Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Tusschenrede, schilders-anecdotes

Uit Wikisource

[ 165 ]
Men vind onder d'oude Konstschilders stalen van zulke die met hunne werken traag of langzaam voortgingen, en wederom anderen welker werken (gelyk het spreekwoord zeit) als van de hand vlogen, aangeteekent.

Protogenes nam veel tyds tot het maken zyner Konstwerken, schilderde dezelve viermaal over, om dat zy het marmer zouden konnen verduuren. Leonard da Vinsi zegtmen, dat over zyn schoone Mona Lisa, vier jaren bezig was, en 't stuk noch [ 166 ]onvoldaan liet. En Zeuxis roemde dat hy lang over zyne werken bezig was, zeggende: De rasheit geeft geen bestendige schoonheid, daar de gestadige en langzame arbeid, een bestandige kracht, het werk een duurzame luister geeft en doet behouden. Waar op het spreekwoord past,

Haast gedaan, haast vergaan.

Anderen daar en tegen hebben hunne Konstwerken met een ongelooffelyke vaardigheid weten af te maken, als Rosso, Pordenenes, Peeryn del Vago, Polidoor, en oulings onder de Nederlanders Frans Floris, die, wanneer hy eens boven zyne gewone rassigheid wilde toonen wat het penceel vermogt, wanneer het door yver aangezweept word, schilderde zeven beelden levens groot, in den tyd van zeven uuren, welke dienen moesten tot de pragtige inhaling van Keizer Karel tot Antwerpen.

Deze voorbereitselen hebben wy gemaakt om die drie bekende penceelkampers, namentlyk KNIPBERGEN, VAN GOIJEN, (waar van wy daadlyk breeder zullen spreken) en PARSELLES daar by te gedenken. Deze (dus verhaalt het Hoogstraten, in zyn VI Boek van de Hooge schoole der Schilderkonst) hadden t' zamen een wedding aangegaan, om elk binnen zonneschyn een stuk te maken. KNIPBERGEN stelde een tamelyk grooten doek op den Ezel, en het penceel tot zyn wil hebbende, begon op zodanig een aangewende wyze te schilderen, dat al wat hy ter neer zette gedaan was; want lucht, verschiet, geboomte, gebergte, en stuyvende watervallen, vloeiden uit zyn penceel, als de letteren uit de pen van een vaardig Schryver. Hy sloeg zyn bladerwerk en spartelende groente, op een [ 167 ]aangewende lugtige wyze; de dunne wolken dreven hem als van de hand, en de klipagtige rotsen, en brokkelige gronden werden als spelende uit zyne verwen geboren. Nevens dezen zat JAN VAN GOIJEN die op een gansch andere wyze te werk ging. Want zyn geheel paneel overzwadderende hier licht, daar donker, min of meer als een veelverwige Agaat, bestont hy allerlei aardige koddigheden daar in te zoeken, die hy met weinig moeite, door penceeltoetsen kenlyk maakte, zoo dat ginder een geestig verschiet, versiert met boere gehugten zig op deed. Hier zagmen een oude steevest, met poort en waterhoofd voor den dag komen, en zig in 't aankabbelende water spiegelen, ook verscheiden slag van Schepen, en Schuiten met vragt of reizigers beladen. In 't kort zyn oog, als op het uitzien van gedaantens, die in een Chaos van vermengde verwen verborgen lagen afgerecht, stierde zyn hand en verstand op een vaardige wys, zoo datmen een volmaakte schildery zag, eer men regt merken kon, wat hy voorhad. De derde was PARSELLES, die groote Fenix in 't Zeeschilderen. Maar de aanschouwers gaven den moed byna verloren, als zy zagen hoe traag hy zyn penceelen handelde, ja het scheen in 't eerst, of hy moedwillens den tyd verkwiste, of niet wist, hoe te beginnen. Maar dit kwam om dat hy eerst een vast denkbeeld vormde van zyn gansche werk, eer hy verf op 't paneel bragt. Maar de uitslag toonde wel dat dit de regte wyze van doen is; want schoon hy in langzaamheid volharde, hy nam alles zeker en wis, en was des avonds zoo wel klaar met zyn stuk, als zyn tegenstryders; en hoewel KNIPBERGENS stuk grooter, en VAN GOIJENS volder van werk was, PARSELLES had in het zyne meerder natuurlykheid waargenomen, en 't werd ook by de kenners waardiger geschat, schoon yder in [ 168 ]’t zyne niet en was te verwerpen.

