Burgeroorlog in Frankrijk/Inleiding van Fr. Engels

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Burgeroorlog in Frankrijk Burgeroorlog in Frankrijk van Karl Marx

Inleiding

Eerste adres van de Generale Raad over de Frans-Duitse oorlog

Inleiding — Van Friedrich Engels

De uitnodiging het Adres van de Internationale Generale Raad over de Burgeroorlog in Frankrijk opnieuw uit te geven en van een inleiding te voorzien, kwam voor mij onverwachts. Ik kan daarom hier slechts kort de belangrijkste punten aanstippen.

Aan het bovengenoemde grotere geschrift laat ik de twee kortere manifesten van de Generale Raad over de Frans-Duitse oorlog voorafgaan; vooreerst omdat naar het tweede hiervan, dat zelf weer zonder het eerste niet overal begrijpelijk is, in de Burgeroorlog wordt verwezen; en verder, omdat deze beide, ook door Marx opgestelde toespraken, niet minder dan de Burgeroorlog schitterende proeven zijn van de wonderbaarlijke, voor de eerste maal in De 18de Brumaire van Louis Bonaparte aan de dag getreden gave van de schrijver, het karakter, de strekking en de noodzakelijke gevolgen van grote geschiedkundige gebeurtenissen duidelijk te begrijpen op een tijdstip, waarop deze gebeurtenissen zich nog voor onze ogen voltrekken of eerst pas zijn afgelopen; en eindelijk, omdat wij in Duitsland nog altijd onder de, door Marx voorspelde gevolgen van die gebeurtenissen hebben te lijden.

Of is het niet uitgekomen, wat de eerste toespraak zegt, dat wanneer de verdedigingsoorlog van Duitsland tegen Louis Bonaparte zou ontaarden in een veroveringsoorlog tegen het Franse volk, al het ongeluk, dat op Duitsland neerkwam na de zogenaamde bevrijdingsoorlogen, weer met nieuwe heftigheid zou opleven? Hebben we niet nog eens twintig jaren Bismarck heerschappij gehad, in plaats van de demagogen vervolgingen de uitzonderingswet en de ophitsing tegen de socialisten, met dezelfde politie willekeur, met letterlijk dezelfde wetsuitlegging, die de haren te berge doet rijzen?

En is niet de voorspelling letterlijk uitgekomen dat de annexatie van Elzas-Lotharingen “Frankrijk in de armen van Rusland” zou drijven, en dat na deze annexatie Duitsland of openlijk de knecht van Rusland zou worden, of zich na een korte rust tot een nieuwe oorlog zou moeten voorbereiden, en wel, “tot een rassenoorlog tegen de verbonden rassen van de Slaven en Romanen?” Heeft de annexatie van de Franse provincies Frankrijk niet in de armen van Rusland gedreven? Heeft Bismarck niet twintig jaar lang tevergeefs om de gunst van de tsaar gedongen, gedongen met diensten, nog lager dan die het kleine Pruisen, vóór het de “eerste grote mogendheid van Europa” was geworden, aan de voeten van het heilige Rusland placht te leggen? En hangt niet nog iedere dag wéér, als het zwaard van Damocles, ons een oorlog boven het hoofd, op welke eerste dag alle schriftelijk vastgelegde vorstenbondgenootschappen zullen verstuiven als kaf — een oorlog waarvan niets zeker is dan de volstrekte onzekerheid van de afloop. Een rassenoorlog die geheel Europa overlevert aan de verwoesting door vijftien of twintig miljoen bewapenden, en die alleen daarom nog niet woedt, omdat zelfs de sterkste van de grote militaire staten angst koestert voor de volslagen onberekenbaarheid van het eindresultaat?

Des te meer is het plicht, deze halfvergeten schitterende bewijsstukken van de vooruitziende blik van de internationale arbeiderspolitiek van 1870 voor de Duitse arbeiders weer toegankelijk te maken.

Wat voor deze beide toespraken geldt, geldt ook voor De burgeroorlog in Frankrijk. Op de 28ste mei bezweken de laatste Communestrijders voor de overmacht op de hellingen van Belleville, en reeds twee dagen later, op de 30ste, las Marx de Generale Raad het werk voor, waarin de historische betekenis van de Parijse Commune in korte, krachtige, maar zo scherpe en vooral zo ware trekken is uiteengezet, als in de gehele ontzaglijke literatuur over dit onderwerp nooit weer is bereikt.

