De Avondpost/Nummer 9245/Meditaties aan de grenzen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Meditaties aan de grenzen [6]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Zaterdag 3 juli 1915
Titel Meditaties aan de grenzen. (VI. Slot). De Toekomst van den Mensch in verband met den oorlog
Krant De Avondpost
Jg, nr ?, 9245
Editie, pg Ochtend-editie, [A 1]
Theo van Doesburg Meditaties aan de grenzen 6.jpg
Datering 1915
Opmerkingen Vervolg op Meditaties aan de grenzen [5]
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

Meditaties aan de grenzen

door

THEO VAN DOESBURG.

(VI. Slot).

      De Toekomst van den Mensch in verband met den oorlog.
      Het leven beweegt zich stuksgewijze vooruit, kleine domheden worden geboet met slagvelden vol lijken. Kleine onwetendheden met degeneratie van geheele geslachten. De minste overtreding aan de wetten van energie en vooruitgang, wordt betaald met eeuwen van duisternis en bijgeloof. Het kleinste woord, verkeerd uitgesproken, kan het evenwicht waarin volkerengroepen tot elkaar staan, verbreken.
      De volkeren, eeuwenlang verbonden door politisch schijnvertoon en in evenwicht gehouden door karakter-elementen, die algemeen als slecht en schadelijk voor het individu gelden, — doch welke elementen op de massa als ’t ware ’n hypnotische kracht hebben en voor goed gehouden worden, — hebben een samenleving opgericht, waarin de individuen noch elkaar begrijpen, noch vertrouwen.
      We zijn nu het oogenblik genaderd, dat we dit alles met elkaar in botsing zien komen. Het bloed vloeit tot aan de grenzen van ons blank land. Wat gebeurt er nu eigenlijk? Onafzienbare massa’s trekken op om hunne eigen fouten, die onherstelbaar zijn, te wreken. Het zijn niet de fouten van zekere volkeren. Neen, heusch niet! Het zijn onze eigen individueele fouten, die inferieure bestanddelen van onzen menschen-aard, die dat alles voorbereidde en uitvoert.
      ’t Is niet gering. ’t Is niet oppervlakkig. We kunnen er ons niet uitspraten!
      De fout schuilt niet bij die of die mogendheid. Neen. De fout schuilt in ons zelf.

      De mensch heeft wel de uiterlijke, maar niet de innerlijke natuur overwonnen.

      Er zijn geen denkers onder ons. Te veel slapers. En te veel droomers. We heb en denkers noodig. De Gedachte overwint de natuur. Ook de vorm van strijd, dien wij oorlog noemen, kan slechts door de Gedachte vernietigd (of vervormd) worden.
      De gekweekte bloem ontstaat uit de wilde bloem; de gekweekte bloem is de wilde bloem, de idee van den tuinman. De wilde, de roode bloem van den oorlog zal bloeien, zoolang wij geen verstandige tuinlieden zijn.

      Er is Oorlog! Dat beteekent: de balans van ons denken, voelen en handelen wordt opgemaakt.
      Het bloed vloeit. Er is ’n tekort. We hebben niet genoeg gewoekerd met talenten die het Leven ons gaf. We hebben het denken verwaarloosd. We hebben geslapen. En de oorlog komt op zijn teenen binnen en haalt de rust en den vrede en het geluk uit ons huis.
      Elk oogenblik dat wij inslapen verzwakt de Energie. De groote wereldenergie die ons wil redden.

      Wie denkt, baart.

      Wie Vrede denkt, baart Vrede.
      Wie Liefde denkt, baart Liefde.
      Wie Oorlog denkt, baart Oorlog.
      Komt, laten wij denken leeren, laten wij vrede leeren denken.
      Wie baart, heeft pijn. Komt, laten wij de pijn van het denken niet vreezen.
      Het denken komt voort uit het Voelen. Het Handelen komt voort uit het Denken. Het voelen is 1. Het denken is 2. Het handelen is 3. Het is alzoo niet genoeg dat wij voelen en denken. Wij moeten ook handelen. We beweerden verschillende middelen tegen den oorlog te hebben. Vrede door Recht; door Christendom; door Socialisme; enz. Maar het voornaamste middel hebben wij vergeten: Vrede door Denken.

      Daaruit alleen kan het Geluk komen! De nu zoo verafschuwde vorm van strijd, de oorlog, zal ’n verstandelijken vorm bekomen en zich vergeestelijken.

      Vergeestelijking is immers het doel van ons leven!

      Van al de middelen, die wij tegen den oorlog hadden, blijkt er niet één goed. Waaraan ligt dat dan? Ligt het aan de middelen? Neen. Het ligt aan de toepassing der middelen. We hebben water gegoten in olie en niet gedacht, dat de olie boven drijft. Het zou zich wel vermengen. De toepassing deugde niet. Hebben we dan misschien bij het samenstellen der middelen iets vergeten?
      Ja, waarachtig!
      Wat dan?
      Den mensch.
      Wij hebben geen rekening gehouden met de hartstochten. En waarom niet? Omdat we de domheid begingen de hartstochten als dierlijk te verklaren. En dat zou nog niets zijn, ook dat is door „denken” te overwinnen. Maar veel erger is het dat wij dat „dierlijke” element als „zondig” beschouwd hebben.

