De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Dirk en Wouter Crabeth
| ← Michiel Coxi | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Willem Tybout, en Kornelis Ysbrantse Kuffeus → |
[ 26 ]
Deze hebben hun rol uitgespeelt, en maken ruimbaan voor de twee gebroeders, Konstschilders daar Gouda niet al buiten reeden op roemt, namentlyk
DIRK en WOUTER CRABETH.
Men is verwondert, dat Karel van Mander in zyn Schildersboek geen een woord van dezelve meld.
Doch des te meer (zeit de Stads geschiedenisschryver) dient hunne heugenisse vernieuwt. Eenigen hebben gemeent dat zy van afkomst Duitschers waren; anderen dat zy uit Vrankryk waren gesproten; doch hunne nazaten getuigen dat zy uit Holland afkomstig zyn.
Van Mander melt op pag. 148, a, van eenen Adriaan Pietersz. Crabeth, wiens Vader door de wandeling Krepel Pieter wierd genoemt. Deeze was een Leerling van Zwart Jan, of Jan Zwart, Schilder van Groeningen, welke hy door vlyt te boven geleert hebbende naar Vrankryk vertrok, daar hy ook gestorven is. [ Plaat B ]
Willem Tomberg, zoon van Daniël Tomberg, Glasschilder van Gouda, is van gedachten dat zy by eenige Kloosterlingen hunne eerste grondbeginzelen geleert hebben.
Van WOUTER word verhaald, dat hy Vrankryk en Italien heeft bezocht, en voor gewoonte had, op alle plaatzen, daar hy doorreisde, een glas alleen ten staal van zyn Konst agter te laten. Deze is by alle Konstkenneren geoordeelt boven zyn broeder uit te steken, voornamentlyk in het welteekenen, ook stak zyn werk uit in helderheid, en dat van DIRK in tegendeel was krachtiger in zyn koleuren, zoo dat men van ouds zeide; ’t geen Dirk doet door zyn diepzels, werkt Wouter uit door zyn hoogzels. Beide waren zy brave meesters, zoo wel in groot als klein werk, en dat met zulke vaardigheid dat het byna niet te geloven is; 't geen egter uit de Jaarmerken blykt. WOUTER zyn eerste Glas, waar de Koninginne van Sába in afgebeelt staat in 't Jaar 1561, afgemaakt hebbende, leverde 's jaars daar aan het groote glas, dat Hertogin Margariet bekostigt had, en aan de Kerk schonk. In 't jaar 1564, dat van Christus geboorte, en 1566 dat, daar de Tempelroof van Heliodorus in vertoont word, alles binnen den tyd van zes jaren: en noch was DIRK vaardiger in 't wer [ 28 ]ken, want hy maakte zes glazen in drie jaren af, die immers zoo groot waren. Want in 't jaar 1555, maakte hy 't glas daar Christus gedoopt word. 's Jaars daar aan de twee volgende, en in 't jaar 1557 maakte hy drie glazen af, dat van den Koning van Spanje. Johannes den Boeteprediker, en den Doop van den Moorman, zynde die alle zes van de grootste maat.
In den jare 1567 maakte DIRK het Glas daar Christus de Wisselaars uit den Tempel dryft. En 1571 daar Judith Holofernes het hoofd afslaat, 't welk zyn laatste werk is geweest, dat hy in de Kerk van Gouda gemaakt heeft.
Zy waren, schoon broeders, zoo konstnayverende, en hielden zich ontrent de Konst zoo bedekt voor elkander, dat wanneer de een diesaangaande iets vraagde, den ander hem tot antwoort gaf: Ik heb het door vlyt gezocht, doe ook zoo. Dit ging zoo ver, dat wanneer zy by geval eens op elkanders winkel kwaamen (dat niet veel gebeurde) het werk dat zy onder handen hadden, voor dien tyd overdekt wierd, overzulks wanneer zy elkanderen iets te zeggen hadden; lieten zy het over en weêr schriftelyk weeten. Ook word getuigt dat zy voor hun Kerkwerk geen grooten loon bedongen hebben, waarom zy ook daar benevens het Glazemaken aan de hand hielden, zoo lang zy leefden.
DIRK bleef ongetrouwt en woonde op de westzyde van de Gouwe, over de turfbrugge, daar nu het Amsterdamse Veer is, en leefde noch in 't Jaar 1600.
WOUTER woonde agter de Vismarkt, op de Noortzyde, en trouwde een vrouw uit het oud geslacht van Proyen, en liet een zoon na, Pieter ge[ 29 ]noemt, die naderhand Borgermeester wierd. Hy werd in zyn ouderdom beroert, maar het jaar, waar in hy gestorven is, weet ik niet. De Plaatsnyder Reynier van Parzyn, met Wouterszoons Dochter getrouwt, liet hunne afbeeldzels in print uitgaan, die wy nagevolgt vertoonen in de PLAAT B.: daar de vermaarde Dichter, Joost van den Vondel, dit volgende gedicht onder schreef:
Offert WOUTER met Elias,
Doove verf schynt hemels vier,
Eet hy 't Paaslam met Messias,
Zyn penceel vol aart en zwier,
Draaft te moediger en stouter.
Stel het beeld op 't Schilders outer.
DIEDRIKS uurglas is verloopen,
Noch volhard hy met Sint Jan,
’T volk te leeren en te doopen,
Daar het grimmeld om dien man,
Zoo vol yver als boetvaardig.
Is die helt geen konstkroon waardig?
Deze twee groote meesters in die Konst zyn gestorven, en ook de Konst met hun, zegt W. Tomberg. Hoewel de Heer Almeloveen wil, dat in de Boekzaal van den Heere Joachim Feller, een of twee boeken gevonden wierden, daar deze Konst in te leeren was. Hoe het daar mee is, weet ik niet, maar wel, dat men van de uitwerkzelen van dat geschrist niet meer gehoort heeft. Gemelde Willem Tomberg, geeft wel eenig beduid ontrent de stoffe, die zy daar toe gebruikt hebben, maar belyd zyne onkunde in de wyze Hoe, zy die [ 30 ]stoffe tot zulken gebruik gebracht hebben, en begromt de zulken, die zeggen, dat men thans zulke schoone verwe niet heeft, als ouling in de glazen gebruikt is, even als of het glas toen met zulke schoone koleuren beschildert wierd, daar in tegendeel de koleuren aan 't glas gegeven worden door zilver, yzer, koper, bloedsteen, Menie, enz, daar over te stryken en in glasovens te gloejen. Waar naderhand de diepzels door het penceel, op 't reeds gekleurde glas bewerkt wierden, en andermaal gegloeit, enz. Deze W. Tomberg was de zoon van Daniel, zoons zoon van den Predikant Herboldus Tombergius; die eerst zeven jaren die Konst had geoeffent, by Westerhoud van Uitrecht, die doenmaals tot Gouda woonde, en naderhand dezelve voort leerde by meergemelden Vader van Ant. van Dyk, waar door hy zo ver in die Konst kwam, dat hy voor den besten gehouden wierd; gelyk hy ook naderhand, over het onderhouden van de Kerkglazen tot Gouda gestelt is geweest, van welke hy 'er ook verscheide, voor een groot gedeelte vernieut heeft, wanneer die door het schrikkelyk onweer in den jare 1674 waren ingeslagen. Dog hebben de koleuren zoo in kracht, als helderheid, by de vorige niet konnen halen. Ook word gezegt, dat naderhand nooit de stof gevonden is van 't swart, waar mede 't kleed van d'Abdisse van Rynsborg, in 't glas van Koning Salomon geschilderd is. Hy stierf in 't jaar 1678, oud 75 jaren.