Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Herman en Kornelis Zachtleven

Uit Wikisource

[ 339 ]
De zon in 't prilste van de lieve lent uit de blaaubenevelde oosterkim opgerezen, verbeelt de [ 340 ]jeugt; in vollen luister aan den Hemel opgeklommen, de volkome jaren van begryp en oordeel; en hellende naar de westerkim, den avond van het menschelyke leven, die eindelyk in den donkeren nacht van de dood verdwynt. De konst heeft mee haar jeugt; dat is haar beginzel en opgang, die met de jaren aanwast, tot in hare volle hoogte, waar na zy weder, of door gebrek van kragten of oordeel, allengskens afneemt, min of meer na zy eenen korten of langen levens avond heeft. Dusdanige verschilligheid heeft men konnen bespeuren in het penceelwerk van
HERMAN ZACHTLEVEN. De stukken van zyn eersten tyd waren eenvoudig, zynde de natuur, zoo in schikking als koleur gevolgt, ik heb'er gezien die my wonder wel gevielen. Maar naderhant, zoo 't schynt, niet te vrede met de schikkinge der natuur; dat is de voorwerpen te schilderen zoo als ze hem in 't leven voorkwamen (wyl die zig allezins niet even behaaglyk voordoen) zoo heeft hy een eige schikking, of om wel te zeggen een byeenschikking, van verscheiden behaaglyke voorwerpen te gelyk in zyn werk gebragt; uitgezondert eenige gezigten die hy aan den Ryn vlak naar 't leven gevolgt heeft, die ook door kenbare teekenen de plaatzen aanduiden, en van zyn ander werk duidelyk te onderscheiden zyn. Dit zeg ik niet, om dat ik oordeel dat hy met zulks te doen tegen de konstregelen misdaan heeft, geheel niet; in tegendeel moet ik zyn groot vernuft en fraje vindingen in dit opzicht pryzen, dewyl hy al het schoone heeft weten uit te kiezen, en by een te schikken, zoodanig dat zyne penceelkonst (de mode mach hare rol daar mee onder spelen zoo alsze wil) altyts plaats zal ingeschikt worden in [ 341 ]de beroemste konstkabinetten. Ja ik moet tot zynen roem zeggen, dat my onder de Nederlandsche Landschapschilders geen bekend is, die zyne verschieten zoo helder en dun, als ook de graden of trappen van wyking, beter en bevalliger heeft waargenomen, of ook zyn werk woeliger, en sierlyker gestoffeert, te weten dit zy gezegt van stukken die van zyn besten tyd zyn; want zyn laatste werken voldoen myn oog zoo wel niet, om dat zy al te bontkleurig zyn. Hy was buiten zyn schilderen ook by uitnementheit vlytig in naar 't leven te teekenen dat hy op een vaardige dog vaste wyze met zwart kryt wist te doen. Hy is geboren te Rotterdam in 't jaar 1609. maar heeft den meesten tyd van zyn leven te Uitrecht gewoont daar hy ook gestorven is.

De Puikdichter J. v. Vondel, die (nevens andere van zyne tydgenooten) ook kennis aan hem had, en vermaak daar in vond, als hy eens zyn konstboek met zyne voornaamste teekeningen doorbladerde, maakte daar op dit volgende vaers tot zyn lof:

Lust het iemant ZACHT TE LEVEN,
Lucht te scheppen naar zyn wil,
Die blyf t'huis, gerust en stil:
Hy kan stil den Ryn opstreven,
Van oud Uitrecht, en den Dom;
Tusschen d'oevers van de stroomen,
Tusschen wynberg, bosch, en boomen,
Zig verlustigen alom,
Sloten, steden, en landouwen,
Kudden, vee, en dorp, en vlek,
Akkers, en gebuurte, en hek,
Bron, en waterval aanschouwen,

[ 342 ]

In zyn kamer, zoo hy maar
Opsla deze konstpapieren,
Zoo vol levens, zoo vol zwieren,
Dat natuur by wylen daar
Stom staat, toornig, en verbolgen,
Over dat, en over dit,
Over zwart, en over wit,
Ligt en schaduw, snel in 't volgen
Van haar wezen: kan de kunst.
Kan de hand van dezen trekker
My dus volgen tot den Nekker?
Heeft hem Pallas met haar gunst
En genade dus bescheenen?
Zeker laat de vlugge Faam
Dan braveeren met zyn' naam:
Laat hem dan zyn' naam vry leenen
Van het
LEVEN: want hier leest
Wat hy trekt met duim en vingeren,
Los en levendig in 't slingeren,
Dat de bladen leven geeft.
Wien verdriet het op dees blaren,
Dus den Rynstroom op te vaaren?

KORNELIS ZACHTLEVEN, de broeder van HERMAN, schilderde konstig gezelschappen van boeren en soldaten. Ik heb Kordegaarden met soldaten van hem gezien, elk in zyn byzonder bedryf natuurlyk los, en geestig geschikt, en geschildert. Daar drie of vier speelende met de kaart, ginder weer die met malkander zitten te kouten, of een pypje onder den schoorsteen smooken, op de wyze van Adr. Brouwer. Dog doorgaans ziet men dat hy op den voorgrond byeen geschikt heeft allerhande soort van krygsgereedschappen, als vuurroer, degen, piek, hellebaard, vaandel, [ Plaat P ]
[ 343 ]trom, ook wel een gepluimden hoed, en geborduurden draagband of zyde sluier met goude franje enz. 't welk hy alles naar 't leven schilderde, en ook natuurlyk wist na te bootsen. Dus zietmen ook boerewooningen van binnen in te zien, en allerhande huis- en bougereedschappen op gelyke wyze als voor byeen geschikt en geschildert, gelyk ik ook dergelyk van Dav. Teniers heb gezien, wiens wyze van schilderen hy nabootste.

Ik gis dat hy ouder geweest zal hebben als zyn Broeder, aangezien men zyn beeltenis mee telt onder de pourtretten van Ant. van Dyk; waarom wy hem ook in de Plaat P boven zyn broeder hebben geplaatst, wiens borstbeelt op een ovaal tafereel gemaalt, door een kindje word opgeheven, aan wiens voeten een kleen tafereel word gezien, waar op een Ryngezigt, gelyk hy dezelve dikwerf verbeeld heeft, afgeschetst staat.