Naar inhoud springen

Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Persbeschouwingen

Uit Wikisource
‘Persbeschouwingen’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, zaterdag 1 mei 1886, tweede blad, [p. 685]. Publiek domein.
[ 685 ]

Persbeschouwingen.

In een zeer woordenrijk betoog verklaart De Std., van heeler harte mee te gaan met hetgeen dezer dagen het obstructionisme der rechterzijde is genoemd. Nu de liberalisten, opzettelijk en met voorbedachten rade, de samenstelling der Tweede Kamer vervalscht hebben en vervalscht willen houden; nu [ze] daardoor belet hebben, het volk op betere paden te leiden; nu mag althans belet worden, ons volk [nog] dieper te bederven; nu de liberalisten door vervalsching van de stembus beletten, ons land en volk goed te doen, nu moet hun althans belet worden, dat ze ons volk nog erger kwaad berokkenen.
Een onderdeel van ditzelfde artikel maakt uit [de] beschuldiging tegen de zg. liberalen ingebracht, dat zij, na fiasco maken van de Liberale Unie, [tot] chargeeren besloten hadden; en dan wordt daar[om] deze verklaring van het woord chargeeren toegevoegd:
Ge begint dan met allerlei ruwe grofheden aan uwe tegenstander naar het hoofd te slingeren. Ge doet morgen hetzelfde, maar nog erger. Overmorgen nog doller. En zoo eens over den dam, holt ge maar door en schreeuwt hem na, en jouwt hem uit, en stapelt alle scheld- en lasterwoorden tegen hem op een. En, of men tegenpraat, ge gaat maar door en slaat maar door. Altoos chargeerend, aldoor voor al wat leelijk is uitmakend. Ge tast eer, naam en karakter aan. En eindelijk brengt ge het zoo ver, dat onder de min-nadenkende, weinig lezende, niet op de hoogte zijnde lieden, van zelf de opinie post vat: „Hij moet wel een pest van het vaderland zijn van wien men zooveel zeggen durft!”
„De kunst van dat chargeeren verstonden uitnemend de Farizeeën in Jezus dagen.”
Is het niet alsof De Std. hier een bladzijde uit haar eigen geschiedenis heeft geschetst?
Of is dat stelsel van chargeeren niet, letterlijk zoo als het daar verklaard wordt, door haar zelve op de conservatieven toegepast?

*

Zonder den naam van het Wag. Wbl. te noemen, geeft De Standaard heden toch een repliek op de opmerking, door eerstgenoemd blad gemaakt, dat de samenwerking van alle anti-liberalen, nu voor de Staten-verkiezing verlangd, in strijd is met art. 21 van het anti-revolutionnair program. De Std. zegt namelijk: „voor de Provinciale Staten moet anders gehandeld dan voor de Tweede Kamer”. Daarna drie eischen stellende voor een Staten-verkiezingsprogram, waarbij ook hun qualiteit als kiescollege voor de Eerste Kamer niet vergeten wordt, zegt De Std., dat de antirevolutionnaire partij samenwerking kan verlangen omdat het om verandering van régime te doen is, en dan ook van een iegelijk, die haar in haar strijd tegen de suprematie van het liberalisme in de Eerste Kamer wil steunen, medewerking verlangt, omdat het tot de verandering van régime niet komen kan of er moet tact en overleg zijn.
Het wordt ons door deze redeneeriqg niet duidedelijker, hoe de nu voorgestelde samenwerking te rijmen is met art. 21, dat het stellen van eigen candidaten voorschrijft bij „de staatkundige verkiezingen”, waartoe toch ook wel die, waarvan de samenstelling der Eerste Kamer afhankelijk is, zal moeten gerekend worden; en, omgekeerd, evenmin waarom, is hieromtrent afwijking geoorloofd, deze niet, evenzeer als tegen de suprematie van het liberalisme in de Eerste Kamer, tegen de suprematie van het liberalisme in de Tweede Kamer zou mogen, zou moeten, ja met meer reden nog zou behooren gekeerd te worden.
Hierover blijft de nevel met toemende dichtheid hangen.

