Cats/Sinne- en minnebeelden/Voor-reden

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sinne- en minnebeelden

Voor-reden ende verklaringhe over het ooghmerck des schrijvers, in dit werck.

Indien ghy in jock, niet al spel en soeckt, leser, maer gesint zijt hier wat te vinden, datter niet en schijnt te wesen; so staet stille: want eer ghy voortgaet, wouden wy u geerne over het opschrift van dit boecxken, ende ons wit dat wy daer in voor hebben, een weynich berichts doen. 't Is billick dat een yeder zy tolck ende vertaelder sijnder woorden. De Griecken als mede de Latynen, de Griecken hier in volghende, hebben dese maniere van schryven Emblemata genaemt: den oorspronck van welck woort ick niet voor en hebbe hier na te spooren. Maer so my yemant vraeght wat Emblemata inder daet zijn? dien sal ick antwoorden, dattet zijn stomme beelden, ende nochtans sprekende: geringe saecken, ende niet te min van gewichte: belachelijcke dingen, ende nochtans niet sonder wijsheyt: In dewelcke men de goede zeden als met vinghers wysen, ende met handen tasten kan, in dewelcke (segg' ick) men gemeenlijck altijt meer leest, alsser staet: ende noch meer denckt, alsmen siet: geen onbequaem middel (naer ons gevoelen) om alle leersame verstanden, met een sekere vermakelijckheyt, in te leyden, ende als uyt te locken tot veelderley goede bedenckinghen, yder na sijn gelegentheyt; hebbende in sich een verholen kracht van behendighe bestraffinge der innerlijcker ghebreken van yeder mensche, dwinghende dickwils (al-hoe-wel sonder schamperheyt, ende alleenlijck in't gemeen daer henen geset) by gelegentheyt van de voorgestelde beelden ende de korte uytlegginge daer by gevoecht, den genen, die sich by gevolge van dien op sijn zeer voelt geraeckt te zijn, al stil-swygende, en in sijn eenicheydt, schaemroot te werden; siende sijn innerlijcke feylen, uytterlijcken voorgestelt, ende hem selven, of ten deele ofte in't geheel levendich afgemaelt. Om welcke redenen wille wy niet ongevoegelijck en hebben geacht, naer te volgen het gevoelen der gener, die Emblemata, in onse tale Sinnebeelden meynen genoemt te moeten werden: ofte, om datmen door het uytterlijcke beelt eenen innerlijcken sin te kennen is gevende, ende dat mitsdien, niet so seer het beeldt, als den sin, uyt het beelt ontstaende, bedenckelijck is; ofte, om dat dese maniere van schryven, boven andere, sonderlinge de sinnen der menschen is afbeeldende, ende voor oogen stellende; werdende daerom, als by uytnementheydt, Sinne-beelden, ofte der sinnen afbeeldinge genaemt.

Dan yemant sal misschien sick verwonderen, ja onbetamelijck oordeelen (ende dat niet sonder redenen) dat wy de mallicheden der jonckheydt gevoegt hebben, niet alleenlijck met de leere der zeden, maer oock selfs met hooger ende stichtelijcker bedenckingen. En sonderlinge dat wy de sotheden der jeugt de eerste plaetse in dit werck hebben vergunt. Dese tegenworpinge sal oorsaecke geven het wit ende ooghmerck, dat wy ons in dese oeffeninge hebben voorgestelt, den gunstigen leser cortelijck te ontdecken. Derhalven willen wy wel rondelijck bekennen dat 'teerste deel van dit boecxken meest is geweest het uytworpsel van onse blinde jonckheyt, dewelcke, door de gewoonelijcke genegentheden van die jaren, mitsgaders door eenige lust tot de dicht-konste gedreven zijnde, hadde nu ende dan soo eenige minnelijcke Sinne-beelden, dat is, geckelijcke invallen, daer henen gestelt; welcke ten dien tyde by ons (als in andere saecken als doen besich zijnde) aen d'een zijde geleydt, ende nu wederom, in't doorsien van eenighe oude papieren, ons in de handt ghevallen wesende, hebben, door oversien van de selve, als in een spieghel ontdeckt, hoedanich den vorigen stant onser onbesuyselder jonckheyt is geweest, ende, by gelegentheydt van die bedenckinge, gemerckt de groote vriendelijckheydt des goeden Gods t'onswaerts, onse herten in dier voegen geopent hebbende, dat wy de ydelheydt der dommer jeught nu niet alleenlick als met handen tasten, maer oock metten gemoede verfoeyen konnen.