Ik houde deze laatste wyze ook wel voor de zekerste, ook de tweede wel voor de vremdste; en lust het u Lezer, te luisteren, ik zal u diergelyk verhaal doen van den Franschen la Fage, door zyne Teekeningen en Printkonst genoeg bekent.


JOAN VANDER BRUGGE, die te Parys omgang met hem hadde, had zyne Landsluiden, Brabanders, wonderen van dezen Raimond la Fage weten te vertellen, en hun belofte gedaan, dat hy hem eens van Parys meê zouw brengen, gelyk hy dan eindelyk deed. Hy kwam met hem in de gewoone schilderskroeg, en plaatste hem nevens den schoorsteen aan den haart, zonder dat ymand daar eenig agt op gegeven had, veel min eenig vermoeden dat dit la Fage was, die met hem was ingekomen. Behalven dit had hy geen glansig goud, of zilver om zig, dat straks het oog trekt en dikwils gelegentheid veroorzaakt in de nieuwsgierigen om te weten wie zoo een is.

'T leed niet lang of 't gezelschap maande VANDER BRUGGE tot het voldoen van zyne belofte, waar op hy met een lachenden mond antwoorde: Of ik hem nu eens meê gebragt had? Hier door stak elk d'ooren op, en begon d'een voor en d'ander na te vragen: waar is hy? Daar op (na hy hen een lange wyl in de maling gehouden had,) zeide hy: la Fage is onder ons gezelschap, en wees hem aan: doch zy namen dit op voor spotterny, waar om ook sommigen zig niet ontsagen te zeggen: (wyzende met den vinger op hem) is dit la Fage? hy lykt 'er wel na. Dit lokte la Fage uit den hoek; die zyn hals als een paauw opstak, en met een bytende stem zeide: Ik ben 't zelf, en wilt gy 'er 't [ 169 ]bewys van zien, zoo doen papier en inkt geven. Dit werd hem straks bezorgt, en hy aan de tafel gezeten, daar zy alle rond om henen schoren, en voorts op stoelen en banken klommen, om over de voorste heen te konnen zien, vraagde hy: wat zy wilden dat hy zoude maken? waar op een uit den hoop hem toeriep: Pharao daar hy in 't Rode Meir verdrinkt, 't welk van alle tegengesproken wierd; wyl onbehoorlyk was, hem, die hun d'eer aandeed van in 't gezelschap te komen, een werk te vergen daar de gansche avond meê zouw deurloopen, en over zulks geen tyd overig zyn om hem eenig vermaak aan te doen. 't Woord was egter gesproken, en la Fage begon aan 't werk, maar op een wyze waar van zy alle verbaast stonden te kyken. Hier schetste hy een arm, ginder een been, hier een hoofd, daar een voed; dan eens eenige beginselen van t' zaam gekoppelde beelden in 't verschiet, straks weer op den voorgrond; zulks dat in 't kort het gantsche blad papier alom bezaaid stond met stukken en brokken, van paarden en menschelyke figuuren. Eindelyk kwam die Chaos van onder een vermengde leedematen, tot een Konstige welgeschikte teekening aangegroeit, binnen den tyd van twee uuren tot aller verwonderinge voltooit, waar in hy verbeeld had hoe Pharao met zyn krygsheir, en paarden en wagenen, waar mede hy Moses vervolgde, in 't Rode Meir verdrinkt, die met Aaron en gans Israël op het drooge over hunne verlossinge juigten. En dat alles vast naar de Konst geteekent met een menigte van cierlyke byvoegselen, zoo vazen als kruiken, en menigerhande veranderinge van dragten, sluyers en hoofdhulsels, te lang om te verhalen. Dit is my dus van goederhand berigt, en ik geef [ 170 ]het, zonder daar op te woekeren, voor den eigen prys, als ik het ontfangen heb weêr over. Zyn Leerling Bauttard thans in Engeland, heb ik 't ook op gelyke wys, doch ontrent een werk van geringer beslag in een vol gezelschap, daar ik tegenwoordig was, zien doen.