóór 1830 met de republikeinen verbonden, stal hij onder Louis Philippe een ministerportefeuille, door zijn beschermer Pierre Laffite te verraden. De koning wist hij voor zich te winnen door het aanstoken van relletjes van het gepeupel tegen de geestelijkheid, waarbij de kerk Saint-Germain l’Auxerrois en het paleis van de aartsbisschop geplunderd werden, en door zijn gedrag tegenover de hertogin van Berri, bij wie hij tegelijkertijd de ministerspion en de gevangenis-vroedmeester speelde. Zijn werk was het neersabelen van de republikeinen in de Rue Transnonain; zijn werk de daarop volgende schandelijke septemberwetten tegen pers en verenigingsrecht. In 1840, toen hij weer opdook als minister-president, sloeg hij Frankrijk met verbazing door zijn plan Parijs als vesting te versterken. De republikeinen, die dit plan als een arglistig complot tegen de vrijheid van Parijs aanklaagden, gaf hij in de Kamer van de Gedeputeerden ten antwoord:

“Hoe? U verbeeldt u dat vestingwerken ooit de vrijheid in gevaar kunnen brengen? Vóór alles lastert u iedere mogelijke regering, als u veronderstelt dat zij zich ooit door een bombardement van Parijs staande zou trachten te houden. . . zulk een regering ware na haar zegepraal honderdmaal onmogelijker dan te voren”.

Inderdaad, geen regering zou het ooit hebben gewaagd Parijs van uit de forten te bombarderen, behalve de regering, die deze zelfde forten aan de Pruisen had uitgeleverd.

Toen koning Bomba in januari 1848 zijn krachten op Palermo beproefde, stond Thiers, die toen al lang geen minister meer was, opnieuw in de Kamer op:

“U weet, mijne heren, wat te Palermo gebeurt. U allen trilt van afschuw (in parlementaire zin), als u hoort dat achtenveertig uren lang een grote stad is gebombardeerd, door wie? Door een vreemde vijand, die van het oorlogsrecht gebruik maakt? Neen, mijnheren, door haar eigen regering. En waarom? Omdat de ongelukkige stad haar rechten opeiste. En voor het eisen van haar rechten ontving zij achtenveertig uren bombardement. . . Veroorloof mij, een beroep op de opinie van Europa te doen. Men bewijst de menselijkheid een dienst, als men opstaat en van wellicht de grootste tribune van Europa enige woorden (jawel, woorden) van verontwaardiging over zulke daden laat weerklinken. Toen de regent Espartero, die zijn land diensten had bewezen (en dat was meer dan Thiers ooit had gedaan), van plan was Barcelona te bombarderen, teneinde een opstand te onderdrukken, toen verhief zich aan alle einden van de wereld een algemene kreet van de verontwaardiging.”

Achttien maanden later bevond Thiers zich onder de woedendste verdedigers van het bombardement van Rome door een Frans leger. De fout van koning Bomba schijnt inderdaad slechts hierin te hebben bestaan dat hij zijn bombardement tot achtenveertig uren beperkte.

Weinige dagen vóór de Februarirevolutie verklaarde Thiers, verstoord over de lange verbanning uit ambt en dieverij, waartoe Guizot hem had veroordeeld, en in de lucht het naderen van een volksbeweging ruikend, in de valse heldenstijl, die hem de bijnaam van Mirabeau-Mouche (Mirabeau-Vlieg) bezorgde, in de Kamer van de Gedeputeerden:

“Ik behoor tot de partij van de revolutie, niet alleen in Frankrijk, maar Europa. Ik wens dat de regering van de revolutie in handen van gematigde mannen moge blijven. . . maar zou deze regering in handen van heftiger mensen vallen, zelfs in die van radicalen, dan zou ik daarom toch mijn zaak niet in de steek laten. Ik zal altijd tot de partij van de revolutie behoren.”

De Februarirevolutie kwam. In plaats van het ministerie Guizot door het ministerie Thiers te vervangen, zoals het mannetje gedroomd had, verdrong ze Louis Philippe door de republiek. Op de eerste dag van de overwinning hield hij zich zorgvuldig verborgen, vergetend dat de verachting van de arbeiders hem tegen hun haat beschermde. Toch hield hij zich, met zijn vanouds bekende moed, van het openbare toneel verwijderd totdat de Junislachting het voor zijn soort van actie had schoon geveegd. Toen werd hij de leidende kop van de “partij van de orde” met haar parlementaire republiek, dat anonieme tussenrijk waarin al de verschillende fracties van de heersende klasse met elkaar samenzwoeren ter onderdrukking van het volk, en tegen elkaar, elk tot herstel van haar eigen monarchie.

