Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Titel en vooraf-gedichten

Uit Wikisource
[ i ]

DE

GROOTE SCHOUBURGH

DER

Nederlantsche

KUNSTSCHILDERS

EN

SCHILDERESSEN.

[ ii ]OP DE

TITELPRINT.


DE Konstgodes vervoert door yver
Verbeelt de Konstzucht van den Schryver
Die zig geen moeite en vlyt ontzag;
Om naam en roem der Konstenaren,
Die door den tyd verduistert waren,
Op nieus te stellen in den dag:
Noch dit de Leerjeugt konde weig’ren
Die op hun spoor ten Konstberg steig’ren.

Men ziet haar driftvuur aangesteken,
Den snellen Tyd zyn seizsteng breken
En wederhouden in zyn loop,
En zynen vluggen gang beteug’len,
Door ’t fnuiken van zyn’ snelle vleug’len.
De Beeltenisen over hoop
Geworpen worden, voor het knagen
Der wormen, rustig wech gedragen;

Op dat de Kunstjeugt die mocht sieren,
Met palm, en groenende Laurieren,
Of voerenze op naar d’Eeuwigheit.
Dan mag de Nyd haar gal uitbraken.
De blinde onwetenheit dit wraken,
Haar is een vaste glans bereit.
Daar zy voorheen gedaalt in ’t duister,
Steets pralen met vernieuden luister.

[ Auteursportret ]
[ Frontispice ]
[ Titelpagina ]

DE

GROOTE SCHOUBURGH

DER

Nederlantsche

KONSTSCHILDERS

EN

SCHILDERESSEN.

Waar van ’er vele met hunne Beeltenissen ten
Tooneel verschynen, en hun levensgedrag en Konst-
werken beschreven worden: zynde een vervolg
op het Schilderboek van K. v. Mander.

DOOR

ARN. HOUBRAKEN.

I. DEEL.



T’AMSTERDAM,


Gedrukt voor den Autheur, daar de zelve ook te
bekomen zyn, 1718.

[ I ]


DEN

EDELEN GESTRENGEN HEERE

DEN HEER

JOHAN VAN SCHUILENBURCH,

RAADSHEER, SECRETARIS,

EN

GRIFFIER,

VAN DE NAGELATEN DOMEINEN
VAN WYLE ZYN KONINKLYKE
MAJESTEIT VAN GROOT BRITTANJE
HOOGLOFFELYKER GEDACHTENISSE;
ENZ. ENZ.

GROOT BEMINNAAR

VAN DE

SCHILDERKONST.

[ II ]

WORT DIT EERSTE DEEL

VAN DEN

GROOTEN SCHOUBURGH

DER

KONSTSCHILDERS

EN

SCHILDERESSEN,

MET EERBIED

OPGEDRAGEN,


Door


Zyne Edelheits onder-
danigen dienaar
.


ARNOLD HOUBRAKEN.


[ III ]
 

Aan de

 

BEMINNAARS

 

Van de

 

SCHILDERKONST, KONSTOEFFENAARS en LEERLINGEN.

 

Mecenaten van de Kunst,
Konstaankwekers door wier gunst
Kunst en Konstenaren leven:
Koesteraars van dezen schat,
Die een dierbaar goet bevat
Dat die oeffening komt geven,
Daar zy levend in ’t verstant,
’t Recht begryp der dingen plant:

Vond uw Konstgenegen oog,
Als het wikte, of als het woog,
In een Konstwerk naar de Reden
Vergenoegen; daar ’t penceel
Met Natuur stryt op ’t Tafreel,
En des Hemels wonderheden
In de Schepselen verspreit,
Ziet door ’t Konstpenceel verbreit;

Gy hebt meerder reden thans,
Nu dit werk des nyv’ren Mans
U een oegst van Tafereelen,
Daar des makers geest in speelt
Door zyn pen aan u verbeelt;
Om uw zucht hier door te streelen,
Daar een yder voort gebracht
Staat te pronk in volle kracht.

[ IV ]

Konstenaars die moeite en zweet
Daaglyks aan uw werk besteet
Om uw Konst in top te stieren;
Hier verschynen op een Ry
Konstenaren zy aan zy
In hun Beeltnis, met Laurieren
Van onwelkb'ren roem op 't hooft,
Die noch Tyd, noch Wangunst rooft.

Dit moet u een spoor zyn, om
In vrou Pallas Heyligdom
Daar nooit vadzige aterlingen
Maar het yv'rig echte kroost,
Door dat yvervuur geroost
Met gerekten hals indringen;
Daar de Weldaad van haar troon
Reikt aan elk verdienden loon.

