Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Lastman

Uit Wikisource

[ 97 ]
Thans zal het tyd wezen dat ik den beruchten PIETER LASTMAN ten Toneel voer, aangezien hy op, of omtrent dezen tyd is geboren.

Hy was een Leerling van Kornelis Kornelisz van Haarlem geboren 1562, in welkers levensbeschryving van Mander van hem op pag: 207 B. meld, met deze woorden: Lastman is een Jongman van goede hoop, en thans in Italien. Dit was in 't jaar 1604. Als ik nu stel dat hy toen ter tyd 23 jaar oud was; (want dat hy Jonger de reis naar Romen zoude ondernomen hebben is niet denkelyk) en als men dan die 23 jaren te ruch teld, van 1604, komt het uit op 1581.

'K heb dikwils met grooten roem van zyne Konstwerken hooren spreken, doch geen gelegenheid [ 98 ]gehad om 'er veel van te zien nog ook zyn Beeltenis, door Thomas de Keizer geschildert, daar Vondel dus op zeit:

De geest van PETER voer in 't ordineeren speelen,
En volgde vrouw Natuur op doeken en pannelen,
Zyn Kunstgetuigen. Toen, wie 't oordeel stryken kan,
Of LASTMAN Fenix was, of RUBBENS zyn genan.
De Keizer heeft hem dus zyn ommetrek gegeven:
Maar anders tekend hy zich in zyn Konst naar 't leven.

Gemelde Vondel, die door stadig met de braafste Konstenaren te verkeeren goed oordeel van Konst had, zeit: Dat zyne ordonnantien woelig waren, en zig welvoeglyk koppelden: zyn naakte wel geteekent, zyne Kleederen natuurlyk en vlak geplooit, en de Koleuren vloeyende en kragtig geschildert. Meer konnen wy 'er niet van zeggen, als dat gemelde Nederduitsche Maro den inhoud van een zyner voornaamste Konststukken in Vaarzen tot zyner gedachtenis en roem naargelaten heeft, welks hoofdschrift is; LASTMANS OFFERSTAETSI te LISTREN aan den Heere JOAN SIX. Dit is 'er 't begin af:

Wat dunkt u, Konstgeleerde SIX?
Wie had de schikkonst ooit zoo fix
Als LASTMAN, waard de teekenkroon
’t Ontfangen van Sint Paulus troon,
Toen hy zyn wonderwerk van Listren
Zoo versch vertoonde, als beurde 't gistren?
Dit tuigt uw hemelsch Tafereel,
Daar onze Apelles zyn Toneel
En grond met volle kennis bouwd,
En zoo deze Offerstaatsie houd,

[ 99 ]

Dat zelf de geest van Rome en Grieken
Nooit hooger zweefde op zyne wieken.
Met welk een' zwaai en staatigheit
En priesterlyke Majesteit
Verschynt al 't Heidensch Priesterdom
Voor d'oude Stad, vol yvers om
Te wierooken voor Christus Boden,
Hier aangezien voor Grieksche Goden!
Men acht dat hier in menschen schyn

[1]Merkuur, en Dondergod Jupyn
Verschynen, om den Jongeling,
Die flus op krukken ging, en hing,
Te heelen, zonder konst van kruiden.
Dat stuk verbaast veel duizend luiden.
Een rykdom, en verscheidenheit
Van toestel naderd, en geleit

[2]Bekranste en [3]witte Stieren vast

[ 100 ]

Naar d' Offerplaats op 's Priesters last,
Op veêl, tamboer, en lier, en fluiten,
Langs 't ryk bestrooide padt naar buiten.
Hier blaken fakkels, licht en klaar.
Hier riekt de wierookkandelaar.
Hier glinstren wierookvat, lampet,
En goude schotel, op dien tredt.
De Byl, en Bloetpan op het slagten
Van Vee en Offerhande wachten.
Een kenner ziet hier, heel vernoegt,
Hoe d'eene persoonadie voegt
By d' nder; en hoe elks gelaat
En ampt, gelyk een zangers maat,
Zyn plicht bewaart: hoe kleene en grooten

[ 101 ]

Hier treên, als op een' galm van noten.
Hoe schoon verschiet die lange ry,
Van verre flaau, en dichter by
Al sterker, voor 's aanschouwers oog?
Hoe deist de Poort, en Kerk, zoo hoog
En rond gebouwd, Jupyn ter eere,
Op datze ons noch de Bouwkonst leere.
Zoo stuit ten leste d'Ommegang,
Daar 't Outer wacht, en al te lang
Verlangde naar den Offerwyn.
Nu wil d' Aertspriester van Jupyn
In 't wit, bekranst met eike blaren,
D'Apostels eeren op d'altaren.
Maar zie om hoog, hoe 't heilig paar
Met woorden, handen en gebaar,
Van 't Heidensch gruweloffer yst,
En Offermans, en scharen wyst
Naar Godt, wiens eere altaren passen.
Zy roepen: wy zyn stof en asschen.
Gy zultze straks van boven neêr
Zien springen, Godts en Jesus eer
Beschutten, en van harteleet
En rouw [4]verscheuren elk zyn Kleet,

[ 102 ]

Op datmen bloet noch wynkelk storte,
En daetelyk d'Offerstaatsche schorte.
Hoe stemt de straal van ons gezicht
Met elks hoegrootheit, en met licht
En schaduw van een ieder zaak?
Hield vrouw Natuur om haar ver maak
Voorheen de hand aan eenig Schilder,
Zoo doet zy 't hier, en nergens milder.

