De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Pietersz. Deneyn
| ← Jan Josephszoon van Goijen | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Roelant Rogman → |
[ 171 ]
De geltmiddelen (een groot behulp om tot wetenschappen te komen) zietmen ongelyk in de waereld gedeelt: en zoo het zeggen van een oud Fi- [ 172 ]losoof zeker gaat, zoo gevende Goden zelden Rykdommen en verstant te gelyk.
Schamen moeten zig zoo veel luye leeggangers, over het verwaarloozen van den kostelyken tyd. Doch het gaat in de waereld als het spreekwoord zeit: Die wel zouden willen, en konnen niet. Veel menschen hier toe genoegzaam van den Hemel gezegent, verzuimen die schoone gelegentheid; en eenigen die graag tot wetenschappen zouden willen komen, word door behoeftigheid, of iets anders, de tyd tot d' oeffeningen onmedogent ontrukt. Doch een onophoudelyke drift komt die klip wel eens te boven, en maakt dat zy heur doel bereikt. De spreuk van Juvenaal:
’T beurt zelden dat een Geest den hoek te boven raakt:
Die in zyn armoe naar de wetenschappen haakt;
Zeit niet, ’t beurt nooit, maar zelden. Dit zal de volgende levensbeschryving bevestigen.
In 't jaar 1597, op den 16 van Wintermaand is tot Leiden geboren PIETER PIETERSZ DENEYN, of van Neyn. Twaalf jaren oud zynde heeft zyn Vader hem besteed by een Steenhouwer, daar hy eenige jaren by bleef; maar zyn geest bekwaam tot grooter bezigheden, dreef hem aan tot het leeren der Mathematize wetenschap, en vorder tot de Bou- en Doorzigtkunde. Maar zyn ouders niet groot van vermogen, konden het hem niet volkomen doen leeren. Egter was zyn drift tot diergelyke wetenschappen zoo groot, dat, (niet tegenstaande hy dagelyks met zyne handen den kost met Steenhouwen winnen moest) hy, daar in zoo veer gevordert en toegenomen was, dat hy zelf in staat was om het aan anderen volkomentlyk [ 173 ]te leeren. En wyl hy uit dien hoofde kennis en omgang met veelweters, en ook schilders had; ook aan Esaias van den Velde Lantschap en Batalje Schilder; zoo liet hem die eerst eenige zyner teekeningen en daar naar ook van zyne schilderyen, (op voorgaande bericht aangaande de mengelinge der verwe, om dat hy een byzondere drift in hem zag) na maken. Waar door hy zodanig in korten tyd gevordert was, dat hy zig in staat bevond van zyn huisgezin daar door t'onderhouden. In den jare 1632, wierd hy Stads Steenhouwer, welke bediening hy nevens het schilderen waar nam, en onderhouden heeft, tot den jare 1639, wanneer hy al eenige jaren met een benaauwde borst gekwelt, (een gebrek dat den Steenhouders eigen is) eindelyk, stierf op den 16 van Lentemaand.