Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

CRIMINEEL WETBOEK VOOR HET KONINGRIJK HOLLAND

Ter KONINKLIJKE STAATSDRUKKERIJ. 1809

LODEWIJK NAPOLEON, door de gratie Gods en de Constitutie des Koningrijks, KONING van HOLLAND, Connétable van Frankrijk.

Het Wetgevend Ligchaam goedgekeurd hebbende de voordragt, door Ons daartoe gedaan, Hebben Wij besloten en besluiten:

Inhoud

I.[bewerken]

Wordt gearresteerd het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland, hier na volgende:

CRIMINEEL WETBOEK voor het KONINGRIJK HOLLAND.

Eerste Titel. Algemeene bepalingen.[bewerken]

Art. 1.

De criminele wetten van het koningrijk betreffen allen, ingezetenen of vreemdelingen, die binnen hetzelve zich aan eenige misdaad schuldig maken.
Alleenlijk zijn daarvan uitgezonderd zoodanige vreemdelingen, omtrent welke, uit kracht van het regt der volken, of van bijzondere tractaten en overeenkomsten, het tegendeel plaats heeft.

Art. 2.

Ingezetenen van dit koningrijk, zich elders schuldig makende aan misdaden, door welke de veiligheid, of welvaart van hetzelve, of van deszelfs gouvernement wordt benadeeld of in gevaar gebragt, of aan het namaken van inlandsche geldmunten, of het valschelijk namaken of vervalschen van eenige inlandsche openbare instrumenten, het zij gelds waarde hebbende, of andere, gelijk ook van eenige zegels, stempels of merken, welke op openbaar gezag binnen dit koningrijk gebruikt worden, zullen mede naar dit wetboek gestraft worden.

Art. 3.

Insgelijks zullen volgens hetzelve gestraft worden ingezetenen van dit koningrijk, elders eenige andere misdaden, ter plaatse, waar die bedreven zijn, mede strafbaar, gepleegd hebbende, wanneer zij daarna binnen de grenzen van hetzelve worden gevat, of door buitenlandsche regeringen, regters, of andere magten zijn overgegeven.

Art. 4.

Met de invoering van dit wetboek zullen zijn afgeschaft alle plakkaten, publicatiën, ordonnantiën, reglementen, statuten, keuren, octrooijen, handvesten en andere wetten, het zij dezelve het geheele koningrijk, eenig gedeelte van hetzelve, of eenige bijzondere plaats hebben betroffen, waarbij eenige straffen of boeten op misdaden of overtredingen zijn vastgesteld, met uitzondering alleenlijk van de zoodanige, welke hier na bij de zesde en zevende artikelen zullen worden opgenoemd.

Art. 5.

Echter zullen, ten aanzien van misdaden of overtredingen vóór de invoering van dit wetboek bedreven, de voorschreven oude wetten moeten worden toegepast, voor zoo verre de straffen, daaruit voortvloeijende, minder zwaar mogten zijn, dan die, welke in dit wetboek worden vastgesteld.
In het tegenovergestelde geval zullen de bepalingen van dit wetboek gevolgd worden.

Art. 6.

Het crimineel wetboek strekt zich geenszins uit tot zoodanige kleine overtredingen, de dagelijksche politie of plaatselijke administratie betreffende, waarvan de gestelde straf eene boete van vijftig guldens of eene driedaagsche gevangenis niet te boven gaat.

Art. 7.

Insgelijks worden door dit wetboek niet afgeschaft de navolgende wetten, reglementen, of voorzieningen, voor zoveel die ten tijde van deszelfs invoering nog in gebruik zijn:

  1. Betreffende de misdaden en overtredingen van het volk van oorlog te water en te lande.
  2. Tegen het verleiden van hetzelve tot verlating van 's Lands dienst, of behulpzaam zijn in die verlating.
  3. Op de gewapende burgermagt.
  4. Tegen de communicatie met den vijand.
  5. Tegen onwettige kaapvaart.
  6. Betreffende de fraudes of contraventiën in het stuk van belastingen, in de restitentie tegen de genen, die met de invordering of recherche deswegens belast zijn.
  7. Tegen het versmelten, verbreken, of uitvoeren van geldmunten.
  8. Op de jagt, vogelarij en vischerij.
  9. Betreffende de verpligtingen van bepaalde ambtenaren, of van hen, die eenige bepaalde kostwinning oefenen.
  10. Op de ontgrondingen, verveeningen en droogmakerijen.
  11. Tot instandhouding, of bevordering van zeevaart, koophandel, landbouw, fabrijken, trasijken, en van het gene daaronder behoort.
  12. Betreffende het onderwijs, of de oefening van kunsten of wetenschappen.
  13. Betreffende gilden, neringen, koopmanschappen, bedrijven, of ambachten.
  14. Op de zeevonden en gestrande schepen of goederen.
  15. Betreffende het gebruik van onderhoud van gronden, duinen, dijken, wegen, wateren, havens, sluizen, bruggen, straten of grachten.
  16. Op de posterijen, en op de veren van vaartuigen of rijtuigen.
  17. Op de tollen en gabellen.
  18. Betreffende het plaatsen, instandhouden of afbreken van gebouwen.
  19. Tegen het aanleggen van fabrijken, trafijken, neringen, bedrijven, ambachten op bepaalde plaatsen.
  20. Betreffende logementen, herbergen en andere publieks huizen.
  21. Tegen het ongeoorloofd dragen van geweer, of gebruik van onbehoorlijk geweer.
  22. Tegen bedrijven, welke gevaar van brand veroorzaken.
  23. Tegen het zorgeloos verkoopen van vergiften.
  24. Tegen het inbrengen, of doen voortduren van besmetting.
  25. Nopens den prijs, of de gezondheid van eetwaren.
  26. Tegen de hazardspelen en particuliere loterijen.
  27. Tegen bedelaars en vagebonden.
  28. Tegen het koopen, verkoopen, beleenen of verbergen der kleederen, eetwaren of andere goederen, welke aan hen, die uit armenfondsen gealimenteerd worden, ten gebruike of ter ter bewerking worden gegeven.
  29. Op het doen van wachten of anderen bijstand aan de justitie of politie, of tot algemeene beveiliging in gevallen van brand, watersnood en andere dergelijke rampen.
  30. Op het stuk der begrafenissen.

Art. 8.

De inhoud van dit wetboek heeft geene de minste betrekking tot het regt, hetwelk volgens de burgerlijke wetten voor bijzondere personen ontstaat, of aan dezelve toekomst wegens misdrijven, verongelijkingen, onwettige of andere daden of nalatingen, door anderen gepleegd.

Tweede titel. van misdaden en derzelver toerekening.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van misdaden.[bewerken]

Art. 9.

Misdaad bestaat in het overtreden eener wet, welke het laten of bedrijven van eenige daad, onder bedreiging van straf, gebiedt of verbiedt.

Art. 10.

Misdaad of overtreding kan gepleegd worden met opzet, of door merkelijke schuld, onvoorzigtigheid en onachtzaamheid.

Art. 11.

Opzet is de wil, om te doen of laten die daden, welke bij wet verboden of geboden zijn.
Zoo dikwijls bij dit wetboek niet anders uitdrukkelijk is bepaald, wordt zoodanig opzet bereischt tot het wezen en de strafbaarheid der misdaad of overtreding.
Schuld, onvoorzichtigheid of onachtzaamheid is dan alleenlijk strafbaar, wanneer de wet zulks duidelijk uitdrukt.

Art. 12.

Er bestaat geene misdaad zonder voorafgegane wet.
De regters zijn verpligt, volgens de regelen van uitlegkunde te beoordeelen, of en in hoe verre eenige hun voorgestelde daad, het zij onder de woorden, het zij onder den zin der wet behoore.

Art. 13.

De misdaad wordt gehouden volbragt te zijn, wanneer de daden, welke bij de wet verboden zijn, in alle hare deelen zijn gepleegd.

Tweede hoofdstuk. van poging tot misdaad.[bewerken]

Art. 14.

De pogingen, dat is de uiterlijke bedrijven tot toebereiding eener voorgenomen misdaad, tot welken trap ook gevorderd, moeten gestraft worden, niet met de gewone straf op de misdaad gesteld, maar met eene ligtere, naar mate zij gevorderd zijn, ten zij de wet, in eenig bijzonder geval, de straffe op de poging uitdrukkelijk bepale.

Art. 15.

Die uit eigen beweging van het volbrengen eener misdaad afzien, moeten met eene nog ligtere straf gestraft worden, wanneer uit het geen reeds door hen is verrigt, geen merkelijk nadeel is voortgesproten.

Art. 16.

Tot het bestaan van misdaad worden uiterlijke bedrijven vereischt; loutere voornemens of enkele gedachten vallen niet onder het bereik der wet.

Derde hoofdstuk. van hen, aan wie de misdaad kan worden toegerekend.[bewerken]

Art. 17.

Niet alleen zij, die zelf de misdaad plegen, maar ook die daartoe, op eenige der hierin omschreven wijzen, bevorderlijk zijn of daaraan deel nemen, zijn strafbaar.

Art. 18.

Die door dwang, bevel, last, verleiding, bepaalden en stelligen raad, anderen tot misdaad aanzetten, of daartoe bijzondere onderrigting geven of aanwijzing doen, zijn strafbaar voor de gevolgen, welke uit dit hun gedrag zijn voortgesproten, en door hen hadden kunnen en behooren te worden voorzien. Dwang, bevel, last, verleiding, bepaalde en stellige raad zullen, wanneer de misdaad niet mogt zijn gevolgd, als poging aangemerkt en als zoodanig gestraft worden.

Art. 19.

Die, door het verschaffen van wapenen, werktuigen, gereedschappen of andere instrumenten, tot de misdaad helpen of medewerken, die tot het gemakkelijker plegen gelegenheid geven, of, gedurende het misdoen, de daders beveiligen, bedekken of op eenigerlei andere wijze voorbedachtelijk de misdaad begunstigen of bevorderen, zullen, naar mate der omstandigheden, gestraft worden, echter in het algemeen met eene mindere straf dan de gewone der misdaad.

Art. 20.

De voorschriften, in de twee laatstvoorgaande artikelen vervat gelden alleenlijk, voor zoo verre de wet in de bepaalde gevallen geene bijzondere voorziening mogt hebben daargesteld.

Vierde hoofdstuk. van hen, aan wie de misdaad niet of minder wordt toegerekend.[bewerken]

Art. 21.

Kinderen beneden den ouderdom van twaalf jaren, misdoende, mogen deswegens door de regters niet gestraft worden; kinderen, ouder dan twaalf jaren en jonger dan vijftien jaren, zullen getuchtigd worden op de wijze als in het 48ste artikel is bepaald, ook wanneer zij na de vervulling der vijftien jaren, wegens misdaden of overtredingen, in dien leeftijd begaan, in hechtenis geraken.
Wanneer door hen, die den ouderdom van achttien jaren niet ten vollen bereikt hebben, misdaad of overtreding is begaan, zullen de regters, naar mate der omstandigheden, eene ligtere, dan de gewone straf der misdaad, kunnen opleggen.

Art. 22.

Aan geheel zinneloozen, die van hunne verstandelijke vermogens beroofd zijn, kan geene daad, als misdaad, worden toegerekend.
De regters moeten wijders beoordeelen, tot hoe verre afwisselende zinneloosheid, ligchaams-kwalen, welke op de zielsvermogens merkelijken invloed hebben, zeer groote onnoozelheid en eenvoudigheid, in elk bijzonder geval, eene ligtere straf of geheele vrijspraak vereischen.

Art. 23.

Die in opzettelijke of vrijwillige dronkenschap misdaad plegen, moeten in het algemeen met de gewone straf gestraft worden.
Toevallige of onwillige dronkenschap kan een grond opleveren tot verligting der straf, of geheele straffeloosheid.

Art. 24.

In hoe verre dwang, bevel, billijke vrees, sterke verleiding alle toerekning wegnemen, of tot eene ligtere straf behooren te leiden, moet bij de regters uit den aard en de omstandigheden der zaken, uit de ziels- en ligchaams-gesteldheid van den bedrijver en zijne betrekkingen tot hem, die gedwongen, bevolen, of verleid heeft, beoordeeld worden.

Derde titel. van de straffen.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van de onderscheiden straffen.[bewerken]

Art. 25. De straffen, in dit wetboek vastgesteld, en buiten welke geene andere door de regters mogen ingevoerd worden, zijn:

  1. Doodstraffen.
  2. Schavotstraffen.
  3. Gevangenis.
  4. Bannissement.
  5. Verklaring van eerloosheid.
  6. Verklaring van onbekwaamheid tot alle of eenige ambten, posten of bedieningen.
  7. Verklaring van vervallen te zijn van eenig ambt, post of bediening.
  8. Geldboeten.

Art. 26.

De doodstraffen zijn twee in getal, de strop en het zwaard.

Art. 27.

De straf met den strop wordt voor de schandelijkste gehouden, en uitgevoerd op het schavot aan manspersonen, door het ophangen aan een galg, en aan vrouwspersonen door het verworgen aan een paal.

Art. 28.

De straf met het zwaard wordt uitgeoefend door onthoofding van den veroordeelden, knielende op het schavot en geblinddoekt.

Art. 29.

Het doode ligchaam van den gestraften moet altijd in eene gewone kist geplaatst, en alzoo begraven worden.

Art. 30.

De Regters mogen de bezorging der begrafenis aan de nabestaanden van den gestraften vergunnen.

Art. 31.

In beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, moet de begrafenis des nachts in stilte en zonder eenige plegtigheid geschieden.

Art. 32.

De andere schavotstraffen zijn vier in getal:

  1. Het geeselen en brandmerken.
  2. Het geeselen.
  3. Het zwaard over het hoofd.
  4. Het te pronk staan.

Art. 33.

Het geeselen geschiedt met roeden op den blooten rug van den misdadigen, staande aan een paal gebonden, en de armen opgehaald.

Art. 34.

Het brandmerken wordt verrigt met een heet ijzer op den schouder van den veroordeelden.

Art. 35.

Het zwaaijen met het zwaard over het hoofd moet altoos vergezeld gaan met dezelfde toebereidselen, welke bij onthoofding worden in acht genomen.

Art. 36.

De regters zijn bevoegd, om bij doodstraffen en alle andere schavotstraffen in hunne vonnissen te bevelen, dat de hoedanigheid van de misdaad des veroordeelden zal worden uitgedrukt, het zij in geschrift op een houten bord, het zij door eenig ander gebruikelijk kenteeken, en het welk gedurende de strafoefening zal worden ten toon gesteld.

Art. 37.

Bij de schavotstraffen, in het 32ste artikel vermeld, zullen de regters, wanneer de aard der gepleegde misdaad zulks meebrengt, tevens in hunne vonnissen mogen bevelen, dat oproerige, velsche of andere misdadige geschriften door den scherpregter op het schavot verbrand worden.

Art. 38.

Bij de straf van geeselen en brandmerken, of van enkel geeselen, zijn de regters bevoegd op gelijke wijze te bevelen, dat de veroordeelde, gedurende de strafoefening, zal worden vastgemaakt aan de galg met den strop om den hals.

Art. 39.

De straf van gevangenis wordt altijd opgelegd voor eenen bepaalden tijd, welke nimmer en in geen geval langer zal mogen zijn dan twintig jaren.

Art. 40.

De wijziging der straf van gevangenis kan zijn:

  1. Dat de veroordeelde geplaatst worde in een afzonderlijk vertrek, afgescheiden van alle andere personen.
  2. In de gewone vertrekken van tuchthuizen, of andere daartoe geschikte plaatsen.
  3. In een afzonderlijk vertrek, met vergunning van zoodanigen toegang, als, behoudens de goede orde en veiligheid van het huis, kan toegestaan worden.

Art. 41.

Aan de veroordeelden kan tevens worden opgelegd de verpligting tot arbeid.

Art. 42.

De wijziging der straf van gevangenis, volgens de voorschriften in de voorgaande artikelen vervat, zal bij het vonnis moeten bepaald worden.

Art. 43.

Het bannissement kan zijn voor altijd, of voor eenen bepaalden tijd. In alle de gevallen, waarin bij de wet deswegens geene bijzondere schikkingen zijn gemaakt, staat zulks ter bepaling van den regter.

Art. 44

Alle regters zullen mogen bannen, zoo wel uit het geheele koningrijk als uit een of meer gedeelten of plaatsen van hetzelve. Zij zullen echter niet uit het geheele koningrijk mogen bannen, ten zij in de gevallen, bij de wet bepaaldelijk uitgedrukt, of waarin de doodstraf, door dezelve op het bedrevene stellig bedreigd, alleenlijk uit hoofde van bijkomende omstandigheden is verligt geworden. In alle andere gevallen zullen zij de straf van bannissement niet verder mogen uitstrekken, dan tot die departementen, waar in de vooroordeelden woonachtig zijn, de misdaden zijn gepleegd en de vonnissen geslagen worden.

Art. 45.

De doodstraffen zullen nimmer door eenige andere straf voorafgegaan worden; ook zullen de overige schavotstraffen op geene andere wijze onderling mogen zamengevoegd worden, dan bij dezen titel is aangewezen.

Art. 46.

Nogtans zullen de overige schavotstraffen met mindere straffen onderling kunnen zamengevoegd worden, met uitzondering van de geldboeten, voor zoo verre zulks ten aanzien van dezelve in dit wetboek niet uitdrukkelijk is bepaald.

Art. 47.