*

Dankzij de economische en politieke ontwikkeling van Frankrijk sedert 1789 werd Parijs sinds 50 jaren in een situatie gebracht, dat hier geen revolutie kon uitbreken, die niet een proletarisch karakter aannam, in die zin dat het proletariaat, dat de overwinning met zijn bloed kocht, na de overwinning met eigen eisen optrad. Deze eisen waren meer of minder vaag en zelfs verward, al naar de toenmalige stand van de ontwikkeling van de Parijse arbeiders. Maar tenslotte kwamen ze allen neer op afschaffing van de klassentegenstelling tussen kapitalisten en arbeiders. Hoe dit moest geschieden, wist men weliswaar niet. Maar de eis zelf, in welke vage bewoordingen hij ook was gekleed, bevatte een gevaar voor de bestaande maatschappelijke orde: de arbeiders, die hem stelden, waren nog gewapend. Voor de bourgeoisie, die het roer van de staat in haar handen hield, was dus ontwapening van de arbeiders een gebiedende eis. Vandaar na elke, door de arbeiders bevochten revolutie een nieuwe strijd, die met de nederlaag van de arbeiders eindigt.

Dit gebeurde voor de eerste keer in 1848. De liberale bourgeois van de parlementaire oppositie hielden hervormingsfeestmalen om de kiesrechthervorming, die voor hun partij de heerschappij zou waarborgen, door te zetten. In de strijd met de regering meer en meer gedwongen, om een beroep op het volk te doen, moesten zij de radicale en republikeinse lagen van de bourgeoisie en van de kleine burgerij langzamerhand meer naar voren laten komen. Maar achter deze lagen stonden de revolutionaire arbeiders, en deze hadden zich sinds 1830 veel meer politieke zelfstandigheid eigen gemaakt, dan de bourgeois en zelfs de republikeinen vermoedden. Op het ogenblik van de crisis tussen regering en oppositie begonnen de arbeiders het straatgevecht. Louis Philippe verdween. Met hem de kiesrechthervorming. In plaats daarvan ontstond de republiek, en wel een republiek, die door de zegevierende arbeiders zelf als “sociaal” werd aangeduid. Wat onder deze sociale republiek moest worden verstaan, dat was voor niemand duidelijk, ook voor de arbeiders zelf niet. Maar zij hadden thans wapens en waren een macht in de staat. Zodra dus de zich aan het roer bevindende bourgeoisrepublikeinen enigermate vaste grond onder hun voeten voelden, was hun eerste doel, de arbeiders te ontwapenen. Dit geschiedde door hen door directe woordbreuk, door openlijke hoon, en door de poging de werklozen naar een afgelegen provincie te verbannen, in de opstand van juni 1848 te jagen. En nu volgde een bloedbad onder de weerloze gevangenen, zoals er niet meer gezien was sinds de dagen van de burgeroorlogen, die de ondergang van de Romeinse republiek inleidden. Het was de eerste keer dat de bourgeoisie toonde tot welk een krankzinnige wraakzuchtige wreedheid zij wordt geprikkeld, zodra het proletariaat tegenover haar als afzonderlijke klasse met eigen belangen en eisen durft optreden. En toch was 1848 nog kinderspel, vergeleken met haar woede in 1871.

De straf volgde op de voet. Kon het proletariaat Frankrijk nog niet regeren, de bourgeoisie kon het reeds niet meer. Ten minste toentertijd niet, toen zij voor het merendeel nog monarchistisch gezind, en in drie dynastieke partijen en een vierde republikeinse partij was gesplitst. Haar onderling gekrakeel maakte het de avonturier Louis Bonaparte mogelijk alle machtposities — leger, politie, bestuursmachinerie, — in bezit te nemen en op de 2de december 1851 de laatste vaste burcht van de bourgeoisie, de Nationale Vergadering, uit elkaar te jagen. Het tweede keizerrijk begon, de uitbuiting van Frankrijk door een bende politieke en financiële avonturiers, maar tevens begon een industriële ontwikkeling, zoals onder het bekrompen en angstige systeem van Louis Philippe, onder de uitsluitende heerschappij van slechts een klein gedeelte van de bourgeoisie, nooit mogelijk was geweest. Louis Bonaparte ontnam de kapitalisten hun politieke macht onder het voorwendsel, hen, de bourgeois, tegen de arbeiders te beschermen, en de arbeiders op hun beurt tegen hen; maar daarvoor in de plaats begunstigde zijn heerschappij de speculatie en de industriële werkzaamheden, kortom: de opbloei en de verrijking van geheel de bourgeoisie in tot dusverre ongekende mate. In nog veel grotere mate weliswaar ontwikkelde zich de corruptie en de massale diefstal, die zich rondom het keizerlijke hof groepeerden en van deze verrijking hun hoge procenten trokken.

