De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adriaan Brouwer
| ← Margarita Godewyk | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Joost van Craasbeek → |
[ 318 ]
Hoe verschillig men de menschelyke geaartheit, en gevolgelyk de neigingen bevint, is min te verwonderen, alsmen opmerkt dat dit aan de menschelyke natuur eigen is, zoo veer, zelf tweelingen van eener dragt, niet alleen in geaartheit zullen verscheelen, maar zelf door een gants strydige genegenheit gedreven worden; een vast gevolg dat de onderscheidene driften uit de verschillige natuurs gesteltheit voortspruiten, en over zulks de uitwerkingen door verschillende en byzonder geaarde gemoedsdriften aangevoert, ook verschelen. Egter hoe verschillig iets is, zoo is 'er niets dat meer het genoegen streelt, als het opvolgen van de natuurlyke geneigtheit; nog zyn de lichamelyke werktuigen (in opzicht van eenige behandelinge of uitwerkinge) gereeder, om dat het werk van zelfs zich vlydt. Het levensbedryf van
ADRIAAN BROUWER zal ons gezegde als in een spiegel doen zien. Deze zyne genegenheit opvolgende, die tot boerterye helde, heeft niet anders beoogt als de zelve op het natuurlykst door 't penceel af te malen, ('t geen hem boven anderen gelukt is) en daar door den eernaam van een groot meester bekomen.
Potsig was zyn penceelkonst, potsig zyn leven. Zoo de man was, was zyn werk.
Sommigen willen dat hy geboren is te Oudenaarden in 't jaar 1608. Maar een geschrift door den Heere Nicolaas Six Leerling van den Leidschen Ridder en puikschilder Karel de Moor, onder de papieren van zyne voorzaten gevonden, en my ter hand gestelt, doet my zien dat hy een Haarlemmer van geboorte is. En als men op waarschynlykheid bou[ 319 ]wen mag, wanneer 'er geen zekerder bewyzen voor handen zyn, moet het hier plaats grypen; aangezien die geschrift eene zekere handleiding daar toe aan my ontdekt.
Voor eerst dat hy een Leerling van Frans Hals is, die te Haarlem altyd gewoont heeft. Immers my is nooit gebleken dat Hals in Brabant gewoont of zyn Konst geoeffent heeft, en BROUWER hier door gelegendheit zou gehad hebben om van hem de Konst te leeren. Ten tweede om dat my toeschynt dat hy van geringe ouders geboren, en by gevolge niet van Oudenaarden tot Haarlem gezonden is, gelyk luiden van vermogen wel gewoon zyn te doen, wanneer 'er in hun stad geen bekwame meesters daar toe gevonden worden: maar het tegendeel blykt; want BROUWER wert van Frans Hals die een vluggen geest in hem bespeurende ingenomen en tot de konst gebracht, waar omtrent dat meergemelde geschrift onder meer omstandigheden meld: dat BROUWER nog jong zynde van zyn moeder wierd gehouden om loofwerk en vogeltjes met inkt op lywaat te trekken, het welk hy dan naderhand overstikte met de naald, en tot mutsen en borstlappen gesneden, aan de Boerinnen verkogt.
Dat Frans Hals gevallig daar voorby komende en ziende hoe los en geestig hy dit werk behandelde, hem vraagde: of hy niet wel zin zou hebben om een schilder te worden? daar hy straks ja op antwoorde, indien zyn moeder zulks wilde toestaan. F. HALS vraagde het zyn moeder, die zulks inwilligde, mits hy haar jongen den kost geven wilde.