Bij de schavotstraffen, in het 32ste artikel aangewezen, zal door de regters in hunne vonnissen altijd moeten gevoegd worden de straf van gevangenis, of van bannissement uit die departementen, waarin de veroordeelden woonachtig zijn, de misdaden zijn gepleegd en de vonnissen geslagen worden, al ware zulks bij de wet niet uitdrukkelijk voorgeschreven; welke straffen van gevangenis en van bannissement, ieder afzonderlijk of beide te zamen, ten minsten voor den tijd van drie jaren zullen moeten bepaald worden; ten aanzien van de keuze tusschen de twee laatsgemelde straffen en den tijd, welken dezelve niet mogen te boven gaan, zullen de regters in acht nemen de bepalingen, welke bij de wet omtrent dezelfde misdaad mogten voorkomen.

Art. 48.

Buiten de eigenlijke straffen, zullen jonge boosdoeners van twaalf tot vijftien jaren oud, tot afschrik van anderen en hunne eigen verbetering, op bevel der regters, zonder vorm van vonnis, kunnen getuchtigd worden door opsluiting voor eenigen tijd, niet langer dan twee maanden, of met kinderlijke straffen.

Art. 49.

De veroordeling tot schavotstraf brengt van zelf eerloosheid mede, al ware daarvan door de regters geene uitdrukkelijke verklaring gedaan.

Tweede hoofdstuk. van het uitstellen en veranderen der straffen.[bewerken]

Art. 50.

De uitspraak van alle straf-vonnissen wordt uitgesteld, bij opgekomen zinneloosheid van den misdadigen.

Art. 51.

Wanneer de ligchamelijke gesteldheid van een misdadigen de uitvoering van de straf van geeseling, welke hij door zijn misdrijf, overeenkomstig de wet, mogt hebben verdiend, niet gedoogt, het zij zulks vóór of na het vaststellen van het vonnis ontdekt wordt, moeten de regters hem, in plaatse daarvan, veroordeelen tot het te pronk staan op het schavot, en bovendien daarop acht nemen in het bepalen van de langdurigheid der gevangenis of van het bannissement, mits niet te bovengaande den tijd, daarop bij de wet in elk geval ten langsten gesteld.

Art. 52.

Het vonnis, eenmaal uitgesproken zijnde, zal door de regters op eigen gezag niet mogen worden veranderd, maar in geval van noodzakelijkheid opgeschort, en daarvan kennis gegeven ter plaatse waar zulks behoort, ten einde daarin eene gepaste voorziening zal kunnen worden gedaan.

Art. 54.

Aan zwangere vrouwen mag geene doodstraf of andere schavotstraf aangedaan worden; dezelve moet opgeschort blijven tot na hare verlossing.

Art. 54.

Wanneer een gebannen zijn bannissement voor de eerste reize overtreedt, zullen de regters hem bij een nader vonnis veroordeelen tot eene gevangenis, welke niet zal te boven gaan den tijd van drie jaren, en tot een nieuw bannissement van ten naastenbij zoo vele jaren, als, ten tijde van het nader vonnis, aan de vervulling van het vorige bannissement nog mogte ontbreken.
Bij herhaling dezer overtreding, zal de straf van gevangenis telkens verzwaard worden, echter niet te bovengaande de tijd van zes, twaalf of twintig jaren.

Art. 55.

Geldboeten, waartoe de beschuldigde mogt zijn veroordeeld, zullen binnen den tijd van veertien dagen na het vonnis moeten voldaan worden, ten ware daarvan hooger beroep mogt vallen: dezen tijd verstreken zijnde, zal de veroordeelde op bevel der regters, zonder vorm van vonnis, in de gevangenis gesteld worden, met of zonder verpligting tot arbeid.
De tijd van gevangenis zal ten minsten eene week, en anders zoo vele weken duren, als de boete honderd guldens bedraagt.
Wanneer echter de veroordeelde bij de regters mogt gehouden worden volkomen in staat te zijn om de geheele boete te kunnen voldoen, zal het vonnis mogen geëxecuteerd worden op dezelfde wijze, als in burgerlijke zaken gebruikelijk is.
Vreemdelingen, of die niet onder het regtsgebied woonachtig zijn, mogen, gedurende de eerste veertien dagen na het vonnis, tot verzekering der boete, of de straf van gevangenis in gijzeling gesteld worden. In geval van hooger beroep zullen dezelve daaruit ontslagen worden, mits stellende voldoende zekerheid ten genoegen van de regter.

Derde hoofdstuk. van de pligt der regters, in de keuze der straffen.[bewerken]

Art. 56.

Zoo dikwijls de wet op eenige misdaad doodstraf of schavotstraf stelt, zonder verdere bepaling, is de keuze der soorten van doodstraf of van schavotstraf aan de regters overgelaten.

Art. 57.

De regters zullen de straffen, bij dit wetboek op de misdaad gesteld, nummer verder mogen verzwaren, dan hun bij dezen titel of bij dien over de onderscheidene misdaden uitdrukkelijk is toegelaten.
Zij zullen de straffen, bij dit wetboek op de bijzondere misdaden gesteld, moeten verligten, wanneer zoodanige verzachtende omstandigheden duidelijk hebben, als in den vorigen titel van misdaden en derzelver toerekening zijn aangewezen.

Art. 58.

In dat geval zullen de regters, in plaatse van de gestelde straf, zoodanige mindere mogen kiezen, als met den aard der gepleegde misdaad of overtreding en derzelver omstandigheden meest overeekomt, en tevens van de soort, bij de wet bepaald, het minst afwijkt.

Art. 59.

Wanneer echter bij dit wetboek, boven en behalve eenige zwaardere straf, ook die van gevangenis, bannissement of geldboete op eenige misdaad gesteld is, zal het weglaten dier zwaardere straf nimmer den regter bevoegd maken, om den tijd van gevangenis of bannissement langer, de uitgestrektheid van het laatstgemelde verder, op de som der geldboete hooger te stellen, dan bij de wet is uitgedrukt.

Art. 60.

De regters moeten zich van het opleggen van geldboeten onthouden, zoo dikwijls de omstandigheden van het misdrijf eene zwaardere straf, bij de wet op hetzelve mede gesteld, zouden vereisschen; en voorts in alle gevallen, waarin dezelve bij de wet niet uitdrukkelijk genoemd zijn.

Art. 61.

Voor zoo verre bij dit wetboek aan de regters eenige ruimte in het kiezen op bepalen der straf is overgelaten, zullen dezelve, behalve den aard en de omstandigheden der gepleegde misdaad of overtreding, ook den ouderdom, de kunne, de ligchamelijke gesteldheid en den uiterlijken stand van den beschuldigden in acht nemen, en hunne keuze en bepaling daarnaar inrigten.

Vierde titel. van hoog verraad.[bewerken]

Art. 62.

Hoog verraad wordt gepleegd:

  1. Door moorddadigen of gewelddadigen aanslag tegen het leven of de veiligheid van den Koning of den Kroonprins.
  2. Door het heulen met den vijand of andere mogendheden, ten nadeele van het koningrijk.

Eerste hoofdstuk. van hoog verraad van de eerste soort.[bewerken]

Art. 63.

Die eenigen moorddadigen of gewelddadigen aanslag tegen het leven of de veiligheid van den Koning of van den Kroonprins mogten plegen, zullen met den dood gestraft worden.

Art. 64.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die daartoe, het zij dadelijke hulp, het zij andere middelen of gelegenheid hebben verschaft of aangewezen.

Art. 65.

Die in de zamenspanning mogten hebben deel genomen, zonder eenige verdere daden te hebben gepleegd, waardoor dezelve is begunstigd geworden, zullen worden gestraft met schavotstraf en langdurige gevangenis, of met de laatste straf alleen, naar de omstandigheden.

Art. 66.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die alleen of met anderen tot zoodanigen aanslag toeleg gemaakt hebben, zonder dat dezelve daarop gevolgd is.

Art. 67.

Die van het bestaan eener zamenspanning of toeleg om zoodanigen aanslag te plegen, als bij artikel 63 is gemeld, mogten kundig worden, zonder daarin deel te nemen, zullen nogtans gehouden zijn, daarvan in tijds aan het gouvernement, de politie of de justitie ontdekking te doen en, bij gebreke daarvan, gestraft worden naar de omstandigheden met gevangenis of bannissement uit het koningrijk, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van acht jaren, of in geval van bloote onachtzaamheid, ten minsten met geldboete, welke echter niet zal te bovengaan de som van twee duizend guldens.

Art. 68.

Van de straffen dezer nalatigheid worden alleenlijk verschoond de zoodanigen, welker ontdekking zoude gestrekt hebben tot laste van hunne echtgenooten of van hunne nabestaanden, in de op- of nedergaande lijn, ooms , moeijen, broeders of zusters, het zij door bloedverwantschap op huwelijk.

Art. 69.

Die zoodanige ambten, postn of bedieningen bekleeden, waardoor zij tot het ontdekken of weren van de gemelden toeleg of zamenspanning bijzonderlijk verpligt waren, zullen in het geval van het 67ste artikel zwaarder dan anderen gestraft worden, te weten het zwaard over het hoofd en gevangenis of bannissement uit het kiningrijk, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren.
De verschooning, in het 68ste artikel uitgedrukt, zal hen niet verder dan van de schavotstraf kunnen bevrijden.

Tweede hoofdstuk. van hoog verraad van de tweede soort.[bewerken]

Art. 70.

Die om der vijand te begunstigen, het zij daartoe omgekocht of ter bejaging van eenig voordeel, door verraad, trouweloosheid of geweld voorbedachtelijk medewerken tot het bemagtigen, inhouden of doen overgeven van eenige vesting, stad, haven, plaats, schip, magazijnen van krijgsbehoeften of levensmiddelen door of aan denzelven, gelijk ook die het leger of eenig gedeelte van hetzelve aan den vijand verraden, zullen met den strop gestraft worden.

Art. 71.

Die met zoodanig oogmerk eenige krijgsbehoeften of levensmiddelen vernielen of onbruikbaar maken, eenige onderwaterzettingen verhinderen of aftappen, eenige andere middelen van verdediging weerloos maken, 's lands krijgsvolk te water of te lande tot desertie, muiterij of verraad verleiden of aanzetten, aan den vijand manschappen, krijgsbehoeften of levensmiddelen verzorgen, denzelven eenige teekeningen of plans van vestingen, eenige berigten omtrent de sterkte of gesteldheid van dezelve of van het krijgsvolk, of aangaande deze of gene op handen zijnde ondernemingen doen toekomen, zullen met den strop worden gestraft, al ware dat de gepleegde misdaad de bedoelde uitwerking ten nadeele van het rijk niet mogte gehad hebben.

Art. 72.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, met oogmerk om den vijand van dit koningrijk te begunstigen, dezelfde misdaden plegen met betrekking tot 's Konings bondgenooten.

Art. 73.

Die, zonder zoodanig vijandig oogmerk, maar nogtans voorbedachtelijk, eenige onderwaterzettingen verhinderen of aftappen, of eenige andere middelen van verdediging, op hoog gezag tot afbreuk van den vijand bevolen of in het werk gesteld, vernielen of weerloos maken, zullen insgelijk met den dood, of met schavotstraf en gevangenis, niet te bovengeaande den tijd van acht jaren, naar gelang der omstandigheden worden gestraft.

Art. 74.

Die met vreemde mogendheden, derzelver onderdanen of gelastigden verstand houden of afspraak maken, om dezelve eenige vijandelijkheid tegen het koningrijk te doen plegen, hun daartoe de middelen te verschaffen, of daarin behulpzaam te zijn, zullen met den strop worden gestraft, al ware het dat de gepleegde misdaad de bedoelde uitwerking ten nadeele van het rijk niet mogte gehad hebben.

Art. 75.

Die op eigen gezag met vreemde mogendheden, derzelver onderdanen of gelastigden openbare of heimelijke verbindtenissen, of onderhandelingen aangaan, denzelven willens en wetens staatsgeheimen ontdekken, of zich met hen in schikkingen inlaten, waardoor de veiligheid van het koningrijk of het genot van deszelfs regten, tractaten, of overeenkomsten zouden kunnen in gevaar gebragt of benadeeld worden, zullen met het zwaard over het hoofd en gevangenis, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren, gestraft worden.

Art. 76.

Die zonder daartoe behoorlijk verlof te hebben bekomen, binnen het koningrijk wervingen doen, of tot buitenlandsche wervingen mede werken ten behoeve van den zee- of landdienst van vreemde mogendheden, schoon met dit rijk in vrede en vriendschap zijnde, zullen naar gelang der omstandigheden worden gestraft met gevangenisstraf, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Vijfde titel. van muiterij, oproerig geweld, en schending van het openbaar gezag.[bewerken]

Art. 77.

Muiterij of operoer, gepleegd door het verzamelen en op de been brengen van eene menigte volks, gewapend of ongewapend, heimelijk of door luidruchtige bedrijven daartoe opgeroepen, met oogmerk om zich door middelen van geweld en dwang, tegen de wetten van het koningrijk, de bevelen des konings, de ordonnantiën der gestelde magten, of de administratie der justitie te verzetten, of de regeringen of regters tot het inwilligen van deze of gene begeerte te noodzaken, zal in de hoofden en aanvoerder met den strop worden gestraft.

Art. 78.

Insgelijks zullen met den strop worden gestraft de genen, die, ter gelegenheid en onder begunstiging van zoodanige muiterij of operoer, zich betoond hebben als de aanvoerders of voornaamste medewerkers van en tot het mishandelen van personen, het openbreken of beschadigen van gebouwen, of het plunderen of bederven van goederen, zonder onderscheid, of de mishandelden zijn openbare ambtenaren of bijzondere personen, gelijk mede of dezelve gebouwen of goederen aan het rijk, aan eenige stad of plaats, of aan bijzondere ingezetenen in eigendom behooren, of al, of niet tot publieken dienst bestemd zijn.

Art. 79.

Nog zullen met den strop gestraft worden, die ter zoodanige gelegenheid zich betoond hebben, als de voornaamste aanvoerders of medewerkers van, en tot eenige dadelijke resistentie tegen de militaire of burgermagten of andere corpsen, op gezag der gestelde magten tot demping van het oproer gebruikt wordende.

Art. 80.

Die ter gelegenheid van zoodanige muiterij of oproer, zonder onder de aanvoerders of voornaamste medewerkers te kunnen gesteld worden, zich nogtans aan eenige der bedrijven, in de twee laatstvoorgaande artikelen gemeld, dadelijk hebben schuldig gemaakt, zullen naar gelang der omstandigheden met geeseling en brandmerk, geeseling of gevangenis, niet te bovengaande den tijd van acht jaren, worden gestraft.

Art. 81.

Die, buiten het geval van algemeene muiterij of oproer, de gestelde magten, regters, derzelver suppoosten of bedienden, de militaire of burgermagten of ook andere openbare ambtenaren als zoodanig door geweld en dwang tot het verrigten of nalaten van eenige daad trachten te noodzaken, denzelven in het oefenen van hunne functiën gewelddadigen tegenstand doen, hen deswegens bedreigen of openlijk honen, zullen, wanneer dezelve tegenstand of bereiging gewapenderhand wordt gepleegd, of met het te hulp roepen van anderen vergezeld gaat, met geeseling of gevangenis, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, en in de andere gevallen met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van vier jaren, gestraft worden.

Art. 82.

Die, het zij in of buiten operoer, gevangenhuizen of andere gebouwen gewelddadig openbreken, met oogmerk, om gevangen, gegijzelde of gearresteerde personen te verlossen, gelijk ook die de wachten, ter bewaring van zoodanige personen in of buiten eenig gebouw gesteld of gebruikt, ter verlossing van dezelve met geweld overvallen, zullen, naar gelang van het meerder of minder gepleegd geweld, met geeseling en brandmerk, geeseling of gevangenis, niet te bovengaande den tijd van tien jaren, worden gestraft.

Art. 83.

Die de bedienden der posterijen, de couriers en estafettes van, of aan het gouvernement, de boden van hooge of mindere gestelde magten of van openbare ambtenaren gewelddadig aanvallen, of, zonder daartoe geregtigd te zijn, moedwillig tegenhouden, met oofmerk om hen van eenige brieven te berooven, die te openen, te lezen, te doen openen en te doen lezen, of ook om de overbrenging van dezelve boodschappen of brieven optehouden, die ten gelijken einde zich met list van dezelve brieven meester maken, gelijk ook, die het geweld of list door anderen gepleegd zijnde, de voorzeide brieven, zonder daartoe geregtigd te zijn, voorbedachtelijk openbreken of moedwillig ophouden en verbergen, zullen, naar gelang der omstandigheden, met schavotstraf, gevangenis of bannisement uit het koningrijk of ander, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, gestraft worden.

Art. 84.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, zonder daartoe geregtigd te zijn en met oogmerk om zich tegen het gouvernement, de gestelde magten of de regters te verzetten, derzelver geheimen of vermeende geheimen te kennen, of aan anderen te doen kennen of hen van eenige goederen of papieren onder derzelver bewaring zijnde, te berooven, de zegels, door of van wege het gouvernement, dezelve regeringen of regters op eenige deuren, kasten, kisten, doozen, portefeuilles, papieren of brieven gesteld, voorbedachtelijk openbreken, of ook de alzoo gezegelde stukken zelve vervoeren of verbergen.

Art. 85.

Die godsdienstige genootschappen, onder de bescherming der wetten staande, of andere geoorloogde bijeenkomsten gewelddadiglijk verstoren, of de leden derzelve en die daar van gebruik maken, uit dezen hoofde openlijk beleedigen of honen, zullen, naar gelang der omstandigheden, met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, gestraft worden.

Art. 86.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die voorbedachtelijk openlijke daden plegen, of alzoo geschriften verspreiden of doen verspreiden, regstreeks en opzettelijk ingerigt ter bespotting, belastering of vervloeking van het albesturend Opperwezen.

Art. 87.