*

Bevoorrechte schuld: voorrang van schuld-kwijtiug, krachtens wettelijk privilege. Zij is, trots de veeljarige praktijk bij faillissementen, door de Rechtbanken te Amsterdam en te Rotterdam ontzegd: door de eerste aan een boekhouder en daarmede in beginsel aan alle kantoorbedienden; door de tweede aan alle bedienden of werklieden, die in de handleszaak, de fabriek of het bedrijf arbeiden. De N. R. Ct., aan die feiten eenige beschouwingen vastknoopende, acht hier de tusschenkomst van den wetgever zeer noodzakelijk. Immers wat thans voor de handelsbedienden is beslist, kan morgen geldend gemaakt worden in zaken, waarbij de belangen der werklieden betrokken zijn. In welke richting zal de wetgever die tusschenkomst hebben te verleenen? In 1838, in hetzelfde jaar waarin wij hier te lande ons Burgerlijk Wetboek invoerden, dat op dit punt het Fransche Wetboek naschreef, werd in datzelfde Fransche recht en wel ook wegens de onzekerheid der jurisprudentie, de categorie der bevoorrechten uitgebreid tot de ouvriers en de commis, d. i. juist tot die personen waarover het geschil loopt.
Voorts komt in aanmerking de jarenlange praktijk van onze faillissementen, die wel gelden mag als sprekend bewijs voor bet bestaan van een rechtsovertuiging in dezen zin, waarbij de wetgever zich dan heeft aan te sluiten. In ons Strafrecht komt bij „diefstal in dienstbaarheid” dezelfde uitdrukking voor, welke de quaestie van bet privilege beheerscht: „hommes de service”, met zoo ruim mogelijke toepassing op „handelsbedienden, winkelbedienden, enz.” Met het rechtsgevoel der leeken nu is het niet overeen te brengen, dat bij het gunstige privilege een bekrompen, bij het ongunstige een ruime opvatting van een en hetzelfde woord kan gelden.
Maar pleiten ook nu ook rechtsgronden voor een uitbreiding van het privilege in den zin der Fransche wetsherziening van 1838?
Bij de samenstelling van den Franschen Code gold, ter aanprijzing van het algemeen privilege der „gens de service”, der dienst- en werkboden van ons Wetboek, het motief van menschlievendheid, niet voor de dienstbaren, maar voor den meester. Deze laatste mocht niet, juist in de hachelijkste oogenblikken, van zijn dienstpersoneel beroofd worden, hetgeen het geval zou kunnen zijn als dat personeel niet in hetgeen het in het bezit van den meester ziet, te goeder trouw ook het onderpand voor het loon kon beschouwen. Maar dat motief, ten behoeve van den patroon, geldt dan ook in meerdere mate nog voor den kantoorbediende, den boekhouder en voor winkelbedienden en werklieden in eenig bedrijf.
Het keeren van het gevaar van een plotselinge werkstaking van het personeel, wegens gemis van vertrouwen in de loonsbetaling, is voorts het belang van de massa, van alle crediteuren samen, dat immers betrokken is bij de vermeerdering van het vermogen van den patroon door den arbeid van het dienstbaar personeel. Maar beter dan allerlei onmogelijke onderscheidingen in de wet te schrijven, is een beperking alleen van het bedrag, waarvoor het privilege kan worden ingeroepen en dat er den druk van tempert, terwijl het privilege in zijn algemeenheid blijft. Dit geldt zoowel van de kantoorbedienden als van alle werklieden, hoe ook onderscheiden, omdat alle werklieden hun aandeel hebben in de voortbrenging van het geheel. De eenige beperking ligt derhalve in het bedrag. Door den voorrang te verbinden aan een achterstand van niet meer dan drie maanden, voor enkelen misschien van zes maanden, zou de wet ver genoeg gaan. Ook bij voorschotten aan kantoorbedienden of werkmeesters ga de wet stellig niet buiten de grenzen van hetgeen in billijkheid naar de usanties daaronder kan worden begrepen. Eindelijk zal de bediende, die door kwade trouw of grove slordigheid de zaak of den boedel benadeelde, zijn voorrecht moeten verliezen.