FRANS bespeurende in korten tyd dat'er een [ 320 ]groote geest in den jongen stak, en dat hy dagelyks in de konst buiten gemeen toenam, zette hem op den zolder, afgescheiden van zyn andere leerlingen, alleen. Maar de nieusgierigheid de jeugt eigen dreef hen om ter sluik zomwyl by hem te komen; om te zien wat hy maakte, en zy verwonderden zig telkens over zyn vaardigheit, geestigheit en vindingen, waarom zy verding met hem maakten van heimelyk voor hun wat te schilderen, 't geen hem in de gedachten kwam; gelyk hy dan voor hun maakte de vyf Zinnen, de twaalf Maanden, en dergelyk, daar zy een stuiver of twee voor 't stuk aan hem voor betaalden. Deze dingen los en geestig opgesmeert bevielen hun zoo wel, dat zy hem spoorden om wat meer tyds daar aan te besteden met beloften van het loon te verdubbelen.
Maar alzoo BROUWER veel voor zyn meester werken moest, en weinig te eeten kreeg (want het wyf van FRANS , BROUWERs hollen romp wel met wind zou hebben willen opvullen) werd hy verdrietig by zig zelven, en opgestookt door de andere Leerlingen, waar van OSTADE een was, besloot hy van zyn meester weg te loopen, gelyk hy deed. Maar niet wetende (naar dat hy de stad doorkruist had) waar te belanden; aangezien zyn moeder toen al gestorven was, en hy vriend nog kennis had, liep hy met den avondstond in de kerk en zette zig onder het Orgel (daar men des winters avonts gewoon is, tot vermaak der Borgers, op te spelen) bedroeft en radeloos neer, daar hy van ymant die hem kende (terwyl die wel aan 't huis van zyn meester kwam) gezien werd, die hem ziende zoo bedrukt en met de tranen op de wang, vraagde wat hem scheel[ 321 ]de. BROUWER biegte zuiver op, deed beklag over zyn mishandeling, toonde hoe weinig hy om en aan had, en dat het van binnen nog schraalder gestelt was, dat hy daarom van zyn meester was weg geloopen, dat hy nu niet wist waar te geraken, en egter niet weder dorst t'huis komen beducht voor stokslagen. De goede man met den jongen verlegen, bood zig ten voorspraak voor hem aan, en beweegde hem onder zyn geleide weder te gaan naar 't huis van zyn meester, die vast aan alle hoeken van de stadt naar hem had doen zoeken, om hem wederom te lokken; dewyl hy reeds groot voordeel van hem trok; want elk even gretig werd om een stukje schildery van dien vremden meester (dus wist Frans het werk te doopen) te hebben.
BROUWER kwam dan met hangende vlerken weder in zyn huis. FRANS toonde zig gestoort en gebood hem uit zyn gezicht naar boven te vertrekken, met bedreiging in dien hy zulks weer kwam te doen, hem dit en dat te leeren. Maar onderwyl wist onze vriend, FRANS zoo wel zyn plicht ontrent den jongen aan te wyzen, dat hy beloften daar ontrent deed. Voor BROUWER werd ook een pak op de voddemarkt gekocht, maar 't was zoo nieuwerwets of 't met Noachs Ark van de eerste waereld was overgebleven, en 't paste hem (want hy kleen naar zyn jaren was) als David het harnas van Saul. 't Moest wel passen; want FRANS zey: 't kleed staat wel, en of 't aan je lyf geschildert was. BROUWER kreunde 't zig ook niet veel, was 't wambus hem te wyd, hy hoefde 't weer niet te ontknoopen wanneer hy 't aan, of uit trok.
Hy met dit pak wat te vrede gestelt, begon [ 322 ]weer naarstig te schilderen, en FRANS deed groote winst met zyn penceelwerk; aangezien alle liefhebbers even gretig waren om wat van dien nieuwen meester (daar FRANS alleen bezitter van was) te hebben.