Klimt den Konstberg rustig op,
In uw yver. Op den top
Staan de blinkende Laurieren;
Die door moeite en zweet gerooft,
Na verloop van tydt het hooft
Van den overwinnaar sieren.
Vestigt hier op uwe hoop.
Kunst is maar voor zweet te koop.

En gy Konstjeugt die het zoet
Van de Konstvrucht smaakt, hou moet.
Valt die vrucht zomwyl wat bitter
In 't verkrygen zwicht maar niet;
Niemant kryg' hier aan verdriet,
Zoo hy worden wil bezitter
Van zyn oogwit en zyn wensch,
't Doelwit van den veegen mensch.

[ V ]

Span den boog van uw verstant,
Val met onvermoeide hant,
Steeds aan 't werk met lust en yver,
Op het spoor en voorbeelt van
Menig braaf en wakker man,
In de Konst; die van den schryver
Wort op zyn Tooneel vertoont,
En met eer en roem bekroont.

D'een verstrekt een baak in Zee:
D'ander wyst een goede ree,
Daar zy volgen d'een na d'ander
Op den SCHOUBURG kleen en groot,
Yder by zyn Jaargenoot,
Op het voorbeelt van VAN MANDER:
Daar verhaalt word wie door kunst
Drongen in der Vorsten gunst.

Hebt gy zucht en wetenslust?
Elk tooneel is toe gerust
Tusschen 't spel, in stee van Reyen,
Met vertogen die 't verstant
Zeker leiden met de hand,
En ten steylen konstberg leien,
Op een gladde en effen baan,
Door den Leidsman eerst begaan.

Zyt g'een onbedreveling
In des waerelts wisseling
In den SCHOUBURG zult gy leeren,
Hoe gy u op's waerelts vloed
Dragen moet in tegenspoed:
En uw driften zult beheeren.
Als u 't luk gelyk een bal
Toerolt, denk, 't is 't los geval.

[ VI ]

Laat geen luiaardy of waan
Door gewoonte u kleven aan.
Laat uw leidstar niet ontglippen
Uit het oog in volle zee
Daar gy dobbert naar de ree.
Myd dees twee gevreesde klippen
Daar gy schipbreuk lyden kont
En uw hoop zien gaan te gront.

Die zig in zyn eigen oog
Kleen verbeeld zig nooit bedroog;
Maar die te ydel zig vermeten
Konst en leyding te verstaan,
Zullen als 't 'er komt op aan
Schand'lyk toonen niets te weten.
Al wie zig op waan betrout
Op te zwakken grontsteun bout.

Gader als de nyvre By,
Uit deez' letterlekkerny
Voorraad voor de Wintertyden:
Of gelyk de Mieren doen,
In het prilste van 't saizoen.
Wil geen moeite of arbeit myden,
Voor gy hebt de nuttigheit
Tot uw voordeel opgeleit.

Al doende Leert men.

[ VII ]

Op den

GROOTEN SCHOUBURGH

Der

SCHILDEREN

En

SCHILDERESSEN

Gesticht door den Kunstryken Heer

ARNOLD HOUBRAKEN.


O Schilderleerling, dien de hant
Des meesters leit, om uw verstant
Te scherpen, en de kunst te leeren,
Die d'edele Natuur braveren
En wezens stellen kan in 't licht,
Tot lust en voedsel van 't gezicht:
ô Schilderleerling, lees de bladen,
Waar in gy ziet de brave daden
Der Kunnstenaren, hier genaemt,
En al de werrelt door befaemt.
Hier staan voor u verbeelt naar 't leven,
En door de nyvre pen beschreven
De Schilderhelden, welker naam
Heeft stof gegeven aan de Faam.
Hier ziet men Rubbens en van Dyken
Met hunne tafeveelen pryken,
In Vorstenhoven hoog ge-eert,
Daar hun geen haat of wangunst deert,

[ VIII ]

Hoe wrokkende, hoe zeer verbolgen.
Men ziet, hoe later geesten volgen
Op dien door lucht en heldendraf.
Hun naam verydelt doot en graf,
En leeft in weerwil van de tyen.
Hier maken ernst en boerteryen
Een mengeling van zuur en zoet,
Tot een verpozing voor 't gemoedt,
Dat zich vermeit in 't een en 't ander.
Dus hout Houbraken 't spoor van Mander
En van Sandrart, en van de By,
En schaft ons keur van lekkerny.
Ook geeft hy lessen waart te hooren,
Voor dien de Kunst heeft uitgekoren
Tot haren lieven voesterling,
Die voedsel van haar hant ontfing.
Maar hoe zyn veder is te loven,
Nogh gaat haar zyn penceel te boven.


D. van Hoogstraten.