Maar het tweede keizerrijk betekende een beroep op het Franse chauvinisme; het betekende het terugeisen van de in 1814 verloren grenzen van het eerste keizerrijk, op zijn minst die van de eerste republiek. Een Frans keizerrijk binnen de grenzen van de oude monarchie, ja, zelfs binnen de nog meer ingekorte grenzen van 1815 — dit was op de duur een onmogelijkheid. Vandaar de noodzakelijkheid van oorlogen af en toe en van grensverruiming. Maar geen grensuitzetting verblindde zozeer de fantasie van de Franse chauvinisten als die van de linker Rijnoever. Eén vierkante mijl aan de Rijn betekende bij hen meer dan tien in de Alpen of ergens anders. Gegeven het tweede keizerrijk, was het terugeisen van de linker Rijnoever, in één keer of bij gedeelten, slechts een kwestie van tijd. Deze tijd kwam met de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog van 1866; door Bismarck en door zijn eigen al te sluwe weifelpolitiek in de verwachte “gebiedsschadeloosstelling” bedrogen, restte thans Bonaparte niets meer dan de oorlog, die in 1870 uitbrak en hem in Sedan en van daar in Wilhelmshöhe deed belanden.

Het noodzakelijke gevolg was de Parijse revolutie van 4 september 1870. Het keizerrijk viel in elkaar als een kaartenhuis; de republiek werd weer geproclameerd. Maar de vijand stond voor de poorten. De legers van het keizerrijk waren òf in Metz hopeloos ingesloten òf in Duitsland gevangen. In deze nood veroorloofde het volk de Parijse afgevaardigden in het gewezen wetgevende lichaam, zich als “regering van de nationale verdediging” op te werpen. Men stond dit des te eerder toe, omdat thans voor het doel van de verdediging alle voor de militaire dienst geschikte Parijzenaars in de Nationale Garde dienst hadden genomen en gewapend waren, zodat nu de arbeiders een grote meerderheid vormden. Maar al spoedig kwam de tegenstelling tussen de bijna alleen uit bourgeois bestaande regering en het gewapende proletariaat tot uitbarsting. Op de 31ste oktober werd het stadshuis door arbeidersbataljons bestormd en een gedeelte van de regeringsleden gevangen genomen; verraad, directe woordbreuk van de regering en de tussenkomst van enige, uit kleinburgers bestaande bataljons bevrijdden hen weer, en om niet de burgeroorlog binnen de wallen van een, door een vreemde krijgsmacht belegerde stad te doen ontvlammen, liet men de bestaande regering op haar post.

Eindelijk, op de 8ste januari 1871, capituleerde het uitgehongerde Parijs. Maar met tot dusver in de krijsgeschiedenis ongekende eer. De forten werden overgegeven, de vestingwal ontwapend, de wapens van de linietroepen en van de Mobiele Garde uitgeleverd en deze zelf als krijgsgevangenen beschouwd, maar de Nationale Garde behield haar wapens en kanonnen en sloot alleen een wapenstilstand met de overwinnaars. En deze zelf durfden Parijs niet in triomf binnen trekken. Slechts een klein, bovendien gedeeltelijk uit openbare parken bestaand hoekje van Parijs durfden zij bezetten, en ook dit slechts voor een paar dagen! En gedurende deze tijd waren zij, die Parijs 131 dagen lang omsingeld hadden gehouden, zelf omsingelt door de gewapende Parijse arbeiders, die zorgvuldig er voor waakten dat geen “Pruis” de enge grenzen van het de vreemde veroveraar overgelaten hoekje overschreed. Zulk een eerbied boezemden de Parijse arbeiders het leger in, waarvoor al de legers van het keizerrijk de wapens hadden gestrekt; en de Pruisische jonkers, die gekomen waren, om op de haard van de revolutie wraak te nemen, moesten eerbiedig blijven staan en voor diezelfde gewapende revolutie salueren!