Toen klaagde Thiers, evenals nu, de republikeinen aan als de enige hinderpaal voor het stevig vestigen van de republiek; zowel toen als nu sprak hij tot de republiek, als de beul tot Don Carlos: “Ik zal je vermoorden, maar tot je eigen bestwil”. Thans zal hij, evenals toen, op de dag na zijn overwinning moeten uitroepen: “L’Empire est fait!” — het keizerrijk is gereed. Trots zijn huichelachtige preken van “noodzakelijke vrijheden” en zijn persoonlijke boosheid tegen Louis Bonaparte, die hem had gebruikt en het parlementarisme buiten de deur had gezet, — en buiten de gekunstelde atmosfeer van het parlementarisme, schrompelt het mannetje, zoals hij zelf wel weet, tot niets in elkaar, — trots dit alles had Thiers zijn hand in al de schandelijkheden van het tweede keizerrijk, van de bezetting van Rome door Franse troepen af, tot aan de oorlog tegen Pruisen, waartoe hij door zijn heftige uitvallen tegen de Duitse eenheid ophitste, niet als dekmantel voor het Pruisische despotisme, maar als inbreuk op het overgeërfde recht van Frankrijk op de Duitse onenigheid. Terwijl zijn dwergen armen voor het aangezicht van Europa gaarne het zwaard van de eerste Napoleon, wiens historische schoenpoetser hij geworden was, heen en weer zwaaide, liep zijn buitenlandse politiek steeds uit op de uiterste vernedering van Frankrijk, van de Londense Conventie van 1841 af, tot aan de Parijse capitulatie van 1871 en tot de huidige burgeroorlog, waarin hij, met hoog verlof van Bismarcks overheid, de gevangenen van Sedan en Metz tegen Parijs ophitste. Trots de bewegelijkheid van zijn talent en de veranderlijkheid van zijn doeleinden in deze man zijn gehele leven lang aan de meest versteende routine geketend geweest. Het is duidelijk dat hem de dieper liggende stromingen van de moderne maatschappij eeuwig verborgen moesten blijven; maar zelfs de meest tastbare veranderingen aan de maatschappelijke oppervlakte weerstreefde een brein, welks gehele levenskracht in de tong was gevlucht. Zo werd hij nooit moe, iedere afwijking van het verouderde Franse systeem van beschermende rechten als heiligschennis aan te klagen. Als minister van Louis Philippe trachtte hij de spoorwegen als een waanzinnige zinsbegoocheling weg te schreeuwen; in de oppositie onder Louis Bonaparte brandmerkte hij iedere poging tot hervorming van het verrotte Franse legerstelsel als een ontheiliging. Geen enkele keer in zijn lange politieke loopbaan heeft hij zich aan een enkele, ook maar de geringste maatregel van praktisch nut schuldig gemaakt. Thiers was slechts consequent in zijn zucht naar rijkdom en in zijn haat tegen de lieden die de rijkdom voortbrengen. Toen hij in zijn eerste ministerie onder Louis Philippe optrad, was hij arm als Job; hij verliet het als miljonair. Toen zijn laatste ministerie onder dezelfde koning (van 1 maart 1840) hem in de Kamer openlijke beschuldigingen wegens verduistering bezorgde, vergenoegde hij zich door onder tranen te antwoorden, waarin hij even gemakkelijk “doet” als Jules Favre of onverschillig welke andere krokodil. Te Bordeaux was zijn eerste stap tot redding van Frankrijk voor de aanstormende financiële ruïne, deze, dat hij zich zelf een toelage van drie miljoen franks per jaar gaf; dit was het eerste en het laatste woord van de “zuinige republiek”, die hij zijn Parijse kiezers in 1869 in uitzicht had gesteld. Een van zijn vroegere collega’s uit de Kamer van 1830, zelf een kapitalist, hetgeen hem niet belette een offervaardig lid van de Parijse Commune te zijn, de heer Beslay, zei onlangs in een muurplakkaat tot Thiers:

“De knechting van de arbeid door het kapitaal is te allen tijde de hoeksteen van uw politiek geweest, en sedert gij gezien hebt dat de republiek van de arbeid in het stadhuis van Parijs is binnen getrokken, hebt gij zonder ophouden Frankrijk toegeroepen: “Ziet die misdadigers!”