      Daar schuilt de fout. Nergens anders.
      Slechts één middel bestond om de kracht der hartstochten te temperen: denken.

      Zij die medicijnen bereid hebben door alle eeuwen heen, zij die getracht hebben de menschen aan dien gouden draad van het goddelijke vast te hechten, zij hebben een voornaam element vergeten. In de medicijnen hebben zij het bloed vergeten; en de gouden draad raakte in de hartstochten verward.

      Er zijn recepten geschreven alle eeuwen door, er zijn medicijnen bereid, alle eeuwen door . . . voor engelen, niet voor menschen. Vandaar, dat de medicijnen niet voor allen geschikt waren.
      Ze hebben geen rekening gehouden met den paria, die langs de spoorlijnen, de stranden en de slooten krengen van dieren opvischt om daarmee zijn honger te verzadigen.
      Ze hebben geen rekening gehouden met hen, die in het martelen van mensch en dier, hunne liefde gevoelen.
      Zij hebben geen rekening gehouden met de opgeblazenen, die werkvolk laten sloven in fabriek boven zijn krachten.
      Enfin, ze hebben geen rekening gehouden met de Werkelijkheid.

      Wee dan het oogenblik waarin de hartstochten in den vorm van oorlog naar buiten breken! Wee dan, wanneer de „werkelijkheid” als ’n vlam uit de smeulende asch van het Idealisme naar buiten laait.
      Welnu, deze vlam, zij grijpt om zich heen. En tegelijk met steden en menschen verbrandt zij ook het dwaze Idealisme.

      Dààrom is dit het tijdperk waarin het Idealisme vernietigd wordt.

      Men kan geen Vrede stichten op de hartstochten (vooral niet wanneer deze heimelijk werken) der menschen.

      Vrede kan men slechts bouwen op de Gedachte.

      De toekomstige verlossing van den mensch schuilt in het denken. Dit is de groote schat, welke onuitputtelijk de schoonste en heerlijkste dingen kan voortbrengen. De hoedanigheid der dingen, welke men uit het Denken voortbrengt, hangt slechts af van de richting waarin het denken wordt toegepast.

      Het Denken, bewogen in de richting van Oorlog, brengt oorlog voort. In tegenovergestelde richting bewogen, ontstaat Vrede.
      Elke uiting van het menschelijk leven zal aan het Denken getoetst worden.
      Het denken zal beleden, onderwezen, verheerlijkt en voortgeplant worden.
      Zoo zal de groote Harmonie mogelijk zijn. Elk gevoel, elke handeling zal aan de logische gedachte voorgelegd worden. En dit zal de verlossing brengen; de zuivering. Hierdoor zullen de hartstochten, de aandoeningen, enfin: alles gereinigd en gelouterd worden.
      En het groote evenwicht, dat nu verbroken, — of beter: nog niet ontstaan, — is, door domheid, veroordeel enz., zal tot stand komen.

      Een der grootste fouten in het menschelijk denken was de idee van „den mensch als gevallen engel”.
      Deze „goddelijke” mensch was ’n fout. Hoe kon het anders dan tot zulke gruwelijke botsingen als oorlog komen?
      Gebaseerd op eeuwenoude traditie van verouderd religieus gevoel, bleef te lang in stand de gedachte dat de mensch, van engelachtige geboorte zijnde, verdreven werd uit het paradijs (volslagen onwetendheid).
      Dit uitgangspunt van den mensch als „supra-natuur”, doch gekomen tot „inférieure natuur” (het eten van den boom der kennis = denken) is juist het tegenovergestelde der Werkelijkheid.
      Indien het tegenovergestelde het uitgangspunt ware geweest: de mensch uit den wilden staat (3/4 inférieur) moet door ’t tegenovergestelde vaan onwetendheid = door denken, zijne oernatuur veroveren en overwinnen, dan was er nimmer eene zondig-verklaring der hartstochten uitgesproken, deze waren niet smeulend gebleven, maar waren direct (zooals eerst heden geschiedt) als ’n vlam uitgeslagen.
      De cultuur had vele eeuwen gewonnen.
      Had de mensch het „lagere” erkend, hij was bij het „hoogere” aangeland. Terwijl hij echter uitging van den engel, most hij wel bij het dier aanlanden.
      Met Darwin en Nietzsche begon de groote beteekenis door te breken van de menschelijke vernedering. Alleen uit deze vernedering, — ik was dier en moet god worden, — kan de mensch zichzelf gaan kennen en zijn inférieure natuur door het denken overwinnen.
      De groote fout in het menschelijke denken heeft natuurlijk groote fouten in leven en handelen te weeg gebracht. De geschiedenis der menschheid, — vooral van de Renaissance, — zal ons duidelijk maken tot welk een overdreven heerschzucht deze fout geleid heeft.
      Maar de toekomst zal het anders leeren. Zij zal van uit de zelfvernedering den waren trots van het denkend bewustzijn voortbrengen.
      Zij zal de individualiteit verzekeren. Zij zal het harmonisch en toch zelfstandig denken voortbrengen.
      Zij zal het leven, de hartstochten erkennende, vergeestelijken en zoodoende een nieuwen vorm vonden voor den grooten levenswedstrijd.
      Zij zal haar leer putten uit de werkelijkheid en het geraas der kanonnen zal de gedachte niet meer afleiden.
      Goïrle, 1915.