De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Tusschenrede
| ← Pieter Lastman | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | David Teniers de oude → |
[ 102 ]'T heeft geen tegenspraak, dat, wanneer wy een oulingze Hebreeusche, Grieksche, of Romeinsche gebeurde zaak, of Historie willen vertoonen, wy ons dan in opzicht van de bekleedingen der Beelden naar 's Lands gebruik, wyze van plechtigheden, met hun gantsche aankleeven, toestel, en gereedschappen, moeten bedienen van die Schryvers welke het naast aan die tyden geleefd hebben: of van de verbeeldingen of marmere gedenkstuk[ 103 ]ken, en muntstempels, die eentydig met het geen waar van zy het gedenken dragen, ook te samen door den tyd grys geworden zyn; en niet doen als den Konstschilder Rembrant, die (gelyk Andries Pels in zyn Gebruik en Misbruik des Tooneels p: 36 zeit)
Op Nieuwe, en Noordermarkt zeer yv'rig op ging zoeken :Harnassen, Mariljons, Japonsche Ponjerts, bont,
En rafelkragen, die hy schilderagtig vond,
En vaak een Scipio aan 't Roomsche lichaam paste,
Of d'ed'le leden van een Cyrus meê vermaste.
En egter scheen hem, schoon hy tot zyn voordeel nam, :Wat ooit uit 's waerelds vier gedeelten herwaarts kwam,
Tot ongemeenheid van optooisel veel te ontbreken,
Als hy zyn beelden in de kleederen zou steken.
en veel min als die Schilderbaas, die, Kleopatra, daar zy de slang om haar te steken tergt, voor aan in een stuk, en op den agtergront de Kaart van Amsterdam met de nieuwe uitlegging vertoonde, en dus ons zelve bespottelyk maken by die, welke het wezentlyke in de Konst verstaan, en in de Oudheidkunde bedreven zyn. Wy verzwygen den naam van dezen vernufteling die noch in leven is, agtervolgens de les van Horatius, door den zelven Dichter Andries Pels aldus vertaald:
Wacht u, op 't leven van byzonderen te schimpen;
Met welk een schyn, wat slag van verwen, welke glimpen
Gy't ook wilt mommen. Toon in 't algemeen het kwaad;
Bestraf, berisp het; maar verzwyg hem, die 't begaat.
Hier ziet gy dan verbeelt, des Opperpriesters Muts, ook die van een minder Priester; de Slagtbyl, Slagtmessen, koker met Vilmessen, Wierookkandelaar, Lamp, Kiekenkevie, Offerhuif, Offerschaal, den offerpot, Wierookkoffertje, Watervat, Offerkruik, Kroezen, Kwispel, Wywatervat, Bloetpan, enz. in 't voorgaande vaers gemeld.
Met zulke Huif, of Hoofddekzelen dekte de Priesterschap hare hoofden, en die de Godtsdienstige plegtigheden bywoonden, gebruikten daar toe de slip van hun opperkleed of sluyer. Dit bevestigd Plutarchus daar hy zegt: De Romeinen tot de Goden gaande, plachten met bedekten hoofde de zelve te eeren, om met dat teeken de neerslagtigheid hunnes gemoeds te betuigen. En is niet buiten waarschynlykheid van Joachim Oudaan aangemerkt: dat de Apostel Paulus den mannen gebied met ongedekten hoofde te propheteeren; om 't gebruik der Christenen, tegen 't gebruik der Heidenen aan te kanten, en dus onderkennelyk te maken, gelyk zulks ook de toeleg was van Moses, het geen wy breedwydig uit Spencer hebben aangewezen in de Brieven van Philaléthes. Dit Hoofddekzel of deze Opperpriesterlyke Muts, [ Plaat p. 104 ]
II. Verbeeldde Muts of het hoofddeksel van een Flamen, Priester van Jupiter, 't welk de bliksem, op de zelve gestikt, duidelyk aan wyst. En om dat in velerlei gevallen te lastig viel voor de Opper[ 106 ]Priesters het hoofd met een hoed of huif bedekt te houden, is naderhand een draad of snoer Filum genaamd, in plaats gekomen, en de Priesters zyn zedert Flamines genoemd, zie A. Bogaert Rooms. Mog. p. 84. ook dekten zy somwyl hun hoofd met een krans van Laurier- of Eykenloof.