  1. De bygeloovigheid had den oude Heidenen ingeboezemt te gelooven, dat de Hemelgoden zomtyds in menschelyke gedaante op de waereld verschenen, en omgang met de volken hielden, 't welk de oude Fabeldichters hielpen onderschragen; onder welke Naso, als een der voornaamste, wel mag gestelt worden, die by 't leven van Keizer Augustus een geheel boek van die herschepping geschreven heeft; in het welke hy onder meer andere vertellingen (want hooger staan zy by ons niet te boek) verhaald, hoe Jupiter en Merkuur, in Menschelyke gedaanten omwandelende, de ondankbaren verdelgden, en de herbergzame Philemon en Baucis in boomen veranderden; om dat d'een des anders sterfuur (dat hun beede was) niet met smarte zoude zien, waar op de puntdichter L. Rotgans, aldus zeit:
    Zoo treurt Philemon nooit by 't Lykvier van zyn vrouw;
    Noch Baucis scheurt om hem 't gerimpelt vel uit rouw.

  2. Bekranste] Dat de slachtdieren als zy naar 't outaar geleid wierden, met groene kranssen om hals en lendenen omhang- en waren, daar van hebben wy verscheyden voorbeelden in d'oudheid: gelyk ook anders, de lenden met een offerkleed, bestikt met goude en zyde Loopwerken, overdekt, en het hoofd met een pragtige offerhuif opgeciert, die tusschen de hoornen uitgespannen met zyde koorden aan de topeinden der hoornen gebonden wederzyds met kwasten afhingen, waar van wy de gedaante, afgeteekend uit een marmere fries, den woedende tyd ontrukt, om de gedachtenis daar van te behouden, hier nevens in print aanwyzen. Tot meerder opciersel hebben de Heydenen ook zomwylen de hoornen van het offerdier verguld. Ovidius zegt in zyn 10 Boek der Herscheppinge.
    Indutaque cornibus auro victima,
    Dat is;
    'T slachtofferdier hebbende de hoorenen verguld.
  3. § Witte stieren] Het offerbeest zullende dienen ter eeren van eenig oppergod moest niet alleen uitgelezen uit andere geenig mangel hebben, maar ook hagel wit wezen. En in tegendeel pikzwart als het dienen zoude tot een offer voor de Geesten en onderaardsche Godheden; gelyk L. Smidsheel wel heeft aangemerkt in het kantschrift op Nazoos werken, gelyk wy ook breeder zullen aanwyzen, wanneer wy van deze dingen in het byzonder zullen handelen.
  4. Het scheuren der kleederen was gemeen by de Hebreeuwen, wanneer iemant godslasterlyke woorden hoorden spreken. In later tyd is hier omtrent zekere bepaling gemaakt: want wy lezen by R. Maimonides, indien iemant een Israëliet zynde, een Israëliet Gods naam hoort lasteren, die moet zyn kleederen scheuren, maar indien hy het hoort van een Heiden zoo is het niet nootzakelyk. En dus zouden d'Apostelen zig hier in hebben vergrepen, of hun drift te ver vervolgt hebben. Wy hebben deze tegenwerping beantwoord in het kantschrift op het leven van DEN KRUISHELD, PAULUS p. 55. Hier komt alleen te pas, dat wy (om de Leerbegerige jeugt in 't regte spoor te leiden) aantoonen de wyze van het Kleederscheuren.
    De Kleederen van den hals af benedenwaarts met beide de handen van een te rukken, zulks dat men de naakte borst zag, was de gemeene wyze van Kleederscheuren. Dus leest men by Maimonides: De Kleederen moesten gescheurt worden van voren, en die de zelve scheurt op den rug, of in de zyde, of van enderen, wykt af van de gewoonte van scheuren; en by Joseph. in het 2. b. dess. De Overpriesters zelf kon men zien, op hun hoofden stof geworpen hebbende, en naakt aan de borst, hunne Kleederen gescheurt zynde, in tegenstellinge van die wyze van Kleederen scheuren, die alleen en enkel hoorde tot den Hoogenpriester, die zyn kleed niet anders vermocht als van beneden af naar boven op te scheuren; gelyk de Joodse meesters dit in hunne schriften naaukeurig onderscheiden. Dus lezen wy: De Hoogepriester scheurt van onderen, maer een gemeen priester van boven. Misna tit, Horajoth. Hoofdstuk 3.
    Volgens deze leiding hebben zig onze braafste Konstoeffenaars vergist, als zy den Hoogenpriester Kajaphas hebben verbeeld, zyne Kleederen van de borst nederwaarts scheurende.