De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Jan Lievensz.
| ← Karel Erpard | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Ferdinandus Bol → |
[ 296 ]
Leiden, dat nevens andere Hollandsche steden mede heeft konnen roemen over het voortbrengen van stedelingen, die als heldere fakkels in de schilderkonst uitflikkerden, bracht ook in den jare 1607
JAN LIEVENSZ. op den 24 van Wynmaand voort. Zyn Vader Lieven Hendrikze, was een konstig Borduurwerker, naderhant een Pachter. En ziende de groote geneigtheit, en drift die zyn Zoon tot de schilderkonst hadde, bestelde hem nog maar acht jaar oud om de gronden en beginzelen dier konst vast te leggen by eenen JORIS VERSCHOTEN. Toen hy ontrent tien jaar oud geworden was, zyn Vader ziende dat hy in die drift volhardig bleef, nam besluit van hem daar in te laten voortgaan, en bracht hem by den vermaarden schilder PIETER LASTMAN tot Amsterdam; by welken hy twee volle jaren bleef, en braaf in de konst vorderde.
Naa dezen tyd heeft hy de Konst by zig zelven geoeffent, gebruikende het leven tot zyn onderwyzer, en bragt het zoo veer door vlyt en naarstigheit, (en 't geluk viel hem toe) dat alle konstkenners zig verwonderden dat een jongen van [ 297 ]twaalf of weinig meer jaren, zoo veel door de konst vermogt. In dien tyd schilderde hy den Democriet en Heracliet van KORN. KORNELISZ van Haarlem na, zoo even gelyk, dat men geen onderscheid tusschen die beide konde bespeuren.
Tot een staal van zynen byzonderen yver, en onophoudelyke drift, verhaalt de beschryver van Leiden, dat wanneer in den jare 1618, binnen Leiden op den 4 van Slachtmaand een groote oproer ontstond tusschen de Remonstranten, Waertgelders en andere Borgers, zoodanig dat de Borgermeesters genootzaakt waren, de Schutters in de wapenen te doen komen, om de beroerte te stillen, hy met dusdanigen yver zat te teikenen, dat hy daar geen acht op gegeven had, of zig des bekreunde.
Hy heeft al vroeg fraje pourtretten gemaakt; als inzonderheid dat van zyn Moeder Machtelt Jans van Noortzant, dat verwonderlyk konstig geschildert was: als mede fraje ordonantiestukken. Onder deze was 'er een verbeeldende een Student, geestig van muts en kleederen toegetakelt, zittende by een brandend turfvier in een boek te lezen. Dit was levensgroot, en zoo konstig geschildert dat de Prins van Oranje 't zelve dede koopen, en vereerde 't aan den Ambassadeur van Engelant, die het wederom vereerde aan zyn Koning, die daar groot gevallen in had. Dit was ook de reden wel, als hem de geneigtheit om andere landen te bezien aankwam, dat hy zig naar Engeland begaf, daar hy wellekom was; en den Koning, Koningin, Prins van Wallis, en veel van de grootste Lords schilderde, daar hy rykelyk voor beloont werd. Dit was in 't jaar 1631. als hy ontrent 24 jaren oud was. [ 298 ]
In Engeland ontrent drie jaren geweest zynde is hy wederom te rug gekomen op Calais; van daar op Antwerpen, daar hy zig neersloeg met 'er woon, en met de Dochter van den berugten Steenebeeldhouder Michiel Colyns trouwde. Vele roemwaarde groote stukken heeft hy in dien tyd voor Kloosterpapen, en byzondere persoonen, gemaakt: gelyk ook in den jare 1640, voor den Prins van Oranje, en Borgermeesteren van Leiden twee groote stukken, waar van het eene verbeelt de beruchte daad van den Roomschen Scipio Africanus, daar hy de ondertroude Princesse hem aangeboden haren Bruidegom ongeschonden te schenk weder geeft.
Hy heeft ook de eer gehad van op 't Raadhuis te Amsterdam (nevens GOVERT FLINK, en FERDINANDUS BOL) een voornaam stuk te schilderen, daar J. v. Vondel dit volgende byschrift (door den berugte pen-en penceelschryver Koppenol daar onder geschreven) gemaakt heeft.
De [1]Zoon van Fabius gebiet zyn eigen Vader
Van 't paert te stygen, voor Stads eer en achtbaarheid.
Die kent geen bloed, en eischt dat hy eerbiedig nader.
Dus eert een man van staat, het ampt hem opgeleid.
