Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Tusschenrede, vervolg

Uit Wikisource

[ 142 ]
Wy willen, eer een ander opkomt, de Schoutoneelgordyn maar even laten vallen; om het geen in de voorgaande tusschenreden open bleef, te vullen.

Laatst werd onze Redenvoering, in haar vollen loop (even als het snarenspel door 't oplichten van de Tooneel gordyn) gestuit, thans zullen wy dien toon weêr opvatten, en vervolgen.

Wy spraken van de Offergereedschappen die zig ontrent der Heidenen Godsdienst deden zien, waar aan rest te spreken van de konstig gewrogte Dryvoeten, of Dryvoetschragen, daar d'ouden zoo veel meê op hadden, de dryvoetschragen waren tot verscheiden gebruik geschikt, en niet alleen van koper en zilver gemaakt, maar ook met allerhande konstig beeld- en loofwerk gesiert, die zy aan byzondere goden als aangename geschenken toe eigenden.

Onder verscheide die Herodotus te Thebe in Beotie gezien heeft, gedenkt hy van een pragtigen dryvoet in den Ismenisen Tempel van Apollo; die met dit opschrift in Kardinische letteren pronkt:

De Vorst Laodames heeft dezen Dryvoet vol Van Konstwerk toegewyd den grooten God Apol.

[ 143 ]

Verscheiden afbeeldingen der oudtydze Dryvoeten of Dryvoetschragen, ziet men ter gedagtenis van der zelver gebruik op de Roomsche penningen, waar van wy de juiste afbeeldingen in plaat, hier nevens vertoonen, als 1 die van Vitellius met het byschrift: PONT. MAX. TR. POT. AUGUR. Opperpriester van Wykmeesterlyke macht, Wichelaar.

Dus ook op een penning van Antoninus, die den Eernaam van AUGUR of Vogelwichelaar onder zyne voorname Eertytelen aannam. Niet ongelyk aan dezen is de penning van M. Lepidus; met dit onderscheid nogtans dat zig boven uit den Dryvoetstal een Slang vertoond, door welke (zeit Lucianus) Apollo gewoon was zyn antwoorden te geven aan d'Orakelvragers. Zie Fig. 3.

De groote agting die de Heidenen voor dusdanige Dryvoeten hadden, heeft geen andere reden: als, om dat dezelve een zweemsel hadden naar den Delfisen Dryvoetstal, waar uit het blinde Volk geloofde dat Apollo aan de Orakelvragers antwoorden gaf. Het blinde Volk zeggen wy; want ons ontbreken geen stalen om te bewyzen, dat mannen van uitstekent vernuft, en naauwe opmerking onder de Heidenen dusdanige bedriegeryen bespot hebben. [ 144 ]Kato plag te zeggen: Dat hy verwondert was, dat een Wichelaar niet lachte, zoo dikwils hy een Wichelaar tegen kwam; om dat zy onder schyn van Godsdienst het gemeene volk by de neus omleiden.

Velen hebben zig afgeslooft om den Godsdienst der Heidenen in zyn binnenste te beschouwen; om de ydelheid deszelfs, en de bedrochplegingen der Wichelaren en Tempelpapen t'ontdekken en aan 't licht te brengen. Maar wy beschouwen het zelve maar alleen in den buitensten omtrek, en doelen op de zienlyke pragtige versierselen; (welker glans het gemeen in d'oogen schitterende te meerder achting voor dien Godsdienst deed hebben) om onze Konstgenoten in 't gemeen, en de yverige Schilderjeugt in 't byzonder dienst te doen; wanneer wy hun den weg wyzen tot de Oudheidkunde, 't welk nootwendig is voor die zig tot het verbeelden der Historien begeven, en niet graag tegens het gewoon gebruik dier aeloude volken mistasten. En op dat de leergierige jeugt zig verzekerd mogt houden dat de kundigheid dier dingen den Konstschilders dienstig zy, zoo heeft hy maar alleen op te merken, hoe G. Laires alzins daar 't te pas komt, zig van dergelyke sieraden (om zyn werken luister by te zetten) heeft weten te bedienen: en nog meer roem verdient zou hebben, zoo hy de outheid daar in nagebootst had.

Tot dus ver oordeelen wy in opzigt van den toestel der Heidensche Offerhanden met hun aankleven genoeg gezeit te hebben; schoon wy alleen de franje (om zoo te spreken) van dien voorhang alleen beschouwd hebben. Verder was onze toeleg niet: en men oordeelt een zaak volkomen te wezen, die aan het oogmerk voldoet.