De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Daniel Zegers
| ← Johan Torrentius | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Tusschenrede, vervolg → |
[ 139 ]
Dat de uitwerkingen van 's menschen vernuft buiten toeëigeninge niet anders als onverschillig zyn, en de toeëigeningen, en oogmerken derhal-
[ 140 ]ven alleen goed of kwaad, pryslyk of veragtelyk zyn, is een waarheid, die niet te wederspreken is. Dienvolgens is de spreekwyze, hoe grooter Schilder, hoe wilder, en het geen men daar mede wil te kennen geven, te wraken. Ten minsten zal het een bewys geven dat het van geen nootzakelyk gevolg is, als brave mannen, zelfs zulke die in een Kerkelyk verband waren, niet hebben geschroomt de Schilderkonst te hanteren. Gelyk men dan oudtyts heeft gezien dat de Kardinaal Franciscus van Verone, die een heilig leven leidde, en een vyand van alle kwaad was, en daarom nooit eenige voorwerpen van lichtvaardigheid, (schoon hy daar toe dikwils van Prinsen en Waereldsche Heeren verzogt wierd) heeft willen verbeelden, het penceel hanteerde, en een goed Schilder was. Als ook de eerwaardige Heer Don Bartholomeo, Abt van Sint Clemens van Aresso. En in later tyd onze
DANIEL ZEGERS, een Jesuit, geboren te Antwerpen in 't jaar 1590. Deze wist allerhande Bloemen, zoo los, zoo levendig, zoo klaar, zuiver en dun te behandelen, dat het verwonderlyk was. Ik heb in Brabant zynde in de Kerk der Paters Jesuiten een gansche Kapel behangen met zyn Schilderyen gezien, waar onder kransen of bloemfestoenen waren, zoo verstandig naar de Konst met troepen, naar vereys der koleuren by een geschikt, dat ik tegens het gezelschap dat ik by my had, zeide: Niet te gelooven dat Glicera byzit van Pausanies by de Grieksche Schryvers zoo berugt wegens bloemen te schakeren, dezelve welstandiger heeft konnen by een schikken. Daar was ook in zyn tyd een Pater Johannes van der Borght van d'orde der Minnebroeders, die 't Plaatsnyden [ 141 ]hanteerde. Dog van de Graveerkonst wil ik niet handelen, om dat die Roomsche Juffrouw Claudia Stella den roem van alle (weinige in vergelykingen van 't groot getal uitgezondert) weg draagt. Want zoo men een lyst van die alle opstelde (dat een byna onnoemlyk getal uitmaken zoude) 'k maak my sterk te konnen aantoonen dat'er van de honderd niet een tegens haar in konstige behandelinge zoude konnen ophalen. Gelyk zulks ten proef van myn gezegde te zien is aan die print welke zy naar het berugte stuk van Nicolaas Pouzyn; verbeeldende Moses, door zyn stafslag 't water uit den Rotsteen doende voortkomen, om het byna van dorst versmagte volk te laven, heeft gegraveert.
ZEGERS was een Leerling van Jan Breugel bygenaamt den Fluweelen, die in zyn vroegen tyd mede een Bloemschilder geweest is. En gelyk de Bloemen, het siersel der Lente, om hare schoone gestalte, en frissen geur van elk begeert worden, zoo werden die van SEGERS, om dat men die in den Herfst van de vyftiende Eeuw zoo schoon zag bloeijen van alle Bloemkonst minnenden graag ontfangen, zoo by gemeenen als groten, inzonderheid den Aartshertog Leopoldus: en den Prins van Oranje Frederik Hendrik, die hem voor twee van zyne stukken een groote vereering gaf. Zyn Beeltenis, door Jan Lievens geschildert, zietmen in print, die wy gevolgt hebben in onze Plaat G.
De Groote Dichter J.v. Vondel, verlokt door 't zien van DAN. ZEGERS Bloemstukken, maakte daar op dit volgende vaersje. [ 142 ]
De geest van ZEGERS is een By,
Waar op de Nederlanders roemen.
Zy zuigt haar honinglekkerny
En geur uit allerhande bloemen.
Een By kwam op zyn schildery
En geur, en kleuren aangevlogen,
En riep, Natuur vergeef het my:
Dat bloempaneel heeft my bedrogen.
Deze heeft zyn rol gespeelt, en is vertrokken.