Dit stuk hangt in Borgermeesters kamer voor den schoorsteen. [ 299 ]
Zyn brave schilderkonst is ook door de Fenixpen van denzelven Vondel vereeuwigt. In zyne Lofdichten op Schilderyen &c. op pag. 340 hebj'er een op de beeltenisse van den Borgermeester Lamb. Reinst, en Mevrouw Alida Bikkers &c. en noch een zynde een gesprek tusschen Schilder en Poëet, op den Leeuw door hem geschildert,
Poëet.Wie voertme nu in een Woestyn?
Hier leit een Leeuw, en niet de schyn.
Hy vlamt op roof en Menschespieren.
Schild.Hy heeft zyn wilden aart verleert.
Zoo temt de Konst den Vorst der dieren,
Die over alles triomfeert.
Hy heeft ook d'eer gehad dat hy de Afbeeldingen van Michaël de Ruiter, Opper Admiraal en Kornelis Tromp, Onder Admiraal van Holland door zyn konstpenceel heeft afgemaalt, op welk laatste Vondel zig dus laat hooren:
Als Jurk, de Britsche Turk, de Zee wil overgapen,
En vlooten slikken in zyn onverzade maag,
Dan voert hy op den mast den Bezem tot een wapen,
En dreigt uit nieuw Algiers de macht van s'Gravenhaeg.
Hoe lange toch? tot dat de Zeeleeu TROMP, verwildert
Getergt van wrake, met gevangens moordend bloet,
Een schoone waterverf, zig naar het leven schildert,
Om's Vaders dood ontvonkt van nimmer bluschb'ren gloet.
Hy vaagt in Oost en West met 's roovers bezemroeden
De beide straten van dit havenschennend slyk,
En geesselt het, dat borst en lenden vreeslyk bloeden,
Ter straffe van geweld, geleên in Christenryk.
Dan hoord men Askué, en Monken, en Barklaien,
Geweldenaren van de vrye en ope Zee,
Zig t' enden adem op 't schavot der baren schreien.
En deerlyk jammeren om 't afslaan van den Vreê.
Wie beezems voeren wil, geef TROMP de roên in handen.
Dees voert het Scherpregt uit, in 't aanzien van twee stranden.
En 't blykt aan dit volgende vaers dat hy onder anderen ook de beeltenis van Jan Vos geschildert heeft,
Dus maalt my LIEVENZEN, om na myn dood te leeven.
Ik poog de dood vergeefs t' ontvluchten door myn schacht.
'T penceel is magtig om de verf een ziel te geeven.
Een die de dood verwint, heeft overgroote kracht.
Ik word door LIEVENS hand onsterfelyk geschapen.
Philips Angels die in den jare 1642, het lof der Schilderkonst schreef, meld van hem met roem aangaande zyne bedrevenheid in Historykunde, pryst ook onder andere een stuk waar in hy de geschorte offerhande van Izak volgens de beschryving van Fl. Josefus, welke zeit: na Godt het voornemen van den aartsvader gestuit had, zy malkander omhelsden en kusten, natuurlyk en konstig afgebeeld: als ook zynen grooten geest, en zyne vernuftige bedenkingen die hy ontrent de verbeeldinge van Bathseba heeft doen blyken, daar hy 't alles naar de bedenkelykste wyze, en zoo als het waarschynelyk zig ontrent het geval heeft toegedragen, heeft afgebeeld. Maar hier in tast onze [ 301 ]Schryver mis, als hy ook het byvoegzel, te weten een Kupido ('t welk hy noemt het Waereldberoerend kind) in de lucht van 't stuk gemaalt, met een vlammende pyl in stee van een gescherpte flits, in welkers dunne rook men de teere leden zoetelyk ziet wemelen, pryst. Aangezien dit wel een zinnebeeldige beduiding van den ontsteken minnebrand in 's Konings hart aanduid, maar die in Bybelstof nooit te pas komt. Maar 't gaat gemeenlyk als Junius zeit: Dat de Schilders en Dichters van eenen geest gedreven, veeltyds iet nieus plachten te ondernemen. Zyn beeltenis staat in de Plaat N, op de hooge zy van Pallamedes.
- ↑ De Borgermeester Suesso gebood zyn eigen Vader G. Fabius Maximus, door den Raad van
Romen als gezant aan hem gezonden, van 't paart te stygen, door dien 'er een wet was, dat niemant te paert zittende een Borgermeester mogt naderen, om aan te spreken. De Vader gehoorzaamde dit bevel met eerbied, en bewees zyn Zoon dien pligt welke hem als Borgermeester toekwam.