Eigenrigting, bestaande in het gebruiken van gewelddadige middelen tegen bijzondere personen of omtrent derzelver goederen, tot verkrijging van eenig waar of gewaand regt, of herstel van eenig waar of vermeend ongelijk, en kennelijk gepaard gaande met opzettelijke tegenstreving aan het gezag der gestelde magten of regters, zal, naar gelang van de omstandigheden, worden gestraft met bannissement, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, of met geldboete, niet hooger dan twee duizend guldens.

Art. 88.

Die, zonder daartoe behoorlijk verlof te hebben bekomen, eenige wervingen van manschappen doen tot gewapenden dienst, zullen, naar gelang der omstandigheden, met gevangenis of bannissement, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, gestraft worden.

Art. 89.

Allen, die voorbedachtelijk openlijke daden plegen, of alzoo geschriften verspreiden of doen verspreiden, regtstreeks en opzettelijk ingerigt om de hoogere of lagere gestelde magten, of die van dezelve hun gezag ontleenen, in of ter zake van derzelver functiën, voor het oog der ingezetenen te lasteren, te honen of te beschimpen, of de ingezetenen tot onrust en oproerigheid aantezetten, zullen, naar mate van de omstandigheden, met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, gestraft worden.

Art. 90.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden de drukkers of boekverkoopers, welke zoodanige geschriften, als in artikel 86 en artikel 89 bedoeld zijn, drukken of doen drukken, en alzoo in het licht geven, en welke uit dien hoofde onder de verpligting liggen van zich met den inhoud van zoodanige geschriften bekend te maken.

Art. 91.

Alle andere boekverkoopers, die de bedoelde geschriften verkoopen, of aan anderen verzenden, zullen mede op dezelfde wijze gestraft worden, indien zij van den misdadigen inhoud dier geschriften zijn bewust geweest, of, in weerwil van het verbod van wege de politie gedaan, met het drukken, verkoopen of verzenden zijn voortgegaan.

Art. 92.

Beleedigingen van zoodanigen aard, als in dezen titel zijn omschreven, hier te lande aangedaan aan vreemde mogendheden, met welke dit rijk in vrede en vriendschap is, aan derzelver gezanten of hun gevolg, aan buitenlandsche couriers, parlementairen of krijgsgevangenen, en in het algemeen aan allen, die volgens het regt der volkeren op eene bijzondere bescherming van den souverein van het land , waarin zij zich bevinden, mogen staat maken, zullen na genoeg met dezelfde straffen gestraft worden, als of dezelve tegen den Koning of ambtenaren van dit koningrijk regtstreeks waren begaan.

Art. 93.

Die in eenige burgerlijke betrekking, het zij binnen of buiten 's lands, beschikking hebbende over de zee- of landmagt van het koningrijk, daarvan misbruik maken, om ongeoorloofd geweld te plegen tegen eenige vreemde mogendheid of derzelver onderdanen, zullen, in geval van opzettelijke moedwil, met den dood, en, wegens merkelijke onvoorzigtigheid, met het zwaard over het hoofd, verklaring van onbekwaam te zijn tot eenige ambten, posten of bedieningen, of vervallen van dezulken, welke zij bekleeden, worden gestraft.

Art. 94.

De misdrijven, in dezen titel opgenoemd, met moord, doodslag of manslag, brandstichting, roof, diefstal, verwonding, kwetsing, of eenige andere vergezeld gaande, zullen mede als zoodanig beoordeeld en gestraft worden.

Zesde titel. van moord.[bewerken]

Art. 95.

Moord is eene met geleider lage of verraderlijk gepleegde berooving van iemands leven.

Art. 96.

Moord kan bedreven worden door allerlei opzettelijke daden, het zij met eenig schiet- of scherp geweer, stokken, steenen of andere dergelijke wapenen of instrumenten, of door iemand in het water te werpen, van eene hoogte af te storten, te verworgen, te verstikken, denzelven vergift integeven of te doen gebruiken, hem met vuisten te slaan, te schoppen, te trappen of op andere dergelijke wijzen.

Art. 97.

Moord kan ook worden gepleegd door opzettelijke nalatingen, als door iemand voorbedachtelijk het noodige tot levensonderhoud, spijs, drank, geneesmiddelen en dergelijke te onthouden.

Art. 98.

De straf van moord zal zijn de strop.

Art. 99.

Ook zal met den strop gestraft worden hij, die alles verrigt heeft, het geen hij wilde en konde doen, om eenen anderen van het leven te berooven, al ware ook, door eenige omstandigheden buiten zijnen wil, de dood niet gevolgd.

Art. 100.

In geval van zamenspanning van velen om moord te plegen, zullen allen, die in de zamenspanning hebben deel genomen, en bij het begaan van den moord tegenwoordig zijn geweest, gestraft worden met den strop, zonder onderscheid of dezelve door een of meer van hen is uitgevoerd.

Art. 101.

Die van een bestaand voornemen om moord te plegen kennis dragen, zonder aan iets meer schuldig te zijn, zullen nogtans verpligt zijn daarvan, in tijds, aan de politie of justitie ontdekking te doen, en, bij gebreke daarvan, gestraft worden naar de omstandigheden met bannissement, niet te boven gaande den tijd van drie jaren, of met geldboete, niet hooger dan drie honderd guldens.
Alleenlijk zullen daarvan verschoon worden die genen, welker ontdekking zoude gestrekt hebben tot laste van echtgenooten, of zulke nabestaanden, als bij het 68ste art. zijn opgenoemd.

Art. 102.

Die, na beganen moord, opzettelijk het vermoorde ligchaam, de middelen, door welke de moord gepleegd is, of eenige andere overgebleven teekenen der misdaad verduisteren, den dader verbergen of in zijne ontvlugting behulpzaam zijn, zullen naar de omstandigheden worden gestraft met bannissement, niet te boven gaande den tijd van vier jaren, of met geldboete, niet hooger dan drie honderd guldens.
De verschooning, bij het slot van het voorgaande artikel aangewezen, is ook op dezen toepasselijk.

Zevende titel. van kindermoord.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van eigenlijk gezegden kindermoord.[bewerken]

Art. 103.

Eigenlijk gezegde kindermoord is de misdaad van eene moeder, die haar nieuw geboren kind om het leven brenge, of van de genen, die haar daarin behulpzaam zijn.

Art. 104.

Kindermoord kan niet alleenlijk bedreven worden door opzettelijke daden, als door het nieuw geboren kind te wonden, te kneuzen, te verworgen, te verstukken, te verdrinken, aan folle koude bloot te stellen, of op eenige andere wijze, maar ook door opzettelijke nalatingen, als door het kind het noodige tot levens onderhoud te onthouden, of hetzelve voorbedachtelijk te verwaarloozen.

Art. 105.

Ook zij begaat kindermoord, welke, opzettelijk om te dooden, op eene voor het kind gevaarlijke plaats bevalt, en alzoo hetzelve van het leven berooft.

Art. 106.

Die een nieuw geboren kind op eene eenzame, afgelegene, en van het gezigt van menschen verwijderde plaats nederleggen, of doen nederleggen, ten einde hetzelve niet zoude gevonden worden, en alzoo het kind van het leven berooven, zijn mede schuldig aan kindermoord.

Art. 107.

De misdaad van kindermoord wordt niet verstaan aanwezig en volbragt te zijn, ten zij duidelijk bewezen worde dat het kind na de geboorte geleefd heeft.

Art. 108.

De straf van volbragten kindermoord zal zijn den strop.

Art. 109.

Opzettelijke daden of opzettelijke nalatingen, welke den dood van het kind ten doel, doch niet ten gevolge gehad hebben, zullen gestraft worden met schavotstraf, langdurige gevangenis en bannissement.

Art. 110.

Zoodanige daden, gepleegd aan een kind, waarvan het onzeker is, of het na de geboorte geleefd hebbe, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van tien jaren.

Art. 111.

De bepalingen, bij dit hoofdstuk gemaakt, zullen ook gevolgd worden, ingevalle een vader zich aan eenige der genoemde daden mogt schuldig maken omtrent zijn eigen kind, het zij met of zonder medepligtigheid van de moeder.

Art. 112.

Zij, die zonder voorneme tot kindermoord, haren barensnood verbergt, en opzettelijk op eene eenzame, ongelegene en voor het leven van het kind blijkbaar gevaarlijke plaats baare, zal gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, den tijd van een jaar niet teboven gaande.

Tweede hoofdstuk. van afdrijving der vrucht.[bewerken]

Art. 113.

De misdaad van afdrijving of verderving der vrucht, door veroorzaakte miskraam of ontijdige geboorte van een onvoldragen kind, kan worden bedreven, zoo door uitwendige daden van geweld ten dien einde gebezigd, als door inwendig gebruik van afdrijvende middelen.

Art. 114.

De straf dezer misdaad, door de bezwangerde zelve, op welke wijze ook, veroorzaakt, zal zijn gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, den tijd van zes jaren niet te bovengaande.

Art. 115.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die aan eene bezwangerde, met haar weten, afdrijvende middelen ingeven, doen ingeven, en alzoo eene miskraam of ontijdige geboorte te weeg brengen.

Art. 116.

Die aan eene bezwangerde, buiten haar weten, afdrijvende middelen ingeven, of doen ingeven, en alzoo eene miskraam of ontijdige geboorte te weeg brengen, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van acht jaren.

Art. 117.

Voor zoo verre door de misdaad, in het laatst voorgaande artikel aangewezen, eenige beleediging aan het leven, of de gezondheid der moeder mogt zijn toegebragt, zullen de daders ook deswegens, volgens de voorwschriften in het wetboek vervat, gestraft worden.

Achtste titel. van het te vondeling leggen, en verlaten van kinderen.[bewerken]

Art. 118.

Die jonge kinderen te vondeling leggen, stellen of laten, zonder blijkbaar voornemen om dezelve van het leven te berooven, zullen, indien daardoor de dood dier kinderen veroorzaakt zij, met geeseling, of te pronk staan op het schavot, en gevangenis of bannissement, niet te boven gaande den tijd van acht jaren, gestraft worden.

Art. 119.

Wanneer deze misdaad den dood van het kind niet ten gevolge gehad heeft, of wanneer dezelve gepleegd is met zoodanige omstandigheden, als blijkbaar meest geschikt waren, om de opneming van het kind te bevorderen, en alzoo deszelfs leven te behouden, zal dezelve gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van vier jaren.

Art. 120.

Ouders, die zich van hunne woonplaatsen verwijderen, zonder voor zoodanigen hunner kinderen te zorgen, welke wegens jongheid, of gebreken niet in staat zijn de kost te winnen, en dezelve alzoo aan de ondersteuning der armenfondsen overlaten, zullen, naar gelang der omstandigheden, gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van drie jaren.

Negende titel. van doodslag en manslag.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van doodslag of manslag in het algemeen.[bewerken]

Art. 121.

Doodslag of manslag is in het algemeen de berooving van iemands leven, gepleegd met opzet om te dooden of the beleedigen, of door merkelijke schuld of onvoorzigtigheid.

Art. 122.

Doodslag of manslag kan worden bedreven door allerlei daden, het zij met eenig schiet- of scherp geweer, stokken, steenen of andere dergelijke wapenen of instrumenten, of door iemand in het water te werpen, van eene hoogte af te storten, hem met vuisten te slaan, te schoppen, te trappen, of op andere dergelijke wijzen.

Art. 123.

Ook kan deze misdaad worden gepleegd door iemand met ongeoorloofde oogmerken schadelijk voedsel, of gevaarlijke artsenijen in te geven, of te doen gebruiken.

Art. 124.

De misdaad van doodslag of manslag wordt gehouden aanwezig en volbragt te zijn, wanneer de dood, het zij onmiddelijk of middelijk, door de toegebragte beleediging veroorzaakt is.

Art. 125.

Die zich aan deze misdaad hebben schuldig gemaakt, met opzet om te dooden, zullen met den dood gestraft worden, zonder onderscheid, of de wonde op zich zelve doodelijk geweest, dan in de gevolgen doodelijk geworden zij.

Art. 126.

In alle andere gevallen zullen de regters beoordeelen, in hoe verre de beschuldigde kan geacht worden den dood veroorzaakt te hebben, en ten dien einde acht nemen op den aard der verwonding, kwetsing, mishandeling of beleediging, zoo wel op zich zelve, als in verband met de ligchaams-gesteldheid van den lijder, de wijze van genezing en andere omstandigheden of toevallen; zij zullen ook in het bijzonder daarop letten, of de verwonding, kwetsing, mishandeling of beleediging op zich zelve doodelijk geweest, of alleenlijk in de gevolgen doodelijk geworden zij.

Art. 127.

Die, het opzet hebbende om te beleedigen, doodslag of manslag begaan door het toebrengen van eene op zich zelve doodelijke wonde of beleediging, zullen met het zwaard gestraft worden.

Art. 128.

Indien nogtans duidelijk bleek, dat het voorzeide opzet om te beleedigen was ontstaan en uitgevoerd in drift, zonder eenig voor-overleg, en dat tevens, noch uit de wapenen of instrumenten daartoe gebruikt, noch uit de wijze, waarop de daad was gepleegd, eenige zware gevolgen hadden kunnen voorzien worden, zullen de daders mogen worden gestraft met het zwaard over het hoofd, langdurige gevwangenis en bannissement uit het koningrijk.

Art. 129.

Wanneer, in de gevallen van de twee laatst voorgaande artikelen, de wonde of beleediging niet op zich zelve doodelijk geweest, maar in de gevolgen doodelijk geworden is, zullen de daders gestraft worden met het zwaard over het hoofd, gevangenis, bannissement uit het koningrijk, of ander, naar de omstandigheden.

Art. 130.

Die doodslag of manslag begaan in drift, door verregaande beleedigingen, of langdurige tergingen veroorzaakt, zullen ligter gestraft worden, dan in de verschillende hier voor opgenoemde gevallen is vastgesteld, naar de omstandigheden.

Art. 131.

Die door merkelijke schuld of onvoorzigtigheid oorzaak zijn van iemands dood, zullen naar de omstandigheden gestraft worden met bannissement, den tijd van acht jaren niet te boven gaande, of met geldboete, niet hooger dan duizend guldens.

Art. 132.

Onder het laatst voorgaande artikel zijn mede begrepen, die tot eens anders dood gelegenheid of aanleiding geven, door merkelijke onvoorzigtigheid in het rijden, in het besturen of bewaren van paarden of andere dieren, of in het oefenen van deze of gene bedrijven, kunsten, vermaken of spelen.

Tweede hoofdstuk. van het overtreden der grenzen van noodweer.[bewerken]

Art. 133.

Doodslag of manslag kan onstrafbaar worden, wanneer dezelve begaan wordt uit noodweer, ter beveiliging van zich zelven of van anderen.

Art. 134.

Noodweer is het wettig gebruik van het regt, om zijn eigen of eens anders lijf of leven, eerbaarheid of bezittingen tegen onregtvaardigen aanval te verdedigen, des noods, door het dooden van den aanvaller.

Art. 135.

Het kenmerk van noodweer is de volstrekte noodzakelijkheid, om, ter beveiliging tegen de aanranding, het leven van den aanvaller in gevaar te brengen.
Het regt van noodweer komt derhalve den aangevallenen of zijne helpers alleenlijk te stade, zij kunnen zich daarvan niet anders bedienen, dan gedurende een aanmerkelijk gevaar, wanneer er geen tijd of blijkbare gelegenheid is, om hetzelve door eigen krachten, hulp en bijstand van anderen, of door eene veilige ontwijking te voorkomen of aftewenden.

Art. 136.

Zij, die de grenzen van noodweer merkelijk te buiten gaan, zullen, in geval van blijkbaren moedwil, als schuldig aan doodslag of manslag gestraft worden, volgens de voorschriften, in het eerste hoofdstuk van dezen titel vervat. Merkelijke overtreding dier grenzen, zonder blijkbaren moedwil, zal naar de omstandigheden ligter gestraft worden.

Art. 137.

Noodweer wordt in het algemeen ondersteld plaats te hebben tegen hen, die bij nacht betrapt worden op het inbreken of stelen van goederen, boom- of veldvruchten.

Art. 138.

Noodweer wordt mede in het algemeen ondersteld in eene vrouw of dochter, zich verdedigende tegen de genen, die haar met geweld trachten te onteeren of te ontvoeren.

Tiende titel. van verwondingen, kwetsingen of andere beleedigingen en van vechterijen.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van verwondingen, kwetsingen of andere beleedigingen.[bewerken]

Art. 139.

Die, met geleider lage en verraderlijk, of uit moedwil en baldadigheid, met eenig schiet- of scherp geweer, stokken, steenen of andere dergelijke wapenen, werktuigen of instrumenten, door het afstorten van eene hoogte, door slaan, schoppen, trappen of op dergelijke wijze, eenen anderen zwaarlijk verwonden, verminken, of hem eenig ander merkelijk gebrek toebrengen, zonder kennelijk oogerk, om denzelven van het leven te berooven, zullen met geeseling en brandmerk, of geeseling, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk of ander, gestraft worden.

Art. 140.

Die, alzoo eenen anderen aanvallende, denzelven zwaarlijk slaan, schoppen, trappen of mishandelen, of hem kwetsingen of beleedigingen toebrengen, zonder dat daarvan langdurige of zware gevolgen overblijven, zullen met geeseling, gevangenis of bannissement gestraft worden, naar de omstandigheden.

Art. 141.

Op dezelfde wijze zullen gestraft worden, die, zonder kennelijk oogmerk om iemand van het leven te berooven, maar nogtans tot misdadige einden, denzelven schadelijke artsenijen ingeven of doen gebruiken, en daardoor aan deszelfs gezondheid eenig merkelijk nadeel toebrengen.

Art. 142.

Wanneer de zware verwondingen, verminkingen, of andere aanmerkelijke beleedigingen, in het 139ste artikel aangeduid, zijn toegebragt, niet met geleider lage, of uit louter moedwil en baldadigheid, maar in drift bij een gerezen geschil, zal de dader worden gestraft met het zwaard over het hoofd, en met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zestien jaren.