Gedurende de oorlog hadden de Parijse arbeiders zich ertoe bepaald, de energieke voortzetting van de strijd te eisen. Maar thans, nu na de capitulatie van Parijs de vrede tot stand kwam, thans moest Thiers, het nieuwe hoofd van de regering, inzien dat de heerschappij van de bezittende klassen van de grootgrondbezitters en de kapitalisten — in voortdurend gevaar verkeerde, zolang de Parijse arbeiders de wapens in handen hielden. Zijn eerste werk was de poging om hen te ontwapenen. Op de 18de maart zond hij linietroepen met het bevel, de, aan de Nationale Garde toebehorende, gedurende het beleg van Parijs vervaardigde, en met, door openbare intekening verkregen gelden betaalde artillerie te roven. De poging mislukte. Parijs maakte zich als één man tot verzet gereed en de oorlog tussen Parijs en de, te Versailles zittende Franse regering was verklaard. De 26ste maart werd de Parijse Commune gekozen en op de 28ste werd ze uitgeroepen. Het Centraal Comité van de Nationale Garde, dat tot dusverre de regering had gevoerd, diende haar zijn ontslag in, nadat het nog tevoren de afschaffing van de schandelijke Parijse “zedenpolitie” had afgekondigd. Op de 30ste schafte de Commune de conscriptie en het staande leger af, en verklaarde de Nationale Garde, waartoe alle weerbare burgers moesten behoren, tot de enige gewapende macht. Ze schold alle huishuren van oktober 1870 tot april 1870 kwijt, onder afschrijving van de reeds betaalde huursommen op de toekomstige huurtijd, en zette elke verkoop van panden in de stedelijke bank van lening stop. Dezelfde dag werden de in de Commune gekozen buitenlanders in hun ambt bevestigd, daar “de vaan van de Commune die van de wereldrepubliek is”. — Op de 1ste april werd besloten dat het hoogste salaris van een Communebeambte, dus ook van haar leden zelf, niet hoger mocht zijn dan 6000 francs#1. — De volgende dag werd de scheiding van kerk en staat afgekondigd, evenals de afschaffing van alle betalingen voor godsdienstige doeleinden door de staat en de omzetting van alle bezittingen van de geestelijkheid in nationaal eigendom. Vervolgens werd op de 8ste april bevel gegeven om alle religieuze symbolen, schilderijen, dogma’s, gebeden, kortom, “al hetgeen tot het geweten van ieder persoonlijk behoort”, uit de scholen te verbannen, en dit werd geleidelijk ten uitvoer gebracht. — Op de 5de werd tegen het dagelijks opnieuw voorkomende doodschieten van gevangen genomen Communestrijders door de Versaillaanse troepen een decreet over het in hechtenis nemen van gijzelaars uitgevaardigd, dat evenwel nooit is toegepast. — Op de 6de werd de guillotine door het 137ste bataljon van de Nationale Garde te voorschijn gehaald en onder luid gejubel van het volk in het openbaar verbrand. — Op de 12de besloot de Commune, de na de oorlog van 1809 door Napoleon van veroverde kanonnen gegoten overwinningszuil van de Place Vendôme als zinnebeeld van het chauvinisme en van de volksophitsing omver te werpen. Dit werd op de 16de mei uitgevoerd. — Op de 16de april verordende de Commune een statistische opgave van de door de fabrikanten buiten werking gestelde fabrieken, en het uitwerken van plannen om deze in bedrijf te doen nemen, door de, in coöperaties te verenigen, tot dusver daarin werkzame arbeiders, zowel als voor een organisatie van deze coöperaties in een grote bond. — Op de 20ste schafte zij de nachtarbeid voor de bakkers af, zowel als de arbeidsbemiddeling, die sedert het tweede keizerrijk door van politie wege benoemde sujetten arbeiders-uitbuiters van de eerste rang — als monopolie werd bedreven; ze werd aan de gemeentebesturen (maires) van de twintig Parijse arrondissementen opgedragen. — Op de 30ste april beval zij het sluiten van de pandjeshuizen, die een particuliere uitbuiting van de arbeiders waren, en in strijd waren met het recht van de arbeiders op hun gereedschap en op krediet. — Op de 5de mei besloot zij het slopen van de boetkapel, opgericht als zoenoffer voor de terechtstelling van Lodewijk XVI.

