Couperus/Psyche/VIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk VII Psyche van Louis Couperus

Hoofdstuk VIII

Hoofdstuk IX


VIII[bewerken]

-Psyche, waar wil je heen?

-Naar die eilanden van opaal, naar die zeeën van licht, naar die strepen van lichtend verschiet...

-Haal diep adem; klem je goed aan mijn hals; bind steviger den knoop van mijn manen, dan beginnen wij onzen tocht.

De wolken ratelden van een lichten donder; het bliksemde onder zijn hoefslag; zijne wieken klepten open en dicht, en ruischten van krachtig geveêrte. Psyche slaakte een kreet: zij was zóo hoog gestegen als nog nooit en onder hen verzonk weg het kasteel, verzonken de weiden, de wouden, de steden en de rivier; onder hen trok weg als een landkaart provincie na provincie, woestijn na woestijn, het geheele Rijk van Verleden. Wat was het groot, wat was het groot! De grenzen weken telkens terug; in de diepte spitste op stad na stad, slingerde zich rivier na rivier, verhief zich keten na bergketen, nauwelijks lichte verheffing, bobbelende arabesk door de vlakten heen. Dan waren het groote wateren als oceanen en Psyche zag niets dan sneeuwschuimende zee. Maar aan de andere zijde der zee begon weêr het strand, het land, het woud, de weide, de steden, de bergen, eindeloos door...

Hoe ver zijn nog de eilanden van opaal, de strepen van lichtend verschiet, mijn innig-geliefde Chimera?

-Die zijn we al door...

Zij hief op haar hoofdje en tuurde uit langs zijn dampenden hals en tuurde om zich heen.

-Maar ik zie ze niet meer! sprak ze verrast. Ik zie het woud en de weide, de steden en de bergen... Is dan overal de wereld de zelfde? Waar zijn de eilanden van opaal?

-Achter ons...

-Maar ik zie ze niet...! Zijn we er dan overheen gegaan, zonder dat ik ze zag? O, stoute Chimera, je hebt me niet gewaarschuwd! En waar zijn de strepen van lichtend verschiet?

-We gaan er door heen...

-Ik zie niets... Beneden land, om ons wolken, als overal. Maar geen landen van licht... En toch, daar in de verte, heel ver in de verte! Wat is dat, Chimera! Ik zie als een purperen woestijn, aan een zee van goudwater, met krinkelende boorden van weêr parelmoêr; in de woestijn zijn oazen, als bleek emerald, van palmen met zilveren waaierkronen, azuren bananen, en over de purperen woestijn trilt een ether van licht karmozijn, met strepen van smeltend topaas... Chimera, Chimera, wat is dat voor een land? Wat is dat voor een prachtig land?? De goudene zee schuimt borduursel van parelen aan tegen den oever van schilferend parelmoêr; de palmen waaien hun kronen op een rythme van luchtmuziek, en de bananen, blauw, in den ether, roze, verglimmen tot alles er licht is...! Chimera, is dat de regenboog?

-Neen...

-Chimera, is dat het land van het geluk? Is dat het Rijk van Geluk? Chimera, ben je er Koning?

-Ja. Het is mijn land. En ik ben er koning.

-Gaan wij er heen?

-Ja.

-Blijven wij er, Chimera? Blijven wij er samen?

-Neen...

Waarom niet?

-Zoodra ik mijn purperen land heb bereikt, moet ik verder... En dan weêr terug.

-O, Chimera, ik wil niet terug! Ik vergeet alles, mijn vader, mijn land. Ik wil daar blijven, bij jou!

-Ik kan niet... Maar let nu goed op: wij naderen mijn rijk, kleine Psyche. Zie nu zweven wij over de zee, nu naderen wij de boorden, die schilferen van week parelmoêr.

-De zee is vuilgroen, als gewone zee; de boorden zijn zand... Je bedriegt me, Chimera! Zoodra we naderen, toover je weg alle schoons wat ik zag...

-Nu, onder ons is de woestijn van purper; onder ons zijn de oazen van bleek emerald.

-Je bedriegt me, Chimera! De woestijn blaakt gloeiend in straffe zon, de oazen verbleeken tot niets, als verheveling... Chimera!

-Wat Psyche?

-Waar gaan we heen?

-Naar de vèrste verschieten...

-Ik geef niet om ze! Je bedriegt me altijd! Eindeloosheden voer je me meê, en al het moois, wat ik zie, verdwijnt voor mijn oog. Maar toch... daar achter de kim, den zand-einder van de woestijn, is een glanzende schijn... Zijn dat zilveren grotten aan een zee van licht! Golft het licht daar als water? Zijn dat bosschen van licht, steden van licht, in een land van licht! Zeg, Chimera, wonen daar menschen van licht! Is dat het paradijs!?

-Ja... Wil je er heen?

-Ja, o ja, Chimera: daar is het geluk, het hoogste geluk en daar wil ik bij je blijven...!

-Wij naderen al...

-Laat het nu blijven het land van licht, het zonneglansparadijs: toover niet weg het land van geluk, o stoute Chimera: bereik het nu met me, en daal met me neêr...

-Wij zijn er...

-Daal neêr...

Hij daalde.

-Bereiken wij nog niet den lichtenden grond?

-Kijk naar beneden, of je niets ziet...

Zij keek langs zijn vleugel.

-Ik zie niets...! Het is nacht... Het is donker... Chimera!!!

-Wat, kleine Psyche?

-Waar is het land van zilveren licht, het land van de lichtende menschen? Waar is het gebleven?

-Zie je het niet?

-Neen...

-Dan is het weg...

-Waar?

-Achter ons, onder ons...

-Waarom ben je niet eerder gedaald?

-Mijn vlucht was te snel en ik kon niet, o Psyche...

-Je bedriegt me! Je kon wel! Je wil niet... Nu... nu is het nacht, stikdonkere nacht, starlooze nacht... Een koude ijst om... O, Chimera, voer mij terug...!!

Hij wendde zich met een zwaai van zijn krachtige vlerken. En bij zijne zwenking sloeg-uit het weêrlicht en zig-zagde door heel het luchtruim met glad-hel electrische degens; de zware lucht scheurde los met een heftigen donderslag als klettercymbalen, een stormwind stak op, kletsregen viel neêr...

-O, Chimera, voer mij terug!

Zij wierp zich aan zijn hals; zij verborg in zij manen haar hoofdje, en door den losbarstenden storm, terwijl bij iederen slag van zijn hoef het bliksemde rondom hen heen, vlerkte hij wijduit door het luchtruim, terug naar haar land: het Rijk van Verleden, inkt daar ginds in den nacht van inkt...