III. De Slagtbyl, overeenkomende met de gedaante die men van dezelve ziet op een penning van Lepidus, gemeen in de Muntkabinetten, IV. V. en Slachtmessen uit d'oude overgebleve marmere friezen binnen Romen gevolgd. Festus, zegt: dat het is geweest een lang yzer mes, met een rond yvoren handvatsel, dat met goud of zilver, of met spykers van Cyprisch koper beslagen was, 't geen de priesters tot de offerhande gebruikten. En het tweede heeft zyne overeenkomst met de afbeelding, die men daar van vind op de Keizerlyke munt, zie Oudaans Roomsche Mogendheid pag. 545. Tab. 113. 9. en 558. Tab: CXIV. 4. waar nevens wy niet t'onpas verbeelden VI. den Koker met Vilmesschen, die de slachters aan hun gordel hangende droegen; uit de oudheid opgespeurt door den oudheidkundigen W. du Choul, Raadsheer des Koninks van Vrankryk, en Bailliu over de gebergten van Dauphiné.
Van dezen hebben wy ook ontleent den Kandelaar, waar boven aan een schaalswyze holligheid te bespeuren is, bekwaam om wierook op 't ontsteken, waar op J. van den Vondel naar alle bedenken op gezien heeft in dit even voorgaande vaers, daar hy van een wierook-kandelaar spreekt. Welke dan van een zelve gebruik zal geweest zyn, als de wierook-vaten, en schalen; of konden tot een Lamp hebben gestrekt om licht te geven; aangezien deszelfs schulpschaal, [ 107 ]of lepelswyze holligheid op de top deszelfs eenige gelykheid heeft met de lepelswyze schalen op den zevenarmigen Joodschen Tempelkandelaar, waar van wy alleen een topstuk, in de print by de priesterlyke Muts (gevolgt naar de aftreekening die W. Goeree in het 4 Deel der Mosaïze Historien der Hebreeusche kerke p. 88. doet zien) vertoond hebben.
Diergelyk een gedaante van Kandelaar zietmen op een penning van Augustus, nevens een krans van Ossenbekkeneelen en offerschalen en bloemen aan een gevlogten.
Het zy daar mede zoo 't wil, dit gaat vast, dat d'oude Romeinen hun Tempeldienst en offerhanden met ontstoken lichten vierden. Op een penning van Antonia (na datse van Klaudius tot Priesterinne van den vergoden Augustus gemaakt was) ziet men twee ontsteken toortsen nevens een festoen van loos werk, met het byschrift SACERDOS DIVI AUGUSTI. Priesterinne van de vergode Augustus. Zie Oudaans Room: Mog: Tab: CXIII. 11. 12.