Art. 143.

Wanneer de kwetsingen, beleedigingen of mishandelingen, in het 140ste artikel aangeduid, in drift bij een gerezen geschil zijn toegebragt, zal de dader gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren, of met geldboete, niet hooger dan zes honderd guldens.

Art. 144.

Indien nogtans de drift door verregaande beleedigingen of langdurige tergingen is veroorzaakt, zal zulks de straffen kunnen verminderen, of, in gevallen van ligten aard, geheel wegnemen.

Art. 145.

Zij, die de grenzen van noodweer merkelijk te buiten gaan, zullen, in geval van blijkbaren moedwil, gestraft worden volgens de voorschriften, in de voorgaande artikelen vervat: merkelijke overtreding dier grenzen, zonder blijkbaren moedwil, zal naar de omstandigheden ligter gestraft worden.

Art. 146.

Die door merkelijke schuld of onvoorzigtigheid oorzaak zijn, dat een ander zoodanig gewond of verminkt worde, of zoodanig andere bijblijvende beleediging ontvange, als in het 139ste artikel is aangeduid, zullen worden gestraft met geldboete, niet te boven gaande de som van acht honderd guldens.

Tweede hoofdstuk. van vechterijen.[bewerken]

Art. 147.

Alle verwondingen, kwetsingen, beleedigingen of mishandelingen, in ongeregelde vechterijen toegebragt, zullen gestraft worden naar aanleiding der 139ste en 140ste artikelen, wanneer de dader zijne tegenpartij door regtstreekschen dwang, aanval, langdurige bedreigingen of tergingen tot het gevecht genoodzaakt heeft.

Art. 148.

Dezelve zullen gestraft worden naar aanleiding der 142ste en 143ste artikelen, wanneer de dader blootelijk uitdager tot zoodanig gevecht geweest is.

Art. 149.

In alle andere gevallen van zoodanige vechterijen, zullen de zware verwondngen, verminkingen of aanmerkelijke beleedigingen, in het 139ste artikel angeduid, gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren, of met geldboete, niet hooger dan zes honderd guldens; terwijl ligter beleedigingen aan de plaatselijke reglementen worden overgelaten.
Verregaande of langdurige tergingen der tegenpartij, of dwang tot gevecht zullen altijd de straffen kunnen verligten, of zelfs, naar mate van de omstandigheden, geheel wegnemen.

Art. 150.

Die in herbergen gewapend komen, met oogmerk om anderen tot een gevecht op te zoeken, of door het ophangen van messen, plaatsen van degens of andere teekenen tot een gevecht uitdagen, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van drie jaren, of met geldboete, niet hooger dan zes honderd guldens.

Elfde titel. van tweegevecht.[bewerken]

Art. 151.

Tweegevecht is een, na voorafgegane, mondelinge, schriftelijke of dadelijke uitdaging en tijdsbepaling, ondernomen geregeld gevecht tusschen twee personen, in tegenwoordigheid van getuigen, tot wraak of zoogenaamd herstel over wezenlijke of vermeende beleedigingen.

Art. 152.

Het is ongeoorloofd zich in tweegevecht te wreken over eenige wezenlijke of vermeende verongelijkingen.

Art. 153.

Indien door of ten gevolge van eenig tweegevecht een of ander der partijen gedood, zwaar gewond of verminkt wordt, zal de schuldige gestraft worden met den dood, met het zwaard over het hoofd, of met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van tien jaren, of met geldboete, niet te boven gaande twee duizend guldens; alles naar omstandigheden van zaken, en in aanmerking genomen zoo wel de aanleiding van het geschil en van het gevecht, als de wijze op welke hetzelve heeft plaats gehad.

Art. 154.

Die, te gelijk beleedigde en uitgedaagde zijnde, aan zijne tegenpartij het leven beneemt, zal worden gestraft met bannissement, of met geldboete, niet te boven gaande de som van twee duizend guldens.

Art. 155.

Die, te gelijk beleedigde en uitgedaagde zijnde, zijne tegenpartij zwaarlijk wondt of verminkt, zal gestraft worden met geldboete, niet hoger dan twee duizend guldens.

Twaalfde titel. van dwang, geweld en bedreigingen.[bewerken]

Art. 156.

Die, in weerwil of buiten weten van het gouvernement, politie of justitie, door geweld of overmagt eenig persoon uit zijne eigen, of eens anders woning of erf, of van openbare plaatsen opligten, of door bedreigingen noodzaken zich over te geven, denzelven vervoeren of gevangen houden, en alzoo buiten de openbare bescherming stellen, zullen met schavotstraf, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk gestraft worden.

Art. 157.

Die zoodanige misdaad mogten gepleegd hebben, onder den valschen schijn van eenig ambt, post, of bediening te bekleeden, of onder valsche voorgevens, van daartoe door het gouvernement, de politie of justitie gelast of gematigd te zijn, alhoewel geen ander geweld was gebruikt, op dezelfde wijze gestraft worden.

Art. 158.

Indien, bij gelegenheid der opligting, vervoering of gevangenhouding, aan den geweldlijdenden persoon eenig zware verwondingen, verminkingen, of andere ligchaamsgebreken mogten zijn toegebragt, zullen zij, die dezelve hebben toegebragt, met den strop gestraft worden.

Art. 159.

Die, zonder eenige voorafgegane opligting of vervoering, eenig persoon in hunne eizen of andere woningen of gebouwen heimelijk gevangen houden, zonder daarvan aan de politie of justitie kennis te geven, zullen gestraft worden met schavotstraf, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van tien jaren, naar de omstandigheden.

Art. 160.

Die door dwang, geweld of zwar bedreigingen eenen anderen noodzaken om eenige overeenkomst, verbindtenis, lastgeving, kwijting, getuigschrift, verklaring of dergelijken te teekenen, of integendeel, om zoodanige stukken, door anderen geteekend, terug te geven of te vernietigen, zullen, in geval zij blijkbaar ongeregtigd waren, om langs behoorlijke wegen iets dergelijks te vorderen, naar mate van het gepleegd geweld of de gedane bedreigingen gestraft worden met schavotstraf, gevangenis of bannissement, en in andere gevallen met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, of met geldboete, niet hooger dan twee duizend guldens.

Art. 161.

Die, het zij uit wraakzucht, nijd, afgunst, om gelden af te persen, of ter bereiking van eenige andere bedoeling, schriftelijke bedreigingen van moord, verwondingen of andere zware mishandelingen opstellen en afgeven, die dezelve, het zij door hen of anderen geschreven, leggen, bestellen, verzenden, aanplakken of verspreiden, zullen gestraft worden met geeseling, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 162.

Mondelinge bedreigingen van dezen aard, gelijk ook schriftelijke van minder belang, zullen gestraft worden met bannissement, niet te boven gaande den tijd van vier jaren.

Art. 163.

Ouders of voogden, hunne kinderen of pupillen boven de veertien jaren oud, wegens wangedrag of tot beletting van kwade ondernemingen, langer dan eene maand, het zij binnen, het zij buiten's huis opsluitende, of doende opsluiten, zonder daartoe behoorlijk verlof van de magistraten, regters, of andere collegiën, of ambtenaren, die zulks aangaat, te hebben bekomen, zullen gestraft worden met geldboete, niet te boven gaande tien guldens voor iedere week, welke zulks langer dan de voorzeide maand geduurd hebben.

Dertiende titel. van hoon en laster.[bewerken]

Art. 164.

Die, door slaan, dreigen of andere smadelijke bedrijven, aan of omtrent iemands persoon, woning of plaats waar hij zich bevindt, gepleegd, of ook door schimpende vertooningen, of door het maken en verspreiden van teekeningen of prenten, of op eenige andere dergelijke wijze, eenen anderen opzettelijk honen, tergen, bespotten, hatelijk of verachtelijk zoeken te maken, zullen naar de omstandigheden gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van drie jaren, of met geldboete niet hooger dan zes honderd guldens.

Art. 165.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die met woorden eenen anderen scheldnamen of verwijtingen toevoegen, bespotten of beschimpen, wanneer zulks geschiedt onder verzwarende omstandigheden, als bij aanhoudendheid, bij onderscheiden gelegenheden of met blijkbaar opzet, om iemand van eenig misdrijf, slecht gedrag of kwaden handel ten onregten te beschuldigen en bij anderen verdacht te maken, of dergelijken.

Art. 166.

Insgelijks zullen op dezelfde wijze gestraft worden, die, in openbare of bijzondere geschriften, eenen anderen van eenig misdrijf, slecht gedrag of kwaden handel ten onregte beschuldigen of verdacht maken, of die zoodanige geschriften voorbedachtelijk verspreiden.

Art. 167.

Drukkers of boekverkoopers, die zoodanige teekeningen, prenten of geschriften, als in het 164ste en 166ste artikel, zijn bedoeld, drukken, verkoopen of aan anderen verzenden, zullen al mede op dezelfde wijze gestraft worden, indien zij van het honende in de voorzeide teekeningen of prenten, of van den laster, in de voorzeide geschriften voorkomende, zijn bewust geweest, of in weerwil van het verbod, van wege de politie gedaan, met het drukken, verkoopen of verzenden zijn voortgegaan.

Art. 168.

Hoon, onder min bezwarende omstandigheden gepleegd, zal alleenlijk volgens de plaatselijke reglementen gestraft worden.

Art. 169.

Zoo dikwijls noodzakelijke verdediging, regtmatige klagten, gehoudenheid om getuigenis der waarheid te geven, pligten van ambt, post, bediening, of van eenige betrekking, of ook andere regtmatige of geoorloogde inzigten, de vordering van hetstelling van eer, ten aanzien van den genen die iets tot lasten van een andere gezegd of geschreven heeft, zouden uitsluiten, zoo dikwijls zal ook de straffe, bij dezen titel op hoon en laster gesteld, geen plaats hebben.

Art. 170.

De bijzondere soorten van hoon en laster, in den titel van muiterij, oproerig geweld en schending van het openbaar gezag vermeld, zullen naar de voorschriften, in dien titel vervat, beoordeeld en gestraft worden.
Hoon of laster, met andere misdrijven gepaard gaande, zal mede als zoodanig worden beoordeeld en gestraft.

Veertiende titel. van het stichten en bedreigen van brand.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van brandstichting.[bewerken]

Art. 171.

Die, met oogmerk om te benadelen of uit andere misdadige inzigten of enkelen moedwil en baldadigheid, voorbedachtelijk brand stichten, doen ontstaan of veroorzaken, in gebouwen, woningen, stallen, schuren, loodsen, heiningen, bruggen, sluizen, getimmerten, bosschen, boomen, te velde staande vruchten, te veen of te velde staande turf, of anderen haardbrand, schepen, vaartuigen, tenten, magazijnen of voorraad van waren of materialen, het zij aan het rijk, of eenige stad of plaats, het zij aan andere personen in eigendom toebehoorende, zullen met den strop gestraft worden.

Art. 172.

Gevangenen, gearresteerden of andere bewaarde personen, die, ten einde daardoor gelegenheid tot ontkoming vinden, brand stichten in het gebouw, waarin zij bewaard worden zullen met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk, en bij herhaling, met den strop gestraft worden.

Art. 173.

Insgelijks zullen als brandstichters gestraft worden, die door middel van ontstoken buskruid zoodanige zaken doen springen of vernielen.

Art. 174.

Nog zullen met den strop gestraft worden, die deze daden begaan omtrent zoodanige goederen hun zelven in eigendom toebehoorende, met oogmerk, om daardoor soortgelijk onheil aan die van anderen te veroorzaken, eenige menschen in gevaar te brengen, vee of andere goederen, hun niet in eigendom toebehoorende, te doen verbranden of verloren gaan, hunne schuldeischers te leur te stellen of te bedriegen, den staat hunner zaken te bedekken, medelijden te verwekken, uit gedane assurantiën voordeel te trekken, vermoedens van brandstichting van zich aftewenden, of op anderen te doen ontstaan, in de verwarring of opschudding voordeel te doen, of uit andere dergelijke booze inzigten en oogmerken.

Art. 175.

Wanneer nogtans het algemeen gevaar der misdaden, in de vorige artikelen omschreven, zoo als die gepleegd of ondernomen waren, zeer klein en tevens in het bijzonder nadeel, daardoor veroorzaakt, zeer gering geweest is, zullen de daders alleenlijk met schavotstraf, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk gestraft worden.
De onderscheiding dezer gevallen wordt aan de beoordeeling der regters overgelaten.

Art. 176.

Hij, die alles verrigt heeft, het geen hij wilde en konde doen om den brand of de uitbarsting te veroorzaken, zal volgens den inhoud der voorgaande artikelen gestraft worden, schoon ook door eenige omstandigheden buiten zijnen wil de bedoelde uitwerking niet mogt gevolgd zijn.

Art. 177.

Die, willens en wetens, tot de hier voren omschreven misdaden medewerken, daartoe vuur, brandstoffen of andere gereedschappen verschaffen, met de bedrijvers nopens den tijd, of wijze van het plegen, of de middelen om den brand te doen voortduren, of het blusschen te verhinderen, afspraak maken, zullen, wanneer het misdrijf gevolgd is, of daartoe dadelijke pogingen in het werk gesteld zijn, als de bedrijvers zelve gestraft worden.

Art. 178.

Die losse en op zich zelve staande goederen, als enkele meubelen, werktuigen, gereedschappen of dergelijke, aan anderen toebehoorende, in brand steken, om de eigenaren door het vernielen of bederven daarvan te benadeelen of uit baldadigheid, zullen, wanneer de door hen veroorzaakte en bedoelde brand verder is voortgeslagen, naar de meerdere of mindere boosheid van hun oogmerk, gestraft worden met den strop, geeseling en brandmerk, of geeseling, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk of ander; en wanneer het overslaan van den brand wel niet dadelijk is gebeurd, maar door de gelegenheid der plaats, of andere kennelijke omstandigheden zeer ligtelijk had kunnen gebeuren, met geeseling, te pronk staan op het schavot, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van veertien jaren.

Art. 179.

Die van het bestaan van eenig voornemen tot de misdaden in dit hoofdstuk omschreven, kennis dragen, zullen verpligt zijn daarvan in tijds aan de politie of de justitie ontdekking te doen, en bij gebreke daarvan gestraft worden naar de omstandigheden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van drie jaren, of met geldboete, niet hooger dan drie honderd guldens.
Alleenlijk zullen daarvan verschoond worden die genen, welker ontdekking zoude gestrekt hebben tot laste van echtgenooten of zulke nabestaanden als bij het 68ste artikel zijn opgenoemd.

Art. 180.

Die bij het ontstaan van brand, door ongeluk, onvoorzigtigheid of op eenige andere wijze veroorzaakt, opzettelijk en moedwilliglijk de bluschgereedschappen, of het geen daartoe behoort, bederven, zullen, naar de omstandigheden, met schavotstraf of gevangenis gestraft worden.

Tweede hoofdstuk. van het bedreigen van brandstichting.[bewerken]

Art. 181.

Die, het zij uit wraakzucht, nijd, afgunst, om gelden aftepersen, of ter bereiking van eenige andere bedoelingen, brandbrieven schrijven en afgeven; die dezelve, het zij door hen, of anderen geschreven, leggen, bestellen, verzenden, aanplakken of verspreiden, zullen worden gestraft met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk.

Art. 182.

Door brandbrieven worden verstaan alle schriftelijke bedreigingen van brandstichting, het zij met stellige woorden, het zij door duidelijke te kennengevingen gedaan.

Art. 183.

Het leggen, toezenden of stellen van eenige teekenen, bedreiging van brandstichting ten doel hebbende, zal op dezelfde wijze gestraft worden.

Art. 184.

Mondelinge bedreiging van brandstichting, het zij met stellige woorden, het zij door duidelijke te kennengevingen gedaan, zal gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Derde hoofdstuk. van de herhaalde misdaden.[bewerken]

Art. 185.

Die, na eenmaal over brandstichting, het bederven der bluschgereedschappen, of wegens brandbrieven of teekenen, gestraft te zijn, zich daarna weder aan dezelfde of aan andere dezer genoemde misdaden schuldig maken, zullen gestraft worden met geeseling en brandmerk, of geeseling, langdurige gevangenis en bannissement, voor altijd uit het koningrijk, zoo hunne nieuwe misdaden zelve geene zwaarder straffe vereischen.

Vijftiende titel. van diefstal en roof.[bewerken]

Art. 186.

Diefstal is het voorbedachtelijk en heimelijk ontvreemden van eens anderen roerend goed.

Art. 187.

Roof is de opzettelijke ontrooving van eens anderen roerend goed, vergezeld met geweld aan personen, met bedreigingen of ook zonder dit een of ander, doch openlijk ten aanschouwen en in weerwil van den eigenaar of anderen begonnen, voortgezet of volvoerd.

Eerste hoofdstuk. van diefstal.[bewerken]

Eerste afdeeling. van diefstal in het algemeen.[bewerken]

Art. 188.

Die, het zij bij nacht of bij dag door nagemaakte sleutels, zoogenaamde keizers of loopers, of andere dergelijke werktuigen, de sloten van deuren, vensters of luiken, waarmede eenige gebouwen, getimmerten, tenten, schepen, vaartuigen, plaatsen, erven, tuinen, bosschen, boomgaarden of andere gronden gesloten zijn, listiglijk openen, en alzoo, diefstal plegen, zullen, het zij het gestolene veel of weinig bedrage, met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk, gestraft worden.

Art. 189.

Die deze zelfde misdaad plegen door middel van toevallig passende sleutels, zullen met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk, gestraft worden.

Art. 190.