Dog dit duurde niet lang, aangezien sommige van zyne meedeleerlingen, welke agter dien geheimen handel van FRANS, als ook agter den prys gekomen waren, hem dagelyks opstookten, zeggende: dat hy een groote zot was, indien hy zig langer dus door zyn meester liet blintdoeken. Dat hy te groote meester in de konst was, en al te groot voordeel aanbracht, om zoo slecht behandelt te worden. Zy rieden hem eindelyk andermaal uit de slaverny te ontvluchten, en zig naar Amsterdam te begeeven, alwaar zy wisten dat zyne stukken tot een hoogen prys verkocht wierden. BROUWER nam zyn slag waar als FRANS uit was, en peurde voort naar Amsterdam, zonder zig van eenig bericht aan den eenen of anderen konstminnaar te voorzien. Zulks hy daar gekomen zynde niet wist tot wien hy zig zoude wenden: maar vernemende naar eenig konstkooper of ymant die handel met schilderyen dreef, geraakte hy by eenen van Zomeren toen waard in 't schilt van Vrankryk, die in zyn jeugt de konst geoeffent had, en zelf een Zoon had HENRIK VAN ZOMEREN genaamt die fraje Historien, Landschappen en Bloemen sehilderde. Deze nam hem in, en zette hem te schilderen. Hier kreeg onze BROUWER een vetter keuken dan hy gewoon was te hebben, 't geen hem wonder wel geleek, en naderhand verklaarde oogen, om de waardy van zyn penceelkonst te zien. Nu schilderde hy met grooter lust en yver ee[ 323 ]nige kleene stukjes: dog zyn huiswaart ziende dat zulks zoo gemakkelyk ging, besloot daar uit dat hy tot grooter ondernemingen bekwaam was. Des riedt hy hem, iets van meerder beslag op een kopere plaat te schilderen, om daar mee aan te toonen wat hy in de konst vermocht, gelyk hy deed. Hy schilderde een gevegt tusschen Boeren en Soldaten, ontstaan (zoo 't scheen) uit het spelen met de kaart, waar van de bladen alzins over den grond verstrooit lagen. Hier slaat de een den anderen met een bierkan op den kop, daar leit 'er een op den grond geslagen, die de doodverf al gezet heeft, egter zig schynt te willen wreeken door zyn degen, welken hy tracht onder 't worstelen uit de schee te trekken. Aan den anderen kant ziet m'er een in volle gramschap, met het mes in de vuist van zyn stoel opryzen, als wilde hy tusschen de kampioenen indringen. In 't verschiet ziet m'er een in allen haast met een tang in de hand den trap afkomen, enz.
Alles was zoo natuurlyk naar den aart der hartstochten, in de wezenstrekken verbeelt, en zoo verwonderlyk vast geteekent, en los geschildert dat het wel tot een proefstuk van zyn konst kon verstrekken. Ondertusschen had het gerugt al verspreit dat BROUWER die nieuwe meester was, welkers konst een tyd lang door FR. HALS was uitgevent, en dat die van hem weggeloopen zig tot Amsterdam onthield, daar straks de liefhebbers van de schilderkonst jagt op maakten, om na te snuffelen in wat hoek hy tot Amsterdam zat. 't Lekte eindelyk uit dat hy by van Someren t' huis lag. Des de Heer du Vermandois, die groote begeerte had om een stuk van hem te hebben hem daar kwam opzoeken, en het gemelde konststuk ziende [ 324 ]straks bevallen daar in had, en naar den prys vraagde. Nu had zyn huiswaart hem voor af al berigt dat 'er zoo een Heer, die ook al verscheidenmalen had komen vragen om iets van hem te mogen zien, komen zoude, en dat hy 100 Ducatons voor 't gemelde stuk eisschen moest, 't welk hy met schroom deed, niet denkende dat ymant hem voor een stuk zoo veel geld zou geven: waarom hy ook, wanneer gemelde Heer 't hem vraagde, een lange wyl stond te dralen, zyn knevels op te stryken, en dikwerf te zeggen: ik hebb 'er veel arbeid aan besteed, eer 't 'er wilde uitkomen dat hy 'er 100 Ducatons voor hebben moest, 't geen gemelde Heer du Vermandois hem straks bewilligde, en verzocht hem mede te gaan aan zyn huis, om zyn vollen eisch in Ducatons te ontfangen, ADRIAAN stond te kyken, denkende als nog dat de Heer met hem spotten wilde, dog Zomer knikte hem toe, dus nam hy de schildery onder zyn arm en ging met den Heer mee, die hem zyn geld, wel vergenoegt met dien koop zynde, aantelde. Dit stuk heeft naderhand gehangen in 't kabinet van den konstminnenden Keurvorst van de Palts.