Desen onvermindert (midts wy nu vande becommeringe onses vorighen staets, door Gods sonderlinge goedertierenheyt ontlast waren) hebben ten selven tyde in ons gevoelt, ick en weet niet wat vernieuwinge vande vermaeckelijckheydt die wy wel eertijdts tot de dicht conste in ons hadden gespeurt; waer door wy allencxkens verloct, ende als soetelijck verleydt wesende, zijn verwect geworden, om naer gelijckmaticheyt onser jegenwoordige gelegentheydts, de ydele Minne-beelden onser jonckheyt tot Sinne-beelden van stichtelicker bedenckingen, t'onser oeffeninge te gebruycken; om alsoo door dese maniere van schryven, als een beworp ende afbeeldinghe vanden wonderbaren ende veranderlijcken loop des menschelicken levens in dit werck te vertoonen, ende alsoo mijn selven ende andere aen te wysen hoemen uyt een domme jeucht, tot een gesette manheyt, ende van daer tot een stichtelicke ouderdom, behoort te klimmen; om alsoo, by middel van een pryselicke veranderinge, sijn vorige genegentheden t'elcken in beter als te versetten; mitsgaders (gelijcmen te voren dapper ende vierich is geweest tot de hittige begeerlickheden ende harts-tochten der wulpscher jonckheydt) de scherpheydt ende hevicheydt der selver te verkeeren t'elcken tot een beter eynde, niet rustende tot datmen ghevoelt, by verghelijckinghe van sijn voorgaender maniere van leven, datmen op gelijcke hoochte van stichtelijcke gesetheyt is geklommen, gelijckmen te voren inde ydelheyt der jonckheyt is geweest: wettende alsoo onse sweerden (om soo te spreken) int landt der Philistinen (1. Samuel 13. 20.) halende sterckte selfs by onse vyanden, ende opweckende de kracht der volgende deuchden, door vergelijckinge vande hevicheyt onser voorgaende ghebreken: en door dien middel eyntelijck, gelijck wy eertijts als dienstknechten der lichtveerdicheyt genegen zijn geweest tot ydelheyt, onse leden te begeven tot dienstknechten der sedicheyt, tot oprechticheyt, ende alsoo niet meer naer menschelijcke begeerlijckheden, maer naer Gods wille den tijt die noch over is te leven (1. Pet. 4. 2.) Dan alsoo de jeugt onser eeuwen wel meest (God betert) so verre is vervallen, dat alleen een stichtelijck opschrift van eenich boeck ghenoechsaem is om 'tselve hun uyt de hant te slaen, ende als een tegenheyt ende afkeer daer van te doen hebben, sonder dat de selve schijnt de moeyte te willen nemen om het vorder inhouden van't selve t'ondersoecken, als in hun teere ooren niet anders konnende verdragen als soo eenich soet-galmende geluyt van (ick en weet wat) lief-koosende klinck-dichten: Soo hebben wy, de meepsheyt van dese te gemoete gaende, het opschrift ende stant van dit boecxken na der selver gelegentheyt soo wat gevoecht, ende ten dien eynde op't eerste blat van 'tselve gedaen stellen een afbeeldinge van