Op gelijke wijze als in het voorgaande 189ste artikel is bepaald, zullen gestraft worden, die, het zij bij nacht of bij dag door het klimmen over daken, poorten, deuren, hekken, muren, heiningen of andere staketsels, door het overspringen van grachten of slooten, of op andere zeer stoute, listige en ongewone wijze in gebouwen, getimmerten, tuinen, boomgaarden of bosschen, of op plaatsen of erven zijn ingekomen, en alzoo hebben gestolen, mede zonder onderscheid of het gestolene veel of weinig bedrage.

Art. 191.

Op dezelfde wijze zullen gestraft worden die bij nacht of dag, één of meer paarden, runderen, kalveren, schapen, varkens of ook één of meer bijenkorven in de velden of open schuren aan de openbare trouw overgelaten, hebben gestolen of de bijenkorven bestolen.

Art. 192.

Nog zullen met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk gestraft worden, die, het zij bij nacht of bij dag, diefstal hebben begaan van vruchten op open velden of akkers, het zij met den grond verenigd, aan de boomen hangende, of reeds afgescheiden; van gout op de openbare wegen, in open bosschen, of op andere onafgesloten plaatsen groeijende of gekapt liggende, of van den eek of schors der boomen reeds geschild of ongeschild, of ook aan wagens, ploegen of andere tot den landbouw noodige gereedschappen in velden of open plaatsen aan de openbare trouw overgelaten.

Art. 193.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, tusschen zonnen ondergang en opgang, goederen stelen van open bleekvelden.

Art. 194.

Eindelijk zullen als voren gestraft worden, die, tusschen zonnen ondergang en opgang, diefstal begaan van gevogelte, als kalkoenen, ganzen, eenden, hoenders, duiven of ook van visschen in open bunnen of karen bewaard wordende voor zoo verre al hetzelve aan de openbare trouw is overgelaten.

Art. 195.

De inhoud der drie laatst voorgaande artikelen zal niet bezwarend zijn in dieverijen van zeer gering belang, maar zullen de regters daar in mogen handelen als hierna, in het 203de artikel zal gezegd worden.

Art. 196.

Die, het zij bij nacht of bij dag, door nagemaakte sleutels, zoogenaamde keizers of loopers, of andere dergelijke werktuigen de sloten van eenige deuren, vensters of luiken, waarmede eene kamer of ander gedeelte van een gebouw, getimmerte, schip of vaartuig, inwendig van het overig gedeelte is afgescheiden, of ook van vaste of losse kasten, kisten, koffers, lessenaars, of andere dergelijke meubelen in een gebouw, getimmerte, tent, schip of vaartuig gevonden wordende, daar ter plaatse listiglijk openen en alzoo diefstal plegen, zullen, het zij het gestolene veel of weinig bedrage, gestraft worden met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk.

Art. 197.

Die deze zelfde misdaad plegen door middel van toevallig passende sleutels, zullen gestraft worden met geeseling en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 198.

Uitwonende bedienden of werklieden, die bij nacht of dag insluipen in de huizen, kantoren, magazijnen, tenten, winkels, schepen of vaartuigen van hunne meesters, of van die genen voor welke zij aldaar op andere tijden in het werk zijn, en alzoo diefstal begaan, zullen, het zij het gestolene veel of weinig bedrage, gestraft worden met geeseling, gevangenis en bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren. Alle andere personen, die bij nacht of dag buiten weten en wil van de eigenaars, bewoners of bewaarders, in gebouwen, getimmerten, tenten, schepen of vaartuigen, zijn ingeslopen, of met derzelver weten en wil, doch onder bedriegelijke voorgevens zijn ingekomen en alzoo hebben gestolen zullen, zonder onderscheid of het gestolene veel of weinig bedrage, gestraft worden met geeseling, en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van acht jaren.

Art. 199.

Inwonende bedienden, die bij nacht of dag diefstal plegen, gelijk ook alle bedienden of werklieden, die deze misdaad begaan ter zelfder tijd en gelegenheid, dat zij in den dienst, of het werk zijn, zullen gestraft worden met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk.

Art. 200.

Met geeseling, en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, den tijd van twaalf jaren niet te boven gaande, zullen gestraft worden die diefstal begaan ter gelegenheid van brand, schipbreuk, overstrooming of andere dergelijke zware rampen of nooden.

Art. 201.

Op gelijke wijze, als in het voorgaande artikel is bepaald, zullen gestraft worden herbergiers, postmeesters, voerlieden, schippers, bestelders, kruijers, slepers, dragers en dergelijke personen, stelende of bestelende de goederen, door de eigenaars of anderen aan hunne bewaring toevertrouwd, of aan hunne getrouwheid overgelaten.

Art. 202.

De inhoud der drie laatst voorgaande artikelen zal niet bezwarend zijn in dieverijen van zeer gering belang, maar zullen de regters daarin mogen handelen, als in het volgende artikel zal gezegd worden.

Art. 203.

Dieverijen, gepleegd zonder zoodanige bezwarende omstandigheden als hier voren zijn opgegeven, en zonder zoodanige braak als waarvan in de volgende afdeeling van dit hoofdstuk zal worden gehandeld, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van zes jaren; en wanneer dezelve van zeer gering belang mogten zijn, alleen met bannissement, voor drie, twee of één jaren, of met gevangenis van eenige weken of dagen.
De onderscheiding dezer zeer geringe misdaden wordt aan de bescheidenheid der regters overgelaten.

Art. 204.

De misdaad van diefstal wordt gehouden volbragt te zijn, zoodra de dader, zich éénmal van het goed heeft meester gemaakt, al ware hij daarna verhinderd hetzelve te vervoeren of te behouden.

Art. 205.

Het openen van sloten door nagemaakte sleutels, zoo genaamde keizers of loopers of andere dergelijke werktuigen, of door toevallig passende sleutels, het klimmen over daken, poorten, deuren, hekken, muren, heiningen of andere staketsels, het overspringen van grachten of slooten en andere stoute en listige ondernemingen; het heimelijk insluipen of onder bedriegelijke voorgevens inkomen, in gebouwen, getimmerten, tenten, schepen of vaartuigen, zal, wanneer de dader daarvan geene andere aannemelijke reden kan geven, als poging tot diefstal worden aangemerkt, en alzoo naar de omstandigheden gestraft worden.

Tweede afdeeling. van diefstal met braak.[bewerken]

Art. 206.

Braak wordt geacht begaan te zijn door ondergravingen, door het verbreken of inbreken van of in daken, poorten, deuren, hekken, vensters, luiken, muren, heiningen, traliewerk van hout of ijzer of andere staketsels; door het vernielen, doorboen of gewelddadiglijk afscheuren van beschotten, planken, of gedeelten derzelve, door het breken van glasruiten of van het hout of het lood, tot het bevatten derzelve dienende, door het afvijlen, verwringen, of gewelddadiglijk afrukken van traliën, spijlen, knippen of kettingen, dor het opsnijden of opscheuren van de zeilen der tenten, het afsnijden van kabeltouwen waar aan vaartuigen of ankers zijn vastgemaakt, of door het opensteken en inwendig bederven van sloten.

Art. 207.

Die door een of meer der genoemde middeen in eenig gebouw, getimmerte, tent, schip, vaartuig, plaats, erf, tuin, boomgaard of bosch, hebben ingebroken en azoo gestolen, zullen, het zij het gestolene veel of weinig bedrage, gestraft worden met den strop, wanneer de misdaad gepleegd is tusschien zonnen-ondergang en opgang, en tevens door drie of meer personen of onder derzelver bveiliging en bedeking; in andere gevallen met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 208.

Met de laatstgemelde straf zullen ook gestraft worden die in eenige kamer of ander gedeelte van een gebouw, getimmerte, schip of vaartuig, of ook in vaste of losse kasten, kisten, koffers, lessenaars of andere dergelijke meubelen, in eenig gebouw, getimmerte, tent, schip of vaartuig, gevonden wordende, daar ter plaatse hebben ingebroken en alzoo gestolen, het zij het gestolene veel of weinig bedrage, wanneer de misdaad gepleegd is tusschen zonner-ondergang en opgang, en tevens door drie of meer personen of onder derzelver beveiliging en bedekking; in andere gevallen, zullen dezelve gestraft worden met geeseling en brandmerk of geeseling, langdurige gevangenis, en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 209.

Op dezelfde wijze en met gelijke onderscheiding zullen gestraft worden, die de ijzeren of koperen kettingen of staven waarmede eenige goederen hoe ook genaamd in een gebouw, getimmerte, schip of vaartuig aan den wand, muur of beschot zijn vastgehecht, doorvijlen, de schakels losrukken of verwringen, de sloten opensteken en inwending bederven, de krammen gewelddadig uitrukken, of wel de wand, muur of beschot of de goederen zelve schenden, gelijk ook die de kabeltouwen afsnijden waar aan vaartuigen of ankers zijn vastgemaakt, en het alzoo losgemaakte vervoeren.

Art. 210.

Die deze zelfde misdaad plegen omtrent goederen op open erven, velden, straten of wegen aan een muur, beschot, boom of paal of onderling aan elkander vastgehecht, zullen, wanneer dezelve is begaan tusschen zonnen-ondergang en opgang, en tevens door drie of meer personen of onder derzelver beveiliging en bedekking, gestraft worden met geeseling, langdurig gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk; in andere gevallen met geeseling en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 211.

Op dezelfde wijze en met gelijke onderscheiding als in het voorgaande artikel is bepaald, zullen gestraft worden die, zonder oogmerk om in eenige gebouwen, getimmerten, schepen of vaartuigen intekomen, het lood, koper, ijzer of hout, daaraan behoorende en vast zijnde, gewelddadiglijk afbreken en stelen.

Art. 212.

Wanneer de dieverijen in de twee laatst voorgaande artikelen omschreven, mogten zijn van zeer gering belang, en door niet meer dan een persoon en zonder merkelijke stoutheid gepleegd; zullen de daders gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 213.

Alle andere en mindere braak, door diefstal, gevolgd, zal gestraft worden mt de zwaarste straffe, bij de voorgaande afdeeling op den diefstal zelven in elk geval vastgesteld.

Art. 214.

Braak, gepleegd zijnde, zonder dat de dader daar van eene andere aannemelijke reden kan geven, zal geacht worden geschied te zijn met oogmerk om te stelen, en gestraft worden, even als of de diefstal daarbij volbragt ware, schoon de daders door de gelegenheid der plaats, de vrees van ontdekt te zullen worden, het niet vinden van goederen, of door andere omstandigheden, buiten hunnen wil en bedoeling, mogten verhinderd geworden zijn, den voorgenomen diefstal zelve te plegen.

Tweede hoofdstuk. van roof.[bewerken]

Art. 215.

Die bij het begaan van roof, of om denzelven te kunnen plegen, den eigenaar van het goed of anderen dooden, verminken, verwonden, pijnigen, knevelen, binden, of anderzins zwaarlijk mishandelen, zullen met den strop gestraft worden, al ware ook de berooving zelve niet gevolgd.

Art. 216.

Insgelijks zullen met den strop gestraft worden, die bij het begaan van den roof, of om denzelven te kunnen plegen, den eigenaar of anderen met schiet- of scherp geweer, met stokken of andere wapenen of instrumenten hebben bedreigd of gedreigd te zullen pijnigen, knevelen, binden, in het water werpen of eenige goederen in brand steken.

Art. 217.

Roof, met geweld aan personen of met bedreigingen gepaard zal ook met den strop gestraft worden, wanneer dezelve begaan is ter gelegenheid van brand, schipbreuk, overstrooming of andere dergelijke zware rampen en nooden.

Art. 218.

Insgelijks zal roof, met geweld aan personen of met bedreigingen gepaard, met den strop gestraft worden, wanneer dezelve begaan is door drie of meer personen, of onder derzelver bedekking en beveiliging, het zij bij nacht of dag.

Art. 219.

Laatstelijk zal roof met den strop gestraft worden, wanneer daarbij de volgende omstandigheden te zamen loopen:

  1. Dat dezelve gepaard is met geweld aan personen of met bedreigen.
  2. Dat dezelve gepleegd is door twee personen, of onder derzelver bedekking en beveiliging.
  3. Tusschen zonnen-ondergang en opgang.
  4. Op openbare wegen, of wel op eenzame plaatsen, waar niet ligtelijk hulp te bekomen is.

Art. 220.

Roof, waarbij het goed aan den eigenaar of anderen wel met geweld ontnomen is, doch zonder grove mishandelingen of zware bedreigingen, en zonder zoodanige andere verzwarende omstandigheden, als hier voren zijn opgegeven, zal gestraft worden met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk.

Art. 221.

op gelijke wijze zal gestraft worden roof, gepleegd ter gelegenheid van brand, schipbreuk, overstroomingen, of andere dergelijke zware rampen en nooden, wanneer daarbij geene andere omstandigheden plaats hebben, op welke hiervoren de doodstraf gesteld is.

Art. 222.

Wegens roof, buiten zoodanige gelegenheden, en tevens zonder eenig geweld aan personen of zware bedreigingen, maar alleen openlijk, ten aanschouwen en in weerwil van den eigenaar of anderen gepleegd, zonder dat ook de omstandigheden, bij het 219de artikel opgenoemd, daarbij hebben zamengeloopen, zullen de schuldigen, naar mate van het gepleegde, gestraft worden met schavotstraf, gevangenis, bannissement uit het koningrijk, of ander.

Art. 223.

Roof wordt gehouden volbragt te zijn, zoodra de dader zich van het goed heeft meester gemaakt, al ware hij daarna verhinderd hetzelve te vervoeren of te behouden.

Art. 224.

Wanneer roof, voorafgegaan of vergezeld is van braak, of gepaard is met zoodanige andere verzwarende omstandigheden, als bij het eerste hoofdstuk van dezen titel zijn aangewezen, zullen de daders niet minder gestraft worden, dan daarbij omtrent de dieven is vastgesteld.

Art, 225.

Wanneer daarentegen noch aanmerkelijk geweld, noch zeer zware bedreigingen, noch braak, noch eenige andere omstandigheden, welke bij het eerste hoofdstuk, als bezwarende in den diefstal, zijn aangewezen, bij den roof hebben plaats gehad, en tevens het geroofde zelve van zeer gering belang is, zullen de regters de bij dit tweede hoofdstuk bedreigde straffen eenigzins mogen verligten, het welk aan derzelver beoordeeling en bescheidenheid wordt overgelaten.

Derde hoofdstuk. van helpers der dieven en roovers, van helers, en van koopers der gestolene of geroofde goederen.[bewerken]

Art. 226.

Die door het aanwijzen der gelegenheden, het staan op schildwacht, het aannemen en wegvoeren der gestolen goederen, of anderszins, de dieven of roovers behulpzaam zijn, zullen, wanneer niets meer ten hunnen laste kan worden gebragt, gestraft worden met de straf bij het 203de artikel, op enkele dieverijen bepaald.

Art. 227.

Wanneer de wijze, op welke de misdaad gepleegd is, of de personele betrekking van de daders, helpers of derzelver medepligtigen eene zwaardere straf vereischen, of wanneer braak of roof wordt gepleegd, zullen deze helpers worden gestraft, als of zij zelve den diefstal met verzwarende omstandigheden of de braak of roof hadden begaan, ingevalle zij daarvan te voren kundig zijn geweest, of, vervolgens kundig geworden zijnde, in hunne hulp en medewerking zijn voortgevaren.

Art. 228.

Op diezelfde wijze en met gelijke onderscheiding zullen gestraft worden zij, die vooraf geweten hebbende, dat diefstal, braak of roof ondernomen zoude worden, daarna de daders verbergen, in hunne vlugt behulpzaam zijn, de gestolen of geroofde goederen bewaren, opkoopen, ten voordeele van de dieven of roovers verkoopen, of daarvan zelve eenig voordeel trekken.

Art. 229.

Zij, die gewoonlijk hun werk maken, van dieven of roovers over te voeren, te herbergen, te doen overvoeren, of te doen herbergen, zullen met schavotstraf, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk gestraft worden.

Art. 230.

Die, zonder vooraf geweten te hebben, dat diefstal of roof zoude gepleegd worden, en, zonder daaraan op eenige wijze deel te hebben, willens en wetens gestolen goederen koopen, aannemen, of verbergen, zullen gestraft worden met bannissement, niet te boven gaande den tijd van acht jaren.

Vierde hoofdstuk. van de herhaalde misdaden.[bewerken]

Art. 231.

Die, na eenmaal over eenige misdrijven, hier voren in dezen titel omschreven, met minder straf dan die van het schavot gestraft te zijn, zich andermaal aan dezelfde of eenige andere, tot hier toe in dezen titel genoemd, schuldig maken, zullen naar de omstandigheden gestraft worden met schavotstraf, gevangenis, niet te boven gaande den tijd van tien jaren, bannissement uit het koningrijk of ander, ten zij hunne nieuwe misdaden zelve eenige zwaardere straffen vereischen.

Art. 232.

Die reeds eenmaal over eenige misdrijven, hier voren in dezen titel omschreven, op het schavot gestraft ziijnde, zich andermaal aan dezelfde of eenige andere, tot hier toe in dezen titel genoemd, schuldig maken, zullen gestraft worden met geeseling, brandmerk, gevangenis voor twintig jaren, en altoosdurend bannissement uit het koningrijk, ten zij hunne nieuwe misdaden zelve de doodstraf vereischen.

Art. 233.

Wanneer nogtans de herhaalde misdaad is van een zeer geringen aard, zal de straf eenigzins mogen verligt worden naar bescheidenheid der regters.

Vijfde hoofdstuk. van ontvreemdingen, uit baldadigheid gepleegd.[bewerken]

Art. 234.

Ontvreemdingen van goederen van weinig waarde, zonder oogmerk van voordeel, maar in dronkenschap, of anderzins uit dartelheid en baldadigheid gepleegd, zullen altijd ligter mogen gestraft worden, alwaar het dat dezelve konden geacht worden eenigermate met verzwarende omstandigheden of met braak of roof, in eenen geringen trap, vergezeld te zijn geweest.