Hy niet gewoon zoo veel gelt te handelen wist van blydschap niet hoe hy ras genoeg met dien buit zou gaan stryken, en stortte (t'huis gekomen zynde) het gelt uit op zyn bed, en wentelde zig daar in.
Eindelyk verzamelde hy de zilvere schyven weer by een, en ging daar mee ten huis uitstryken, zonder dat men wist waar hy vervaren was. Na 't verloop van negen dagen kwam hy zingende en fluitende in den laten avond weer t'huis, en gevraagt: hoe hy zoo vrolyk was, en of hy zyn geld nog had? gaf hy tot antwoord: dat hy zig [ 325 ]van dien ballast ontslagen had. Op deze wyze leefde hy doorgaans, en was zig niet magtig, als hy gelt had, van drinken, zwelgen en Boerteryen te onthouden.
Deze nette verhandeling bepleit genoegzaam het geding over BROUWERs geboortestadt, en wyst die aan Haarlem toe: egter willen wy geen uitspraak daar over doen, om geen onrecht vonnis te wyzen, en d'een of ander stadt hare geboortelingen ontwringen, terwyl hy ook in vroeger tyd met zyne ouders kan uit Vlaanderen in Holland vervoert wezen: of 't kan wezen dat Frans Hals, BROUWER met zich uit Vlaanderen heeft mee gebrogt; aangezien wy uit de aanteekeningen, welke Vincent vander Vinne de oude, op de agterzyde der Begraafnisbriefjes van Frans en Herman Hals gehouden heeft, zien, dat zy te Mechelen geboren waren. Dat hy in Brabant gestorven is, en over de wyze van zyn sterven en begraven daar over valt geen geschil, wyl alle gedenkschriften en geheugenissen daar in eens zyn, uitgezondert dat de een in zyne aanteekeninge wel wat netter is, gelyk ik meer gemelde geschrift in dit opzicht bevind en dat op 't end aantoonen zal.
Hy was van der jeugt aan tot boerteryen geneigt, en belust om allerhande potsen uit te voeren. 't Gebeurde dat hy voorby een wolspinders winkel komende (hoedanige winkels gewoon zyn des zomers met open veinsters, en 's winters met dooroliede papiere raamen gesloten te worden) zyn kop door den raam stak, om te vragen, hoe laat het aan de klok was, dog zig zonder antwoord af te wagten voortpakte. Deze aart groeide in hem met de jaren op. Nochtans was hy niet misdeelt van verstant, maar heeft dikwils zyn vernuft [ 326 ]onder zyne potsemakeryen doen blyken. Waarom wy een Aap nevens zyn Borstbeeld vertoonen in de Plaat O. Men kan niet zeggen dat de fortuin zig ontrent hem als een stiefmoeder gedragen heeft, maar dat hy zelve door zyn losse veranderlykheit, en verwareloozing in armoede is vervallen die hem heeft doen omzwerven. 't Is gebeurt (verhaalt Korn. de Bie) dat hy tot Amsterdam eens naakt en bloot (op Zee van roovers geplondert) aangeland, het penceel te hulp nam om aan geld te geraken. Dus voornemens iets uit te voeren waar by hy lang bedacht kon blyven, laat hy een ruw linnen kleed en mantel maken, beschilderende dezelve met vremde looveren en bloemen; zoo dat het een nieuwe stof scheen te gelyken, hier ging hy na dat het wel glanzig met fernis overstreken was mede langs de straat, daar straks 't oog van de Juffrouwen (die gemeenlyk op wat nieus gezet zyn) op viel; gelyk ook in den Schouburg. Maar dit scheen hem niet genoeg te wezen dat hy de waereld dus stilzwygende bedroog. Wat doet hy? Hy maakt juist als de Komedie eindigde op het Theater te wezen, en treed in dat gewaad met een natte doek in zyn hand voor 't oogh van al de aanschouwers, die heel verwondert toezagen, in verlangen wat daar van komen zoude.