Zo trad sinds de 18de maart het, tot dusverre door de strijd tegen de buitenlandse invasie op de achtergrond gedrongen klassekarakter van de Parijse beweging scherp en zuiver te voorschijn. Zoals in de Commune bijna alleen arbeiders of erkende arbeidersvertegenwoordigers zitting hadden, zo droegen ook haar besluiten een beslist proletarisch karakter. Of ze vaardigde hervormingen uit, die de republikeinse bourgeoisie slechts uit lafheid had nagelaten, maar die voor de vrije ontplooiing van de actie van de arbeidersklasse een noodzakelijke grondslag uitmaakten, zoals het verwezenlijken van de stelling dat tegenover de staat godsdienst niets anders dan een persoonlijke aangelegenheid is; óf zij vaardigde besluiten uit, die rechtstreeks in het belang van de arbeidersklasse waren en gedeeltelijk diep in de oude maatschappijorde ingrepen. Dit alles kon evenwel in een belegerde stad op zijn hoogst een begin van verwezenlijking vinden. En van begin mei af nam de strijd tegen de voortdurend talrijker zich verzamelende legermassa alle krachten van de regering in beslag.

De 7de april hadden de Versaillanen zich van de overgang van de Seine, bij Neuilly, aan het westelijk front van Parijs, meester gemaakt; daarentegen werden zij op de 11de, bij een aanval op het zuidelijk front door generaal Eudes, met bloedende koppen teruggeslagen. Parijs werd voortdurend gebombardeerd, en wel door dezelfde lieden die het bombardement van dezelfde stad door de Pruisen als heiligschennis hadden gebrandmerkt. Deze zelfde lieden bedelden nu bij de Pruisische regering om snelle terugzending van de gevangen Franse soldaten van Sedan en Metz, die voor hen Parijs moesten heroveren. Deze troepen kwamen langzamerhand aan en gaven aan de Versaillanen van het begin van mei af een beslist overwicht. Dit kwam reeds tot uiting toen Thiers op de 23ste april de onderhandelingen afbrak voor de, door de Commune aangeboden ruil van de aartsbisschop van Parijs en een ganse reeks van andere, te Parijs vastgehouden papen tegen de enkele Blanqui, die tweemaal in de Commune was gekozen, maar te Clairvaux gevangen zat. En nog meer veranderde de taal van Thiers. Tot dusverre terughoudend en dubbeltongig, werd hij nu plotseling overmoedig, dreigend, brutaal. Aan het zuidelijke front namen de Versaillanen op de 3de mei de schans van Moulin Saquet; op de 9de het volslagen in puin geschoten fort van Issy; op de 14de het fort van Vanves. Aan het westelijke front rukten zij langzamerhand, terwijl zij de talrijke, tot aan de ringmuur zich uitstrekkende dorpen en gebouwen veroverden, tot aan de noordwal zelf op; op de 11de gelukte het hun, door verraad en ten gevolge van de nalatigheid van de hier geplaatste Nationale Garde, de stad binnen te dringen. De Pruisen, die de noordelijke en de oostelijke forten bezet hielden, gaven de Versaillanen verlof, over het, volgens de wapenstilstand voor hen verboden terrein in het noorden van de stad naar voren te trekken, zodat zij aanvallend konden optreden over een breed front, dat de Parijzenaars als door de wapenstilstand gedekt moesten beschouwen, en daarom maar zwak bezet hielden. Dientengevolge was de tegenstand in de westelijke helft van de stad, in de eigenlijke luxestad, slechts zwak. Hij werd heftiger en hardnekkiger naar mate de binnendringende troepen de oostelijke helft, de eigenlijke arbeidersstad, naderden. Eerst na een strijd van acht dagen moesten de laatste verdedigers van de Commune op de heuvels van Belleville en Ménilmontant het opgeven, en nu bereikte het vermoorden van weerloze mannen, vrouwen en kinderen, dat de gehele week door in stijgende mate had gewoed, zijn hoogtepunt. De achterlader doodde niet snel genoeg meer. Bij honderden werden de overwonnenen met mitrailleurs neergeschoten. De “Muur van de Gefedereerden” op het kerkhof Père-Lachaise, waar de laatste massamoord werd voltrokken, staat er nog altijd, als een stomme, welsprekende getuige van de razernij, waartoe de heersende klasse in staat is, zodra het proletariaat voor zijn recht durft op te komen. Toen kwamen de massa-arrestaties. Toen het slachten van allen onmogelijk bleek te zijn, werden willekeurig uit de rijen van de gevangenen uitgezochte slachtoffers doodgeschoten, de rest in een groot kamp overgebracht om daar af te wachten, totdat zij voor de krijgsraad werden geleid. De Pruisische troepen, die om de noordelijke helft van Parijs gelegerd waren, hadden bevel geen vluchtelingen door te laten. Toch deden de officieren dikwijls een oog toe, als de soldaten meer naar het gebod van de menselijkheid luisterden dan naar dat van het oppercommando. Met name komt aan het Saksische legerkorps de roem toe dat het zich zeer humaan gedroeg en velen doorliet, die duidelijk de stempel van Communestrijders droegen.

