De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Jan de Hoey
| ← Kornelis Antonisze | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Bernard van Orley → |
[ 23 ]
En nevens hem verscheind:
JAN de HOEY geboren te Leyden in ’t Jaar 1545. By wien dees de Konst geleert, of wat hy geschildert heeft, weet ik niet. De roest des tyds heeft de gedachtenis van ’t zelve uitgewist, en ons alleen flaauwe merkteekenen overgelaten tot bewys, dat ’er zulk een Konstenaar in die vroege eeuwe geweest is; wiens penceelwerken met de goedkeuring van Hendrik [ 24 ]den IV. Koning van Vrankryk vereert zyn geweest. Die hem ook tot zyn Kamerdienaar, en opzichter zyner Schilderyen of Konstbewaarderschap verheven heeft. En Fl. le Comte in zyn Kabinet der Konsten getuigt: dat hy in al zyn bedieningen tot zyn zeventigste jaar toe, wanneer hy stierf 1615, een gerust leven (dat zeldzaam is) gehad heeft; aangezien de Nyd voornamentlyk in de Hoven zich ontdekt: 't geen ons doet besluiten dat hy zich op de Staatkundige levenswyze grondig verstaan heeft, welke Gratiaan een byzondere hoedanigheyt noemt die niet in boeken, noch in de Scholen wort geleert, maar op de Toneelen van het vernuft, en in den Schouburg der bescheidentheid. En besluit: Dat de kundigheid van met alle menschen te konnen omgaan, zommigen meer dienst en nut gedaan heeft dan de zeven vrye konsten t'zamen.