Als hy zig dan dikwerf had om en omgekeerd, zoo dat zy hem genoeg van achteren en van voren bekeken hadden, sprak hy hen alle op dusdanige wyze aan: Dames en Heeren, gy staat met verwondering te zien naar dit vremde kleed, ja vele Juffrouwen hebben reeds al in de winkels doen vernemen of diergelyke stof ook ergens te bekomen is; maar gy moet weten dat ik'er de maker af ben, en niets meer daar van is dan gy ziet. 't En is zulks niet als gy [ Plaat O ]
Mundus exteriora rerum ostendit, interiora tegit.
Des waerelds schoonheid is maar schyn,
Van binnen vals en vol fenyn.
Korn de Bie, na dat hy van onzen schilder gezeit had dat hy
Was traag in 't schilderen, en mild in het verteren.
mengt in zyn Rym een verhaal, wat wyze Brouwer somtyds gebruikte om aan geld te komen (als hy in de kroegen door de waarden gekerkert wierd) en zig zelven te lossen; te weten dat hy dan inkt en papier deed komen, een schets of teekening maakte, en hen daar mee by den een of den ander konstkenner zond, om 'er twee of drie hondert guldens voor te halen; en wanneer 't gebeurde dat'er minder voor geboden wierd, het liever aan de vlam opofferde, dan dat hy zyn vollen eisch daar niet voor zou genieten. Non credo. Dog zoo ik 't gelooven moest, wil ik 't eerder gelooven als 't geen hy voor de waarheid verhaalt [ 328 ]op pag. 269. te weten. Dat een Petrus Cavallinus, Roomsch schilder (doch van een Heilig en Godvrugtig leven) een gekruisten Kristus geschildert heeft, die in St. Paulus Kerk te Romen opgehangen, tegens de Heilige Brigitta gesproken heeft.
Dit word verhaald voor waarheid, en geen wonder, 't staat aangeschreven en gedrukt, Nelle vite de sancti del ordine de F. Seraf. Razzi. Maar dit overgeslagen.
Zyt gy belust lezer, om te weten den inhoud van zyn konststukken die hem zoo veel roems nadragen, ik heb de moeite genomen om ze na te schryven.
Zyn schilderkonst bestont in snakery en boetsen,
Die hy zoo geestig wist met zyn penceel te toetsen,
Dat niemant zyns gelyk, in deze tyd en is.
Dies 't werk komt over een met zyn gesteltenis.
Hier staat een lompe boer van dronkenschap te spouwen,
En 't wyf met eenen stok gereed zyn huit te touwen,
Daar zietm' een bootsgezel met 't pintje in zyne vuist,
En hier een fielenrot dat met de kaarten tuist.
Daar zuipt een gulzigaart den pot uit onder 't pypen,
Of wil de huiswaardin kwanzuis na 't voorschoot grypen.
Daar veghtmen om 't gelag met bezem bank en stoel,
Daar zietmen boers gevry, en diergelyk gewoel.
Na dat BROUWER dan eenige jaren tot Amsterdam gewoont en zyn konst met veel roem geoeffent had, kreeg hy geneigtheit om zyne konstgenooten tot Antwerpen te gaan bezoeken, en begaf zig in die drift op de reis, zonder eens in acht te nemen dat de Staten toen met de [ 329 ]Spaansche Nederlanden in oorlog waren, en zig van een vrye pas te verzien. Waarom hy ook zoo haast hy te Antwerpen kwam van de Spaansche soldaten voor een spion aangezien, opgevat, en op 't Kasteel gevangen gezet wierd. Menigmaal zuchtte hy over zyn los bedryf. Menigmaal beklaagde hy zyn voornemen, en wenste zig te vergeefs in Amsterdam. Dog geen ongeluk zoo groot (zeit de spreuk) of daar is een geluk by.
