De Gooi- en Eemlander/Jaargang 67/Nummer 189/Het kasteel "De Haar" te Haarzuilen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het kasteel „De Haar” te Haarzuilen
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 14 augustus 1938
Titel Het kasteel „De Haar” te Haarzuilen. Indrukwekkend monument in de provincie Utrecht. Een trouwe voorstelling van een laat-middeleeuwsch slot door de reconstructie van Dr. P.J.H. Cuypers
Krant De Gooi- en Eemlander
Jg, nr 67, 189
Editie, pg [Dag], zondagsblad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Het kasteel „De Haar” te Haarzuilen

Indrukwekkend monument in de provincie Utrecht

Een trouwe voorstelling van een laat-middeleeuwsch slot door de reconstructie van Dr. P.J.H. Cuypers

      De provincie Utrecht is trotsch op het kasteel De Haar. En geen wonder! Immers, al is slechts een deel van het nieuwe kasteel het overblijfsel van de oude Haar, in zijn reconstructie heeft de bouwmeester ons een trouwe voorstelling van een laat-middeleeuwsch slot gegeven, terwijl bovendien het indrukwekkend bouwwerk een schat van kunstwerken en kostbare meubelen uit middeleeuwschen en lateren tijd bevat, die men er had kunnen vinden indien het zonder de rampen, die het getroffen hebben, gedurende den loop der eeuwen in goeden staat behouden was gebleven.
      Ouderen van dagen, die het traject Harmelen–Utrecht of Harmelen–Breukelen aflegden, zullen zich nog wel herinneren hoe er tusschen het geboomte een uitgestrekte ruïne zichtbaar was, totdat in 1893 op die zelfde plek een kasteel met spitse torendaken de aandacht trok: het slot De Haar of Haarzuylens, het grootste thans nog bestaande feodale kasteel van ons land.
      Een jaar te voren was er geen dak, geen balk, geen stuk hout te zien. Door de gaten der deuren en vensters blies de storm, de regen stroomde aan alle kanten binnen, het ijs der grachten had den voet def zware muren in zoo ernstige mate ondermijnd, dat een der vijf torens in de lengte middendoor gescheurd en voor de helft was ingestort. Op de puinhoopen groeiden struiken, ja, zelfs hooge boomen. Het geheel maakte ongetwijfeld een schilderachtigen indruk, maar gaf tevens een gevoel van weemoed bij de gedachte, dat een onzer voornaamste en omvangrijkste historische monumenten, dat voor de eeuwigheid gebouwd scheen, door nalatigheid en onverschilligheid tot vernietiging was gedoemd.


De Gooi- en Eemlander vol 067 no 189 KASTEEL DE HAAR. – De voorzijde der poortgebouwen, het zoogenaamde "châtelet".jpg

KASTEEL DE HAAR. – De voorzijde der poortgebouwen, het zoogenaamde
„châtelet”.



      Het trok zelfs niemands aandacht meer. Bijna de eenigen die het oude slot bezochten, waren.... Utrechtsche studenten, die in de donkere kelders van het kasteel geheimzinnige ceremonieën hielden.
      Gestadig werd het slechtingswerk der natuur voortgezet; de ringgrachten werden meer en meer met brokken metselwerk gevuld en door regen en storm losgerukt.
      Omstreeks 1888 wijdde jhr. Victor de Stuers zijn aandacht aan het monument. Hij liet het nauwkeurig opmeten, in teekening brengen en photografeeren. En toen een voorloopig plan van restauratie was opgemaakt, wist hij Etienne baron van Zuylen van Nijevelt van de Haar te Parijs gehuwd met Hélène baronne de Rotlischild – die zich tot taak had gesteld om het voorvaderlijk kasteel in zijn ouden luister te herstellen en het naar de behoefte van den nieuwen tijd en het moderne leven in te richten – te bewegen dit grootsche werk toe te vertrouwen aan den beroemden Nederlandschen bouwmeester Dr. P. J. H. Cuypers, die weldra met zijn zoon, den ingenieur-architect Joseph Th. J. Cuypers aan het werk toog.
      Met de grootste zorg en nauwgezetheid werden gedurende vijf jaren alle hier en daar aangetroffen bijzonderheden verzameld om den oorspronkelijken toestand te reconstrueeren, en in vijftien jaar tijds was het uitgebreide gebouw uit zijn puinhoopen verrezen en was ons land een monument rijker geworden dat zoowel uit historisch als uit artistiek oogpunt met eere mag worden genoemd.


De Gooi- en Eemlander vol 067 no 189 KASTEEL DE HAAR. – De buitenste toegangspoort.jpg

KASTEEL DE HAAR. – De buitenste
toegangspoort
.