Een meester in kleine staatsschurkerijen, een virtuoos in meineed en verraad, uitgeslapen in al de lage krijgslisten, verraderlijke knepen en gemene trouweloosheid van de parlementaire partijstrijd; steeds bereid om, als hij uit het ambt was verdrongen, een revolutie aan te wakkeren, en ze in bloed te verstikken, zodra hij weer het roer van de staat in handen had; met klassevooroordelen in plaats van ideeën; met ijdelheid in plaats van een hart; zijn particulier leven even schandelijk als zijn publiek leven laag was, — kan hij niet nalaten, zelfs thans, nu hij de rol van een Franse Sulla speelt, de afschuwelijkheden van zijn daden te verhogen door de belachelijkheid van zijn grootdoenerij.

De capitulatie van Parijs, die aan de Pruisen niet alleen Parijs, maar geheel Frankrijk uitleverde, was het slot van de langdurige intriges met de vijand, die de usurpators van de 4de september, zoals Trochu zelf had gezegd, reeds diezelfde dag waren begonnen. Anderzijds was ze het begin van de burgeroorlog die zij thans, met Pruisische ondersteuning, tegen de republiek en Parijs moesten voeren. Reeds in de bewoordingen van de capitulatie zelf was de val gezet. Toentertijd was meer dan een derde van het land in handen van de vijand; de hoofdstad was van de provincies afgesneden; alle verkeersmiddelen waren in wanorde. Het was onmogelijk, onder zulke omstandigheden een werkelijke vertegenwoordiging van Frankrijk te kiezen, wanneer niet overvloedig tijd voor de voorbereiding werd gegeven. Juist daarom bedong de capitulatie, dat een Nationale Vergadering binnen acht dagen moest worden gekozen, zodat in vele delen van Frankrijk de kennisgeving voor het houden van de verkiezingen eerst een dag te voren aankwam. Verder zou de Vergadering volgens een nadrukkelijk artikel van de capitulatie gekozen worden voor het enkele doel, over oorlog en vrede te beslissen en eventueel een vredesverdrag te sluiten. Het volk moest voelen, dat de voorwaarden van de wapenstilstand het voortzetten van de oorlog onmogelijk maakten, en dat, om de, door Bismarck opgedwongen vrede te bevestigen, de slechtste mensen van Frankrijk juist de beste waren. Maar, niet tevreden met al deze voorzichtigheidsmaatregelen, had Thiers, nog vóór het geheim van de wapenstilstand aan de Parijzenaars was meegedeeld, zich op een verkiezingstocht door de provincies begeven, om daar de legitimistische partij weer tot leven te galvaniseren, die thans samen met de orleanisten de plaats van de, voor dit ogenblik onmogelijk geworden bonapartisten moest innemen. Voor hen koesterde hij geen vrees. Onmogelijk als regeringspartij van het moderne Frankrijk, en daarom verachtelijk als mededinger, welke partij leverde een meer welkom werktuig van de reactie dan de partij, wier actie, volgens de woorden van Thiers zelf (Kamer van de Gedeputeerden, 5 januari 1833) “zich steeds had beperkt tot de drie hulpbronnen: buitenlandse invasie, burgeroorlog en anarchie”? Maar zij, de legitimisten, geloofden in waarheid aan de komst van hun achterwaarts gericht duizendjarig rijk. Daar waren de gevolgen van buitenlandse invasie, die Frankrijk vertrapten, daar was de val van een keizerrijk en de gevangenschap van een Bonaparte; en daar waren zij zelf weer. Het rad van de geschiedenis was zichtbaar teruggedraaid tot aan de Chambre introuvable (de Kamer van landraden en jonkers) van 1816. In de Vergaderingen van de republiek, van 1848 tot 1851, waren zij door hun beschaafde en geschoolde parlementaire leiders vertegenwoordigd; maar thans drongen de gewone soldaten van de partij zich naar voren, alle Pourceaugnacs van Frankrijk.