Wat gebeurt'er? de Hartog van Aerdenborg zat in dien tyd ook op 't Kasteel gevangen, dog egter zoo dat hy vryheit had om binnen den ringmuur, verzeld met twee soldaten te mogen gaan waar 't hem lustte. Deze op een tyd voorby de tralien der gevangenis waar in BROUWER zat wandelende, wierd van hem wanende dat hy de Gouverneur was, toe gesproken, en om zyn verlossing gebeden, aangezien hy daar onschuldig gezet was. De Hartog vraagde hem wie, en van waar hy was, en wat hy in Brabant kwam doen. ’t Antwoord was, dat hy een schilder was, en van Amsterdam was gekomen om zyn konst tot Antwerpen te oeffenen. ’t Eerste (antwoordde de Hartog) moet ik gelooven, maar van het laatste zal ik de proef nemen, en vervolgde, ik zal u verwe, en al 't geen daar toe meer noodig is bezorgen, waar mee BROUWER in zyn schik was, hopende dat dit een beginzel tot zyn verlossing mocht wezen: gelyk het ook gebeurde. De Hartog die dagelyks van groote luiden bezogt werd, ook van PET. PAULUS RUBBENS, welke dien zelven naamiddag hem kwam bezoeken, nam dit waar, en verzocht aan RUBBENS dat hy door een van zyne leerlingen schildergereedschap wilde laten brengen, alzoo daar een schil[ 330 ]der gevangen zat dien hy tot zyn vermaak wat wilde laten maken dat RUBBENS straks inwilligde en daags daar aan vroeg morgens het verzogte deed brengen.
BROUWER was niet traag om zig tot een begin te schikken, en 't geval wilde dat hem een voorwerp in 't oog kwam waar van hy zig bediende. Zommige Spanjaarden die zig om een hoek neerzetten om een kaartje te spelen, plaatsten zig juist zoo dat zy hem tot model verstrekten, van welke hy straks een afschetzing maakte, (den yver in 't spelen, en den ernst der wezenstrekken prente hy voorts in zyne gedachten) en voorts met de penceel aan 't werk in weinig dagen een konstig tafereel voltooide, waar in de Hartog groot gevallen had; om den ernst dien zy in 't speelen betoonden, en de natuurlyke verbeelde magere getaande Spaansche troonien. En inzonderheit om een die in 't verschiet zat te kakken, waar in het drukken, als wilde het zig niet gemakkelyk ontlasten, zoo natuurlyk en potzig vertoont was, dat men 't zelve zonder te lachen niet konde aanzien.
RUBBENS die (als ik gezegt heb) kennis aan den Hertog had, kwam hem kort daar aan bezoeken, en vergat uit nieuwsgierigheid niet te vragen: wat die arme schilder voor hem gemaakt had? 't geen de Hertog hem vertoonde. Die dit ziende strak uit verwondering zeide: op myn ziele... 't is van BROUWER! en bood den Hertog straks 600 gulden voor 't zelve, dog die wilde het om de geestige verbeelding tot zyn vermaak, en ter gedagtenis van dit voorval, behouden.