Art. 235.

Wegens zoodanige ontvreemdingen zal ook geldboete mogen plaats hebben, niet te bovengaande de som van zeven honderd gulden.

Art. 236.

De regters zullen niettemin zorge dragen, om zich van het opleggen van geldboete in dezen te onthouden, wanneer merkelijk geweld, aan personen of goederen gepleegd, zware bedreigingen of andere bijkomende, zeer stoute daden eene meer voorbeeldige straf tot afschrik van anderen, en tot beveiliging der goede ingezetenen kwamen te vereischen.

Art. 237.

De onderscheiding dezer gevallen wordt aan de beoordeeling en bescheidenheid der regters overgelaten.

Zestiende titel. van kinderdieverij.[bewerken]

Art. 238.

Die jonge kinderen stelen of aan de nasporing van derzelver ouderen, voogden of opzieners ontrekken, met ookmerk, om met dezelve te gaan bedelen, of uit eenige andere ongeoorloofde inzigten, zullen gestraft worden met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 239.

Die de daders van zulke bedrijven behulpzaam zijn, door hun de gelegenheid daartoe aantewijzen of te verschaffen, of het plegen van het misdrijf te beveiligen of te bedekken, of die zelve, willens en wetens, met zoodanige gestolen kinderen gaan bedelen, of daarmede voordeel doen, gelijk ook die, al is het zonder daarin verder deel te nemen, willens en wetens, zoodanige gestolen kinderen in hunne huizen verbergen, of bij zich houden, zonder daarvan aan de ouders, voogden of opzieners, of aan de politie of justitie ontdekking te doen, zullen even als de daders gestraft worden.

Art. 240.

Die zoodanige gestolen kinderen opzettelijk verminken of eenig zwaar ligchaamsgebrek toebrengen, ten einde daardoor medelijden te verwekken, zullen met den strop gestraft worden.

Zeventiende titel. van het beschadigen van goederen.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van het beschadigen van goederen in het algemeen.[bewerken]

Art. 241.

Die uit haat, nijd, wraak, ongeoorloofd zelfsbelang, of uit moedwil en baldadigheid, door vernielen, bederven, schenden, of onbruikbaar maken, opzettelijk en voorbedachtelijk aanmerkelijke schaden toebrengen aan eenige gebouwen, woningen, stallen, schuren, loodsen, tenten, heiningen, bruggen, getimmerten, havens, wateren, wegen, wallen, gronden, bosschen, boomen, landerijen, vruchten, rijtuigen, vaartuigen, paarden, beesten, gevogelte, koopmanschappen, waren, werktuigen, gereedschappen, meubelen of eenige andere goederen, het zij aan het rijk, eenige stad of plaats, of aan bijzo9ndere personen in eigendom toebehoorende, zullen, naar gelang der omstandigheden, gestraft worden met schavotstraf, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van acht jaren.

Art. 242.

Beschadigingen van weinig belang, of aan goederen van geringe waarde, of zonder zeer booze inzigten in dronkenschap of dartelheid gepleegd, zullen ook mogen gestraft worden met geldboete, in allen gevallen niet te bovengaande de som van vijfhonderd guldens.
De onderscheiding dezer ligte soorten van misdrijven wordt aan de bescheidenheid der regters overgelaten.

Tweede hoofdstuk. van het beschadigen of weerloos maken van waterweringen.[bewerken]

Art. 243.

Die, uit ongeoorloofde oogmerken, of uit louteren moedwil en baldadigheid, voorbedachtelijk eenige dijken, dammen, kaden, krib- of pakwerken, sluizen, schutwerken, hoofden, schoeipalen of steenwerken berooven, verzwakken, doorsteken of ondergraven; of eenige sluizen, schutwerken en dergelijken opnen, verzwakken of buiten werking stellen, zullen, wanneer daardoor eens wezenlijke overstrooming van den kant der zee, zeeboezems of rivieren veroorzaakt is, gestraft worden met den strop; en wanneer zoodanige overstrooming wel niet dadelijk is gebeurd, maar, in aanmerking van het bedrevene door de gelegenheid der plaats, en andere kennelijke omstandigheden ligtelijk had kunnen gebeuren, met geeseling en brandmerk, of geeseling, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 244.

Op dezelfde wijze en met gelijke onderscheiding zullen gestraft worden, die bepote duinen, van doorn, help of rijs berooven, of dezelve op eenigerlei wijze onbekwaam maken tot eene zeewering.

Art. 245.

Wanneer door zoodanige daden, als in het 243ste artikel zijn omschreven, eene wezenlijke overstrooming van den kant van meren, stroomen of andere dergelijke wateren veroozaakt, zullen de daders, naar gelang der omstandigheden, gestraft worden met den strop, of met geeseling en brandmerk of geeseling, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd; en wanneer dusdanige overstrooming wel niet dadelijk is gebeurd, maar, in aanmerking van het bedrevene, door de gelegenheid der plaats, en andere kennelijke omstandigheden ligtelijk had kunnen gebeuren, met geeseling, gevangenis, niet te bovengaande den tijd van tien jaren, en altoosdurend bannissement.

Art. 246.

Alle andere beschadiging van waterweteringen zal gestraft worden volgens de voorschriften, bij het vorige hoofdstuk van dezen titel vastgesteld.

algemeene bepaling.[bewerken]

Art. 247.

De misdrijven in dezen titel opgenoemd, met hoog verraad, weerloos maken van middelen, op hoog gezag tot afbreuk van den vijand gesteld, muiterij, oproerig geweld, brandstichting, roof, diefstal, of eenig ander vergezeld gaande, zullen mede als zoodanig beoordeeld en gestraft worden.

Achtiende titel. van valschheid en bedrog.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van valschheid.[bewerken]

Art. 248.

Die, met bedriegelijke oogmerken, eenige inlandsche obligatiën, schuld- of rentebrieven, recepissen, coupons, wissels of andere dergelijke papieren, welke geldwaarde hebben, en van wege den lande, eenige steden, dorpen, plaarsen of andere collegiën van administratie zijn, of zouden worden uitgegeven, namaken of geheel of gedeeltelijk vervalschen, het zij door onder dezelve stukken valsche naamteekeningen te stellen, het zij door de uitgedrukte nummers, sommmen, dagteekeningen te veranderen of valschelijk intevullen, zullen gestraft worden met geeseling en brandmerk, of geeseling, langdurig gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 249.

Op gelijke wijze zullen zij gestraft worden, die alzoo eenige decreten, besluiten, orders, vonnissen, berigten, brieven, paspoorten of andere stukken door hooge of mindere regeringen of openbare ambtenaren uitgevaardigd, of van dezelve afkomstig, geheel of gedeeltelijk vervalschen, of geheel valsche opstellen vervaardigen, om dezelve als echte te doen voorkomen, het zij door de zegels, stempels, merken, handteekeningen natebootsen, of op eenigerlei andere manieren.

Art. 250.

Nog zullen op dezelfde wijze gestraft worden, die alszoo eenige andere publieke instrumenten en bescheiden, het zij registers, acten van uiterste willen, contracten, kwijtscheldingen, verklaringen of dergelijken, geheel of gedeeltelijk vervalschen, geheel valsche vervaardigen of doen vervaardigen gelijk ook zij, die, ter kwader trouw, en met booze oogmerken, zoodanige instrumenten vernietigen of verduisteren.

Art. 251.

Eindelijk zullen nog met dezelfde straffen gestraft worden de zoodanige, die zich ter kwader trouw in schriftelijke instrumenten eenige openbare ambten, posten of bedieningen toeschrijven, welke zij niet bekleeden.

Art. 252.

Die ter kwader trouw zoodanige buitenlandsche publieke instrumenten, als in de voorgaande artikelen van dezen titel zijn omschreven, of ook eenige onderhandsche instrumenten, het zij contracten, schuldboeken, wissels, assigmatiën, kwijtscheldingen, verklaringen, brieven of andere dergelijke stukken geheel of gedeeltelijk vervalschen, geheel valsche vervaardigen of boven eens anderen naamteekening invullen; gelijk ook die eenige handteekeningen, zegels, stempels van bijzondere personen namaken, of geheel of gedeeltelijk vervalschen, zullen, naar mate der omstandigheden, gestraft worden met schavotstraf, eerloos-verklaring, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 253.

Op dezelfde wijze zullen gestraft worden, die ter kwader trouw valsche getuigenissen geven, valsche verklaringen afleggen, of daarin voorbedachtelijk als zeker en aan hen bekend opgeven, het geen voor hen onzeker en aan hen onbekend is.

Art. 254.

Die ter kwader trouw, willens en wetens, zich van eenige valsche of vervalschte stukken bedienen, of daarmede voordeel doen, zullen als de daders zelve gestraft worden.

Art. 255.

Die, ten einde geld aftepersonen, of uit andere misdaqdige insigten, anderen bedreigen, van hen wegens misdaden, waaraan zij onschuldig zijn, te zullen beschuldigen, zullen mede, naar mate der omstandigheden, zoodanig gestraft worden, als in het 252ste artikel is vastgesteld.

Art. 256.

Nog zullen gelijkelijk gestraft worden, die, met oogmerk om anderen te bandeelen, of zelve een ongeoorloofd voordeel te genieten, o anderen te doen genieten, de geboorte van een kind valschelijk voorwenden, een kind ondersteken, of het eene kind voor het andere doen doorgaan.

Art. 257.

Ten aanzien der tot nu toe opgenoemde bijzondere soorten van valscheid, zal de misdaad worden gehouden volbragt te zijn, zodra de hier boven beschreven daden met ongeoorloogde inzigten gepleegd zijn, al ware daardoor in de uitkomst nog niemand benadeeld.

Art. 258.

Die door lasterlijke aanklagten of valsche getuigennissen oorzaak mogten zijn, dat een onschuldige ter straffe wierd veroordeeld, zullen ten minsten met dezelfde straf gestraft worden, al ware dezelve ook zwaarder, dan de gewone straf van valschheid.
Indien de onschuldige ter dood mogt zijn veroordeeld, zal de valsche aanklager of getuige met den strop gestraft worden.

Art. 259.

Die, om van gedane assurantie voordeel te trekken, eenige schepen of goederen opzettelijk vernielen, bederven of verloren doen gaan, zullen, naar gelang der omstandigheden, gestraft worden met schavotstraf, eerloos-verklaring of bannissement, niet te boven gaande den tijd van veertien jaren.

Art. 260.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die eenige steenen of palen, opgeworpen hoogten of wallen, grachten, slooten, greppels, hoefslagen of eenige andere teekenen, ter onderscheiding van eenige grenzen of eigendommen gesteld, ter kwader trouw verplaatsen, wegnemen of onkenbaar maken.

Art. 261.

Nog zullen met dezelfde straffen gestraft worden de zoodanigen, die door het aannemen en voorwenden van valsche namen of betrekkingen, anderen hebben misleid om hun eenige goederen, gelden, promesses, quitantiën of andere bescheiden ter hand te stellen of te laten volgen.

Art. 262.

Die opzettelijk en ter kwade trouw, om anderen te benadeelen, valsche of vervalschte ellen, gewigten, of andere maten maken, of gebruiken, gelijk ook dezulken, die alzoo eenige merken, op waren of koopmanschappen gesteld, nabootsen, of echte vervalschen of verduisteren, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zes jaren.

Art. 263.

Die onbevoegdelijk, het zij uit baarzucht, of ontijdige nieuwsgierigheid, verzegelde acten van uiterste willen van nog levende personen openen, zullen naar de omstandigheden gestraft worden met bannissement, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, of met geldboete, niet hooger dan twee duizend gulden.

Art. 264.

Met gelijke straffen zullen gestraft worden, die onbevoegdelijk, ter benadeeling van anderen, ter bevoordeeling van zich zelven of anderen, of met dergelijke booze inzigten, verzegelde brieven openen.

Tweede hoofdstuk. van bedrog.[bewerken]

Art. 265.

Die opzettelijk en ter kwader trouw, steenen van gerine waarde voor kostbare, andere metalen voor goud of zilver, geheel of gedeeltelijk onzuivere metalen voor zuivere verkoopen, verpanden of tegen eenige andere goederen verruilen, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van acht jaren.

Art. 266.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, van het goed vertrouwen, de onkunde of eenvoudigheid van anderen, misbruik makende, het zij door hun in valschelijk voorgewende ondernemingen deel toetezeggen, of uit eenig niet bestaand geval voordeel of vermijding van nadeel te beloven, of door andere dergelijke bedriegelijke handelingen of voorgevens hen tot het geven van gelden of goederen overhalen.

Art. 267.

Insgelijks zullen alzoo gestraft worden, die zich van valsche kaarten, dobbelsteenen of andere bedriegelijke middelen bedienen, om anderen van geld of goederen te berooven.

Art. 268.

Nog zullen met dezelfde straffen gestraft worden, die eenige effecten, goederen of gelden, hun door anderen ter bewaring gegeven, of tot een bepaald einde en oogmerk ter hand gesteld, trouwelooslijk verkoopen, verkwisten, of tot hun eigen of eens anderen voordeel vervreemden; gelijk ook, die, op last en ten behoeve van anderen eenige penningen ingevoerd hebbende, dezelve trouwelooslijk tot hun eigen of eens anderen gebruik aanwenden of verkwisten, of die met zulke effecten, goederen, gelden of penningen doorgaan, alles met inzigt om de eigenaars of regthebbende te leur te stellen, of althans met bewustheid van dezelve niet weder te kunnen voldoen.

Art. 269.

Op dezelfde wijze zullen gestraft worden, die kennis dragen van eenige misdaden of verkeerde handelingen, door anderen gepleegd, van deze hunne bewustheid misbruik maken, om denzelven onder belofte van geheimhouding, gelden, goederen of verbindtenissen aftepersen.

Art. 270.

Die, onder voorwendsel van door eenige wagchelarij, tooverij, waarzeggerij, horoskooptrekken, of op eenige andere wijze iemands gezondheid of geluk te kunnen bevestigen of vermeerderen, deszelfs lotgevallen te voorspellen, anderen grovelijk misleiden en opligten, zullen met dezelfde straf gestraft worden.

Derde hoofdstuk. van herhaalde misdaden.[bewerken]

Art. 271.

Die, na eenmaal over eenige misdrijven in dezen titel omschreven, met mindere straf dan die van schavot gestraft te zijn, zich andermaal aan dezelfde of eenige andere in dezen titel genoemde misdaden, schuldig maken, zullen naar de omstandigheden gestraft worden met schavotstraf, gevangenis, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, en bannissement uit het koningrijk of ander, ten zij hunne nieuwe misdaden zelve eenige zwaardere straffen verdienden.

Art. 272.

Die reeds eenmaal over eenige misdrijven, in dezen titel omschreven, op het schavot gestraft zijnde, zich andermaal aan dezelfde of andere misdaden, in dezen titel opgenoemd, schuldig maken, zullen gestraft worden met geeseling, brandmerk, gevangenis voor twintig jaren en bannissement voor altijd uit het koningrijk; ten zij op hunne nieuwe misdaden de doodstraf mogt gesteld zijn.

Art. 273.

Wanneer nogtans de herhaalde misdaad is van een zeer geringen aard, zal de straf enigzins mogen verligt worden naar bescheidenheid der regters.

algemeene bepaling.[bewerken]

Art. 274.

De misdrijven, in dezen titel opgenoemd, met hoog verraad, muiterij, oproerig geweld, brandstichting, roof, diefstal, meineed, of eenige andere misdaden vergezeld gaande, zullen mede zoodanig beoordeeld en gestraft worden.

Negentiende titel. van meineed.[bewerken]

Art. 275.

Onder de benaming van eed worden in dezen titel begrepen alle plegtige verklaringen of beloften, op openbare gezag vastgesteld, of gebruikelijk, en ten overstaan van den Koning, dezelfs ministers, magistraten, regters of andere bevoegde ambtenaren afgelegd, of schriftelijk aan dezelve ingezonden.

Art. 276.

Die door hunne gematigden in hunnen naam en ziele doen zweren, zullen gerekend worden den eed persoonlijk te hebben afgelegd, gelijk ook zij zullen gehouden worden den eed op nieuw te hebben afgelegd, die op den eed, bij den aanvang hunner bediening gedaan, iets verklaren, bevestigen of beloven.

Art. 277.

Die in eenig regthangig geschil opzettelijk valschelijk zweren, het zij de eed afgelegd worde op eigen aanbod, overgifte van hunne partijen of bevel der regters, zullen, naar mate van de omstandigheden gestraft worden met geeseling, te pronk staan op het schavot, eerloos-verklaring, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 278.

Op gelijke wijze zullen zij gestraft worden, die, tegen beter weten aan, valschelijk zweren, deze of gene goederen, gelden, stukken of bescheiden niet te bezitten, niet bezeten te hebben, of niet ter kwader trouw kwijt of weerloos geworden te zijn, gelijk mede de zoodanigen, die alzoo hunne eigen handteekening of die van anderen onder eede ontkennen.

Art. 279.

Insgelijks zullen met dezelfde straffen gestraft worden, die de deugdelijkheid van eenige boeken, rekeningen, verantwoordingen of andere opgaven, in welke ontvangen gelden of goederen verzwegen, of verzwaarde uitgaven gebragt zijn, ter kwader trouw met valschen eede bevestigen.

Art. 280.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, tegen beter weten, valsche eeden voor regters, of openbare ambtenaren in eenige andere zaken hoe genaamd afleggen.

Art. 281.

Nog zullen op gelijke wijze gestraft worden de zulken die door het geven of toezeggen van eenig voordeel anderen tot het afleggen van een valschen eed omkoopen.