En aangezien d'oude Romeinen ook Lamplichten in hunne Tempelen, huizen of haardsteden gebruikt hebben, hebben wy ook deze Lamp. VIII. om hare vremde vorm en gedaante mede na geschetst, om te konnen dienen voor de Konstoeffenaars, wanneer zy somwyl eenige Godenbeelden, in Tempelen, of overdekte poortalen vertoonen, wyl het de gewoonte was dat voor de zelve zoo wel by dag, als by nagt brandende lampen hingen. Van welk Lamplicht zig ook de Priesters die by beurte de nagtwagt hielden hun gebruik hadden. 't Is ook dienstig voor die Huisgoden op hunne altaren vertoonen willen, by [ 108 ]welke altyd een brandende Lamp hing. Aan deze Lamp (uit den grond opgedolven in den jare 1525.) hing een kopere plaat waar in met Latynsche letteren geschreven stond LARIBUS. SACRUM. PUPLICAE. FELICITATI. ROMANORUM. dat is: Aan de Huisgoden toegewyd tot algemeen heil der Romeynen. En alzoo wy zagen dat wy den omtrek van onze plaat ruim genoeg genomen hadden, hebben wy ook dien brok steen IX (waar op de Kiekenkevie, van de Priesters en Wichelaars allerwegen met hun omgevoerd, om uit de wyze van het eeten der Kiekens voorspellingen te doen) nog te Rome in zyn geheel bewaard, en te zien, plaats ingeschikt. Uit deze schatkamer van oudheden hebben wy ook ontleend dezen beeldvertoonenden marmersteen, X waar op zig vertoond het Bekkeneel of ontvleesde stierkop met zyn Offerhuif. Deze inful, of Huif, was van gebreide wol, gespannen boven het hoofd des Offerstiers, gestruikt aan de topenden der hoornen, van waar de geknoopte offerbanden (van de Grieken ταινίαη, en van de Latynen Vittæ genaamd) neêrwaarts hingen. Met dit optooisel stond het Offerdier een en tyd lang voor het [1]altaar te pronken; daarna dienden de Bekkeneelen der geslagte Offerdieren, om de Godvrugtigheid en den Godsdienst te vertoonen, en wierden geplaatst tegen den altaar[2] XI. Deze altaren waren rond [ 109 ]of vierkant, hoog of laag, naar 't geen de Priesters daar op te verrigten hadden. Op het buitenrond, of zoo zy vierkant waren, op de plint beelden hebbende van Festoenen van bloemen, vrugten, offerschalen, bekkeneelen enz. Ook wel omvlogten of behangen met Festoenen van levend groen, doormengeld met bloemen, of vrugten; welke af hingen of geschikt werden, naar vereisch van het geofferde, of naar de onderscheyden Godenbeelden voor welke het offer geschiede. Daar benevens is het ook niet even veel (dit behoord een Konstenaar die zig in de oude Historien oeffend te weten) wat soort van slagtvee men op 't outer brengt, aangezien een zelve offer, d'eene Godheid vermaak, en d'andere een af keer verwekt.
Verkens wierden geslagt in velerhande voorvallen en opgeofferd aan verscheiden Godheden. Als aan Jupiter nevens een stier en schaap, alle vyf jaren te Romen door den Tugtmeester op het veld van Mars: aan Venus op de Bruiloften, om [ 110 ]hare gunst tot de voortteling: aan Ceres, om dat zy de bezaaide akkers met hunne snuiten niet omvroeten zouden.
Den Grensgod Terminus werd in de eerste tyden geen bloed geofferd; om dat hy een twistscheider is tusschen de Landbewoonders en de Lantheeren, en de Dorpelingen waren jaarlyks op den 20 van Februarius gewoon zyn beeld te bekrassen, en met offerkoeken te beschenken. Naderhand werd hem een zuigende bigge opgeofferd. Zie Ovid. 23. van zyn Alm: het 15 Hoofdstuk.
De Lampsaceners slagten jaarlyks een Ezel voor den Tuingod Priapus, en zy offerden het ingewand aan Vesta, op welker vierdag een Ezel word bepronkt met halssieraad. De overige krygen heilig avond en worden uit den rosmeulen ontspannen, tot dankbare gedagtenisse, dat de Ezel van Sileen, wanneer de Tuingod haar in den slaap stil meende te bekruipen, door zyn gebulk haar had gewekt, op datze dien snoeplustigen mogt ontvingten. Zie Ovid. 2. Boek aan zyn Alm: het 5. Hoofdstuk. Op den Feestdag van Saturnus werd een mensch geslagt. Welk onmenschelyk bedryf sproot uit misduyding van het Orakel. Dusdanig een dwaling (zeit H. Korn. Agrippa, in zyn boek van de ydelheid der wetenschappen p. 20.) is den Grieken en Italianen over gekomen uit de Dubbelzinnigheid van het woord Φως, 't geen en een mensch, en een licht beteekend, waar uit eertyds de bezorgers der Feesten van Saturnus, door des woords tweezinnigheid misleid, alle jaar aan Saturnus een mensch geofferd hebben, daarze hem met ontsteken wasse kaarssen of ander licht even eens hadden konnen te vrede stellen; welke misvattinge des volks ten laatsten door onderregting van Hercules begrepen zynde, zyn zy naderhand wyzer gewor- [ 111 ]den. Hoewel nogtans de Karthaginensers deze jaarlykse onmenschelyke menschenslachtinge (volgens getuigenisse van Curtius) noch lange jaren hebben onderhouden.