Zodra deze Vergadering van Rureaux (landjonkers) te Bordeaux was geopend, maakte Thiers hun duidelijk dat zij de vredespreliminaire onmiddellijk moesten aannemen, zelfs zonder het eerbetoon van een parlementair debat, als enige voorwaarde, waarop Pruisen hun zou veroorloven, tegen de republiek en haar vaste burcht, Parijs, de oorlog te beginnen. De contrarevolutie had inderdaad geen tijd te verliezen. Het tweede keizerrijk had de staatsschuld verdubbeld en veroorzaakt, dat de grote steden onder een zware plaatselijke schuldenlast gebukt gingen. De oorlog had de eisen, aan de natie gesteld, schrikbarend verhoogd en haar hulpbronnen meedogenloos verwoest. Daar stond, om de ruïne te voltooien, de Pruisische Shylock met zijn wissel voor het onderhoud van een half miljoen zijner soldaten op Franse bodem, voor een schadeloosstelling van vijf miljard en vijf procent rente op de nog onbetaalde termijnen daarvan. Wie moest de rekening betalen? Slechts door op gewelddadige wijze de republiek ten val te brengen, konden degenen die zich de rijkdom hadden toegeëigend, hopen dat zij de kosten van een door hen zelf veroorzaakte oorlog op de schouders van de voortbrengers van deze rijkdom konden afwentelen. En zo spoorde juist de onmetelijke ruïne van Frankrijk deze patriottische vertegenwoordigers van grondbezit en kapitaal aan om, onder de ogen en de hoge protectie van de vreemde veroveraar, de buitenlandse oorlog aan te vullen met een burgeroorlog, een slavenhoudersrebellie.

Aan deze samenzwering stond een grote hinderpaal in de weg: Parijs. Het ontwapenen van Parijs was de eerste voorwaarde van het succes. Thiers eiste derhalve van Parijs dat het zijn wapens zou neerleggen. Daarop werd Parijs opgehitst door de dolle antirepublikeinse demonstraties van de Landjonkers-Vergadering en door Thiers eigen, dubbelzinnige uitspraken over het juridisch bestand van de republiek; door de bedreiging dat men Parijs zou onthoofden en onthoofdstedelijken (decapiter et décapitaliser) ; het benoemen van orleanistische gezanten; Dufaures wetten op de vervallen wissels en de huishuren, die de handel en de industrie van Parijs met de ondergang bedreigden; Pouyer-Quertiers belasting van twee centimes op elk exemplaar van elk mogelijk gedrukt stuk; de doodvonnissen tegen Blanqui en Flourens; het onderdrukken van de republikeinse bladen; het verleggen van de Nationale Vergadering naar Versailles; het vernieuwen van de, door Palikao afgekondigde en door de 4de september vernietigde staat van beleg; het benoemen van de decemberheld Vinoy tot gouverneur, van de gendarm Valentin tot politieprefect, en van de Jezuïetengeneraal d’Aurelles de Paladine tot opperbevelhebber van de Nationale Garde van Parijs.

En nu moeten wij tot de heer Thiers en tot de heren van de Nationale Verdediging, zijn bedienden, een vraag richten. Het is bekend dat Thiers door zijn minister van financiën, de heer Pouyer-Quertier, een lening van twee miljard, direct te betalen, had voorgesteld. Is het nu waar of niet:

1. dat deze zaak zo werd vereffend dat een provisie van verscheiden honderden miljoenen in de particuliere zakken van Thiers, Jules Favre, Ernest Picard, Pouyer-Quertier en Jules Simon vloeide, en
2. dat geen betaling zou geschieden tot na de “pacificatie” van Parijs?

In ieder geval moet de zaak zeer dringend zijn geweest, want Thiers en Jules Favre verzochten zonder enige schaamte, in naam van de Vergadering van Bordeaux, om bezetting van Parijs door de Pruisische troepen. Dit paste evenwel niet in Bismarcks spel, zoals hij spottend en volkomen openlijk, aan de bewonderende Frankforter droogstoppels bij zijn terugkeer naar Duitsland vertelde.

Voetnoot[bewerken]

4 In Engeland geeft men aan gewone misdadigers, nadat zij het grootste gedeelte van hun gevangenschap hebben doorgebracht, dikwijls een verlofpas, waarmee zij de gevangenis verlaten en onder politietoezicht worden geplaatst. Deze passen heten tickets of leave en de bezitters ticket-of-leave men.