De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Jan van Bronkhorst
| ← Evert en Willem van Aelst | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Nicolaes Knufter → |
[ 231 ]
De bevindinge heeft den Landman doen zien dat de groeibaarheid niet alleen van de gesteltheit der zaden, maar byzonder van een wel doorbouden en gemesten grond af hangt.
De jeugt die zig tot d'oeffening der Konst begeeft by een Akker geleken, en de leerlessen van haar onderwyzer by het zaadt, zullen wy zien dat zy beide meer of min van een zelven goeden aart moeten wezen. Want zoo die grond niet is doorbout met oordeel; en doormest met vernuft, yver, en leerzugt, is 'er weinig hoop van eenen ryken oegst te maajen. In tegendeel als die grond goet is, gaat de verwagting zeker zelfs buiten verwagting. Dit is gebleken aan JAN VAN BRONKHORST, die door yver, aangeboren leerzucht, en aangewende opmerkinge (schoon hy maar een gering zaat van onderwyzingen in den akker van zyn begeerte ontfangen had) dat zaad zoo wel heeft gebroed, dat 'er van hem word getuigt, dat, al mocht iemant het geluk gebeuren van het doorluchtigste verstant, en den grootsten meester in de Konst tot zyn onderwyzer te hebben, zoo konde hy niet beter in de uiterste wetenschappen van de Konst ervaren wezen.
Elf jaren was hy pas oud als hy besteed wierd by een Glasschryver geheeten Jan Verburgh, om de grondbeginzelen der Teekenkonst te leeren, alwaar hy een en een half jaar zig met grooten yver en naarstigheid heeft geoeffent, en daar na nog by twee andere gemeene Glasschilders, zoo lang tot dat hy in 't jaar 1620 lust kreeg om een reys naar Vrankryk te doen, om daar zyn Konst verder voort te zetten, dus nam hy de reis over Brabant, maar werd door zeker toeval in den voort[ 232 ]gang gestuit; want tot Atrecht kwam hy gevallig by eenen Peeter Mathys konstig Glasschilder, daar hy zig ophielt ontrent een en een half jaar, in welken tyd hy gelegentheid had om veel fraje werken te helpen maken. Van daar trok hy naar Parys, daar hy een heel bekwaam meester in 't Glasschryven, Chamu genaamt, aantrof, daar hy eenigen tyd bleef en toen weer naar zyn geboortestadt geraakte, alwaar hy als meester in die konst de zelve met vlyt en yver voortzette; nogtans altyd by zig zelven onvergenoegt, wyl dit doen hem te gering scheen te wezen. Dit was de regte slypsteen om zyn brein te scherpen tot grooter ondernemingen; te meer werd dit voornemen in hem opgewakkert, toen hy gelegenheid had van met Kornelis Poelenburg om te gaan, en hem te zien schilderen, welke aangename en bevallige handelinge zyn gemoet zoodanig trok dat hy onveranderlyk by zig zelven besloot, tot het schilderen in Olyverf over te gaan, en op de handeling van Poelenburg zich te zetten. Dog dit sleurde nog al een tyd lang, zelfs na dat Poelenburg al was naar Engeland getrokken. In 't jaar 1637. heeft hy het Glasschilderen nog al gehanteerd, doch in het jaar 1639 ontsloeg hy zig geheel daar van, yverende dagelyks zonder onderwys, en bracht het zoo ver dat de tyd zyn roem niet ligt zal afmaajen. Hy was geboren t'Utrecht in 't jaar 1603.
De nieuwe Kerk tot Amsterdam pronkt nog heden neffens het Koor met drie van zyne konstig beschilderde kerkglazen. Men ziet daar in verbeelt hoe de Vrede den Oorlogsgod Mars boeit, en kluistert, en den Kryg en zynen aanhang vertreed. Hoe de welvaart van zee en lant bloeit, [ 233 ]als de met slangen geparuikte Twist verbannen word. Zy wort vertoont door den Overvloetshooren, die allerhande slag van uitheemsche Koopmanschappen uitgeeft; gelyk ook door de Boeken te kennen word gegeven, dat geleertheid, konsten en wetenschappen, in tyden van vrede 't schoonste bloejen. En op de deuren van het Orgel zietmen door zyn konstpenceel met olyverf verbeelt, de Triumf van David over den verslagen Goliat: de zalving van Saul tot Konink, en hoe hy van zyn troon David voor hem spelende aan zyn speer meende te spitten.
Zyn Beeltenis kan men beschouwen in de Plaat L boven aan daar zig nevens aan een beschildert kerkglas vertoont.