De Wyngaardeniers hadden voor gewoonte, alle jaar een Ram of Bok aan Bachus te offeren, op dat hy 't beschadigen van den wynstok zou voorkomen. Daar en tegen had Juno as keer van een Geit. Hoewel die van Sparta, zedert dat Herkules hun was voor gegaan, jaarlyks een Geit op haaren feestdag offerden. Dusdanige byzonderheden, thans van ter zyden ingevloeit, zullen wy elders verhandelen, en ons tot de verdere opening der Printvertooningen begeven.
By het sieren der altaren daar wy even van spraken moeten wy ook zeggen dat de Heidenen gewoon waren met dusdanige vercierselen de plinten tusschen de bovenlyst, die het tempeldak schooren, en de kapiteelen op te pronken (daar deze marmere brok, of plaat XII. het bewys van aantoont) en dus in wendig in hunne gewyde Tempelen deden stellen; om den aandagt door die godvrugtige bespiegelingen op te wekken. Gelyk dan deze steen om de gedagtenis daar van te behouden, gemetselt in den muur boven de poort van St. Just ontrent Lions nog te zien is. Waar in zig boven de Festoen met offerbanden aan twee gehoornde Bekkeneelen gestrikt zig ook doet zien een Patera zoo genaamd, dat is, Offerschaal: hoewel dit woord ook van Virgilius gebruikt word tot die schaal, of het bekken daar men gewoon was het bloed der slagtdieren in te vangen. Zie Oudaans Ro. Mog:p. 557. Deze schaal diende om by de offerhande uit te drinken; want (gelyk de Heer L. Smids in zyn kantschrift op Nasoos werken aanmerkt) Zelden waren [ 112 ]’er offerhanden zonder Gastmalen, waar in voornamentlyk de exta of ingewanden der geslagte dieren werden opgesmult, gekookt of gebraden van de Koks, die daar altyd tegenwoordig waren. De gedaante van den pot of ketel, genaamt olla ziet men XIII. vertoond. Daar nevens aan XIV. het wierookkoffertje Acerra genaamd, waar uit de Priester, zoo haast het offervlees aan 't smeulen was, een deel nam en wierp het in 't vuur om den stank van 't gezengde vlees te verdooven. XV. Vertoond een draagbaar watervat, dienende om het offer te reinigen. Ook XVI. het vel van een slagtdier. Dit diende by wylen voor de Priesters die den nagt over in de Tempelen bleven, om de Goddelyke antwoorden af te wagten van de Goden, over 't gene zy verzogten, om op te rusten. Daar Virgyl op ziet in het VII. boek, als hy zeit:
Op vellen neergespreit heeft hy den slaap gezogt. Want de Goden (zeit Cicero) spreken met de genen die slapen.
Hier nevens aan XVII. vertoond zig 't hooft eenes Rams, dat tot gelyke beduiding gesteld werd, als wy van 't hoofd des stiers gezegd hebben. XVIII. Vertoond de gedaante van een Offerkruik, daar de offerdienaars den wyn meê naar de Tempels, of daar de Offerdienst geschiede, droegen, en XIX. twee onderscheiden Kroezen, om den offerwyn, (na dat de zelve al vorens gevuld waren uit de Offerkruik Præsericulum of Sympulum genaamd) op 't altaar te plengen, of de drinkschalen te vullen.