een naect kint, de werelt dragende, met een pijl en boog inde hant, ende voorts in alles so afgericht, dat uyt des selfs gestaltenisse eertijts de blinde oudtheyt, ende ten huydigen daghe de malle jonckheydt het selve voor der minnen Godt soude begroeten; daer by voegende de rechte hovelingen tot sodanigen hof dienende, te weten alderley slach van jonge lieden, al by paren daer ontrent swevende, als manschap ende trouwe haren overheer aenbiedende: latende mede de selve gedaente in eenige van de eerste sinne-beelden haer vertoonen, om alsoo den inganck ende stant deses boecx so voor te stellen, als of achter den selven niet anders als een prieel der minnen en ware schuylende. Even-wel nochtans, om tot ons voornemen te geraecken, so haest onse lesers d'eerste plaetse van dit boecxken zijn voor-by geleden, hebben wy, al 'tghene dat te voren meest al niet anders en scheen te zijn als soo wat schielijcke invallen van belachelijcke minne-beelden, by nieuwe beduydinge (behoudende even-wel, om redenen voren verhaelt, de selve beelden) verandert tot tweederley sinne-beelden; treckende yedere der selver in het tweede deel tot een borgerlijcke berichtinge, ende stracx daer na in het derde deel tot een stichtelijcke bedenckinge, om also (het eene een aenleydinge zijnde tot het andere; aenden desen, terwylen hy meent dat alles is van een ende de selve stoffe, aenden genen, terwijlen hy begeerich is te sien hoe dit ofte dat op eenen nieuwen ende beteren sin wert geduydet) de gemoederen van sodanige meepsche lesers, die geen vaste spijse en konnen verdraghen, met een gheoorloft, ja vriendelijck, bedroch eyntelijck wech te leyden, ende te vervoeren daer de selve ten eersten ingange, noyt en hadden gemeynt te komen. Niet anders dan gelijckmen de kinders, tot haer eyghen voordeel, somtijts bedriecht, wanneermen de selve het bitter, doch gesondt, worm-kruyt met suycker, ofte andere soetheydt bedeckt, onghevoelijck ende ongemerckt in't lijf krijgt. Want nadien 'tmeerendeel van dese teere lesers immers soo alwaerdig is, als de walgende siecken, dewelcke men de geneesdrancken niet anders als onder 'tdecksel van yet wes dat sy geerne eten of drincken en kan ingeven: soo diende (naer ons gevoelen) dese etter buyl niet dan met een vliem (om so te spreken) gesneden te zijn, op dat de selve niet eer den steeck van de genees-meester, als het bedorven bloedt daer uyt vloeyende, midtsgaders haer eygen vuylicheyt mochten gewaer werden.

Ey lieve, 'tgaeter huydens daegs soo, de werelt wil bedrogen zijn: Godt gave dat de saecken altijt soo mochten uytvallen dat de genen die bedrogen wert, meer voordeels uyt het bedroch, als de bedrieger selfs, quame te trecken; gelijck wy hier verhopen ende vastelijck (door Gods genade) vertrouwen te sullen gheschieden.