Zien wij heden, na twintig jaar, op de daden en de historische betekenis van de Parijse Commune van 1871 terug, dan zullen we vinden dat er nog enige aanvullingen op de uiteenzetting in de Burgeroorlog in Frankrijk kunnen worden gegeven.

De leden van de Commune splitsten zich in een meerderheid, de blanquisten, die ook een overwegende rol hadden gespeeld in de Nationale Garde, en een minderheid: de overwegend uit aanhangers van de proudhonistische socialistische school bestaande leden van de Internationale Arbeidersassociatie. Toentertijd waren de blanquisten, wat de grote massa betreft, slechts uit revolutionair, proletarisch instinkt socialisten; slechts weinigen waren door Vaillant, die het Duitse wetenschappelijke socialisme kende, tot groter principiële klaarheid gekomen. Zo is het te begrijpen dat in economisch opzicht veel werd nagelaten van hetgeen volgens onze huidige opvattingen de Commune had moeten doen. Het moeilijkst te begrijpen is zeker de heilige eerbied, waarmee men voor de poorten van de Bank van Frankrijk bleef staan. Dit was ook een grote politieke fout. De bank in de handen van de Commune, dat was meer waard dan tienduizend gijzelaars. Dat betekende de druk van de ganse Franse bourgeoisie op de Versaillaanse regering in het belang van de vrede met de Commune. Nog wonderlijker evenwel was, dat toch nog zoveel goede dingen door de, uit blanquisten en proudhonisten samengestelde Commune werden gedaan. Het spreekt vanzelf, dat voor de economische decreten van de Commune, zowel wat de roemvolle als wat de slechte kanten betreft, in de eerste plaats de proudhonisten verantwoordelijk waren, zoals voor haar politieke daden en tekortkomingen de blanquisten. En in beide gevallen wilde het de ironie van de geschiedenis, zoals gewoonlijk wanneer doctrinairen aan het roer komen, dat zowel dezen als genen het tegendeel deden van wat de leerstellingen van hun school voorschreven.

Proudhon, de socialist van de kleine boeren en van de kleine bazen, haatte de associatie met een positieve haat. Hij zei daarvan dat ze meer kwaads dan goeds in zich sluit, dat ze van nature onvruchtbaar is, schadelijk zelfs, omdat ze de vrijheid van de arbeider aan banden legt, dat ze een zuiver dogma is, onproductief en bezwaarlijk, in strijd met de vrijheid van de arbeider zowel als met de arbeidsbesparing, en dat haar nadelen sneller groeien dan haar voordelen, en dat, met haar vergeleken, concurrentie, arbeidsdeling, privaat eigendom, economische krachten zijn. Slechts voor de uitzonderingsgevallen, zoals Proudhon ze noemt, van de grote industrie en van de grote bedrijfslichamen, bv. spoorwegen, — was volgens Proudhon de associatie van de arbeiders op haar plaats. (Zie: Idée générale de la révolution, 3. étude.) #2

