Naar inhoud springen

Camera Obscura/Byvoegsel der derde uitgave, tot de narede en opdracht aan een vriend

Uit Wikisource

[ 269 ]

BYVOEGSEL DER DERDE UITGAVE, TOT DE NAREDE
EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND.


Byna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde "nieuwe vertooningen"[1] verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het spelen met de Camera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aangegroeid, moest ophouden. De tijd van het incidere ludum, waarvan mijn motto gesproken had[2] , was met nadruk daar. Ik kon voortaan mijn instrument beter gebruiken.

Sommige mijner vrienden beweeren dat ik er sedert niet of weinig aan gehad heb; anderen meenen dat het my nog altijd goede diensten gedaan heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blijft het met te meer nadruk: non lusisse pudet.

Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot een derden druk van HILDEBRANDS boekjen verleid, en zy wenschten; het woord blijft natuurlijk geheel voor hunne rekening; zy wenschten dien te verrijken met hetgeen zy maar al te wel wisten dat nog in de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hy moeten weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: lusisse pudet.

Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor 't eerst aan 't licht gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het zou my verwonderen, daar allen te zamen de voortbrengselen zijn van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel, dat ik u thands ten derden male aanbied, dat ik nu anders zou gevoelen, beschouwen en voorstellen. Veel dat le mérite de l'à-propos verloren heeft. Maar ik geef het zoo als het is en voor hetgeen het is. Il faut juger les écrits d'après leur date, blijft een treffelijke spreuk. Indien ik op dit oogenblik gelegenheid of genegenheid had om dezelfde vorm van schrijven te gebruiken, ik zou meenen tot iets belangrijkers, iets geestigers verplicht te zijn; en vooral tot iets dat van een dieper menschenken[ 270 ]nis en vruchtbarer levensbeschouwing getuigde. Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen, ik heb een dozijn jaren te vergeefs geleefd.

Waarde vriend, er heeft, sints ik u voor de eerste en tweede maal het meerendeel dezer onbeduidende opstellen opdroeg, al vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert eerst duidelijk, ja, wy mogen wel zeggen eerst bekend geworden, en op onderscheidene wijzen werden wy by den ernst des levens en by onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daar binnen, en donker daar boven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze vrolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld had. Gelukkig, indien wy vreugden en ook vertroostingen hebben leeren kennen, waarvan de kracht en zaligheid in onze jonge harten niet was opgeklommen. Zy zijn er; en Diezelfde die ons onze vrolijke jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze behoeft. Danken wy Hem, die ons een hart gaf om alles te gevoelen, een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen geest, waaraan dit boekdeel ons herinnert, stonden wy nu en dan stil, als op eene aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen om daaraan geheel ons hart over te geven, en by het waarachtige licht alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het is de vraag niet meer van spelen, maar wel van wederom kinderen te worden. En daar is een kind zijn, waarin alleen de kracht, de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is.


1 October 1851.

  1. Zie Narede, Tweede uitgave.
  2. Nor lusisse pudet, sed non incidere ludum, dat is:
    Men schaamt zich 't spelen niet, maar 't altijd door te spelen.