Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Nikolaas de Helt Stokade

Uit Wikisource

[ 364 ]
Gelderland, hoe wel op veere na zo vrugtbaar niet in 't voortteelen van penceelkonstenaren als wel andere Nederlandsche Provincien, heeft egter mee in der tyd konstoeffenaars voortgebragt, die door hunne fraje uitwerkselen verdienen, dat zy om hunne gedagtenisse levendig te houden, nevens anderen eens weder ten Toneel worden gevoert. Onder deze was
NIKOLAAS DE HELTSTOKADE, geboren te Nimwegen in 't jaar 1613. Weinig van zyn prysselykste werken zyn hier te Land te zien, aangezien hy zyn beste tyd te Rome en Venetien heeft doorgebragt. Des moeten wy den lof dien zyne konst verdient, uit het gerucht van Vrankryk (daar hy met J. Sandrartverscheide groote werken voor den Koning gemaakt heeft), en Zweden herwaarts over gebragt, afleiden.

Zyne Beelden waren vast geteekent, en zacht, [ 365 ]poezelig en bevallig geschildert, waarom die ook het oog van Koningin Christina, en 't keurig Hof van Vrankryk behaagt hebben.

Hy was 1662 nog in leven.

Van hem word getuigt dat hy altyds de voorwerpen, schoon dezelve menigwerf door anderen waren afgebeeld, in een andere gedaante door zyn konstpenceel vertoonde, ook daarom voordagtelyk een ander [1]Tydstip in de voorwerpen heeft bespiegelt; als by voorbeeld in zyn Andromeda [ 366 ]Dochter van Cefeus der [2]Mooren Koning, en Kassiope, om welker hoogmoed, zy dat droevig lot moest ondergaan.

De meesten hebben Andromeda, met betraande oogen ten Hemel geslagen, of als met de doodverf op de lippen naar het Zeemonster omziende en dus klagende verbeelt:

O Rots! o Rots! verhoor myn zugten; en ontsluit
Dees ketenen, of spuw die yz're krammen uit.
Ik zie 't gedrogt van verr' het ruime pekel scheuren.
Help! help! ag! ag! van wien zal my nog hulp gebeuren!

Maar onze Helt verbeelde haar, van de rots verlost, schaamrood voor zich neerziende, waar op Lud. Smids ziet, en Perseus dus sprekende invoert:

Andromeda! vergun dat ik uw zagte hand
Van dit hard yzer vry: het monster is verslagen,
En dobbert hier, met door gekorven ingewand.
Reyk toe. Gy zult in plaats van yzer paerlen dragen.

Schaam u voor Perseus niet. Hy slaat zyn oogen neer.
Om die niet, met den glans der naakte leedematen
Te kwetzen. Ween ook niet, o schoone, ween niet meer.
Dwing doch de droefheit, en de schaamt' u te verlaten.

[ 367 ]


Ook heeft J.v. Vondel, der moeite waart geacht, zyn pen te versnyden, om eenige van zyne konststukken onder zyne Rymoeffeningen te gedenken: als namentlyk de Klelia by den Heere Hoogenhuis. Waar op hy dus zeit:

De Roomsche Klelia ontzwom met d'eedle maagden
De gyzeling: en 't oog der schiltwagt en de doot:
Waarom zy zulks Porsenne en al den Raat behaagden.
Dat d'eerste, op 's Vyands eisch, een Riddersbeelt genoot.

En op het uitdeelen der graanen door Joseph in Epypten.

Geheel Egypte brengt den Ryksvooght schat en have
En leeft nu zeven jaar by 't uitgereikte graan.
Het vrye volk door noot wort 's Konings eigen slave.
Een mans voorzichtigheit kan duizenden verzaân.

Dus ook J. Vos, op 't zelve stuk in de Trezory:

De honger dryft het volk naar Josephs schuur om graan.
De voorzorg is een burg voor land en onderdaan;
Men zorgt aan 't Y, in weeld, tot steun van andre tyen.
De Schatbewaarders zyn tot heil der Burgeryen.

Zyn Beeltenis zietmen in de Plaat R boven aan, op de linkerhand van Bamboots.

'T word voor een van de bevattelykste stellingen der Natuurweetkunde gehouden. Dat de eigen aart en geneigtheit, even als de gelykheid der wezenstrekken en andere kenteekenen in, of door [ 368 ]de voorttellinge van Vader, tot kind overgaan; om dat de daagelykse voorbeelden zulk bevestigen.

  1. Tijdstip) Oudtyts hebben de Konstschilders geen tydstip in acht genomen; maar dikwerf de Historien in haar gevolg verbeelt, als by voorbeelt, verscheiden Adammen en Evaas, in een zelve tafereel: hier, daar zy door den Schepper gevormt worden, daar waar zy zig aan de verboode vrucht bezondigen, ginder daar zy zig uit verlegenheid verschuilen. Verder daar zy uit den lusthof worden uitgedreven, en eindelyk in 't verschiet, daar Adam den Akker boudt. Zoo heb ik ook gezien Cain daar hy offert, daar hy zyn Broeder Habel dood slaat, en daar hy vlucht, in een zelve stuk. Zelf van Abr. Bloemaard een van onze oude vermaardste meesters heb ik een stuk gezien waar in Juno verbeelt stont, opgaderende de oogen, uit den afgehouwen kop van Argus, om de staarten van haar Paauwen mee te sieren. En in 't verschiet was Argus slapende, en Merkuur met opgeheven zwaart gereed om den slag te geven verbeelt. Maar de later konstoeffenaars hebben den tydstip in acht genomen; dat is, van een Historie alleen vertoont, 't geen in een oogenblik daar in voorgevallen is; en dus gelegenheit gevonden, om van andere omstandigheden, naar mate der menigerhande veranderingen daar in, en by voorvallen, andere tafereelen op te slaan.
    Dierhalven zeit de Heer Gerard van Loon in zyne Inleiding tot de penningkunde pag. 99, zyn ook zoodanige penningen als wanschepsels van de hand te wyzen, op welke de verbeelde zaaken van dien aart zyn, datze op een eenigen tydstip niet zouden hebben konnen voorvallen. By voorbeeld; zoo mag men nooit op een en den zelfden penning, het aanvangen van een beleg, het overgaan der stadt, en het uittrekken van de vyandlyke bezettinge verbeeden; dewyl dit alles op geen tydstip kan voorvallen.
  2. Andromeda was een Moorinne. Doch niemant van de oude of nieuwtydsche Konstschilders heeft myns wetens zig van de waarheid der Historie, in dat opzicht bedient; maar alle hebbenze Naso, welke zeit: ten waar een Zeekoeltje haar hairen verwaaid hadde, en Perseus de laauwe tranen over hare wangen had zien leken, hy zou gedacht hebbe dat het een marmer beeld waar geweest, &c. Veel licht om dat zy 't alle niet geweten hebben; of die vryheid aan zich genomen; aangezien een getaande huid zoo oogvleyende niet is, als een blank vel.