Middeler tijt so geven wy dese onse meyninge, ende hoedanig de stoffe van dit werck zy, in het opschrift van het eerste deel, ende den aert van elck stuc, in het opschrift van yder int bysonder, den verstandigen leser genoeghsaem te kennen, niet alleenlijc door 'tveranderen vande sinne-beelden ende vande gestaltenisse des ghenes die in yder opschrift de werelt draegt, (die int eerste deel is de kinderlijcke minne-God, in't tweede de rechtmaticheyt, ende in het derde de Godsdiensticheyt) maer sonderlinghe door twee sinne-beelden in de onderste hoecken van yder opschrift gedaen stellen, alles op dat wy met het selve, daer mede wy de jeugt meynen te trecken tot het lesen van dit boecxken, alle andere van rijper bedenckinghe niet en souden schijnen voorby te willen wijsen, ende daer van te vervreemden. Wy hebben dan tot dien eynde int beginsel van het eerste deel doen afbeelden een toegebonden apotekers pot, dewelcke, alhoewel van buyten niet anders en schijnt te vertoonen als so wat beuselingen van bloemkens, sottekens ende diergelycke visevasen, tot vermaec alleen vanden voor-by-gaenden man (soo 'tschijnt) daer henen gestelt: evenwel nochtans geopent ende naerder ingesien wesende, wert bevonden van binnen vervult te zijn met goede ende heylsame genees-kruyden, aen de overzyde hebben wy doen afbeelden een vijsel, ende so wat pepers, die daer in wert gestooten, welcken peper alhoewel van buyten geheel swart, mismaect, ende vol rimpels wesende, niet seer onghelijck en is onse wicken, ende mitsdien het slechtste van alle graen-vruchten, evenwel nochtans gestooten zijnde, vervult de omstanders met een aenghename reucke. Willende met sulcx, als voorseydt is te kennen gheven, dat al-hoe-wel 'tjegenwoordich boecxke ten eersten aenvange sodanich sich laet aensien, als ofte 'tselfde niet anders en ware behelsende als enckele drift, ydelen schuym, ende, ick en weet niet wat, gront-sop door de hitte der derteler jonckheyt uytghewasemt, dat evenwel 'tselve (d'uytwendige schorsse wat afgedaen ende alles in naerder acht by den billicken leser ghenomen wesende) zijnen schijn gantsch ongelijck, ende met eene van goede bedenckinghe niet geheel ontbloot, bevonden en sal worden. Waer toe oock dient het Latijnsche opschrift op 't eerste blat deses boecx gestelt, te weten, SILENUS ALCIBIADIS, ghelijck de gene die dese maniere van spreken verstaen, redene daer van connen gheven. In de twee onderste hoecken van het opschrift des tweeden deels, sal de leser vinden eerst eens ambacht-mans water-pas; ende ten tweeden, een sonne, ghelijckelijck ende de rijpende wijn-druyven soeticheyt, ende den bedorven wijn (beyde door de sonderlinghe werckinge haerder stralen) suericheydt aenbrengende: Door het water-pas ende des selfs beweginghe, haer voegende naer den grondt daer het selve opghestelt is, den gemeenen loop des burgerlijcken levens, onder een goede ende rechtmatighe overheydt, sich wel ende burgerlijck hebbende: met eerlijcke luyden ommegaende, eerlijck wandelende, ende in teghendeel van beyde recht anders sich aenstellende: ende door de tweederley crachten der stralen der sonnen, de eygen aert der rechtmaticheyt (beloonende de goede, ende straffende de quade) willende af-beelden, wesende de eygen stoffe in dat deel te verhandelen. Int beginsel van het derde ende laetste deel hebben wy, tot inleidinge ende openinghe van 'tselve, doen stellen eerst den Elephant aen de opgaende sonne met ghebogen knien eere bewijsende, ende in dat groote licht des selfs grooteren schepper, als met verslaghentheyt ende ootmoet, aenbiddende, (het welck dat beest uytter aert na 't seggen van geloof-weerdighe schrijvers, gewoon is te doen) hebbende ghemeynt daer mede aen te wijsen de vernederinghe die den mensche, hoe groot hy oock zy, schuldich is aen de uytnemende voortreffelijckheyt van de onbegrijpelijcke Godheyt. Ten tweeden hebben wy ter selver plaetse aen de over-zijden doen af-malen des kuypers vier-yser, belettende dat het vier daer in vervatet niet daer henen lancx der aerden soude legghen muffen, maer met een clare ende helle vlamme opwaerts soude stijghen, tot dienste van zijnen werck-meester; daer mede voor hebbende aen te wijsen onsen Christelijcken plicht in dit leven, ende met eene te verthoonen dat de Godsdiensticheyt de eenige middel zy om het Goddelijck vier onser Zielen uyt den leegen stof deser aertscher dinghen ten hemelwaerts op te drijven, ten dienste van dien grooten werck-meester die dit alderwonderlijckste vat (waer van hemel, aerde, ende zee als duyghen zijn) soo meesterlijcken tsamen heeft ghevoecht, ende in een verknocht (hem zy lof van eeuwicheyt tot eeuwicheyt) begrijpende, inde voorseyde drie onderscheyde stucken een afbeeldinge (als gheseydt is) van den loop des menschelijcken levens, ende met eene de ghestaltenisse des menschen selfs.