RUBBENS, die niet dulden kon dat zoo brave konstenaar zoo slegt gehandelt wierd, ging ten [ 331 ]eersten naar den Gouverneur, welken hy te kennen gaf, dat'er een konstig schilder, uit Hollant gekomen, op enkel vermoeden dat hy een bespieder mocht wezen door de soldaten was aangehouden, en in de gevangenis gebragt: dat zy te onrecht vermoeden op hem hadden opgevat, dat zyn Hoogheit daar ontrent wel gerust mogt wezen, dat hy met dien toeleg niet tot Antwerpen gekomen was: maar alleen om zyn konst te oeffenen, en over zulks, dat hy mocht in vryheit gesteld worden, 't geen de Gouverneur op't woord van RUBBENS toestont. Dus werd hy uit het gevangenhuis gelaten, en was bly over zyne verlossing. RUBBENS nam hem mee naar zyn Huis, liet hem straks een pak kleeren maken, zette hem nevens hem aan zyn tafel, en nam hem mee by braaf gezelschap, dat geregelt leefde, en toonde met dit doen dat hy groote agting voor hem had. Maar onzen losaart, strekte dit niet alleen tot een last, maar 't scheen hem een veel enger gevangenis te wezen dan waar uit hy gered was. Des ontweek hy RUBBENS, en volgde het oude spoor van zyn ongebonden leven.
'T leed niet lang of hy verliefde op de Vrouw van een Bakker die konstminnende was en ook handel daar meê dreef. Deze maakte verbant met BROUWER dat hy hem in zyn huis zou nemen mits hy hem in de konst onderwees. Dit was een regt kolfje (als men zeit) naar zyn hand; om gemelde reden. BROUWER onderwees hem niet alleen in de konst, zoo, dat hy een goed schilder wierd (gelyk wy van hem zullen melden) maar maakte ook dat hy pluimgraaf wierd. Zy waren knapen van eenderhande leven, en voerden te zamen menige pots uit, waar onder waren van dien [ 332 ]aart, waar door de Schout gewoon is een theater op te rechten. Des nam hy voor, wanneer de kerfstok vol was, een reys naar Vrankryk te doen, denkende dat ondertusschen die schult wel vergeeten zou worden. Zyn Reistoerusting was ras vaardig; aangezien hy niet anders met zig nam dan zyn goudtgevende penceelen. Hy verliet Antwerpen, maar niet zyn losse wyze van leven. Na dat hy eenigen tyd te Parys en elders om gezworven had; en Venus en Bacchus teffens te yverig gedient had, kwam hy ziek zynde te rug tot Antwerpen, en arm zynde tot het Gasthuis, daar hy na verloop van twee dagen kwam te sterven, en voorts by de dooden in den pestput geworpen met stroo en kalk gedekt wert. Dit viel voor in 't jaar 1640 wanneer hy pas 32 jaren oud was, en liet meer na dan hy konde mee dragen: en wilje weten (Lezer) wat?
Men hoorde na zyn dood niet om het goed krakeelen;
Want hy niet agter liet als morsige pencelen,
En Ezel, en Palet.......
Een leerling van RUBBENS , die by geval het overlyden van BROUWER hoorde verhalen, maakte dit terstond aan zyn meester bekend, de welke zulks met ontsteltheit en tranen in de oogen aanhoorde. Zyn edelmoedige inborst, tot medelyden bewoogen (hoe wel BROUWER zig des onwaardig gemaakt had) gaf straks order dat het doode lichaam opgegraven en in een kist gelegt wiert, niet konnende dulden dat zulk een groot konstenaar zoo onwaardig gehandelt wierd, en liet het zelve in de Kerk der Karmeliten begraven.
Gelyk zyn levenswyze van die van anderen ver[ 333 ]scheelde, zoo was ook de wyze van zyn begraven, want hy tweemaal begraven wierd; eerst veragtelyk, daar na van een deftige Lykstatie gevolgt in een ander graf (daar dit Vlaams gedicht op zinspeelt) geleit:
<poem> Niet om zyn edeldom of dappere oorlogsslagen, Wierd BROUWER na de Kerk van 't Kerkhof heen gedragen. Maar d' eerste grafsteê was voor zynen roem te kleen.
Men verhaalt dat RUBBENS voornemens wierd om ter gedagtenis hem een aanzienlyke Tombe te laten oprechten, en dat het Model daar toe al gereed was; maar alzoo die berugte Konstenaar zelf kort daar aan kwam te sterven, is zulks agter gebleeven.