En in 1871 had de grote industrie zelfs te Parijs, de centrale zetel van het kunstambacht, reeds zó zeer opgehouden, een uitzondering te zijn, dat het verreweg belangrijkste decreet van de Commune een organisatie van de grote industrie en zelfs van de manufactuur voorschreef, die niet slechts op de associatie van de arbeiders in elke fabriek moest berusten, maar ook al deze coöperaties in een groot verband moest verenigen; — kortom, een organisatie, die, zoals Karl Marx volkomen terecht in de Burgeroorlog zegt, ten slotte op het communisme, dus op het directe tegendeel van Proudhons leer, moest uitlopen. En daarom was ook de Commune het graf van Proudhons school van het socialisme. Deze school is thans uit de Franse arbeiderskringen verdwenen. Hier heerst thans onbetwist, bij possibilisten niet minder dan bij marxisten, de theorie van Marx. Slechts onder de “radicale” bourgeoisie worden nog proudhonisten gevonden.

Niet beter ging het met de blanquisten. Groot gebracht in de school van de samenzwering, bijeengehouden door de, daaraan beantwoordende straffe discipline, gingen zij van de opvatting uit dat een betrekkelijk klein getal van vastberaden, hecht georganiseerde mannen in staat zou zijn, op een gegeven gunstig moment niet slechts het roer van de staat te grijpen, maar ook door het ontplooien van grote, niets ontziende energie zo lang te handhaven, totdat het hun zou zijn gelukt, de massa van het volk met de revolutie mee te sleuren en om de kleine, leidende schare heen te groeperen. Daartoe behoorde voor alles de meest gestrenge dictatoriale centralisatie van alle macht in de hand van de nieuwe revolutionaire regering. En wat deed de Commune, die, wat de meerderheid betreft, juist uit deze blanquisten bestond? In al haar proclamaties aan de Fransen in de provincie riep zij deze op tot een vrije federatie van alle Franse communes met Parijs, tot een nationale organisatie, die voor de eerste keer werkelijk door de natie zelf zou worden geschapen. Juist de onderdrukkende macht van de tot dusverre bestaande, gecentraliseerde regering, leger, politieke politie, bureaucratie, die Napoleon in 1798 had geschapen en die sedert elke nieuwe regering als welkom werktuig had overgenomen en tegen haar tegenstanders gebruikt, juist deze macht behoorde overal te vallen, zoals ze reeds te Parijs was gevallen.

De Commune moest van stonde aan erkennen, dat de arbeidersklasse, eenmaal tot de heerschappij gekomen, niet met de oude staatsmachine kan voort werken; dat deze arbeidersklasse, wil ze niet haar eigen, eerst pas veroverde heerschappij weer teloor zien gaan, enerzijds de gehele oude, tot dusverre tegen haar zelf aangewende onderdrukkingsmachinerie moest afschaffen, doch anderzijds zich moet beveiligen tegen haar eigen afgevaardigden en beambten, door dezen, zonder uitzondering, als te allen tijde afzetbaar te verklaren. Waarin bestond de karakteristieke eigenschap van de nu toe bestaande staat? De maatschappij had zich voor het verzorgen van haar gemeenschappelijke belangen, oorspronkelijk door eenvoudige arbeidsdeling, eigen organen geschapen. Maar deze organen, welker spits de staatsmacht is, hadden zich mettertijd, “in dienst van haar eigen bijzondere belangen, van dienaren in meesters van de maatschappij veranderd. Zoals dit bv. niet slechts in de erfelijke monarchie” maar even goed in de democratische republieken is te zien. Nergens vormen de “politiekers” een meer op zich zelf staande en machtiger afdeling van de natie dan juist in Noord-Amerika. Hier wordt elk van de grote partijen, aan wie om beurten de heerschappij toevalt, zelf weer geregeerd door lieden, die uit de politiek een zaak maken, die op zetels in de wetgevende vergadering zowel van de Bond als van de afzonderlijke staten speculeren, of die van de agitatie voor hun partij leven, en als deze heeft gewonnen, door baantjes worden beloond. Het is bekend, hoe de Amerikanen sinds de laatste dertig jaren dit ondragelijk geworden juk pogen af te schudden, en hoe zij desniettemin steeds dieper in dit moeras van de corruptie wegzinken. Juist in Amerika kunnen wij het best zien, hoe dit zelfstandig worden van de staatsmacht tegenover de maatschappij, als wier eenvoudig werktuig ze oorspronkelijk was bestemd, in zijn werk gaat. Hier bestaat geen dynastie, geen adel, geen staand leger buiten het paar man ter bewaking van de Indianen, geen bureaucratie met vaste aanstelling of recht op pensioen. En toch hebben wij hier twee grote benden van politieke speculanten, die om de beurt de staatsmacht in bezit nemen, en met de meest corrupte middelen en voor de meest corrupte doeleinden uitbuiten, en de natie is machteloos tegen deze, zogenaamd in haar dienst staande, in werkelijkheid haar evenwel beheersende en uitplunderende twee grote kartels van politiekers.