Des menschen leven meijnen wij bequamelijck af-gedeilt te connen werden in drie deelen, inde Ionckheyt, die wy toe vougen het eerste Bouck: Inde Manheyt, die wy aenwijsen in het tweede stuck; In den Ouderdom, dien wy toepassen het derde deel. Den mensche selfs aenmercken wy driesins; Eerstelijck, voor soo veel de selven is een redelijck dier, in sich hebbende een aengheboren gheneghentheyt, tot verbreydinge ende uytsettinge synes aerts, ghestadelijck hellende tot de ghewenschte vereeninghe mette ghene sonder dewelcke de heymenisse der voorteelinghe niet en wert uytgevoert: welcke gheneghentheyt de oude onder den heydenen (gewoon zijnde de menschelijcke hartstochten te vergoden) Cupido hebben geheeten, ende tot een God verheven: wiens beelt wy (om redenen hier voren verhaelt) als de werelt dragende, hier voren hebben doen stellen; ende met desen mensche zijn wy besigh in't eerste stuck. Ten tweeden, sien wy den mensche aen voor soo veel hy een ghesellich dier is, ende in't burgherlijck leven onderlinghe met andere menschen in heusheydt ende vriendelijckheyt omme gaet, na 'trecht aller volcken. Ende desen mensche roeren wy aen int tweede boeck. Ten derden, beschouwen wy den mensche voor so veel hy door een sonderlinge genade Gods afgesondert van den gemeenen hoop ende loop des werelts, in Iesu Christo door de werckinghe des heyligen Geests, by middel des geloofs voor een kint Gods is aenghenomen: van den welcken wy spreken int derde deel. Ende also een yder van ons dese drievoudighe genegentheden in sich bespeurt, so poogen wy dit jeghenwoordich boecxken daer toe te doen strecken dat wy in den natuerlijcken mensche matelijck, in den burgherlijcken mensche rechtveerdelijck, in den Christelijcken mensche Godsalichlijck metten Apostel mochten leven. Welcke drie veranderende genegentheden wy den leser willen by dit boeck voorstellen, hebben daerom 'tselve mede den naem van PROTEUS ghegheven, den waerom weten alle de ghene die so wat inde ghedichte der oude ghelesen hebben.

Ondertusschen en can ick niet voor goet aennemen, dat sommige dese oeffeninge, als nieuwe vonden, ende als geen exempel hebbende in de heylige schrift, poogen te verwerpen: want de sulcke antwoorde ick cortelijck, dat dese maniere van schryven, beyde out ende schriftmatich is. Wil yemant tot bevestinge van sulcx, in Godes woort, sien een uytnemende ende in alle sijn leden gantsch volmaeckt sinne-beelt, aerdichlijck, na alle de reghels van de cunste afgericht, ende dat niet ergens bezydens weeghs in eenige geringe sake daer heen gestelt, maer regel recht van God selfs, in der alderweerdichste stoffe des nieuwen testaments, afgedaelt, ende als van den hemel neder ghelaten? die slae zijn oogen met aendacht op het linnen laken in sich behelsende alle viervoetige, wilde, kruypende dieren, ende gevogelte des hemels, Petro by een sonderlinge openbaringe uyt den hemel vertoont, met 'tbyvoegsel van de stemme, Slachtet ende etet, af-beeldende de groote heymenisse van de roepinghe der Heydenen: ende neme met eene de moeyte hier in te ondersoecken de vijf eyghenschappen, die Paulus Iovius ende andere in een volmaeckt sinne-beelt zijn vereyschende, hy sal alle de selve soo volcomelijck daer in ontdecken als in eenich sinne-beeldt dat by yemant vande alder-ervarenste in dese oeffeninge, oyt is voorgestelt geweest: Ende in gevalle yemandt meer plaetsen in de H. Schrift begeerich is te sien, sinne-beelden behelsende ofte de sinne-beelden seer na by comende, die mercke aen 1. Pet. 2. 