Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Nederl. Tooneelverbond
| ‘Nederl. Tooneelverbond. Afdeeling ’s-Gravenhage’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, zaterdag 1 mei 1886, tweede blad, [p. 685]. Publiek domein. |
Nederl. Tooneelverbond.
Afdeeling ’s Gravenhage.
Onder de mededeelingen, gedaan in de leden-vergadering, welke in het Groot Keizershof gister-avond werd gehouden, behoorde een brief van den heer D. F. Van Heyst, waarin de schrijver van George de Lalaing, graaf Van Rennenberg, aan bestuurders der Haagsche Afdeeling van het Nederl. Tooneelverbond zijn dank betuigt voor de hem aan den avond van 31 Maart ll., tijdens de opvoering van voormeld stuk als feestvoorstelling voor de leden en hun dames, gebrachte hulde. De belangstelling in zijn werk, op zoo hartelijke wijze aan den dag gelegd, zal hem — zoo verzekert de schrijver — „aanmoedigen om nogmaals zijn krachten aan onze vaderlandsche tooneelletterkunde te beproeven”.
Met groote ingenomenheid werd deze mededeeling door de vergadering vernomen.
In het jaarverslag, door den secretaris uitgebracht over den toestand der Afdeeling, wordt hulde gebracht aan de Vereeniging „het Nederl. Tooneel” voor haar medewerking, door het aanbieden van twee feestvoorstellingen in dit seizoen, om de belangstelling in ’t nationaal tooneel levendig te houden. Over ’t algemeen is de Afdeeling in dit voorname deel van haar werkzaamheid niet ongelukkig geweest. Vermeerdering van ledental blijft intusschen wenschelijk, met het oog vooral op de Tooneelschool, die financieelen steun steeds dringender behoeft.
Uit het verslag van den heer A. L. H. Ising, die namens de Afdeeling het voorloopig eindexamen aan de Tooneelschool op 27 Febr. ll. bijwoonde, bleek dat de resultaten van het onderwijs niet onbevredigend kunnen genoemd worden.
De secretaris deed daarop eenige mededeelingen „over de opleiding voor het tooneel te Kopenhagen, in verband met de Tooneelschool te Amsterdam” (zie het relaas van deze voordracht in ons Feuilleton). Op het voorbeeld te Kopenhagen gegeven, achtte de secretaris samenwerking tusschen de directie van de Tooneelschool en het bestuur van het Conservatorium te Amsterdam, uitgaande van de Amsterdamsche Afdeeling van Toonkunst, wenschelijk, zoowel in het belang van de opleiding van leerlingen voor den zang als in dat van toekomstige tooneelspelers. Gaarne erkende hij met de heeren Jacobson en Ising, dat van pogingen om hier een Nederlandsche Opera in ’t leven te roepen, geen heil te verwachten is; maar dit was ook niet de bedoeling van het onderzoek, dat de secretaris door het Hoofdbestuur en de Commissie van Toezicht op de Tooneelschool wenschte te zien ingesteld. Zooals mr. M. De Pinto te recht deed opmerken en later door de heeren mr. I. Telting, Ising en mr. Jacobson werd toegelicht, beoogde men hier geen samensmelting van de Tooneelschool en het Conservatorium te Amsterdam, maar samenwerking van beiden om elkaar in hun gelijksoortig streven behulpzaam te zijn, daardoor meer eenheid te brengen in het onderwijs aan de leerlingen voor het tooneel en aldus voor beide instellingen meer sympathie en medewerking in den lande te verzekeren.
Na eenig debat, waarbij de hh. Ising en Jacobson herinnerden, dat reeds vroeger pogingen door de Tooneelschool-Commissie waren gedaan om samenwerking met het Conservatorium te Amsterdam te verkrijgen, doch dat daarvan nader niets was vernomen, werd besloten, naar aanleiding van de mededeelingen van den secretaris, aan de Haagsche afgevaardigden ter a. s. Alg. Vergadering te Haarlem op te dragen, in de eerste plaats tot het hoofdbestuur de vraag te richten, hoe het staat met die onderhandelingen; in de tweede plaats op de wenschelijkheid te wijzen, dat bij vernieuwing pogingen worden gedaan om bedoelde samenwerking te verkrijgen.
De beschrijvingsbrief voor de a. s. Alg. Vergadering gaf daarna aanleiding tot eenige gedachtenwisseling: 1o. over het belangrijk tekort op de begrooting voor het aanstaande jaar; 2o. over het Tijdschrift, waarvoor thans een minimum post (f 600) is uitgetrokken. De heer F. Netscher meende, dat het beter ware, een Tijdschrift voor het tooneel, waarvoor zoo weinig wordt uitgetrokken, tot betere tijden te schorsen. Hij wenschte daarom in overweging te geven, dezen post van de begrooting te schrappen. De Vergadering kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen. Zij herinnerde den voorsteller aan al hetgeen daaromtrent vroeger is gesproken en voorgesteld, waarbij men steeds tot de conclusie kwam, dat het Tijdschrift niet mocht worden opgeheven, ter wille van de leden in kleinere plaatsen, voor wie deze uitgave schier de eenige band is, die hen aan het Tooneelverbond doet hechten.
Bij de korte bespreking over de posten van de begrooting der Tooneelschool wees mr. Jacobson op het ditmaal niet voorkomen onder de uitgaven van onderwijs in den zang, waardoor des te meer reden bestond om deswege, in verband met de door de Vergadering wenschelijk geachte samenwerking met het Conservatorium, aan het hoofdbestuur inlichtingen te vragen.
Aan de [bestuursled?]en werd een vrij mandaat gegeven voor [de vorming] van hoofdbestuurders, leden van de Com[mmissi]e van beheer en toezicht over de Tooneelschool en van een redacteur voor het Tijdschrift.
De Vergadering benoemde daarna tot iid van liet Bestuur mr. A. A. De Pinto; tot afgevaardigden ter Alg. Vergadering, nadat de heeren Telting, Haaxman en Netscher verzocht hadden niet in aanmerking te komen, de heeren J. C. Van B[oxt?]el, A. Ising, E. Jacobson Servatius, D. F. Van Heyst en mr. M. De Pinto.