Art. 282.

Die in eenige ambten, posten, of bedieningen geplaatst, of ook uit eenigen anderen hoofde, zich tot het doen of laten van eenige bepaalde daden, bij eede verbonden hebben, en nogtans met schending van hunnen eed, willens en wetens, dezelve laten of doen, zullen gestraft worden, met eerloosv-verklaring, bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, of verklaard worden vervallen te zijn van hunne ambten, posten, of bedieningen, en onbekwaam tot eenige andere.

Art. 283.

Die, zich bij eede verbonden hebbende3 tot de behoorlijke waarneming en behartiging der belangen van het koningrijk, eenige stad, dorp, of plaats, of van eenig bijzonder persoon, daarin ter kwader trouw te werk gaan, of trouwelooslijk dezelve verwaarloozen, zullen, naar mate van de omstandigheden, met dezelfde straffen gestraft worden.

Art. 284.

Die voorbedachtelijk eenen valschen eed aanbieden, zullen gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van drie jaren.

Art. 285.

De straffen, ´´bij dezen titel´´ op meineed gesteld, zullen geenszins strekken om te verminderen de straffen, op andere misdaden bij dit wetboek bepaald.

Twintigste titel. van misdadige bankbreuk.[bewerken]

Art. 286.

Misdadige bankbreuk is de staat van kennelijk onvermogen van eenen schuldenaar om alle zijne wettige schuldeischers te voldoen, veroorzaakt door, of vergezeld van daden van kwade trouw.

Art. 287.

Bankbreukigen, die bij zoodanige gelegenheid hunne goederen en bezittingen, of een gedeelte derzelve verduisteren, en aan hunne schuldeischers onttrekken, ten behoeve van zich zelven of anderen, zullen, naar de omstandigheden, gestraft worden met te pronk staan op het schavot, eerloos-verklaring, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Art. 288.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, in het vooruitzigt of bij gelegenheid van bankbreuk, den eenen hunner schuldeischeren boven den anderen bevoordeelen, door gewaande schuldverbintenissen aantegaan, deugdelijke schulden grooter te doen voorkomen, ongeoorloogde betalingen of pandgevingen te doen, of door dergelijke andere, onwettige en bedriegelijke handelingen en daden.

Art. 289.

Insgelijks zullen op dezelfde wijze gestraft worden, die, wettende dat hunne zaken uit zich zelve zeker of hoogstwaarschijnlijk onherstelbaar zijn, nogtans nieuwe handelingen of schulden van aanbelang aangaan, het zij met of zonder oogmerk om de waarde, welke zij daardoor magtig worden, tot betaling of verrekening van andere schulden te gebruiken.

Art. 290.

Nog zullen op gelijke wijze gestraft worden die, in het vooruitzigt hunner aanstaande bankbreuk, ter misleiding van hunne schuldeischers, valsche boeken aangelegd en gehouden, of hunne echte vervalscht, verminkt of geschonden hebben, gelijk ook die hunne boeken, papieren of aanteekeningen verbergen, verduisteren of vernielen, en alzoo hunne schuldeischers in hunne zaken blind houden.

Art. 291.

Eindelijk zullen op dezelfde wijze gestraft worden bankbreukigen, welke, het zij bij gelegenheid en in het vooruitzigt hunner bankbreuk, het zij te voren, goederen van anderen, onder hunne beering of bewaring zijnde, zonder bevoegdheid verkocht of verpand, en de penningen, daaruit gesproten, tot hun eigen gebruik, vertering of betalen hunner schulden gebezigd hebben.

Art. 292.

De misdrijven in dezen titel omschreven, met eigenlijk gezegden diefstal, valschheid of andere misdaden vergezeld gaande, zullen mede als zoodanig beoordeeld en gestraft worden.

Een-en-twintigste titel. van misdaden omtrent geldmunten.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van valsche munt.[bewerken]

Art. 293.

Die eenige in- of uitlandsche geldmunten namaken, door slaan, schroeven, gieten, of op eenigerlei andere wijze, zijn schuldig aan de misdaad van valsche munt, het zij dezelve nagemaakte munten, al dan niet, de vereischte innerlijke waarde bezitten.

Art. 294.

Deze misdaad wordt gehouden volbragt te zijn, zoodra de valsche munten voltooid zijn, al waren dezelve nog niet in omloop gebragt.

Art. 295.

De eenige inlandsche geldmunten, het zij stand- of negotiepenningen namaken, zullen, wanneer de nagemaakte penningen de vereischte innerlijke waarde ontberen, gestraft worden met geeseling en brandmerk, of geeseling, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 296.

Die eenige buitenlandsche geldmunten, het zij stand- of negotie-penningen namaken, zullen, wanneer de nagemaakte penningen de vereischte innerlijke waarde ontberen, met schavotstraf, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk gestraft worden.

Art. 297.

Muntmeesters, of die eenig bestuur over 's lands munt hebben, muntgezellen en andere bedienden of werklieden van de munt, voorbedachtelijke eenige munten makende, welke de vereischte innerlijke waarde ontberen, zullen, voor zo verre zij de aanleidende oorzaken van, of voorname deelnemers in het maken dier valsche munten zijn, gestraft worden met de strop; voor zoo verre zij daaraan een minder deel hebben, zullen zij, naar gelang van omstandigheden, worden gestraft met geeseling, gevangenis of bannissement uit het koningrijk.

Art. 298.

Op gelijke wijze als de valsche munters zelve, zullen zij gestraft worden, die, ten einde hun behulpzaam te zijn, willens en wetens valsche munten uitgeven, verkoopen, of hun tot het maken der munten, materialen of werktuigen verschaffen; mindere deelnummers zullen gestraft worden met geeseling, gevangenis of bannissement uit het koningrijk.

Art. 299.

Die zonder opzigt tot de makers of derzelver medepligtigen, willens en wetens valsche munten uitgeven, wekje de vereischte innerlijke waarde ontberen, zullen gestraft worden naar de omstandigheden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, of met geldboete niet hooger dan de tien dubbele waarde der echte munten, voor welke de valsche zijn uitgegeven.

Art. 300.

Die op eigen gezag, zonder daartoe behoorlijk gemagtigd te zijn, inlandsche geldmunten namaken, zullen, wanneer de nagemaakte penningen de vereischte innerlijke waarde bezitten, gestraft worden met gevangenis, niet te boven gaande den tijd van tien jaren, en altoosdurend bannissement uit het koningrijk.

Art. 301.

Muntmeesters of anderen, die eenig voornaam bestuur over 's lands munt hebben, voorbedachtelijk, en ten einde ongeoorloogd voordeel te doen, inlandsche geldmunten makende, welke de innerlijke waarde bezitten, doch tot welker vervaardiging zij niet bevoegd worden, zullen gestraft worden met uitdrukkelijke eerloos-verklaring, het zwaard over het hoofd, en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van tien jaren.

Art. 302.

Die op eigen gezag buitenlandsche geldmunten namaken, zullen, wanneer de nagemaakte penningen de vereischte innerlijke waarde hebben, gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zes jaren.

Art. 303.

In alle de tot hier opgenoemde gevallen, zullen de nagemaakte penningen vernietigd worden.

Tweede hoofdstuk. van vervalsching van echte munt.[bewerken]

Art. 304.

Vervalsching van echte munt bestaat in het verminderen der innerlijke waarde van eenige geldmunten, door besnoeijen, afvijlen, met sterk water afwaschen, aftrekken, of op eenigerlei andere wijze, met oogmerk, om dezelve weder uit te geven en in omloop te brengen.

Art. 305.

Die zich aan deze misdaad schuldig maken, zullen, naar mate der omstandigheden, gestraft worden met schavotstraf, gevangenis of bannissement, al ware het, dat dezelve alzoo verminderde geldmunten nog niet waren in omloop gebragt.

Twee-en-twintigste titel. van misdaden van ambtenaren.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van omkooping en verboden geschenken.[bewerken]

Art. 307.

Ambtenaren, die zelve eenige geschenken of voordeelen ontvangen, of eenige belofte, toezegging, of vooruitzigt daar van aannemen, of hunne vrouwen of nabestaanden doen of laten ontvangen, of aannemen, om iets te verrigten, het welk hun in, of wegens hunne ambtsbetrekkingen niet geoorloofd was; om iets na te laten, waartoe zij uit dien hoofde verpligt waren, of om iets op eene andere wijze te doen of te handelen dan behoorlijk, betamelijk of pligtmatig was, of welke ook daarna wegens zulke daden, nalatingen of directiën voorbedachtelijk eenige geschenken of voordeelen ontvangen en aannemen, of door hunne vrouwen of nabestaanden doen of laten ontvangen en aannemen, zullen, naar de omstandigheid en het gewigt der zake, gestraft worden met schavotstraf, eerloos-verklaring, bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, of verklaring van vervallen te zijn van hunne ambten, posten of bedieningen, het zij met, of zonder verklaring van onbekwaamheid tot eenige andere.

Art. 308.

Die ten voorschreven einde vooraf zoodanige geschenken of voordeelen hebben gegeven, beloofd, toegezegd, of daarop uitzigt gegeven, zullen met eerloos-verklaring en bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, of met een van beiden gestraft worden, naar de omstandigheden.

Art. 309.

Ambtenaren, die op voorschreven wijze, wegens onverschillige, geoorloogde, of zelfs pligtmatige daden, nalatingen of directiën, of ook zonder eenig bepaald oogmerk of betrekking, eenige geschenken of voordeelen ontvangen, of eenige belofte, toezegging, of vooruitzigt daarvan aannemen, strijdig tegen het verbod in hunne instructiën, of andere hen verbindende bepalingen vervat, zullen verklaard worden vervallen te zijn van hun amt, post, of bediening.

Tweede hoofdstuk. van misbruik van magt en knevelarij.[bewerken]

Art. 310.

Ambtenaren, die, ter kwader trouw en uit ongeoorloofde inzigten, hunne magt misbruiken, om iemand eenig nadeel of ongemak toe te brengen, zullen gestraft worden, naar de omstandigheden, met schavotstraf, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 311.

Die wel niet ter kwader trouw, maar nogtans zonder eenige wettige reden, en blijkbaar tegen de voorschriften van hunne instructie, of tegen den aard en pligten van hun ambt, iemand geweld aandoen, of merkelijk nadeel toebrengen, zullen gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van vier jaren, of vervallen verklaard van hunne ambten, posten of bedieningen, het zij met of zonder verklaring van onbekwaamheid tot eenige andere, en met of zonder bijvoeging van geldboete, niet hooger dan twee duizend guldens.

Art. 312.

Ambtenaren, die kennelijk daar toe ongeregtigd zijnde, eenige voordeelen, geschenken of betalingen vorderen voor verrigtingen of diensten tot welke zij ambtshalve verpligt zijn, of die zoodanige verrigtingen of diensten weigeren aan degenen die zulke voordeelen, geschenken of betalingen niet goedvinden te geven of te doen, gelijk ook die alzoo eenige meerdere voordeelen of betalingen vorderen, dan hun, volgens hunne instructiën of andere voorschriften toekomt, zullen verklaard worden vervallen te zijn van hunne ambten, posten of bedieningen.

Art. 313.

Ontvangers, gaarders, of die gesteld zijn om eenigerhande lasten, tollen of andere ongelden intevorderen, het zij groot of klein, en onder welke benaming zulks ook zoude mogen wezen, ter kwader trouw en ten voordeele van zich zelven of anderen, meerder afeischende dan dezelve lasten, tollen, of ongelden bedragen, zullen gestraft worden met te pronk staan op het schavot, of bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Derde hoofdstuk. van opzettelijke ontrouw.[bewerken]

Art. 314.

Ambtenaren, aan welke de ontvangst, beheering, bewaring of eenig toezigt over gelden of goederen is toebetrouwd, zich schuldig makende aan ontvreemding of verduistering derzelve, ten voordeele van zich zelve of van anderen, zullen gestraft worden met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.
De geringheid der waarde zal nogtans de straffe in dezen mogen doen verligten.

Art. 315.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden ambtenaren, die, bij het doen van rekeningen, verantwoordingen of rapporten, ter kwader trouw eenige instrumenten achter houden, ontvangsten van gelden of goederen verzwijgen, of valsche of verzwaarde uitgaven in rekening brengen.

Art. 316.

Ambtenaren, die gelden, waarvan de ontvangst, beheering, bewaring of toezigt hun is aanbetrouwd, heimelijk ter leen nemen, aan anderen ter leen geven, of tot bijzonder gebruik van zich zelven of van anderen bezigen, zullen, wanneer zij buiten staat zijn dezelve ter behoorlijker tijd op te leggen, op gelijke, als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk bepaald is, gestraft worden.
Wanneer dezelve al tot deze oplegging in staat zijn, zullen zij nogtans vervallen verklaard worden van hunne ambten, posten, of bedieningen.

Art. 317.

Ambtenaren, die, opzettelijk en voorbedachtelijk ter kwader trouw, de hun opgelegde, of wegens den aard der zake kennelijk vereischte geheimhouding verbreken, het zij door mondelinge of schriftelijke mededeeling, het zij door het afgeven, of laten zien of lezen van geheime stukken, zullen met het zwaard over het hoofd, of eerloos-verklaring en bannissement uit het koningrijk of ander, niet te boven gaande den tijd van tien jaren, gestraft worden.
Die de voorzeide daden plegen door merkelijke schuld, onvoorzigtigheid of onachtzaamheid, zullen, naar het gewigt en belang der zake, verklaard worden vervallen te zijn van hunne ambten, posten of bedieningen, of gestraft worden met geldboete, niet te boven gaande de som van zes honder guldens.

Art. 318.

Regters, die, uit gunst of ongunst, de belangen van eene der partijen bevorderen of tegengaan, of hunne stemmen uitbrengen uit vriendschap, haat, nijd, vijandschap of belang; gelijk ook regters of openbare aanklagers, en hunne onderhoorigen, die uit gelijke oorzaken het onderzoek naar gepleegde misdaden tegen gaan, een gegeven bevel tot gevangenneming verijdelen, of die daarentegen alzoo onregtmatige daden plegen, bevorderen of voorstaan, zullen met eerloos-verklaring en bannissement, niet te boven gaande den tijd van acht jaren, gestraft worden.

Art. 319.

Met eerloos-verklaring en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, den tijd van acht jaren niet te boven gaande, zullen gestraft worden gevangenen-bewaarders, en dergelijke bedienden, die voorbedachtelijk, gevangenen, gearresteerden, of andere bewaarde personen verlossen of laten ontvlugten.
Die, door merkelijke schuld, onvoorzigtigheid of onachtzaamheid, oorzaak zijn van zoodanige ontvlugting, zullen vervallen verklaard worden, van hunne bedieningen, of gestraft worden met geldboete, niet te boven gaande de som van twee honderd guldens.

Art. 320.

Ambtenaren, die, ten nadeele van anderen, of ter bejaging van eigen voordeel, voorbedachtelijk, valsche onderrigtingen en verkeerden raad geven, zullen gestraft worden met eerloos-verklaring en bannissement, niet te bovengaande den tijd van twee jaren.

Vierde hoofdstuk. algemene bepalingen.[bewerken]

Art. 321.

Wanneer twee of meer artikelen van dezen titel op het begane misdrijf van eenig ambtenaar mogten toepasselijk zijn, zal hetzelve naar die allen beoordeeld en gestraft worden.

Art. 322.

De misdrijven van ambtenaren, in dezen titel uitgedrukt, gepaard gaande met duidelijke en voorbedachte schending van den gedanen ambts-eed, zullen mede als zoodanig beoordeeld en gestraft worden.

Art. 323.

De misdrijven van ambtenaren of andere personen, in dezen titel opgenoemd, met andere misdaden gepaard gaande, zullen al mede als zoodanig beoordeeld en gestraft worden.

Art. 324.

Ambtenaren, zich in hunne betrekking schuldig makende aan andere misdaden dan welke bij dezen titel zijn opgenoemd, of hunne betrekkingen daartoe op eenigerlei wijze misbruikende, zullen, voor zoo verre bij de wet aan de regters eenige keuze of ruimte van straffen is overgelaten, in het algemeen zwaarder dan anderen gestraft worden.

Art. 325.

Ambtenaren, die, ter kwader trouw en ten einde de misdaden van andere personen te begunstigen, opzettelijk nalaten dezelve te beletten, niettegenstaande zij zulks klaarblijkelijk konden en verpligt waren te doen, zullen voor medepligtig daaraan gehouden, en, naar gelang der omstandigheden, even als de bedrijvers zelve gestraft worden.

Drie-en-twintigste titel. van onnatuurlijke ontucht.[bewerken]

Art. 326.

Die zich schuldig maken aan het plegen van onnatuurlijke ontucht met menschen of beesten, zullen gestraft worden met langdurige gevangenis, in een afzonderlijk vertrek, afgescheiden van alle andere personen, en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 327.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden, die, willens en wetens, hunne huizen of woningen tot het plegen dezer misdaad leenen.

Art. 328.

Die door dwang, misbruik van gezag of door merkelijke verleiding andere onschuldige personen aan deze misdaad deelachtig maken, of daar toe aanzetten, zullen naar gelang der omstandigheden, met den strop, of met geeseling, brandmerk, langdurige gevangenis als voren gewijzigd, en bannissement voor altijd uit het koningrijk gestraft worden.

Vier-en-twintigste titel. van bloedschendige en andere oneerbare gemeenschap.[bewerken]

Art. 329.

Ouders en kinderen, of verdere afstammelingen, te zamen trouwende, of onderling vleeschelijke gemeenschap plegende, zullen met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk gestraft worden.

Art. 330.

Schoon- of stief-ouders, en dezer schoon- of stiefkinderen, deze misdaden bedrijvende, zullen gestraft worden met langdurige gevangenis en bannissement, voor altijd uit het koningrijk.