22. Ies. 1. 3. Ierem. 8. 7. ende verscheyden andere, al van honden, seughen, ezels, ossen, oyevaers, kranen, swaluwen, tortelduyven, ende diergelijcke onredelijcke dieren leerstucken werden ontleent, ende den menschen toeghepast, wesende 'tselve een rechte eygenschap van sinne-beelden, gelijck yder een, die maniere van oefeninge eenichsins verstaende, kennelijck is. Ende indien men de saecke wat naerder wil insien wat zijn doch alle de schaduwen des Iootschen Godtsdienst anders geweest als enckele sinne-beelden, dewyle de selve zijn gheweest voorbeelden Christi, ofte des selfs rijcx? de gesichten der Propheten, sonderlinge van Ezechiel ende Daniel, het hooge-liedt Salomonis, de openbaringhe Iohannis, en watter inden woorde Godes meer is van sodanige stoffe, heeftet niet in allen deelen veel eyghenschappen den sinne-beelden seer nae by comende? Eyntlijck, gunstige leser, bidden wy u, niet te willen misduyden, dat wy de selve beelden ende ghelijckenisse beyde ende tot menschelijcke invallen, ende tot Goddelijcke bedenckingen 'tgeheele werck door onverscheydelijck hebben gebruyct, en dat oock somwylen met strydige veranderingen, 'twelck misschien yemant mochte oordeelen heet ende cout uyt eenen mont gheblasen te zijn: want boven 'tgene wy hier voren, als int voorby gaen, hier toe geseyt hebben, is aen te mercken, dat wy dese spelende vryheydt in't schrijven, niet bestaen en hebben, sonder klare ende uytgedructe voorschriften derhalven inde heylige schrift ons naergelaten, in dewelcke niet selden een ende de selve sake, nu ten goeden, ende dan ten quaden, in gelijckenisse wert getogen, ende dat met niet minder verscheydenheyt, ja strijt, van verdraeyinge als wy ergens in dit werck hebben gebruyct. Wat isser doch regel-rechter tegens den anderen gekant als Christus ende de duyvel? de behoeder, en den verderver? ende nochtans werden beyde de selve, onder de ghelijckenisse van een leeu, inden woorde Godts duydelijck voorgestelt, ( Open. 5. 5. 1. Petr. 5. 69. ) wat isser vyandelijcker teghens den anderen strijdende, als de sonde en de genees-dranck teghens de selve namentlijck de leere des Evangeliums ? ende nochtans worden beyde de selve onder de gedaente des suer-deesems ons voorgedragen, ( Math. 13. 33. 1. Cor. 5. 7. ) Sien wy niet onder de gelijckenisse eens diefs beyde, ende den ontrouwen, ende verkeerdelijck insluypenden harder, ende den rechtveerdigen rechter Christus selfs, in de schrift afgebeelt? ( Open. 16. 14. Mat. 24. 44. ) Sien wy niet onder de gedaente van de slange inde bybelsche schriften, den duyvel, en des selfs doodelijck vergif, ende met eene den genen die de slange den kop vertreden heeft, voorgestelt? ( Genes. 3. 1. Open. 20. 2. ) Yemant segge my nu ofmen oock breeder soude connen gaen weyen, ofte metten verstande vryelijcker door gelijckenissen connen uytspringen, als inde voren-verhaelde, en andere plaetsen, die inde H. Schrift te vinden zijn, is gedaen. Al het welcke nochtans, overmits de verscheyden eygenschappen alle schepselen ingeboren, niet alleenlijck sonder aenstoot van yemant, maer selfs met vermakelijckheydt des geestes, by alle billicke verstanden can ende behoort te werden aengenomen. Middeler tijt ist te verwonderen, door wat verdorventheyt onses aerts, ofte listicheyt des duyvels, het bykomt, dat de