De Haar en de familie der Zuylens.

      De oudste betrouwbare mededeeling omtrent De Haar dateert uit het jaar 1312, toen het kasteel en de heerlijkheid in het bezit waren van Godschalk van Woerden, den broeder van den beruchten samenzweerder tegen Floris V, Herman van Woerden, welke Godschalk den naam Van de Haar aannam. Tot 1440 is het kasteel daarna in het bezit van de Woerdens van de Haar gebleven.
      De laatste heer van De Haar uit dit geslacht, Werner, stierf, in dat jaar, kort nadat hij meerderjarig was geworden, waarop zijn zuster Josina, in 1434 met Dirk van Zuylen gehuwd, zijn erfgenaam werd en goed en heerlijkheid in het bezit van het geslacht van Zuylen bracht, waarin het, met enkele onderbrekingen (trouwens bijna steeds alleen naar den naam, niet naar den bloede) tot den huidigen dag gebleven is. De zoon van Dirk en Josina, die den naam van den vader droeg, nam ter onderscheiding van andere takken van het geslacht den naam Van Zuylen van de Haar aan.
      Van de verschillende wederwaardigheden betreffende het kasteel – ook de sagen en legenden spelen hierbij een rol – willen we slechts melden, dat in de jaren van de bezetting der provincie Utrecht door de troepen van Lodewijk XIV (1672–1673) De Haar het lot onderging van zoovele Stichtsche kasteelen: het werd door de Franschen totaal geplunderd en daarna in brand gestoken. Slechts ten deele hersteld, zal het daarna vermoedelijk een minder geriefelijke woning zijn geweest voor de minderjarige Antoinette Gijsbertha van Renesse van Zuylen van de Haar, die toen Vrouwe der heerlijkheid was en door den oorlog groote financieele verliezen had geleden. In 1679 trad zij in het huwelijk met een edelman uit Luik, Antoine de Stembor, heer van Isschot, en door dit echtpaar – dat aan vier kinderen het leven schonk en het vermogen der Zuylens van de Haar weer zoo goed mogelijk herstelde – werden de betrekkingen tusschen de Noord- en Zuid-Nederlandsche Zuylens nauwer aangehaald. Als gevolg daarvan heeft Antoine Martin zijn achterneef, Jean Jacques Ghislaîn baron van Zuylen van Nijevelt, uit Brugge, waarschijnlijk als zijn erfgenaam aangewezen, hem naar Utrecht geroepen, waar hij in 1788 baronnesse De Wyckerslooth huwde (welk huwelijk kinderloos bleef), en na wier dood in 1815 hij twee jaar later te Brugge, waar hij zich weer had gevestigd, na bekomen dispensatie, ten tweeden male in het huwelijk trad met een volle nicht Van Zuylen van Nijevelt. Een zoon uit dit huwelijk kreeg, toen hij zich in den echt verbond, in 1843 van zijn ouders de heerlijkheid en het kasteel De Haar ten geschenke, dat evenwel in het huwelijkscontract nadrukkelijk een „construction en ruines” wordt genoemd. Van dezen is Etienne Gustave Frédéric baron Zuylen van Nijevelt – dien we zooeven reeds noemden – de oudste zoon, die in 1890 de erfgenaam werd van het kasteel De Haar.