Art. 331.

Op gelijke wijze zullen gestraft worden broeders en zusters, het zij van geheelen of van halven bedde, welke zich aan de voorschreven misdaad schuldig maken.

Art. 332.

Die met hun broeders of zusters afstammelingen, zoo als ook die met een broeder of zuster van iemand hunner ouders of voorouders trouwen of vleeschelijke gemeenschap plegen, zullen voor de eerste reis gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren, en, zich daarna op nieuw aan deze misdaad schuldig makende, met bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 333.

Het zal geen onderscheid maken, of de betrekkingen tusschen de in dezen titel genoemde personen uit echte of onechte geboorte voortspruiten.

Vijf-en-twintigste titel. van dubbel huwelijk.[bewerken]

Art. 334.

Een gehuwd man of gehuwde vrouw, die, gedurende het bestaan van zijn of haar huwelijk, een ander aangaat met een ongehuwd persoon, zal gestraft worden met eerloos-verklaring en gevangenis, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Art. 335.

Een ongehuwd man, die met eene vrouw, welke hij wist gehuwd te zijn, een huwelijk aangaat, zal gestraft worden met eerloos-verklaring, en gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van vier jaren.

Art. 336.

Eene ongehuwde vrouw, met een man, dien zij wist gehuwd te zijn, een huwelijk aangaande, zal gestraft worden met eerloos-verklaring en bannissement, niet te bovengaande den tijd van vier jaren.

Art. 337.

Man en vrouw, beiden door een vroeger huwelijk aan anderen verbonden zijnde, en, gedurende het bestaan daarvan, met elkanderen trouwende, zullen gestraft worden met eerloos-verklaring, langdurige gevangenis en bannissement.

Art. 338.

Die zich ten derden of meermalen, gedurende het bestaan van vroegere huwelijken, met anderen in den echt verbinden, zullen, zonder onderscheid der hier bovengemelde gevallen gestraft worden met geeseling, langdurige gevangenis en bannissement voor altijd uit het koningrijk.

Art. 339.

Die, om tot zoodanige tweede of derde huwelijken te geraken, zich bediend hebben van valsche of vervalschte bewijsstukken, zullen mede als schuldig aan valschheid gestraft worden.

Zes-en-twintigste titel. van overspel.[bewerken]

Art. 340.

Een gehuwd man en eene gehuwde vrouw, te zamen overspel bedrijvende, zullen beiden gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van acht jaren.

Art. 341.

Eene gehuwde vrouw, met een ongehuwd man overspel bedrijvende, zal gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Art. 342.

Een gehuwd man, die met eene ongehuwde vrouw overspel pleegt, zal gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van drie jaren.

Art. 343.

Een ongehuwd man, overspel begaande met eene vrouw, die hij wist gehuwd te zijn, zal gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van vijf jaren.

Art. 344.

Eene ongehuwde vrouw, overspel bedrijvende met een man, dien zij wist gehuwd te zijn, zal gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van een jaar.

Zeven-en-twintigste titel. van onteering door geweld of list en van koppelarij.[bewerken]

Eerste hoofdstuk. van onteering door geweld.[bewerken]

Art. 345.

Die eene vrouw, weduwe, of jonge dochter door geweld en dwang verkrachten, of met dezelve, tegen haren wil en dank, vleeschelijke gemeenschap plegen, zullen, naar mate van het gepleegde geweld en andere omstandigheden, met den strop, zware schavotstraf, langdurige gevangenis en bannissement uit het koningrijk of ander gestraft worden.

Art. 346.

Voogden, leermeesters, opzigters, verzorgers of anderen, deze misdaad plegende, aan personen onder hun toevoorzigt of bewaring gesteld, en welker kuischheid zij alzoo door eenige naauwe betrekking bijzonderlijk verpligt waren te eerbiedigen, moeten in het algemeen zwaarder dan anderen gestraft worden.

Art. 347.

Insgelijks zullen zij in het algemeen zwaarder dan anderen gestraft worden, die deze misdaad plegen aan een meisje, nog niet tot huwbare jaren gekomen.

Art. 348.

Die deze misdaad bedrijven aan ontuchtige vrouwspersonen, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van drie jaren, ten zij daarbij hoogstgewelddadige middelen gebezigd waren.

Tweede hoofdstuk. van onteering door list.[bewerken]

Art. 349.

Die eene eerbare jonge dochter of weduwe door bedriegelijke voorgevens tot het plegen van vleeschelijke gemeenschap brengen, of door list onteeren, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van vier jaren.

Art. 350.

Die alzoo dezulken onteeren, welker kuischheid zij uit eenige naauwe betrekking behoorden te eerbiedigen, zullen gestraft worden met langdurige gevangenis en bannissement.

Art. 351.

Onteering van een een meisje, nog niet tot huwbaren jaren gekomen, zonder geweld gepleegd, zal ook, wanneer daartoe geene bijzondere list gebezigd is, met langdurige gevangenis en bannissement gestraft worden.

Derde hoofdstuk. van koppelarij.[bewerken]

Art. 352.

Die hunne eigene vrouwen, eigene of andere onder hunne bewaring gestelde dochteren tot het bedrijven van ontucht verleiden of overgeven, zullen gestraft worden met geeseling, gevangenis en bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te bovengaande den tijd van twaalf jaren.

Art. 353.

Die op eenige andere wijze eerbare jonge dochters, weduwen, of getrouwde vrouwen, tot het bedrijven van ontucht aanzetten en verleiden, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren.

Acht-en-twintigste titel. van schaking.[bewerken]

Art. 354.

Die eene minderjarige jonge dochter, met haren wil, doch tegen dien van hare ouders, of voogden, schaken, het zij met oogmerk om dezen tot toestemmen in hun huwelijk te noodzaken, het zij om de jonge dochter te onteeren, zullen, wanneer de vervoering is vergezeld geweest met eenig geweld, aan de personen of woningen der ouders, voogden of andere opzieners, gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van drie jaren, ten zij het gepleegde geweld zelve volgens andere voorschriften van dit wetboek zwaarder straffe vereischt.

Art. 355.

Die zoodanige personen schaken, welke onder hunne bewaring of opzigt gesteld waren, hoezeer daarbij geenerlei geweld hebbe plaats gehad, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van acht jaren.

Art. 356.

Die een meisje, onder de vijftien jaren oud, schaken, zullen gestraft worden met gevangenis of bannissement, niet te bovengaande den tijd van zes jaren.

Art. 357.

Die, willens en wetens, tot eenige schaking helpen of medewerken, of de geschaakte verbergen, zullen gestraft worden met bannissement, niet te bovengaande den tijd van drie jaren, ook in die gevallen, waarin tegen den schaker zelven geene straf zoude kunnen plaats hebben.

Art. 358.

De voorschriften, in dezen titel vervat, zullen geenszins strekken, om te verminderen de straffen, in dit wetboek gesteld op grove en geweldige beleedigingen, wanneer de schaking in eenig bijzonder geval daarmede mogt zijn gepleegd.

Negen-en-twintigste titel. van het bewijs der misdaden.[bewerken]

Art. 359.

Niemand kan wegens misdaad of overtreding veroordeeld worden, ten zij duidelijk blijke, dat het bedrijf, het welk hem wordt toegerekend, waarlijk heeft plaats gehad, en dat hij daaraan schuldig of medepligtig is.

Art. 360.

Beide deze zaken moeten naar vereisch van het regt, ten genoegen van de regters, volkomen en ontwijfelbaar bewezen zijn; op bloote vermoedens of onvolkomen bewijs mag niemand veroordeeld worden.

Art. 361.

Wettige bewijsmiddelen zijn:

  1. Getuigen.
  2. Schriftelijke instrumenten.
  3. Aanwijzingen.
  4. Bekentenis.

Deze bewijsmiddelen kunnen, zoo wel op zich zelve afzonderlijk, als onderling vereenigd, tot daarstelling van regterlijke zekerheid dienen.

Eerste hoofdstuk. van getuigen.[bewerken]

Art. 362.

Tot een volkomen bewijs door getuigen, wordt ten minsten vereischt de overeenstemmende en beëedigde verklaring van twee bevoegde en onbesproken personen omtrent het geen zij zelve gezien, gehoord en ondervonden hebben, en alzoo bekleed met goede redenen van wetenschap.

Art. 363.

Onbevoegde of min bevoegde getuigen zijn:

  1. Allen, die in burgerlijke zaken voor onbevoegd of min bevoegd gehouden worden om getuigenis te geven, het zij in het algemeen, of in sommige zaken, of ten laste van sommige personen.
  2. Die den ouderdom van twintig jaren niet ten vollen bereikt hebben.

Art. 364.

Zij, die in eenige openbare ambten, posten of bedieningen geplaatst zijn, verdienen in het algemeen geloof, ten aanzien van het geen hun in hunne betrekking is wedervaren.

Art. 365.

Alle getuigenis kan door tegenbewijzen nietig, of uit hoofde van belang of andere omstandigheden verzwakte worden.

Art. 366.

Van de verpligting tot het geven van getuigenis worden vrijgesteld allen, die in burgerlijke zaken zich daar van kunnen verschoonen.

Art. 367.

Over het algemeen moeten de regters met de meeste nauwkeurigheid nagaan, of ook de getuigen eenige beweegredenen hebben om de zaak op deze of gene wijze voortedragen; zij moeten voorts uit de levenswijze, de zeden, den stand der getuigen, hunne wijze van voortdragt, en alle andere omstandigheden, derzelver geloofwaardigheid beoordelen.

Tweede hoofdstuk. van schriftelijke instrumenten.[bewerken]

Art. 368.

Schriftelijke instrumenten kunnen tot bewijs der misdaden dienen:

  1. Wanneer de misdaad in het vervaardigen, teekenen, gebruiken of misbruiken der instrumenten gelegen is.
  2. Wanneer daaruit, het zij op zich zelve genomen, of met andere omstandigheden vereenigd, blijkt dat er misdaad gepleegd is.

Art. 369.

De voorschriften omtrent de onderscheiden kracht van openbare en bijzondere schriftelijke instrumenten in burgerlijke zaken moeten ook in het bewijs der misdaden worden in acht genomen.

Derde hoofdstuk. van aanwijzingen.[bewerken]

Art. 370.

Door aanwijzingen of indiciën worden verstaan alle daden, zaken, gebeurtenissen of omstandigheden, uit welker bestaan en overeenstemming kan worden opgemaakt, dat, op welke wijze, en tot hoedanigen trap misdaad gepleegd is, of wie dezelve bedreven heeft.

Art. 371.

Het bestaan dezer aanwijzingen moet op zich zelve bewezen zijn, het zij door eigen onderzoek of bezigtiging, bij de regters gedaan, door het berigt van deskundige en daartoe bevoegde personen, door getuigen, door schriftelijke instrumenten, of door de erkentenis van den beschuldigden, naar den aard der zake.

Art. 372.

De beoordeling, welke kracht van bewijs de bestaande aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben, wordt aan de bescheidenheid der regters overgelaten. Derzelver geweten wordt op het ernstigst belast met het in achtnemen van de aller uiterste zorgvuldigheid en naauwkeurigheid in dit onderzoek.

Vierde hoofdstuk. van bekentenis.[bewerken]

Art. 373.

Eene bekentenis, door den beschuldigden voor de regters afgelegd, en vergezeld van eene bepaalde en naauwkeurige opgave van zekere omstandigheden, welke ook in het algemeen uit andere bewijsmiddelen bekend zijn, of daarmede overeenstemmen, kan een volledig bewijs van schuld opleveren.

Art. 374.

Eene bloote bekentenis, door geenerlei van elders bekende omstandigheden bevestigd, is nimmer genoegzaam om iemand ter straffe te veroordeelen.

Art. 375.

De herroeping eener beketenis maakt dezelve niet krachteloos, ten zij die herroeping op aannemelijke redenen gegrond zij.

Dertigste titel. van het ophouden der straffen.[bewerken]

Art. 376.

Alle strafvordering houdt op ten aanzien van hen, die overleden zijn, vóór dat eenig vonnis ten hunnen laste is uitgesproken.

Art. 377.

Door den dood des veroordeelden na het uitspraken van het vonnis vervallen alle zoodanige straffen of gedeelten derzelve, welke uit hunnen aard niet meer uitvoerlijk zijn.

Art. 378.

Zinneloosheid, den veroordeelden, na het uitspreken van het vonnis, aangekomen, en vervolgens bijgebleven, doet de uitvoering der straffen vervallen, uitgezonderd de betaling van geldboeten.

Tweede hoofdstuk. van verjaring.[bewerken]

Art. 379.

Alle strafvordering houdt op door verjaring, volgens de bepalingen, welke in dit hoofdstuk zullen worden voorgeschreven.

Art. 380.

De tijd va verjaring vangt aan van het oogenblik dat de misdaad bedreven is, en blijft ongestoord voortloopen, zoo lang de persoon, welke schuldig mogt zijn aan het misdrijf, niet is in regten betrokken.

Art. 381.

Door verloop van een geheel jaar zal vervallen het tuchtigen wegens misdaden of overtredingen, bedreven door kinderen beneden de vijftien jaren oud zijnde.

Art. 382.

Door verloop van vijf jaren zal vervallen alle strafvordering wegens misdaden of overtredingen, begaan door jonge lieden beneden de achttien jaren oud zijnde.

Art. 383.

De verjaring, in de twee voorgaande artikelen vastgesteld, zal geenszins de stade komen aan die genen, welke, zelve ouder in jaren zijnde, tot de misdaden of overtredingen van kinderen of jonge lieden bevorderlijk zijn geweest, of daaraan hebben deel genomen.

Art. 384.

Door verloop van vijf jaren zal insgelijks vervallen alle strafvordering wegens de navolgende misdaden:

  1. Doodslag of manslag, verminkingen, verwondingen, kwetsingen of andere beleedigingen, door het overtreden der grenzen van noodweer, zonder blijkbaren moedwil, gepleegd of toegebragt.
  2. Afdrijving der vrucht.
  3. Het verlaten van kinderen.
  4. Hoon en laster.
  5. Ontvreemding van goederen, zonder oogmerk van voordeel, uit baldadigheid gepleegd.
  6. Beschadigingen van weinig belang, of aan goederen van weinig waarde, of zonder zeer booze inzigten in dronkenschap of dartelheid gepleegd.
  7. Overspel.
  8. Schaking.

Art. 385.

Nog zal door verloop van vijf jaren vervallen alle strafvordering wegens misdaden en overtredingen, op welke bij dit wetboek geen zwaarder straffe, dan bannissement of geldboete is gesteld, of aan de regters overgelaten.

Art. 386.

Door verloop van tien jaren zal vervallen alle strafvordering wegens de navolgende misdaden, voor zoo verre dezelve in de omschrijving van het voorgaande artikel niet zijn begrepen:

  1. Het te vondeling leggen van kinderen, zonder oogmerk van moord.
  2. Tweegevecht.
  3. Bedreiging van brandstichting.
  4. Het beschadigen van goederen, geen waterweringen.
  5. Vervalsching van echte munt.
  6. Misdadige bankbreuk.
  7. Bloedschendinge en andere oneerbare gemeenschap.
  8. Koppelarij.

Art. 387.

Nog zal door verloop van tien jaren vervallen alle strafvordering wegens misdaden of overtredingen, op welke bij dit wetboek geene zwaardere straffen, dan van eerloos-verklaring of gevangenis, zijn gesteld, of aan de regters overgelaten, voor zoo verre daarin, uit hoofde der voorgaande bepalingen, geene kortere verjaring plaats heeft.

Art. 388.

In alle andere misdaden, zal de strafvordering vervallen door verloop van vijftien jaren.

Art. 389.

In moord alleen wordt vastgesteld, dat de genen, die daaraan schuldig zijn, ook na verloop van vijftien jaren mogen in regten betrokken worden, en als dan, in plaats van andere straf, voor altijd zullen gebannen worden uit het koningrijk.

Art. 390.

De onderscheiden tijden van verjaring, bij dit hoofdstuk vastgesteld, zullen ook toepasselijk zijn op misdaden en overtredingen, vóór het invoeren van dit wetboek bedreven, en volgens vorige wetten nog niet verjaard zijnde.

Art. 391.

In het onderzoek naar gepleegde misdaden en ten aanzien van straffen derzelve, zullen de openbare aanklagers en regters ambtshalve op de verjaring moeten acht geven, alware het dat dezelve door den beschuldigden niet wierd ingeroepen.

Derde hoofdstuk. van gratie, abolitie en remissie van straffen.[bewerken]

Art. 392.

Strafvordering kan vervallen, en de uitvoering der straffen kan worden voorgekomen of ophouden, door de uitoefening van het regt van gratie, abolitie of van remissie van straffen, aan den Koning toekomende.

Art. 393.

Wanneer gratie of remissie van straffen slechts bepaaldelijk verleend is, met opzigt tot eene zekere straf in het bijzonder, en met overlating der nadere beoordeeling aan de regters, zullen dezelve daarin moeten volgen dezelfde regels, als in den titel van de straffen, in geval van verligting uit hoofde van verzachtende omstandigheden, zijn voorgeschreven.

Art. 394.

Geene kwijtschelding van straffen, of vermindering van den tijd van gevangenis of bannissement, bij de vonnissen bepaald, zal bij eenige regters mogen verleend worden.

II.[bewerken]

Het tegenwoordig Besluit zal worden gepubliceerd, en in het Bulletin der wetten geïnsereerd.

III.[bewerken]

Onze Minister van Justitie en Politie is belast met de executie van het tegenwoordig Besluit.

Gegeven in ons Koninklijk Paleis te Amsterdam, den 31sten December van het jaar 1808, en van onze Regering het derde. LODEWIJK.

De Minister van Justitie en Politie, C.F. van MAANEN.

[register]