De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Otto Marcelis
| ← Johannes Mytens, Emelraad, Pieter Janszen, Thomas Willeborts Bossaert | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Pieter van Laar → |
[ 357 ]
Daar is geen reden van te geven, ja ik ben dikwils verwondert over de verschillende geneigtheid der Konstoeffenaren in opzigt der verkiezingen hunner voorwerpen. De een valt op droevige, de ander op vrolyke verbeeldingen. Deze op het waardigste, gene op het veragtste, en op afschuwelyke voorwerpen, als
OTTO MARCELIS die byna niet anders dan vergiftige slangen, padden, en hagedissen schilderde: en egter heeft hy 'er altyd (om dat hy dezelve zoo natuurlyk wist na te bootzen) wel by gestaan, zoo in Engeland als in Vrankryk daar hy voor de Reine Mere schilderde, die hem [ 358 ]een vrye kamer, tafel, en een pistolet voor vier uuren daags schilderen gaf. Hy heeft ook lang in dienst van den Groothertog van Florencen geweest, en Napels en Romen bezogt, daar Guelhelmo van Aelst die een Discipel van hem geweest is, met hem verkeerde, en menige klucht met hem uitvoerde.
In de Bent doopten zy hem met den bynaam Snuffelaar; om dat hy allerwegen naar vremd gekleurde of gespikkelde slangen, hagedissen, rupsen, spinnen, flintertjes, en vremde gewassen en kruiden omsnuffelde.
Zyn reislust voldaan, kwam hy weder in zyn Vaderland, en na dat hy twaalf jaren getrout was geweest, overleed hy in 't jaar 1673 ruim 60 jaren oud.
Zyne Weduwe, die na hem nog twee mannen overleeft heeft, thans nog in leven, heeft my verhaalt: Dat hy die dieren buiten Amsterdam op een stuk laag lant daar zy best konden aarden, tot dien einden omheint, dagelyks spysde: als ook een hok agter zyn huis had, om de zelve gereed tot zyn dienst aan de hant te hebben, en dat zommige slangen door den tyd zoodanig aan hem gewent wierden, dat, wanneer hy de zelve wilde naschilderen, hy de zelve door zyn maalstok op zulk een wyze schikte, als hy die noodig had, en zy dus bleven leggen tot hy de zelve geschildert had.
Zyn Beeltenis staat in de Plaat R onder aan, en nevens het zelve eenige kruiden waar onder zig een slang vertoont.
De menschen (zeit de gemeene spreuk) leven by veranderingen. 't Kan den lezer niet onaangenaam wezen dat wy zomwyle eens van persoonen ver[ Plaat R ]