De restauratie door Dr. Cuypers

      Vurig bewonderaar van Viollet-le-Duc, die de bouwvallen van het bekende kasteel Pierrefonds in Frankrijk tot een trotschen burcht herschiep, is het begrijpelijk dat Dr. Cuypers met groote vreugde een zijner lievelingsdenkbeelden in vervulling zag gaan: in zijn vaderland een dergelijk monument te scheppen, nu de geweldige kosten die de opbouw zou vereischen, in dit geval geen beletsel waren. Volgens Dr. Cuypers’ eigen woorden heeft hij het bij de restauratie van het kasteel De Haar als zijn taak beschouwd, de gebouwen in den staat te brengen, waarin zij zouden verkeerd hebben als de eigenaars het steeds hadden bewoond, en den Zuid-Oostelijken vleugel, die niet werd opgebouwd doch waarvan slechts de gewelven van den onderbouw bestonden, te voltooien zooals dit geschied zou zijn vóór de zestiende eeuw. Bovendien had hij rekening te houden met de eischen van het moderne leven en de huidige behoeften, aan comfort en luxe van een familie die tot de hoogste kringen behoort, nochtans zonder geweld te doen aan de archeologische en aesthetische wetten en zonder de historische herinneringen te schaden.
      Talrijke bezwaren moesten overwonnen worden, en ongetwijfeld zal het bij geen van Dr. Cuypers’ andere monumentale werken voor den bouwmeester moeilijker geweest zijn de mystieke schoonheid der middeleeuwen aan te passen aan de eischen van dezen modernen, practischen tijd.
      Op bewonderenswaardige wijze heeft de bouwmeester zich van zijn taak gekweten, en uit Dr. Cuypers’ schepping spreekt zulk een machtige fantasie, dat aan eenige bedenkingen die men zou willen uiten, het zwijgen wordt opgelegd. De middeleeuwsche toegangspoort tot het kasteelpark, geflankeerd door twee torens, is misschien minder gelukkig gedacht. De parken werden om kasteelen aangelegd, toen deze hun militaire beteekenis hadden verloren en een kasteel-eigenaar zal vermoedelijk geen dergelijke poort laten bouwen bij den ingang van zijn park, waarin men elders op vele plaatsen gemakkelijk toegang kan verkrijgen. Links van deze poort bevindt zich een ruime hof, waarlangs een rechte oprijlaan in Noordwestelijke richting voert. Plotseling buigt deze zich met een rechten hoek naar het Oosten om, en weldra staan we voor het poortgebouw, opgetrokken op de fundamenten van den „voorburcht” – die men bij vele kasteelen vindt en dikwijls een versterking op zichzelf vormden – welke men bij het graven der grachten heeft gevonden. Eigenlijk kan men het moeilijk meer een poortgebouw noemen, sinds het Zuiden van den poortdoorgang belangrijk werd uitgebreid ten behoeve van Hélin, den oudsten zoon van baron Van Zuylen, die op De Haar wilde gaan wonen, maar het kasteel zelf te groot vond. Van dat plan is echter niets gekomen: een auto-ongeluk maakte helaas in 1912 een einde aan het leven van dezen jongen man.
      De oorspronkelijke toegang tot het kasteel bevond zich aan de zijde van het poortgebouw, van waaruit nu het slot over een overdekte brug is te bereiken. Maar de hoofdingang is thans aan de Noordoostzijde, waarvoor de „cour d’honneur” is aangelegd die men van het „châtelet” – zooals het vergroote poortgebouw niet ten onrechte gewoonlijk genoemd wordt – langs de „cour militaire” over een valbrug bereikt. Een dergelijke brug moet men overgaan, eer men de stoep voor de hoofddeur kan betreden.

Als een sprookje....

      Ook inwendig is het kasteel als een slot uit een sprookje.
      Er zijn gelijkvloers grootsche zalen met


De Gooi- en Eemlander vol 067 no 189 KASTEEL DE HAAR. – De fraaie wandversiering in de feest- of balzaal.jpg

KASTEEL DE HAAR. – De fraaie wandversiering in de feest- of balzaal.


rijke betimmering, waarop de fijne spitsboogmotieven tegelijk statig en sierlijk uitkomen en in welke zalen witte gebeeldhouwde schouwen prijken, waarvan de teer-bleeke tint bijzonder mooi afsteekt tegen het glimmend-warme bruin der parketvloeren. Van de benedenzalen treft bovenal de schoonheid van de eetzaal en de feestzaal, waar een fantastische wand tooverachtig is van vreemd-middeleeuwsch schoon. Er zijn op de eerste en tweede verdieping slaapkamers in diverse stijlen als die van den slotheer en de burchtvrouwe, waar zachte wit en rose tinten overheerschen, er zijn vele slaapvertrekken waar prachtige ledikanten en andere meubelen de aandacht trekken, er zijn een groot aantal bad- en toiletkamers, alle op luxueuse wijze ingericht, er is ook de vorstelijke hooge hal, de oude binnenhof van het kasteel, met haar van beeldwerk voorziene galerijen, haar geschilderde glazen, waardoor heel uit de hoogte een zacht licht neerdaalt, er is een gewelfde eikenhouten zoldering, er is een boekerij waarvan de omtimmering van de deur die er heenvoert, twee musiceerende vrouwelijke figuurtjes vertoont en daarboven in het midden de familiewapens, er is een kostelijke en kostbare verzameling van schilderijen, porselein, glas, edele metalen, meubels en Oostersche tapijten.... er is.... nog zoo heel veel meer.
      Maar dit overzicht-in-vogelvlucht zal u reeds duidelijk hebben gemaakt, welk een buitengewoon genot dengenen wacht die tot een bezichtiging van het kasteel De Haar en zijn talrijke fraaie tuinen en parken worden toegelaten, het kasteel dat herinneringen wekt aan lang vervlogen dagen, doch tegelijk een indrukwekkend eigen schoon te bewonderen geeft en zulk een treffende getuigenis aflegt van het kunstenaarsschap en de rijke fantasie van Nederland’s genialen bouwmeester!