XX. Een wit aarde kruikje met een engen hals Urceus, Urceolus, of Guttus genaamd (Druppelvat noemt het Oudaan) om dat'er het nat als by drup[ 113 ]pelen uit liep, en gebruikt werd om water uit te schenken tot reiniging en wassinge der handen, of om oly op de offerhande te gieten. In den jare 1520 is dusdanig een kruikje gevonden op den grond, of binnen de gesloopte muuren van het huis te Britten, bedenkelyk door Keizer Kaligula gestigt; thans met het zeewater bedolven. Van dit kruikje (by den Heere van Wassenaar nevens andere oudheden in bewaring) geven wy een afteekening, heel gelyk naar de gedaante die men daar van op verscheiden penningen van Keizer Antoninus en andere ziet; nevens den Wichelstaf. XXI waar van Oudaan zeit: De Wichelaar zullende eenige voorteekenen nemen, hield dezen staf in de hand en teekende of streepte daar eenige streken des Hemels mede af, om tusschen de zelve de voorteekenen van 't geen 'er voorkwam waar te nemen, zonder zyn oogen wyder te laten weyden. Die ook van gedachten is: Dat (nadien de zelve hol was) de Wichelaar daar op heeft konnen blazen, en daar meê geluit maken, als met een krygsklaroen. XXII. De Kwispel, of de Besprengkwast. Deze diende nevens een Laurier of anderen groenen tak, om de Offeraars of 't geofferde, gedoopt in 't water daar d'offertoorts in uitgeblust was, te besprengen: voor welk besprenkelen d'oude Heidenen groote achtinge hadden, verbeeldende zig daar door van misdryf-smetten gezuivert te worden. Virgilius, beschryvende de uitvaart van Misenus, zegt, dat Coryneus de beenderen in een koper vat gezet hebbende, de geenen, die daar rondom waren, drywerf met schoon water besprengde, gebruikende tot een Kwispel een Olyftak.
Hier by vertoonen wy XXIII. het Wywatervat. Dit werd geplaatst aan, of in den ingang [ 114 ]der Tempelen, om de genen die tot de zelve ingingen te besprengen. Gelyk wy 'er dan een van geen onsierlyken stal, uit een oud overblyszel nagebootst doen zien. Eindelyk XXIV. het Afbeeltsel van de holle Schotel of Bloetpan Discus genaamt. Oudaan noemt de zelve een Platteyl, en wierd gebruikt om het bloed der Offerdieren welke geslagt wierden in te vangen, of om de ingewanden daar in te reinigen. De Konstschilders moeten ook niet verzuimen eenige Fluitenisten of Pypers by de Offerhande te plaatsen; aangezien de zelve daar, en inde Lykstatien, en blyde Feesten alzins in 't spel komen: spelende zy op enkele Fluiten Tibae genaamt, en dubbele Fluiten, die regs en links behandelt, d'eene een hoogen of scherpen, d'ander een lagen of doffen toon speelden. Waar van wy verscheiden soorten A. B. C. uit oude marmere gedenksteenen vertoonen, in de even Voorgaande print.
Van meer andere byzonderheden zullen wy op een andere plaats spreken, als wy van de Feesten die onder de Heidenen in gebruik waren zullen handelen, en inzonderheid van zulke, die met woeste dertelheid, dronkenschap, en geilheid verzeld gingen. Dus willen wy onze tusschenrede hier afbreken.
- ↑ Dus op het ruggestuk eenes pennings van Cesar, vertoond Tab. CXIV. Fig. 4. in Oudaans, Roomsche Mogendheid.
- ↑ Altaar] De Heidensche schriften melden van een altaar van uitstekende hoogte, die Apol van enkele Bekkeneelen, of hoornen der geslagte Offerdieren had opgestapelt. 't Welk Dan. Heinsius in zyn Lofzang van Bachus, dus te pas brengt.
Men zeit dat Febus heeft gemaakt in oude tyden
Een groot en hoog altaar, bestuwt aan alle zyden
Met horens die hem bragt zyn zuster uit het velt,
Die menig horenbeest by Delos had gevelt.Een potsig Dichter heeft deze volgende rymregelen daar op toegepast,
Zoo eens de Mannen in 't gemeen,
De Hoornen zamelden by een,
Die dikwils de geliefde vrouwen,
Voor pluimen, zetten op hun hoofd:
Men zou daar meê op 't minst, gelooft
My, wel een altaar konnen bouwen,
Zoo hoog als in Egiptenland,
Ooit spitze grasnaald is beplant.