Tegen deze, in alle tot nu toe bestaande staten onvermijdelijke verandering van de staat en de staatsorganen van dienaren van de maatschappij in meesters van de maatschappij, paste de Commune twee onfeilbare middelen toe. In de eerste plaats bezette zij alle posten, besturende, recht sprekende, onderwijzende, door keuze volgens het algemeen stemrecht van de belanghebbenden, en wel niet het recht van terugroeping te allen tijde door dezelfde belanghebbenden. En ten tweede betaalde zij voor alle diensten, hoge zowel als lage, slechts het loon, dat andere arbeiders ontvingen. Het hoogste salaris, dat ze ten slotte betaalde, was 6000 franken. Daarmee was de deur voor baantjesjagers voor goed gesloten, ook zonder de bindende mandaten bij gedelegeerden in vertegenwoordigende lichamen, die er ten overvloede nog aan werden toegevoegd.

Dit verbrijzelen van de tot nu toe bestaande staatsmacht en het vervangen daarvan door een nieuwe, in waarheid democratische, is in het derde hoofdstuk van de Burgeroorlog grondig behandeld. Het was evenwel nodig, hier nog eens op enkele trekken daarvan in te gaan, omdat juist in Duitsland het bijgeloof in de staat zich uit de filosofie in het algemeen bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders heeft overgeplant. Volgens de filosofische voorstelling is de staat de “verwezenlijking van de idee”, of het in het filosofisch overgebrachte rijk Gods op aarde, het gebied, waarop de eeuwige waarheid en gerechtigheid tot werkelijkheid wordt, of behoort te worden. En daaruit volgt dan een bijgelovige verering van de staat en van al wat met de staat samenhangt, die des te gemakkelijker ingang vindt, naarmate men zich van kindsbeen af er aan heeft gewend, zich in te beelden, dat de, aan de ganse maatschappij gemeenschappelijke zaken en belangen niet anders kunnen worden behartigd, dan tot dusverre het geval is geweest, n.l. door de staat en zijn goed bezoldigde overheidspersonen. En men gelooft reeds een zeer geweldige stoutmoedige stap te hebben gedaan, als men zich van het geloof in de erfelijke monarchie heeft vrij gemaakt en bij de democratische republiek zweert. In werkelijkheid echter is de staat niets dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door een andere, en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie, en in het beste geval een kwaad, dat het, in de strijd om de klassenheerschappij zegevierende proletariaat erft en welke ergste kanten het, evenmin als de Commune, zal kunnen nalaten met de grootst mogelijk spoed te besnoeien, totdat een in nieuwe vrije maatschappijtoestanden opgegroeid geslacht in staat zal zijn, zich van de gehele staatsrommel te ontdoen.

De sociaaldemocratische filister [3] heeft onlangs weer een heilzame schrik gekregen bij het woord: dictatuur van het proletariaat. Nu goed, mijnheren, wilt u weten, hoe deze dictatuur er uit ziet? Kijkt dan naar de Parijse Commune. Dat was de dictatuur van het proletariaat.

Londen, op de twintigste gedenkdag van de Parijse Commune.
18 maart 1891
F. Engels.

Voetnoten[bewerken]

1 3000 gulden. Noot v.d. Vertaler.
2 Algemene idee van de revolutie, 3e studie. — Vert.
3 In alle tot 1933 gedrukte teksten stond: “Duitse filister”. Dat was een falsificatie. In het handschrift van Engels, dat zich bevindt in het Marx-Engels-Lenin-Instituut te Moskou, staat: “sociaaldemocratische filister”. Het woord “sociaaldemocratische” was echter door iemand (niet door Engels) doorgestreept en er boven was met onbekende hand geschreven: “Duitse”. — Red.