Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Evert en Willem van Aelst

Uit Wikisource

[ 228 ]
EVERT VAN AELST, is geboren te Delf in 't jaar 1602. Hy was een braaf schilder in allerhande soort van stilstaande leven, inzonderheid Fruit, dat hy heel natuurlyk wist te verbeelden, als mede yzere Harnassen, Stormhoeden, en alle soort van glansige Metalen, die hy hunnen behoorlyken glans en weerschyn naar vereisch wist te geven. Hy stierf 1658. naarlatende tot naarvolger in de Konst WILLEM VAN AELST, zoon van zyn Broeder Jan van Aelst, Notaris te Delf, die deze Konst van zynen Oom zoo wel geleert heeft, dat hy nog jong zynde, hem te boven ging, ja zodanig in de Konst toenam, en het leven zo natuurlyk wist na te bootsen, dat zyn penceelwerk geen schildery, maar het leven zelf scheen te wezen. Hy heeft in zyn jeugt vier jaren in Vrankryk en zeven jaren in Italien de Konst geoeffent, en in dien tyd by Kardinalen, Vorsten en groote Heeren in aanzien geweest. In den jare 1656 weder in zyn Vaderland gekeerd, heeft hy zig met 'er woon eerst te Delf, daar na tot Amsterdam begeven, alwaar zyne Konst by alle Konstkenners hoog geacht is geworden, en tot een hoogen prys verkocht. Waar uit men klaarlyk ziet, en daar uit besluit kan maken in 't algemeen hoe alle konsten en wetenschappen niet van eersten af aan in hare volkomenheid zyn uitgevonden; maar dat de vinder, of anderen op dien grond voortvarende trapswyze hebben ontdekt, en uitgevonden, 't geen daar aan ontbrak, om ze te [ 229 ]brengen tot hare hoogste volkomenheid. WILLEM, anders GUILHELMO, was een man (na dat hy in Italien geweest had) die een grootmoedigen inborst bezat, en die niemant, inzonderheid als hy wat boven zyn peil gedronken had, ontzag. 'T is gebeurt, dat de Borgermeester Maarzeveen met hem geschil kreeg, over d'eene of andere zaak, waar door zy in woorden kwamen.

VAN AELST, die voor een Borgermeester van Amsterdam niet wilde 't zeil stryken, in een zaak daar hy meende recht in te hebben, stoof op, trok zyn boven rok open, en toonde op zyn borst den gouden penning, en keten die hy van den Groothertog van Toskanen had gekregen, zeggende: Gy zyt met een geltzak om uw hals geboren, en dat is 't al; maar dat ik ben, ben ik door verdienste. Maar of hem die worst (als het spreekwoord zeit) naderhand niet opbrak, daar twyffelde zelf, die 't my verhaald heeft, niet aan.

Een man (zeit Gratiaan) verliest zyn agting door een hardnekkige verdediging; want zulks is niet de waarheid voorspreken, maar eer zyn koppigheid vertoonen. En op een andere plaats. Zommige vertrouwen zig zoo zeer op hunne verdiensten, datze gansch geen zorg dragen, om zig te doen beminnen.

Schoon hy (gelyk ik even gezegt heb) een grootmoedigen inborst bezat, nochtans trof hem Venus zoon met zyn vlammende schicht, zoodanig dat hy verslingerde aan zyn dienstmeit, dat een dikke moffekop was, de zelve troude, en drie schoone kinderen by haar teelde. In dien tyd woonde hy op de Princegraft, by het Waale Weeshuys daar hy ook gestorven is, in 't jaar 1679: Maar het jaar zyner geboorte heb ik niet kon[ 230 ]nen te weten komen, en heb daarom zyn levensbedryf aan dat van zyne tyd- en konstgenooten geschakelt.

Jan Vos maakte op een zyner voornaamste bloemtafereelen dit volgende vaersje:

Hier komt de lieve Lent by wintertyd verschynen.
Natuur, die al wie maalt door haar penceel verdooft,
Begint, nu zy dit ziet, van enk'len spyt te kwynen.
Aurora, leg uw pruik vol roozen van uw hooft:
Hier groeijen roozen die uw hulsel overtreffen.
Zoo wort VAN AELST, door konst, de waereld door beroemt.
Wie and'ren overwint behoord men te verheffen.
Zyn hand, vol geesten, heeft het blad van dit gebloemt
Beschildert met een glans, die nimmer zal verslensen.
Het loof dat heet en koud verduurt zal eeuwig staan.
Vrouw
Venus zou haar krans om dit gewasch verwenssen;
Om, als zy hoogtyd houd, te pronken met de blaân;
Of als zy 't hart van
Mars aanminnig komt bestryen.
'T sieraadt der Vrouwen is de lyst der Schilderyen.

Zyn Weduwe vertrok na zyn dood met de kinderen (dit was in 't jaar 1680) naar haar land, waar een Brouwer verlokt op de harde Ryksdaalders die zy meê gebragt had, haar troude. Maar 't leed niet lang of een droevig ongeluk trof den oudsten van de kinderen, zynde een welgemaakte jongen, want hy viel in den Brouketel en verbrandde.