De Génestet/Aan een lid der Kommissie tot afneming van het weleer beruchte staatsexamen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

<poem> Aan een lid der Kommissie Tot afneming van het Weleer beruchte staats–examen

Deed weleer aan Kreta’s stranden Hellas’ kroost u watertanden, Bastaard van Pasiphaê: Wreeder monster spert zijn kaken Om een dichter klein te maken Aan de kust der Zuiderzee!

Deed Peloponnesisch woeden Hellas’ ingewanden bloeden, Van haar roem en rang ontzet: Wat zijn driemaal tien tirannen, Bij de Zwolsche Zevenmannen, Wat Lysander bij Cobet? –

Dacht weleer in Spaansche dagen De Inquisitie duizend plagen Voor den armen zondaar uit... Helscher foltring, wreeder schroeven Gaan die Heeren straks beproeven Op mijn sidderende huid!

    Vóór mijn Staats–examen. 

Een zangrig knaapje, thans verlost

   Van al zijn zorg en pijn,

Al heeft het zeeën zweets gekost

   En ankers eendenwijn;

Een vroolijk kind van zestien jaar,

   Vol liefde en levensgloed,

Ontworsteld aan zijn doodsgevaar,

   Zendt u zijn jubelgroet.

Lang zweeg mijn lier in ’t vunze stof,

   In zak en asch en rouw,

Maar nu ontwaakt zij tot uw lof,

   Gegeven woord getrouw!

Maar nu ontwaakt ze wel te moe,

   Mijn jonge, versche luit,

En brengt u fluks haar feestgalm toe,

   En stort haar danklied uit!

Mijn kloppend hartjen in de knel,

   Mijn boezem gansch vervaard,

Mijn lichaamslijtend zenuwstel,

   ’t Is alles nu bedaard.

Maar onbedaarlijk bleef mijn drift,

   Mijn opgewonden gloed.

Eén zenuw is mijn citerstift,

   Eén bruisend lied mijn bloed!

Hoe weeldrig ruischt nu Flaccus’ luit

   Mijn stille wanden door,

En kweelt van Lydia, de bruid,

   Mij zoete liedjes voor.

Ik voel mij dichter, vrij en blij,

   Bij ’t klinken van dien toon,

Een ding, verliefd van poëzij,

   Naar ’s dichters lauwerkroon!

Neen! neen! uw vriendschap is mijn kroon...

   En andre verg ik niet;

Geen frissche lauwer bloeit zoo schoon;

   Uw naam vervul mijn lied!

’k Heb, u ter eer, meer kelken wijn

   Dan ’k bekers water dronk,

Gevuld – geleegd, op ’t blij festijn,

   Waar luid uw naam weerklonk!

O wist gij, welk een heldre taal

   Daar uit uw blikken sprak,

Toen in die groote, holle zaal

   Mijn hart van weedom brak;

Toen ’k riep: Odéons zaalgewelf

   Zink op den stomling neer! –

Toen ’k twijfelde aan mijn ikheid zelf,

   Als aan de fabelleer.

Uw blik was noordstar voor mijn ziel;

   Kompas op d’ oceaan;

Een vuurbaak der verdoolde kiel

   Bij ’t bruisend golvenslaan.

’k Was haast in eigen drift gestikt,

   Uw hand hield mij omhoog!

Uw vriendschap heeft mij meer verkwikt,

   Dan watertoog bij toog.

En holde ik, als een schichtig ros,

   Itaalje en Hellas door,

Nooit liet uw hand den teugel los,

   Maar hield mij steeds in ’t spoor.

Gij hebt d’ ontembren knaap getemd,

   Hoe bandloos, woest en wild,

Den bergstroom, in zijn vlucht, gestremd, –

   Neen meer! mijn angst gestild!

En dies, ik zweer bij d’ ouden Styx,

   Bij d’ onderaardschen troon,

Of erger nog bij pi en x,

   Bij ’t ondergaan der Westerzon,

Voor ’t Gotisch roovrenzwaard,

   Bij ’t lange haar van Klodion,

En Meroveüs baard!

Ja, ’k zweer u bij den duursten eed:

   (Een eed in de elfde macht!)

Dat ik mijn algebra vergeet,

   Mathesis diep veracht!

Dat ’k eenmaal druipe als ’t grootste lek,

   In mijn promotiekleed,

Ja, – breek de zenuw van mijn nek

   Zoo ’k immer u vergeet!

Vergeten? – hoe, wie uit dien klank,

   Dien rauwen dissonant?

Vergeef, o lievling van mijn zang,

   Nog eens mijn onverstand!

Gij waart mijn goede geest, mijn vriend,

   Mijn onvergeetlijk waard!

Uw trouwe zorg heeft meer verdiend,

   Maar ’k heb niet meer – Aanvaard!

Nu zweef, o lied, o wensch, o beê

   Eens boezems, meer dan vol,

Vlieg over IJ en Zuiderzee,

   Naar ’t overdierbaar Zwol!

Daar Muze, vindt ge een huis, een hart,

   Ga onbeschroomd, mijn lied!

Heeft mijn Latijn dien blik getart....

   Mijn verzen vreezen niet.

O zie met de eigen vriendschap neer,

   En luister naar mijn toon,

En vraag en eischt gij altoos meer,

   Dát zij mijn heerlijkst loon.

Ja dan wellicht, bij ’t knappend vuur

   In ’t hoekje van uw haard,

Wordt menig vers in ’t avonduur

   Kritiek en schertsch bewaard!

Maar zoo mijn hart, u trouw verknocht,

   Mijn onvermoeide luit

Haar teêrste wenschen slaken mocht!

   Dan riep ik schaatrend uit:

Uw vriendschap blijf mijn loon, mijn kroon!

   En – noem die wensch niet laf! –

Neem gij nog eens mijn oudsten zoon

   Zijn Staats–examen af!

Gij vindt het immers niet kinderachtig, dat ik deze herinnering van een zoo interessante periode uit het ... jongensleven heb laten drukken?

De „jongelui van tegenwoordig” – hoe gek! – mogen hieruit leeren, hoeveel angsten wij hebben doorstaan, maar ook hoeveel pleizier gehad.... eer de poorte der Akademie ook voor zuigelingen ontsloten werd. Het versje is geïnspireerd door de innemende wijze, waarop het négerend examen werd afgenomen. De zinspelingen zijn alle historisch. Het heugt mij nog levendig hoe grappig en akelig ik reed op mathesis cum suis, en hoe serieus ik onder de eerste Frankische Koningen ook „Klodion den langharige” noemde, alsof de man mij bijzonder interesseerde.