mensche altijdt veel meer oore ende harte leent, ende open heeft tot, ick en weet niet wat, gecx-maren ende kackerlacken, als tot eenige stichtelijcke betrachtinge. Men ondervint, God betert, by dagelijcksche ervarentheyt dat onse gemoederen in't verhandelen vande alderweerdigste saken geheel slap ende slaperig, ja dom ende onverstandig zijn. Ende, in tegendeel van dien, op het gewag van aertsche, geringe, ende geensins aensienlijcke dingen, dapper ende wacker inde weere zijn: dese, gelijc alle andere onse gebreckelijckheden, de Heere, onse Saligmaker Christus, grondelijc wel kennende, t'elcken by-naest als hy yet sonderlincx t'onser salicheyt dienende wil voorstellen, en vangt sijn reden niet aen met eenige hooge ofte hemelsche maniere van spreken; maer gebruyct veeltijts als tot een inleydinge sijner leeringe, eenige gelijckenissen van gemeene ende slechte dingen ontleent: ende sijn toehoorderen by dien middel tot aendacht verweckt hebbende, klimt daer na van het cleyne mostaert zaet, tot den grooten Hemel, ende van een belachelijck kinder-spel, niet alleenlijck tot mannelijcke, maer Goddelijcke beschouwinge, ( Matth. 11. 16. Luc. 7. 32. ) Nu wel aen dan (om niemandt met al te langhen voor-reden te verveelen) ghy dese ofte die wulpsche jongelinck, die de ydele wasemen uwer jeugt met den stadigen deckmantel van liefde weet te bekleeden, ende, met al te vermetelicken maniere van spreken, uwe eygen lusten, u, ende andere tot Goden opgerecht hebt, soo wanneer ghy in't eerste deel van dit boecxken misschien vinden sult uwe maniere van spreken hier ende daer soo wat ingevolght te zijn. Ey lieve, en misduydet onse meyninghe niet, sulcx dient alleenlijck tot weder-inroepinghe van uwe verdwaelde sinnen: dewyle wy niet voor en hebben als eensdeels ons selven te oeffenen inde veranderinge, daer wy u hier voren af seyden, andersdeels om andere, die 't begheeren mochten onser ghedachten wat mede te deylen, misschien of daer door aen yemandt, door d'inbeeldinge der jonckheydt noch wanlustich zijnde, de smake mochte werden verweckt tot het nutten van beter ende gesonder spyse, die den selven, te vooren door verkeerde lusten vervoert zijnde, niet en woude ghenaken; 'twelck wy verhopen sullen geschieden, soo ghy aen den buyte-kant van desen onsen toegesloten apotekers pot niet en blijft hanghen, maer den selven openende, de geneeskruyden daer in verborgen uwe bedeckte gebreken gaet toe-eygenen. Of wy tot beyde de voorseyde eynden geraken sullen en weten wy niet; dit weten wy, dat door Gods genade by gelegentheydt van dese oeffeninge in ons ontstaen is een vast voornemen, om met alle mogelijcke neersticheyt, dagelijcx so lancx so meer, te trachten tot veranderinge ende vernieuwinge onses gemoets ende levens in Iesu Christo, den goeden God die sulcx weet ende werckt, die onse ende eens yders harte ende nieren doorsiet ende kent, vordere in ons het goede werck by hem daer in begonnen: den selven goedertieren God ende Vader geven wy ons ende al het onse over, aennemende also een stil ende gerust ghemoet, ende den selven voor besluyt, van harten biddende te willen geven dat dese onse oeffeninge voort en voort mach uytvallen tot sijns heyligen naems eere, beteringe des schrijvers, ende stichtinghe des lesers. Leest dan wie ghy zijt aendachtelijck, verstaet ghesondelijck, oordeelt heusselijck, en vaert wel.


I. CATS.

Misce stultitiam consiliis brevem.